Magisch Miami (1)

“This the type of town, I could spend a few days in 

Miami, the city that keeps the roof blazing

Party in the city where the heat is on 

All night on the beach till the break of dawn 

Welcome to Miami (Bienvenido a Miami)”

Uit: Welcome to Miami, van Will Smith 

Deze lofzang op de bekendste stad van de Sunshine State Florida, is helemaal terecht.

Miami is hot, hip and happening. De onweerstaanbare mix van het relaxte Latijns-Amerikaans-Caribische sfeertje, de Amerikaanse welvaart, de alom aanwezige zon, de mooie Art Deco gebouwen, de beautiful people en de hippe tenten met dito muziek en wereldberoemde DJ’s trekt het hele jaar door bezoekers van over de hele wereld.

Zo ook schrijfster dezes. H. en ik komen er graag. We zijn vooral gecharmeerd van de Caribische don’t worry-mentaliteit, muziek en kookkunst die de Cubanen – die in de jaren zestig massaal het communistische land verlieten –  mee hebben genomen naar het beloofde land Amerika.

Miami wordt ook wel liefkozend “the magic city” genoemd. Deze naam heeft de stad te danken aan het feit dat ze in minder dan honderd jaar tijd van een vrijwel onbewoond moerassig gebied is uitgegroeid tot een metropool van betekenis. Miami weet zichzelf telkens opnieuw uit te vinden. Van de Amerikaanse Rivièra uit de jaren vijftig tot The Gateway to the Americas en cruise capital of the world anno nu.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd Miami als toeristische bestemming wereldwijd gepromoot door de succesvolle misdaadserie Miami Vice, waar stoere hetero mannen voor het eerst pastelkleurige t-shirts droegen, ultra luxe villa’s dienden als plaats delict en sexy dames paradeerden in een weinig verhullende bikini tegen de achtergrond van zon, zee en zinderende achtervolgingsscènes met snelle jongens en nog snellere boten.

Recenter is de stad weer in beeld gekomen met CSI Miami, waar min of meer dezelfde ingrediënten met succes worden gebruikt. De korte aerial shots van de skyline en de kuststrook van South Beach roepen onmiddellijk een gevoel van glamour op.

Miami wordt tegenwoordig dan ook niet voor niets geassocieerd met jet set, supermodels, popsterren en de wereld van tv en film.

Het mooie aan Miami vind ik de combinatie van een bruisende wereldstad met brede en oogverblindend mooie witte zandstranden aan een saffierblauwe oceaan. Hier kun je een interessante stedentrip en exotische strandvakantie in één beleven. Miami heeft het allemaal.

Op het kilometerslange strand heb je altijd genoeg ruimte. Hier hoef je nooit, zoals in menige Zuid-Europese bestemming,  handdoek aan handdoek te liggen. Het water van de Atlantische Oceaan is Caribisch blauw, warm en zeer helder. Af en toe vliegen aandoenlijke pelikanen in formatie voorbij. Op het strand kun je ook de wereldberoemde kleurige strandwacht-huisjes bewonderen die Miami Beach zo typeren.

Behalve als strandaanbidder kom je in deze stad met in totaal zo’n 23 (!) winkelcentra ook als shopaholic volop aan je trekken. De shopping malls zijn typisch Amerikaans: groter dan groot, super schoon en met ongeëvenaarde service en klantvriendelijkheid. Na al dat Yes, ma’am, How are you doin’ today? en My pleasure! wordt het in Nederland gegarandeerd weer afkicken geblazen.

Maar verslavend is vooral het typische sfeertje.

Dus wees op je hoede: Miami kan je betoveren!

© Pascale Bruinen

miami beach boek

miami strandwacht huisje2

 

 

 

Call me Heidi

Het is een mooie avond aan boord van ons cruiseschip. We zijn in geanimeerd gesprek met onze tafelgenoten John en Nancy uit New York. Een gezellig koppel met wie we meteen een klik hebben. We eten nu de tweede avond samen en het lijkt alsof we elkaar al jaren kennen.

“We vroegen ons gisteravond af op wie wij jou toch vinden lijken”, zegt John tegen me als ik de menukaart bestudeer. Verrast kijk ik even op.

