Voltooid verleden tijd

“Mijn” rechtbank, inmiddels Rechtbank Limburg geheten, zetelt sinds 1995 in het voormalige ziekenhuis van Maastricht, St. Annadal, in een buitenwijk van de stad. Omdat ik in 1998 als officier van justitie ben begonnen, heb ik geen andere locatie meegemaakt.

Voor 1995 bevond het paleis van justitie zich echter nog midden in het centrum van de stad in een prachtig oud gebouw dat jarenlang dienst had gedaan als Minderbroedersklooster van de orde der Franciscanen. De hoge gewelfde hal met in het midden een grote, statige trap boezemde ontzag in.

De verhalen van de oudere garde over wat zich in vroeger jaren allemaal op deze historische plek heeft afgespeeld, zijn legendarisch. ’s Middags werd soms ineens voor een hele bubs Chinees gehaald. Of er werd onder de administratief medewerkers en parketsecretarissen een practical joke uitgevoerd. Ik vrees dat we daar nu geen tijd meer voor hebben.

Het grote voordeel van de centrale ligging in het oude gezellige stadshart was dat je tijdens je middagpauze lekker de stad in kon lopen. Recht tegenover de rechtbank lag (en ligt nog steeds) een bruine kroeg, toepasselijk “De Tribunal” geheten waar de parketsecretarissen – de deftige heren officieren hielden zich hier verre van – iedere vrijdag na het werk een Brand biertje gingen drinken om het weekeinde in te luiden.

Destijds bestond ook nog geen noodzaak om alles zo strak te beveiligen als tegenwoordig helaas het geval is. Elektronische pasjes, tegenwoordig voor personeel de enige manier om binnen (en, belangrijker nog, ook weer buiten!) te komen, waren nog niet uitgevonden, toegangscontrole compleet met metaaldetector evenmin. Mocht je het gewild hebben, kon je dus zomaar niet alleen het pand, maar ook de daarbinnen gelegen kamers van rechters en officieren binnen lopen aangezien er alleen een bode aanwezig was. En dat deden sommigen, bijvoorbeeld advocaten, dan ook wel eens.

Bezoekers moesten de kamer van “den Hoofdofficier” – in die tijd zonder uitzondering een streng kijkende man – naar goed toenmalig gebruik achteruit lopend (!) verlaten. Ook heerste er een veel grotere afstand tussen administratie, parketsecretarissen en officieren van justitie dan tegenwoordig, waardoor tutoyeren van laatstgenoemden (zoals nu gelukkig heel normaal is) uit den boze was.

Terugkijkend was vroeger dus wel veel, maar zeker niet alles beter.

Alleen de herinneringen blijven.

De rest is voltooid verleden tijd.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 14 mei 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

vvt2Voltooid verleden tijd

De tranen van Ali B

Enige tijd geleden was Ali B. in DWDD waar hij al huilend een liedje vertolkte over zijn twee kinderen die veel te snel groot worden. Via Facebook werd ik door een vriendin erop attent gemaakt. Haar aansporing “Echt heel erg mooi…luister” maakte me nieuwsgierig, dus klikte ik op het filmpje.

Ik weet niet wat ik precies verwachtte maar in ieder geval niet dat ik binnen een halve minuut mijn ogen vochtig voelde worden. Ik zag nou eens niets de stoere rapper, maar een uiterst gevoelige vader die het aandurfde om op nationale tv over zijn misschien wel diepste angsten te zingen terwijl de tranen over zijn gezicht stroomden. Wat een moed als je je zo kwetsbaar durft op te stellen. Het feit dat Ali B. later toelichtte dat zijn emoties ook werden veroorzaakt door het recente overlijden van zijn vader doet daar niet aan af.

“D’r komt een tijd dat jullie niet meer willen knuffelen met papa (…). Dan zijn m’n kleine mannetjes niet meer klein. Ik vraag me af, waarom moet het nou zo snel gaan. Ik lach en ik lach een traan, want op een dag laat ik jullie gaan.

Uren die vliegen. Die jaren die liegen. Ze zeggen: doe rustig aan, er is tijd genoeg. Zien jullie niet dat ik jullie zo lief heb. Ik mis jullie nu al, terwijl jullie nog bij me zijn (….).

En misschien valt het allemaal wel mee en ben ik eraan gewend voordat ik het weet. Maar misschien verandert niks aan mijn pijn. Misschien zal ik er tegen die tijd niet eens meer zijn. Misschien weet ik één ding wel zeker: ik mis jullie voor het leven.”

