Italiaanse Toestanden

Ons cruiseschip komt aan in de imposante haven van Napels. Na een ontspannen ontbijtje op het achterdek maken we ons op voor een excursie naar het überromantische Capri. Aan de kade worden we opgewacht door de gids van de dag. Hij ziet er uit als het prototype van de Italiaanse fatterige gentiluomo. Niet al te groot, diepgebruind en gekleed in een wit linnen hemd met dito broek, compleet met bordeelsluipers, wandelstok en Borsalino-hoed.

“Maaie neeme ies Ro-ma-no”, stelt hij zich met veel gevoel voor drama en sterk Italiaans accent aan ons voor. Hij neemt er zelfs even zijn hoed bij af. Zijn voornaam spreekt hij in slow motion uit. En voor het geval we het nog niet begrepen hebben: “Ai emme jorre toergaaide for de deie”. Iets zegt me dat het wel eens een hele lange deie kan gaan worden, daar op Capri.

Terwijl ik hem eens goed bekijk, vraag ik me onwillekeurig af wat hij in de slappe tijd van het jaar in Napels zoal doet. Ik zou me zomaar kunnen voorstellen dat hij her en der wat bijklust voor de Camorra. Ik zie het meteen voor me: Romano, chic gesoigneerd en gezeten op een Vespa scooter, die vanuit de binnenvoering van zijn design colbertje in alle rust een geweer met afgezaagde loop en geluidsdemper produceert en zijn target zonder zelfs maar met de ogen te knipperen omlegt. Wel vanaf zo’n afstandje dat zijn strakke maatpak er niet onder heeft te lijden, natuurlijk. En daarna op naar la mamma, die nietsvermoedend op hem wacht met een bord dampende pasta.

Ondertussen begeleidt het onderwerp van mijn criminele dagdroom ons groepje ostentatief rokend tot een paar honderd meter verderop, waar we ons op zijn aanwijzing gehoorzaam posteren bij de Superjet boot die ons naar Capri zal brengen. Ter plekke wenkt hij met een sigaret in zijn hand dat we allemaal dicht om hem heen moeten komen staan. Vervolgens deelt hij met brede armgebaren audiosets uit, waarmee we ook op een afstandje in verbinding blijven staan met onze “gaaide” als die de bezienswaardigheden wil toelichten.

Romano smoest wat met iemand die door moet gaan voor de plaatselijke kapitein Schettino en zie! Even later begeleidt hij onze kudde behendig langs de lange rij wachtenden de boot op, wat ons op de nodige valse blikken komt te staan. Maar daardoor kunnen we wel de mooiste stoeltjes bemachtigen: die bovenop het dek, in de zon met prachtig uitzicht.

De overtocht duurt zo’n 40 minuten. Zodra de boot snelheid begint te maken, voel ik de  afkoelende zeebries door mijn haren gaan. De middellandse zee flonkert en glinstert als een saffier. Aan de einder is het heiig. Het belooft een hete dag te worden. Dromerig kijk ik over de reling. Ik zie kleine vissersboten, catamarans en zeilschepen met wapperende witte zeilen die scherp afsteken tegen de diepblauwe lucht. Het monotone gedreun van de motoren werkt slaapverwekkend zodat ik een paar keer flink moet knipperen om mijn ogen open te houden.

Na een tijdje alleen maar zee te hebben gezien, doemen nu ineens hoge, steile rotsen op uit de nevel. Ik ga aan de reling staan en ontwaar in de verte de contouren van Capri. Bij iedere zeemijl dat we dichterbij komen, geeft het eiland meer details van zichzelf prijs. Ik zie nu dat de rotsen deels groen zijn. Mijn ogen dwalen over de luxueuze villa’s die zich aaneenrijgen op de heuvels als parels aan een ketting.

De boot mindert vaart. We gaan de haven in. Het eerste dat in me opkomt is dat het lijkt op Saint Tropez in vroeger tijden. De jachthaven is mooi maar vooral gezellig. En hoewel er genoeg juweeltjes van schepen liggen die alleen voor de allerrijksten der aarde te betalen zijn, is het niet zo over the top als de Zuid-Franse badplaats met al die megajachten met helicopterdek.

Romano is ook weer onder de levenden, zo blijkt al snel als ik het geknerp hoor van zijn lijzige stem over de audioset. Hij dirigeert ons met strakke hand naar buiten. We gaan eerst met minibusjes naar boven, naar Anacapri. De busjes bieden plaats aan 8 personen en zijn – slik! – zonder airco. Al snel wordt duidelijk waarom de busjes mini zijn: de slingerende, bochtige weg naar boven is supersmal.

Dat levert spannende, soms zelfs James Bond-achtige taferelen op. Zo neemt onze chauffeur met ware doodsverachting een haarspeldbocht en wordt in de curve plots geconfronteerd met én iemand die doodleuk midden op de weg scootert én een tegenligger. Nodeloos op te merken dat de “oehs” en “aahs” in ons flink verhitte busje niet van de lucht zijn. En dat komt niet alleen door het oogverblindende panorama.