“En zijn jullie er uit?”, vraag ik nieuwsgierig. Maar John houdt het nog even spannend.

“Wij zaten te denken aan een actrice of zo, je hebt iets bekends over je”.

”Een actrice?  Hmm, dan ben ik benieuwd!” Al kan ik geen A-lister oproepen op wie ik zou lijken, gevleid ben ik wel.

“Maar we kwamen tot de slotsom dat je meer lijkt op een zangeres”, vult Nancy aan. Oh. Dat klinkt op de een of andere manier al beduidend minder spannend. Terwijl ik in gedachten vaststel dat ik niet lijk op Madonna, niks weg heb van Shakira en zeker nooit kan doorgaan voor Rihanna, roept John triomfantelijk het verlossende antwoord.

“Wij vinden je sprekend lijken op Olivia Newton-John!”. Ok. Ik kan zeker slechtere vergelijkingen bedenken.

“Nou, dank je wel!”, zeg ik gemeend en zet meteen hun vergelijking kracht bij door aan tafel uit te barsten in de eerste strofen van Hopelessly Devoted To You. Olijfje is zo gek nog niet. In de vorige eeuw was ze een paar hele weken mijn idool. En dat wilde wat zeggen. Ik heb zelfs nog foto’s waar ik op sta met zo’n achterlijk kortgeknipte Sandy-pony, die toen helemaal hot was.

‘”Maar je laat ons ook denken aan Heidi Klum”, gaat John vrolijk verder. Ik verslik me bijna in mijn drankje. Oh oh oh, wat zou ik deze goede man graag willen geloven. Maar zelfs bij zeer flatterend licht zou een slechtziende zonder bril mij helaas nooit kunnen verwarren met dit topmodel. Maar ik moet toegeven, in één adem genoemd worden met Heidi Klum is ondanks het zeer geringe waarheidsgehalte toch een enorme egobooster. En dus koester ik de absurde vergelijking  tegen beter weten in. Mijn avond kan in ieder geval niet meer stuk.

De volgende dag gooi ik alles in de strijd om de mooie illusie nog een tijdje in stand te houden. Ik besluit dat ik zo glamorous mogelijk aan dek wil verschijnen. Dus maak ik mijn haren mooi recht met de stijltang en laat ik ze daarna los hangen in plaats van in zo’n onelegant alleen-maar-bestemd-om-te-zonnen-knotje en doe ik lipgloss en twee lagen mascara op.  Ik hijs me in een veelkleurige tuniek, zet de grootste zonnehoed op en trek mijn open sleehakschoenen van zes centimeter hoog aan. Dan kom ik pakweg nóg zo’n vijf centimeter te kort om überhaupt qua lengte voor Heidi door te kunnen gaan, maar ach. Een kniesoor die daar op let. Bovendien plan ik om in een zo gunstig mogelijke pose op mijn ligbed te blijven liggen.

Noodzakelijk is ook een grote, donkere zonnebril want mijn ogen zijn – in tegenstelling tot die van Heidi – licht van kleur. Ik zou natuurlijk hazelnootbruin gekleurde lenzen kunnen overwegen, ware het niet dat we midden op zee zitten en die dus niet verkrijgbaar zijn.

H. bekijkt me ondertussen met opgetrokken wenkbrauwen. “Wat ben je allemaal aan het doen? We gaan toch alleen aan dek liggen?”, vraagt mijn wederhelft.

“Ja, dat weet ik wel maar het oog wil ook wat”, zeg ik omdat me in de gauwigheid niks anders dan dit cliché te binnen schiet. “En trouwens”, vervolg ik op zogenaamd serieuze toon, “ik wil graag dat je me vanaf nu als Heidi aanspreekt”. We kijken elkaar aan en barsten dan allebei in lachen uit.

“Oh dát is het”, roept H. “Ik ben benieuwd hoe lang je dit” – hij gebaart nu naar mijn flamboyante verschijning – “volhoudt met die harde wind buiten!”. Hè bah, dat had hij nu niet moeten zeggen. Ik zit net zo lekker op mijn roze Klum-wolk.