De tekst van zijn liedje – dat inmiddels al op nummer 14 van de tipparade staat –  appelleert aan een oergevoel dat alle ouders over de hele wereld maar al te goed kennen; de angst dat je kinderen in een vloek en een zucht groot zijn en jou niet meer nodig hebben. Het is ons mensen eigen dat we met open ogen een kansloze strijd willen aangaan tegen het meedogenloze doortikken van de tijd, tegen de vergankelijkheid en vluchtigheid van al het mooie in het leven. En als het dan ook nog over ons eigen kroost gaat, komt het allemaal wel heel dichtbij.

Dit universele thema is al vaker bezongen, o.a. door Abba in het prachtige “Slipping through my fingers” dat gaat over een te snel opgroeiend dochtertje:

“Schoolbag in hand, she leaves home in the early morning
Waving goodbye with an absent-minded smile
I watched her go with a surge of that well-known sadness
And I have to sit down for a while

The feeling that I’m losing her forever
And without really entering her world
I’m glad whenever I can share a laughter
That funny little girl

Slipping through my fingers all the time
I try to capture every minute
The feeling in it
Slipping through my fingers all the time
Do I really see what’s in her mind
Each time I think I’m close to knowing
She keeps on growing
Slipping through my fingers all the time (…).

Sometimes I wish that I could freeze the picture
And save it from the funny tricks of time
Slipping through my fingers…”.

Zelf ken ik het gevoel maar al te goed, ook al heb ik inmiddels een zoon van 21 en een dochter van 19 die allang niet meer klein zijn. Want moeder – en vader –  ben je voor altijd.

Als ik dan een troost zou willen bieden, is het deze: zelfs de grote meester Shakespeare had er in zijn tijd al last van toen hij zo mooi verzuchtte: ““I weep to have what I fear to lose”.

Beste Ali, je bevindt je dus in goed gezelschap. Wij lijden allemaal met je mee. Hou je daar in je moeilijke momenten maar aan vast.

© Pascale Bruinen

ali b2

 

Afscheid

Er is een afscheidsgolf gaande op ons parket. In korte tijd verlaten drie collega’s de werkkring omdat ze gaan genieten van hun welverdiende pensioen. Ik ken ze alledrie, maar met de een heb ik meer van doen gehad dan met de ander.

De drie parketsecretarissen hebben er allemaal een lang dienstverband op zitten. Dit betreft nog de generatie die het hele werkzame leven trouw is geweest aan één en dezelfde baas. Kom daar tegenwoordig maar eens om.

Een aantal collega’s heeft voor een van de vertrekkende mannen (laat ik hem Dirk noemen) een heuse surprise-brunch georganiseerd. Ze hebben allerlei lekkers ingeslagen zoals (paas)eieren, verschillende verse broodjes, vleeswaren en kaas als beleg, lekkere cakes, melk en fruitsap.

Tijdens de middagpauze verzamelen zich vele medewerkers in een lege vergaderzaal waar alles al feestelijk klaar staat. Als we allemaal binnen zijn, gaan twee mannen het nietsvermoedende feestvarken ophalen. Ondertussen moeten wij zo stil mogelijk blijven, maar dat blijkt geen sinecure. Zeker niet als tot wel drie keer toe de deur openzwaait en het telkens niet onze pensionado, maar een laatkomer blijkt te zijn.

Maar dan is eindelijk het moment suprême aangebroken en stapt onze bijna-gepensioneerde al kletsend de ruimte binnen om meteen stokstijf te blijven staan bij het zien van al die mensen en het horen van ons gebrulde “Verrassing!”. Een grote glimlach verschijnt op zijn gezicht. Hij is zichtbaar ontroerd.

Onze hoofdofficier houdt een mooie speech waarin hij tot hilariteit van velen memoreert dat het inmiddels bijna 45 jaar geleden is dat onze Dirk als zeventienjarige (!) bij het parket was begonnen als “Schrijver A” (geen idee wat dat inhield) voor het lieve sommetje van 440 gulden per maand.

Braaf sluit ik aan in de rij om afscheid van Dirk te nemen. Als ik aan de beurt ben, blijkt dat hij bepaald niet achter de geraniums zal gaan zitten. Hij gaat lekker genieten van al het moois dat het leven te bieden heeft.

Met drie kussen op de wang (een goed Limburgs gebruik), een bedankje voor onze samenwerking en een ferm “Veel plezier met alles wat je gaat doen!”, neem ik afscheid van een instituut .

Even later zit ik weer achter mijn bureau alsof er niets is gebeurd.

En toch.

Op de een of andere manier voelt het anders.

© Pascale Bruinen

afscheid

Deze column is op 9 april 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad

Het Spookhuis

Onderstaand verhaal (waarvan ik letterlijk de tekst heb overgenomen) schreef ik toen ik een jaar of 10 oud was. Het belandde destijds zelfs in het schoolkrantje van mijn basisschool. Daarmee is dit mijn allereerste officiële publicatie als schrijfster (en nog wel zelf getypt op mijn vaders typemachine)!