Boven aangekomen gebaart Romano een ieder de audiosets in te doen. Maar al na een paar minuten blijken die krengen ware ondingen. Het met zwaar Italiaans accent doorspekt Engels van Romano werkt eerst nog op mijn lachspieren maar in no time vooral op mijn zenuwen. Zijn bedoeling is namelijk dat je de oortjes te allen tijde inhoudt, het ontvangstkastje aan je kleding hangt en vooral ademloos luistert naar het inhoudsloze gewauwel dat hij volcontinu uitzendt.

Ik besluit daarom al snel stiekem burgerlijk ongehoorzaam te zijn en de schoonheid van Capri zonder die irritante oortjes te gaan ervaren. Maar Romano, die als een havik waakt over zijn volgelingen, heeft al gezien dat ik de oortjes uit heb getrokken en is “notte emjoesed”. Vanuit zijn positie vanaf een metertje of twintig sommeert hij zogenaamd iederéén de oortjes steeds te blijven dragen, maar richt daarbij zijn Ray Ban blik recht op mij waarbij er geen glimlachje af kan. Met mijn dagdroom nog vers in herinnering doe ik ze gauw weer in. Zij het met frisse tegenzin.

Anacapri is schilderachtig met smalle, kronkelende straatjes geplaveid met kasseien, overal geurende bougainville en veel palmen. Tot mijn verrukking zijn hier veel winkeltjes die authentieke spulletjes verkopen van plaatselijke kunstenaars in plaats van het gebruikelijke made in Taiwan spul.

Hoewel er hordes toeristen lopen, valt de oprechte vriendelijkheid van de Capresi me op. Als ik H. enthousiast wijs op een enorme basilicumplant die in een hofje staat, wenkt de eigenaar ons om dichterbij te komen kijken. Ik complimenteer de oudere man in het Italiaans met zijn prachtige kruidenplant. Het volgende moment roept hij zijn vrouw erbij en laten ze ons – glunderend van trots –  ook andere zelf gekweekte groenten zien. Ze hebben alle een grillige vorm maar de zongerijptheid straalt er van af. Er ontspint zich een geanimeerd gesprek over de smaak van Italiaanse courgettes, aubergines en reuze tomaten. Als we afscheid nemen van dit hartelijke koppel, duwt de man ons ieder een flinke tak basilicum in de handen en wenst hij ons nog een goede reis. Ze zwaaien ons na alsof we elkaar al heel lang kennen.

Precies dit soort momenten is de reden waarom ik reizen zo fantastisch vind.

Even later rijden we terug naar beneden, naar Capri. Dat heeft een mooi centrum van witgekalkte huizen, luxe hotels en dure winkels te midden van veel mooie begroeiing en citroenboompjes. Niet voor niks dat je hier op iedere straathoek de wereldberoemde limoncello kunt proeven én kopen. Ondanks dat Capri zelf vrij klein is, zijn in het pittoreske stadje alle wereldberoemde modemerken vertegenwoordigd. Ook zie ik buitenproportioneel veel banken en geldautomaten. Het is duidelijk: Capri is gericht op de rich and famous.

De toerist uithangen maakt moe en hongerig. Gelukkig krijgen we van Romano maar liefst een heel uur vrij om een echte Napolitaanse pizza te gaan nuttigen. Via mijn oordopjes hoor ik hem tot wel driemaal toe benadrukken dat we alléén onze tanden mogen zetten in eentje die gebakken is in een houtoven. Gelet op de tijd is onze flamboyante gids gelukkig zo goed om een restaurant aan te raden en – oh toeval – laten we daar nou net vlakbij zijn!

Aangespoord door onze rammelende magen besluiten H. en ik niet te dralen en gelijk  naar binnen te gaan. Het is een gezellig restaurant met prachtig uitzicht op de baai. Maar wat nog belangrijker is: het ruikt er goddelijk en er zitten ook Italiaanse gezinnen aan de dis. Altijd een goed teken. Nu we hier toch zijn, gaan we voor de plaatselijke specialiteiten: de klassieke insalata caprese en een pizza margherita. Als ik om me heen kijk, zie ik nog vier tafeltjes volstromen met mensen uit onze groep.

“Volgens mij heeft Romano een deal met dit restaurant”, zeg ik tegen H. terwijl ik in een sappige tomaat bijt en tegelijkertijd met mijn hoofd knik in de richting van een stel uit ons groepje twee tafels verderop. Ik heb de woorden nog niet uitgesproken of ons gespreksonderwerp komt de zaak binnen lopen. Ik zie dat hij zijn hoed en zonnebril afzet. Daarna gaat zijn spiedende blik door de ruimte en zelfs vanaf mijn plekje kan ik hem bijna zien hoofdrekenen wat zijn reclame hem dit keer gaat opleveren. Even later heeft hij een onderonsje met de eigenaar. Bella Italia, waar de ene mano de andere wast.

Die Romano.

Onze gaaide heeft zo zijn kostje weer bijeen gegraaide.

© Pascale Bruinen

Romano

Hier is hij dan, compleet met die verdraaide audioset. Ondanks dat heb ik genoten op Capri. Het eiland is echt de moeite waard om te bezoeken, alleen al voor het fabelachtige uitzicht van bovenaf op de schitterende baai beneden. En als je er een keer mocht komen: vraag dan naar de enige echte Romano!

Advertenties

2 thoughts on “Italiaanse Toestanden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s