“Dat zullen we nog wel eens zien!”, roep ik provocerend. “Die sterren zitten allemaal over the top uitgedost op het strand, ik zou niet weten waarom ik niet zo aan dek zou kunnen”.

“Ik kan wel een paar redenen bedenken”, zegt H. op zijn irritant logische toon. “Zoals daar zijn: jij hebt geen eigen kapper, styliste en visagist onder handbereik 24/7. Net zo min als een persoonlijke assistente die het zweet telkens van je gezicht dept. En het is wel lekker warm maar er zijn af en toe flinke rukwinden boven”.

Vastbesloten hem ongelijk te geven, ga ik naar dek veertien, het pooldeck. Zodra de automatische deuren open gaan, waaien mijn zorgvuldig gestijlde haren alle kanten op. En blijven vervolgens prompt plakken aan mijn glossy lippen. Ik weet gewoon zéker dat dit Heidi nooit gebeurt, denk ik geërgerd. H. ziet het wel maar geeft wijselijk geen commentaar. Al zie ik wel verdachte trekjes aan een van zijn mondhoeken.

Als ik tegen de hevige wind in naar een vrij ligbed loop, krijgt de wind plots vat op mijn zonnehoed en rukt die moeiteloos van mijn hoofd. Ik geef een gil. H. rent er, galant als hij is, met succes achteraan. Fijn! Het zorgvuldig gestylede totaalplaatje is nu al naar de filistijnen.

Ik worstel met mijn wapperende haren, in het rond vliegende handdoek en opwaaiende tuniek. Als de handdoek eindelijk heel even stilligt, laat ik me weinig charmant bovenop het bed vallen. Ik weet dat ik het niet zou moeten doen, maar ik kan het niet laten. Snel pak ik een spiegeltje uit de strandtas en controleer met angst en beven mijn reflectie.

Vanuit het zilveren rondje staart een totaal verwaaide vogelverschrikker me met grote ogen aan. Mijn haren staan bijna recht omhoog en zijn niet langer stijl, maar vertonen hun gebruikelijke irritante slagen. Overal op mijn gezicht zie ik de glitters van de lipgloss, behalve op mijn mond. En er loopt een zwarte veeg van mijn mascara over mijn linkerwang.

Het is overduidelijk.

Ik ben weer gewoon Pascale.

© Pascale Bruinen

heidi2

Om misverstanden te voorkomen: dit is de echte Heidi. Op het strand, met zonnehoed, zonnebril en – ja! – zo te zien óók worstelend met een handdoek! En wil je meer weten over cruisen, kijk dan ook eens op mijn andere blog, http://www.cruisecraver.com!

Killer Heels

Met jaloerse blik kijk ik naar de modellen van Victoria’s Secret die op torenhoge hakken over de catwalk paraderen of het niks is. Ik wou dat ik dit ook kon. Maar nee, toen de vaardigheid werd uitgedeeld om met een sexy swagger op van die dingen te lopen was ik toevallig even niet thuis.

Net als Oprah Winfrey ben ik namelijk iemand die schoenen met hoge hakken enkel puur voor de show draagt terwijl ik zoveel mogelijk blijf zitten waar ik zit. En als ik dan al per se moet lopen, dan liefst alleen vanaf de parkeerplaats. Die uiteraard pal voor de deur van het te bezoeken etablissement moet liggen.

Alle denkbare hulpmiddeltjes heb ik al uitgeprobeerd. Van die gelkussentjes om de pijn en het branderige gevoel aan de bal van je voet te voorkomen. Van die blarenpleisters en “biomechanisch ontworpen inlegzooltjes” die speciaal voor hooggehakte dames “ondersteuning, correctie en veerkracht” beloven. Maar niks heeft geholpen. Het loopt nog steeds niet lekker.