Zoals alle meisjes van die leeftijd was ik een paardengek. Iedere zaterdag ging ik ponyrijden, het hoogtepunt van mijn week. Daarnaast las ik alles wat los en vast zat over paarden en miste ik geen aflevering van Black Beauty, de serie die ging over een jonge meid en haar zwarte paard. Mijn verhaal is daar “losjes” op gebaseerd, ben ik bang.

Natuurlijk heb ik mijn ouders jarenlang gek gemaakt om een paard of pony te kopen. Maar verder dan een hoofdstel ben ik helaas nooit gekomen.

Lees en huiver!

Het Spookhuis

“Jane”, riep mevrouw Stone, “Jane, kom je nog of wil je soms te laat komen?”

“Ja, ja”, zei Jane verstoord. Ze was verdiept in een artikel waarin iets stond over een spookhuis in Dartmoor. Jane at vlug het laatste hapje van een boterham, dronk een slok thee, kuste haar moeder goedendag en liep naar de stal. Daar stond Bliksem, haar paard, gezadeld en al. “Aha, dat is werk van moeder, dat is toch een schat”, dacht Jane. Ze stapte op, gaf het paard de sporen en daar gingen ze.

Om vier uur kwam ze uit school. Thuis aangekomen zette ze Bliksem in de wei en liep naar de deur. Ze liet de klopper vallen. “Banggggg”, deed het hard. Jane, die er aan gewend was dat er direct iemand naar de deur kwam, keek verbaasd toen het alsmaar stil bleef. Nog eens liet ze de klopper vallen, maar het had geen zin. Pas toen zag ze een briefje waarop stond: “Ben naar oma. Kom om zes uur pas terug. Sleutel ligt onder de mat. Mama.”

Jane’s gezicht betrok, maar klaarde al snel weer op: ze was een avonturierster en dacht weer aan dat artikel uit de krant. Dat was nu net wat voor haar….

Ze liep naar de wei. Haar besluit was genomen: ze zou naar het spookhuis gaan. Ze stapte op en reed weg. Bomen en struiken schoten voorbij. Onderweg dacht Jane: “Zes uur. Dan moet ik terug”.

Na een half uur kwam ze in Dartmoor. Dartmoor is een gebied in Engeland waar moeras en kale stukken zich afwisselen. Na een poosje te hebben gereden zonder iets te hebben gezien, kwam ze bij een oud uitziend herenhuis. Het was kennelijk verlaten (opmerking: het woord “kennelijk” stond er destijds echt al in, ongelofelijk maar waar). Ze stapte af, bond Bliksem aan een boom en liep naar het huis. De schemer begon al te vallen. De wind gierde om het huis. Ze keek eens door een van de kapotte ramen.

“Wat een troep, als mama dit zag, zou ze meteen beginnen te poetsen”. Ze raapte al haar moed bijeen en deed de deur open, wat bepaald niet ging zonder gepiep of gekraak. Wolken stof dwarrelden door Jane’s gezicht. Ze kuchte eens. Dan……………

Zag ze daar niet iets bewegen? Of was het maar inbeelding? Jane hoopte op het laatste. Ze liep verder, naar de woonkamer, waar ze de overblijfsels zag van de meubels. Toen kwam ze in een gang, waar allemaal harnassen stonden. Ineens….banggggg…..daar viel een vizier dicht! Jane schrok zich een aap. Ze besloot het maar te vergeten. Het zou wel toeval geweest zijn.

Maar dan vloog de deur achter haar dicht. Ze liep ernaar terug en trok aan de deurknop. Deze zat muurvast. De gang scheen nergens op uit te komen, want er was geen andere uitgang. Verdrietig en angstig tegelijk ging ze op de grond zitten. Was ze hier maar nooit aan begonnen.

Eensklaps hoorde ze voetstappen. Ze kwamen steeds dichterbij….Het klonk harder en harder…..Het was nu heel dichtbij. Toen begon het tegen de deur te schoppen. Jane was nu zo bang geworden, dat ze haar ogen maar dicht deed. Ineens vloog de deur open. Jane stond verstijfd van schrik. Toen hoorde ze haar paard hinniken. Ze deed haar ogen open en wat zag ze? Haar paard was naar binnen gekomen! Het was natuurlijk ongerust geworden, omdat het baasje zo lang weg bleef. Toen was hij maar naar binnen gegaan om eens te kijken waar het vrouwtje was; nou, dat was hem aardig gelukt ook.

Jane schreeuwde van vreugde: “Oo Bliksem, hoe heb je me kunnen vinden. Je bent het knapste paard van de hele wereld.”