Dat ik niet de enige vrouw ben met dit probleem bewijst een korte zoektocht op internet. Via via kom ik bij de website van Sarenza waar ik zelfs een speciaal ontwikkeld programma aantref: “Om te leren lopen op hoge hakken, moet je bescheiden beginnen, hakken van 3 tot 5 cm zijn ideaal. Gebruik je pumps om thuis te oefenen (…). Stap op natuurlijke wijze, plaats je hak eerst op de grond en dan zachtjes de voorkant van je voet. Houd je rug daarbij recht en je hoofd omhoog. Wandel enkele malen heen en weer om eraan te wennen. Stap daarna over een klein obstakel, zo leer je het trottoir op- en af te gaan. Oefen dan het lopen op hoge hakken wanneer je op bezoek gaat bij vrienden of naar de bioscoop gaat, d.w.z. plaatsen waar je kunt gaan zitten. Om te rijden draag je echter best lage schoenen, dat is veiliger! Na een tijdje zal je je stabiel voelen. Herhaal dan het proces met een nieuw paar schoenen met hoge hakken”.

Dit is nog iets waar ik zelf ook op kon komen. Been there, done that. Maar toen ik verder las, viel ik van mijn geloof: “Als naaldhakken je vrees inboezemen, kun je de Talons Académy in Parijs bezoeken om te leren stappen met pumps in collectieve sessies van 45 minuten. De oefeningen zijn bedacht door een ervaren coach die al je fouten zal corrigeren. De leerlingen van deze “hakkenacademie” raken vooral vertrouwd met alledaagse situaties, waardoor ze sexy en vol zelfvertrouwen over straat kunnen lopen. De kernwoorden daarbij zijn: “heupen, blik, schouders”. Als je wilt leren lopen op hoge hakken, is de Talons Academy jouw plek!”

Een heuse “hakkenacademie”? Wie kon het bestaan van zoiets bevroeden?

Uiteraard surfte ik, wild nieuwsgierig geworden, meteen door naar “Talons Académy Paris”. Zo leerde ik dat deze werd geopend in september 2009 door ene Marine Aubonnet en Eugénie Bret. Omdat ze zelf allebei niet op hakken konden maar wel graag wilden lopen, klopten ze aan bij een bevriend model die hun coachte. En voilà, de hakkenacademie was geboren.

De lessen zijn verdeeld in thema’s, zo lees ik. Er zijn lessen over het dragen van hakken overdag (dikkere, iets lagere hakken voor op het werk) en ‘s avonds (de dunnere en hogere varianten). Dagelijkse situaties worden op hoge hakken geoefend, zoals daar zijn: elegant zitten op een barkruk of op een bank; de trap op lopen; stil staan; openbaar vervoer overleven; uitgaan en een tas of koffer dragen.

Maar ook: elegant bewegen richting het buffet (waarbij kennelijk een zigzaggende route de voorkeur verdient boven een rechte lijn). En de allermooiste: poseren voor de paparazzi. Waaruit ik afleid dat zelfs A-sterren grote moeite hebben met het lopen op van die hoge gevalletjes.

Bij de hakkenacademie beginnen de lessen met een mini-catwalk sessie waarbij de coach de houding en gang van de studenten bestudeert. Haar advies kan behelzen dat je

  • rechtop moet staan en recht vooruit moet kijken (kijk NOOIT naar de grond, dat is de doodssteek voor een elegante houding);
  • je benen licht over elkaar heen moet kruisen alsof je een koorddanseres bent. Het eerste vooruitstekende been moet recht zijn;
  • je armen op natuurlijke wijze beweegt voor een beter evenwicht en druk bezig blijft met je handen (door bv een handtas te dragen);
  • de beweging van je heupen benadrukt.

Omdat ik helaas nog geen hakkenles heb gehad in Parijs, zul je mij tijdens een shopping-expeditie in de stad dus nooit zien lopen op die mini-stelten. Al was het maar omdat ik daar niet zo zeer op loop als wel op strompel. Bovendien slaag ik er altijd in om met die hakjes net tussen de kinderkopjes te blijven steken, waardoor ze de eerste de beste keer meteen gescalpeerd worden.

Omdat a. ik er niet op kan lopen en b. ze binnen vijf minuten pijn doen aan mijn tenen, enkels en onder de bal van mijn voeten, draag ik hoge hakken doorgaans alleen in de schoenwinkel. Ze heten niet voor niks killer heels. Maar met een logica die alleen vrouwen eigen schijnt te zijn, kan ik het toch niet laten om af en toe een paar van die naaldhak-stappers aan te schaffen

Zo ook een tijdje geleden bij het ontwaren van mijn laatste aanwinst, een paar onwaarschijnlijk sexy muiltjes met spaghetti-bandjes. In mijn maat. Bij nadere inspectie zie ik een stel ultrasmalle hakken van zeker 8 cm hoogte. Ergens in de verte hoor ik een alarmsignaal: “Code rood, code rood! Wees verstandig en loop nú weg. Je weet dat je die toch nooit gaat dragen!”.

Maar die spaghettibandjes! Ik besluit de noodkreet te negeren en graai hebberig naar de schoentjes. Ik pas ze, kijk verrukt in de spiegel en slaak een diepe zucht van geluk. Ik strek mijn geschoeid been elegant voor me uit. “Ze zijn prachtig!”, roep ik in extase vanaf mijn comfortabele zitplaats. Wat een elegantie! En die pasvorm!

Pas als de verkoopster zo lang ietwat bevreemd naar me kijkt dat ik er een onbehaaglijk gevoel van krijg, sta ik aarzelend op in de hoop dat ik niet meteen zal omklinken. “Euh, ja, ze staan leuk!”, roep ik opgewekt vanaf mijn veilige plek bij de stoel, hemelsbreed zo’n vier meter van de spiegel. Maar helaas heeft de verkoopster haar lesje customer pleasing net gehad waardoor ze stug volhoudt. “Dat kunt u van daar uit toch helemaal niet zien? Loopt u eens tot aan de spiegel en terug, dan voelt u ook beter hoe ze zitten”.

Ik wíl helemaal niet erop lopen, dus waar bemoeit die vrouwelijke Al Bundy zich eigenlijk mee, denk ik geërgerd. Inmiddels kijken ook een stuk of wat klanten nu nieuwsgierig naar mijn wortel schietende gestalte. Oh, WTF, dan loop ik toch gewoon een stukje, zo moeilijk kan dat toch niet zijn, spreek ik mezelf moed in.

Ik zet een voorzichtig eerste stapje. En nog een. Hé, dat gaat goed! Sterker nog, de muiltjes staan niet alleen fantastisch, maar lopen nog beter. Vol vertrouwen zet ik nu grotere stappen over de vloerbedekking. De hakken zakken zachtjes in het hoogpolige tapijt. Deze schoenen zitten als sloffen!

Als de verende ondergrond na een aantal meters over gaat in stenen tegels, schrapen de iele naaldhakjes plotseling over de gladde ondergrond en voel ik dat ik mijn evenwicht verlies. Ik heb een out of body experience als ik mezelf in slow motion met armen en benen zie flapperen, mijn haren als een gouden waaier om me heen dansend en mijn mond en ogen wijd opengesperd in een schrikreactie. Als door een wonder kom ik net op tijd, zij het hevig wankelend, weer in balans.

“Oeeehhh!”, roep ik in een reflex. Al had ik eerder “auauau” willen schreeuwen want ik voel een brandende sensatie in mijn enkels. Ik schrijd behoedzaam naar het eerste het beste zitje en trek de vermaledijde schoentjes uit. Ik zie de afdruk van de spaghettibandjes in mijn enkels staan.

Maar die zomerse pastelkleurtjes! Die manier waarop deze schoentjes mijn benen optisch verlengen! En die sierlijke boog die mijn voeten vormen in deze muiltjes! On-weer-staan-baar. Dit is nu wat je een must have item noemt.

Ik zie dat de verkoopster in mijn richting komt. Voordat ze haar mond open kan doen, heb ik het al gezegd.

“Ik neem ze!”

© Pascale Bruinen

killer heels

How high can you go? Wat ziet het er mooi en elegant uit, nietwaar? Maar het kan ook de hel op aarde zijn. Misschien moet ik toch eens naar Parijs…

Uit een onderzoek van Britse podologen blijkt dat een vrouw het gemiddeld 1 uur, 6 minuten en 48 seconden pijnloos volhoudt op hoge hakken. Liefst een op de vijf heeft al in de eerste tien minuten pijn. Na een tijdje zelfs de helft. En een derde van de vrouwen geeft toe te kleine schoenen gekocht te hebben omdat ze er zo leuk uitzagen. Tja…!