Ze keek op haar horloge. Half zeven al….. Wat zou moeder ongerust zijn. Ze pakte haar paard bij de teugels en liep snel naar buiten. Daar stapte ze op en reeds snel weg. Na een half uur kon ze haar huis al in de verte zien liggen. Hoewel het al donker werd, kon Jane een gestalte wild zien staan zwaaien voor het hek. Dat was haar moeder.

Bij het hek aangekomen vroeg deze met ongeruste stem: “Kind toch, waar ben je al die tijd geweest?”

Nou, dacht Jane, ik zal maar alles vertellen. En toen ze uitverteld was, zei moeder een beetje bestraffend: “Laat het een les voor je geweest zijn. Ga nooit meer zonder toestemming ergens heen. Begrepen?”

“Ja, mams”, zei Jane.

Sinds dat voorval had Jane veel minder belangstelling voor spookhuizen.

E…i…n…d…e…..

Het spookhuis

Zo zag het er destijds in het schoolkrantje uit.

Umtot ’t Vastelaovend is…

Inmiddels is het een traditie geworden dat ik aan de vooravond van carnaval mijn column over vastelaovend hier plaats. Ik heb twee versies ervan geschreven, eentje in het Mestreechs (de bovenste) en eentje in het Nederlands (beneden). Mijn poging om de onbeschrijflijke gevoelens die carnaval in een echte vierder losmaakt toch in woorden te vangen.

Geniet van deze moeder aller feesten. Zij maakt geen onderscheid naar wie wat doet in het dagelijks leven, dat is totaal onbelangrijk. Tijdens deze dagen gaan onze maskers juist áf en zijn we meer dan ooit onszelf. In deze tijden is het misschien wel belangrijker dan ooit om – al is het maar één keer per jaar – letterlijk en figuurlijk allemaal samen te komen en verbinding te voelen met elkaar. Dan zie je ook dat we meer overeenkomsten hebben dan dat we van elkaar verschillen.

Laten we het (plastic!) glas heffen op onze verworvenheden, onze vrijheden, lief zijn en respect hebben voor elkaar maar laten we bovenal met volle teugen van dit prachtige volksfeest genieten, weer of geen weer!

Vastelaovend same!

Leefdesverklaoring

Vastelaovend. ‘T fies vaan mèt doen. Vaan aonstekelikke oetgelaoteheid. Sjaterlache, óngezjeneerd flawwe köl make, diech weer eve keend veule, aw bekinde zien, hielemaol los goon, diech ónderdómpele in de löstige minsemassa’s boete en binne.

Kaffees binne goon boestiech aanders noets kumps, mèt wèldvreemde ut groetste plezeer höbbe, mèt eederein euveral klasjenere. De zón die ‘t leech weersjijnt vaan doezende paillètte, de boonte oonderein vaan kleure, veendels en drappo’s. Diech wie ‘ne vogel zoe vrijj veule, de zaolige zörregeloosheid, eve nörreges aon hove te dinke.

De vertroude muffe geur vaan de vastelaovendspekskes in ‘t koffer, de nostalgiese reuk vaan schmink, de cortèges oetloupe of al haverwege d’roet goon umtot de kaffee lónk, spontaan mèt goon mèt ‘n veurbijj koumende rijaloet, danse en springe, inhaoke mèt dee dee touwvallig neve diech steit, de óngeluifelikke saamhurigheid, d’n oongekinde humer. Altied e werrem bad, óngeach de boetetemperatuur.

Meziek make. Achter de meziek aon goon. Swinge op de hypnotiserende sjelle en doffe toene vaan ‘n sambaband, aollemaol same ‘t zellefde leedsje woord veur woord mèt blère aon d’n toog. De blijje opwinding veule estiech ‘t sjalle vaan de trompötte huurs echoë tege de iewenaajde mör vaan de smale sfeervolle sträötsjes, de euvergaof boemèt zellefs de slechste muzzekant de lèste noot oet zien instremint peers. De bastoene vaan de dikke sjiem diestiech tot in d’nne boek veuls resonere. Meziek beleve in eedere vezel vaan dien lief mer veural in d’n ziel.

Kinderkes die ‘t mèt de paplepel ingegote kriege, bebie’s die tösse de kakefonie vaan geluide slaope wie un roes in un tot mini-kastiel umgeboude bolderkaar. Dee hierlik awwerwètse reuk vaan knakkers oet e speulgood sjeetgeweer, de oonveurstèlbaar sjoen zellef gemaakde kreasies, de inzinjeus en sóms loedzwoer konstruksies die luijj al die daog mèt sjouwe, barbecuë midde op de straot, de giechelende gezèlligheid este mèt z’n alle in de rijj steis veur de wc, de boel opsjöppe bijj de Chinees, good wèllende “Hollenders” en boetelenders leefdevol inwijje in de geheime vaan us allersjoenste tradisie.

De grepkes en de kunskes, straot tejater op eederen hook, spontaan tuike springe in e getske. Publiek weurt kemedie-speuler, d’n kemedie-speuler weurt publiek.

Mer ouch ut fies vaan kepot meuj zien, neet mie veuroet kinne, ‘t ieskaajd höbbe, door en door naat zien, diech gebroke veule, pijjn aon d’n veuj vaan ‘t väöle loupe, las vaan d’nne rök door ‘t stoon en ‘t gewiech vaan d’n pekske, un stroot wie sjoorpepier höbbe, de gleujetigge hits estiech mèt al d’n kleijjinglaoge örreges naor binne geis, de dóffe ellende estiech in ‘n väöl te klein wc al die laoge ein veur ein oet moos doen boebeijj d’n tamboerijjn en aandere touwbehure in de weeg haange.

De vètte happe aon de kraom, de groete rómmel op straot, toch nog väöl te väöl glaze die kepot goon (per óngelök of expres), luijj die ‘t nog altied neet begrepe höbbe en meine tot ‘t aordig is e huudsje vaan iemes aof te trekke of in iemes z’n batse te kniepe. Sómmige, joonk of aajd, die ten oonrechte dinke tot in recordtied zaat weure hijj ouch mer get mèt te make heet.

De pruuk die al nao vief menute jeuk wie de ziekte, d’n portemonnee verleere, de res vaan de gróp kwiet zien (en dat neet ‘ns erreg vinde), de schmink en de glitters ’s nachs neet mie d’raof kriege, d’n hoes bezejd mèt aofgevalle paillètte, plakkerigge vere vaan boa’s, stökskes glaas die oet d’n sjeunlappe zien gevalle, naate confetti, modderigge snie. Euveral kleijing die ruuk naar die bekinde mingeling vaan rouk, beer en zweit.

‘T fies vaan besjouwe. Zellef touwsjouwer zien. Diech verwóndere. Bewóndere. Relativere, filosofere, deepe en serjeus gesprekke höbbe terwijl stiech ‘n kenariekouw op d’nne kop höbs stoon. Unnen duvel dee puunt mèt unne bissjop. Range en stande die wegvalle. De verlegene toent ziech extravert, de pótsvrouw is keuningin. Manne weure vrouwe, vrouwe weure manne. Óngestuurd kinne zien wee of watste mer wèls. Wat belangrijk is, weurt oonbelangrijk en aandersum. De óntreuring este loers naor al die lachende geziechte, naor luijj die ónbekommerd plezeer höbbe.

‘T is ‘t aollemaol en tegeliek is ‘t zoeväöl miejer es de som vaan de deile.

E sentimint vaan chauvinisme, vaan óneindige leefde veur d’n stad, veur boeste vendan kumps. E hiel sterrek geveul vaan verbóndenheid. En vaan gruutsheid. Gruuts op dit sjieke fies. ‘T geveul vaan: dit is vaan en veur us, veur eederein dee mèt wèlt doen, dit pak niemes us mie aof. ‘T geveul vaan extase dat ziech puur natuur vaan diech meister maak es doezende stroote tegeliek oetbarste in samezaank op e fiestelik verliech plein, ‘t euverweldigend geveul örreges ech bijj te hure.

‘T surrealistiese vaan de stèlzwiegende aofspraok um dees daog oet alle windstreke verkleijd same te koume op e paar veerkante kilometer heilige groond. Sjus wie ‘n sókkerspin: zoe hapste d’rin en zoe is ‘t weer eweg. De vurige hoop um vollegend jaor weer debijj te mage zien. Eder kier e paar stepkes veur perbere te blieve op d’n eige ónontkoumbare vergaankelikheid. E geveul vaan urgensie want alles kin zoemer obbins veurbijj zien.

De traone die ónwillekeurig koume estiech weer veur e jaor aofsjeid mós numme vaan dit sjoenste fies vaan al. Meuj gestrijjd vaan de viefdaogse oetpöttingsslaag dee stiech same mèt al die aandere geliekgestumde oonder alle dinkbare weersumstandighede höbs volbrach. ‘T deit pijn tot in ‘t deepst vaan d’n weze mer in d’n hart wètste: ‘t is good gewees. Diech höbs d’nnen accu opgelaoje, diech höbs weer intens mage beleve wie ‘t is um hijjvaan deil oet te mage make. Diech bis weer de bijj gewees.

‘T is e veurrech. Eder jaor obbenuijts.

Geneet devaan.

© Pascale Bruinen

———————————————————————————————-

Liefdesverklaring

Carnaval. Het feest van meedoen. Van aanstekelijke uitgelatenheid. Schateren van het lachen, ongegeneerd flauwekul maken, je weer voor even kind voelen, oude bekenden zien, helemaal uit je dak gaan, je onderdompelen in de vrolijke mensenmassa’s buiten en binnen. Café’s binnen gaan waar je anders nooit komt, met wildvreemden de grootste lol hebben, met iedereen overal een praatje aanknopen. De zon die het licht weerkaatst van duizenden pailletten, de kakelbonte mengeling van kleuren, de vaandels en de vlaggen. Je als een vogel zo vrij voelen, de zalige zorgeloosheid, even nergens aan hoeven denken.

De vertrouwde muffe geur van de carnavalskleren in de koffer, de nostalgische reuk van schmink, de optochten uitlopen of er al halverwege uitgaan omdat het café lonkt, spontaan meegaan met een voorbijkomende polonaise, dansen en springen, inhaken met degene die toevallig net naast je staat, de ongelooflijke saamhorigheid, de ongekende humor. Altijd een warm bad, ongeacht de buitentemperatuur.

Muziek maken. Achter de muziek aan gaan. Swingen op de hypnotiserende schelle en doffe dreunen van een sambaband, allemaal samen hetzelfde liedje woord voor woord meeblèren aan de bar. De blije opwinding voelen als je het geschal van de trompetten hoort echoën tegen de eeuwenoude muren van de smalle sfeervolle straatjes, de overgave waarmee zelfs de slechtste muzikant de laatste noot uit zijn instrument perst. De bastonen van de grote trom die tot in je buik trillen. Muziek beleven in elke vezel van je lijf maar vooral in je ziel.

Kindertjes die het met de paplepel ingegoten krijgen, baby’s die te midden van de kakofonie van geluiden slapen als een roos in een tot mini-kasteel omgebouwde bolderkar. De heerlijk ouderwetse geur van knakkers uit een speelgoedpistooltje, de onvoorstelbaar mooie zelfgemaakte creaties, de ingewikkelde en soms loodzware constructies die mensen al die dagen meesjouwen, barbecuen midden op straat, de giechelende gezelligheid als je met z’n allen in de rij staat voor de wc, de boel op stelten zetten bij de Chinees, goedwillende “Hollanders” en buitenlanders liefdevol inwijden in de geheimen van onze allermooiste traditie.

De grappen en de grollen, straattheater op iedere hoek, spontaan met zijn allen touwtje springen in een steeg. Publiek wordt entertainer, de entertainer wordt publiek.

Maar ook het feest van kapot moe zijn, niet meer vooruit kunnen, het ijskoud hebben, door en door nat zijn, je gebroken voelen, pijn aan je voeten van het vele lopen, last van je rug van het staan en het gewicht van je carnavalspak, een keel als schuurpapier hebben, de gloeiende hitte als je met al je kledinglagen ergens naar binnen gaat, de doffe ellende als je in een veel te klein wc hokje al die lagen één voor één moet zien uit te doen waarbij je tamboerijn en andere toebehoren in de weg hangen.

De vette happen aan de kraam, de onvoorstelbare hoeveelheden rotzooi op straat, toch nog veel te veel glazen die kapot gaan (per ongeluk of expres), mensen die het nog altijd niet begrepen hebben en menen dat het “leuk” is een hoedje van iemand af te trekken of in iemands billen te knijpen. Sommigen, jong of oud, die ten onrechte denken dat in recordtijd dronken worden hier ook maar iets mee van doen heeft.

De pruik die al na vijf minuten jeukt als de ziekte, je portemonnee verliezen, de rest van de groep kwijt zijn (en dat soms niet eens erg vinden), de schmink en glitters er ’s nachts niet meer af krijgen, je huis bezaaid met afgevallen pailletten, plakkerige veren van boa’s, stukjes glas die uit je schoenzolen zijn gevallen, natte confetti-stukjes, modderige sneeuw. Overal kleren die ruiken naar de bekende mengeling van rook, bier en zweet.

Het feest van beschouwen. Zelf toeschouwer zijn. Je verwonderen. Bewonderen. Relativeren, filosoferen, diepe en serieuze gesprekken hebben terwijl je een kanariekooi op je kop hebt staan. Een duivel die kust met een bisschop. Rangen en standen die wegvallen. De verlegene toont zich extravert, de poetshulp is koningin. Mannen worden vrouwen, vrouwen worden mannen. Ongestoord zijn wie of wat je maar wilt. Het belangrijke wordt onbelangrijk en andersom. De ontroering als je kijkt naar al die lachende gezichten, naar mensen die onbekommerd plezier hebben.

Het is het allemaal en tegelijk is het zo veel meer dan de som der delen.

Een sentiment van chauvinisme, van oneindige liefde voor je stad, voor waar je vandaan komt. Een heel sterk gevoel van verbondenheid. En van trots. Trots op dit prachtige feest. Het gevoel van: dit is van en voor ons, voor iedereen die wil meedoen, dit pakt niemand ons meer af. Het gevoel van extase dat zich puur natuur van je meester maakt als duizenden kelen tegelijk uitbarsten in samenzang op een sprookjesachtig verlicht plein, het overweldigende gevoel ergens echt bij te horen.

Het surrealistische van de stilzwijgende afspraak om deze dagen uit alle windstreken verkleed samen te komen op een paar vierkante kilometer heilige grond. Net een suikerspin: zo hap je er in en zo is het weer weg. De vurige hoop er volgend jaar weer bij te mogen zijn. Telkens een paar stapjes vóór proberen te blijven op je eigen onontkoombare vergankelijkheid. Een gevoel van urgentie want alles kan zomaar ineens voorbij zijn. De tranen die onwillekeurig komen als je weer voor een jaar afscheid moet nemen van dit “feest der feesten”. Moegestreden van de vijfdaagse uitputtingsslag die je samen met al die andere gelijkgestemden onder alle denkbare weersomstandigheden hebt volbracht. Het doet pijn tot in het diepst van je wezen maar in je hart weet je: het is goed geweest. Je hebt je accu opgeladen, je hebt weer intens mogen beleven hoe het is om hiervan deel te mogen uitmaken. Je bent er weer bij geweest.

Het is een voorrecht. Elk jaar opnieuw.

Geniet ervan.

© Pascale Bruinen

 

 

vastelaovend

The Ghost Of Christmas Past

In deze donkere dagen dwalen mijn gedachten geregeld af naar hoe wij vroeger thuis Kerstmis vierden. In de weken ervoor was mama al druk bezig met het maken van kerststukjes. Normaal gesproken is ze nogal ongedurig van aard, maar als ze bezig was met dennentakken, hulst, kerstballen, nepsneeuw en dat groene vierkante steekschuim kon ze urenlang geconcentreerd aan tafel zitten. Af en toe keek ik haar op de vingers, gebiologeerd toeziend hoe ze al die verschillende spulletjes telkens weer wist om te toveren tot een smaakvol geheel.

De tijd voor Kerst bestookten alle familieleden, papa en ik voorop, mama steevast hoopvol met diverse culinaire verzoeken die vermomd waren als goedbedoelde suggesties. Zo wilden wij liefst de “enige echte stroganoff” op de kerstdis, terwijl anderen bedelden om reerug of tournedos rossini. Gelukkig wist mama, een ware keukenkoningin, daar altijd raad op. Want als echte people pleaser was mama’s oplossing dat we het kerstmenu dan maar afwisselden zodat iedereen aan zijn of haar trekken kwam.

Mama’s dikke rode kerstkookboek, “Het ruikt naar Kerst”, was een bron van inspiratie. Zelfs ik ging ijverig aan de slag met het maken van kerstkoekjes van zanddeeg in de vorm van kerstboonpjes, sterren en kerstklokjes die ik voorzag van drie soorten mierzoet glazuur en afmaakte met van die keiharde zilveren decoratiebolletjes die je altijd tussen je tanden voelde knarsen.

Een paar dagen na Sinterklaas ging papa de kerstboom halen en uiteraard ging ik, als echt papa’s kind,  trouw met hem mee. Ik vond dit altijd een opwindende klus waarvoor ik goed beslagen ten ijs wilde komen. Zo deed ik steevast mijn oudste kleren aan, voorzag ik papa en mij van dikke werkhandschoenen en zocht ik stevig touw uit om de boom mee vast te sjorren voor de terugreis. 

Meestal kozen we in goed gezamenlijk overleg een uit de kluit(en) gewassen exemplaar dat we ternauwernood zelf naar huis konden vervoeren. De rit terug loeide de verwarming op volle toeren om de kou, die via de open achterklep van de auto binnenkwam, enigszins te compenseren.

Eenmaal goed en wel thuis aangekomen was het papa’s taak als man des huizes om in de achtertuin de stam zo recht mogelijk af te zagen. Getuige zijn soms niet erg met de kerstgedachte strokende uitroepen lukte dat niet altijd een-twee-drie. Maar uiteindelijk werd de boom met vereende krachten terug naar binnen gesleept, in dat onding van een voet geperst en stond hij – na het nodige duw- en trekwerk tegen de stam – min of meer rechtop te pronken in onze huiskamer die meteen naar den geurde. Mijn handschoenen plakten van de hars, in mijn trui staken allemaal naalden met van die scherpe uiteinden (Nordmanns met van die zachtere naalden die niet uitvallen bestonden toen nog niet) en op mijn broek zaten moddervegen, maar wat voelde ik me trots dat het wéér gelukt was.

In een staat van blije opgewondenheid haalde ik met papa de dozen met kerstspullen van de vliering in de garage, me verheugend op de hernieuwde kennismaking met glazen ballen in de mooiste kleuren, glinsterende trompetten en zilveren kerstslingers. Maar eerst moest nog “even” de snoeren rotzooi worden ontward van alle slingers met kerstlichtjes. En zoals ieder jaar sneed ik me bij het decoreren van de boom aan dat vermaledijde engelenhaar. Maar dat alles mocht de versierpret niet drukken. 

Samen met mama drapeerde ik rotspapier om de lelijke voet van de boom en bespoot ik het geheel rijkelijk met nep sneeuw. Vervolgens werd de antieke kerststal opgezet. De drie ietwat gehavende koningen (eentje miste een stuk van zijn hand, een ander had een gat in zijn robe en de derde had in de loop der jaren het puntje van zijn neus verloren) kwamen op gepaste afstand van Jozef en Maria om het kerstkribje te staan bij de open haard, de dieren in een kring eromheen.

Op kerstochtend werd ik traditiegetrouw al vroeg wakker van het gezellige geklingel-klangel van potten en pannen alsmede van de onmiskenbare geur van vers gezette koffie vermengd met het aroma van “gebakken bammen”, een eigen culinaire uitvinding van mama die nog het meeste weg heeft van een hele smakelijke kruising tussen pizza en tosti (voor de liefhebbers: het recept staat onderaan deze column).

Aangezien Kerst vroeger zeker niet altijd wit was, hielden we ’s morgens de gordijnen dicht zodat we de druilerige grijze lucht niet konden zien en we ons een wit winterwonderland voor konden stellen. Het enige toegestane kunstlicht was afkomstig van de gekleurde lampjes van onze kerstboom. Mama stak overal in de huiskamer en op de feestelijk gedekte tafel theelichten en kaarsjes aan. Met hun flakkerende vlammetjes die een gouden gloed wierpen op het “goede servies” zorgden ze voor een feeërieke en intieme sfeer in de donkere ruimte. Vooral de mobiel gemaakt van houten kerstengeltjes die ronddraaiden dankzij de opstijgende warmte van de kaarsjes staat voor altijd in mijn geheugen gegrift. Als de engeltjes draaiden, wist ik dat het echt Kerstmis was.

Ik verzorgde de muziek. Steevast legde ik de stokoude lp van Bing Crosby op de platenspeler. Terwijl wij ons te goed deden aan vers sinaasappelsap en een lekkere “bam”, croonde Good ol’ Bing over white Christmas en een Hawaiiaanse kerstgroet (Mele Kalikimaka) waarbij – o, zalige geruststelling! – de lp ieder jaar opnieuw weer oversloeg op precies dezelfde plek.

Gisteren heb ik de traditie voortgezet en “gebakken bammen” gemaakt voor ons kerstontbijt. Ze waren goed gelukt en vonden gretig aftrek, al smaakten ze toch anders dan toen mama ze maakte. Maar als ik eerlijk ben gaat het mij veeleer om de zoete herinneringen aan warme, liefdevolle en zorgeloze Kerstdagen die ze bij mij losmaken.

Die dierbare momenten van geborgenheid mogen dan lang vervlogen zijn, het gevoel dat erbij hoort zal ik nooit vergeten.

© Pascale Bruinen

The Ghost of Christmas Past

Dit is weliswaar geen foto van onze kerstboom vroeger, maar hij kan zomaar doorgaan voor zijn dubbelganger. Wat ik nog mis zijn de gekleurde lampjes, de ornamenten van vogeltjes, trompetten, klokjes, huisjes en engeltjes…

Recept voor echte Bruiniaanse “gebakken bammen”: men neme tomatenpuree die op laag vuur wordt gemengd met koffiemelk en op smaak wordt gebracht met peper, zout en gedroogde peterselie (een gefruit wit uitje mag naar believen ook worden toegevoegd maar hoort er eigenlijk niet in). Men strooie vervolgens stukjes lekkere ham en geraspte oude kaas door dit mengsel en men smere dit uit over witte boterhammen. Garneer de “bammen” bovenop met nog wat meer geraspte kaas en bak de “bammen” in een voorverwarmde oven op 180 graden in een minuut of 7 à 8 tot ze lekker knapperig zijn. Voor de finishing touch kun je de gebakken “bammen” net voor het opdienen nog bestrooien met vers gehakte peterselie of – een eigentijdsere variant – basilicum. Smakelijk eten!