Love Actually

In deze barre tijden die, zeker rond de Kerst, smeken om een beetje liefde en zorgzaamheid voor elkaar mag je hopen dat “Love is all around”  – Wet Wet Wet’s muzikale ode aan de liefde – nog steeds van toepassing is. Dit liedje is de rode draad in de film “Love Actually”. Als er nou één ultieme feel good kerstfilm bestaat, is het deze wel.

De afgelopen jaren heb ik hem zeker al een keer of vier rond Kerstmis gezien, maar op de een of andere manier raak ik er maar niet op uitgekeken. Iedere keer dat ik dit visuele meesterwerkje bekijk, vallen me weer andere verrukkelijke details op. De grappige momenten zie ik inmiddels al van mijlenver aankomen. Wat me er overigens niet van weerhoudt om wéér hardop te lachen als het zover is. En dan de kleffe fragmenten…Laat ik het er op houden dat de doos Kleenex onder handbereik moet blijven.

Maar wat is dan het geheim van deze heerlijk pretentieloze rolprent? Ik heb mijn gedachten er eens over laten gaan en het antwoord is dat er gewoon alles, maar dan ook álles in zit.

De pijnlijke liefde van een prachtige jongen voor een dito meid die net met zijn beste vriend is getrouwd (waarover later meer). Onmetelijk verdriet van de jonge weduwnaar die achterblijft met een schattige stiefzoon die net begint te puberen. Welke puber overigens op zijn beurt weer smacht naar een oogverblindend mooi leeftijdgenootje dat, als ze elkaar eindelijk leuk beginnen te vinden, terug naar de Verenigde Staten verhuist.

En wat te denken van de zeer onwaarschijnlijke liefde tussen de Britse premier (een rol op het lijf geschreven van glamourboy Hugh Grant) en een jong en ontwapenend staflid dat nogal grofgebekt is? Het moment dat hij zich onbespied waant en op muziek van “Jump” van de Pointer Sisters door de majestueuze zalen van Downing Street number 10 swingt (oh, dat kontje!) is alleen al de moeite van het bekijken waard. Of de glorieuze comeback van een al afgeserveerde oude rocker die met Kerstmis tegen alle verwachtingen in op nummer één van de hitlijst terecht komt met een “verkerste” versie van “Love is all around”? Of die doodgewone Britse jongen van het type ruwe bolster, blanke pit die zijn seksuele geluk met eclatant succes gaat proberen in de US of A?

Om dan nog maar te zwijgen over de mooie maar zeer verlegen roodharige kantoormeid Sarah die in stilte hunkert naar de hunk van de afdeling en op het moment suprème van een mooi samenzijn ruw wordt gestoord door telefoontjes van haar verstandelijk beperkte broer; de donkerharige femme fatale met felrood gestifte lippen die haar oudere en zeer getrouwde baas het hoofd op hol brengt met een pose à la Sharon Stone tijdens haar legendarische politieverhoor in Basic Instinct of die onvergetelijke scène met Rowan Atkinson als irritante verkoper die tergend langzaam het stiekem door de getrouwde baas gekochte kerstcadeau voor deze minnares inpakt terwijl diens echtgenote ieder moment kan opduiken.

Deze totaal verschillende verhaallijnen gaan vloeiend in elkaar over en kennen vrijwel allemaal een eigen, gelukkig einde. Maar voor het zover is, moet er door de hoofdpersonen uiteraard nog menig misverstand, probleem en tegenslag worden overwonnen.

Hoewel het moeilijk kiezen is, zijn er twee fragmenten in de film die me altijd zullen bijblijven. Het ene is het moment dat eerdergenoemde Sarah eindelijk de moed heeft verzameld om een date te hebben met haar knappe maar even verlegen collega Karl. Als hij haar na afloop tot aan de deur van haar woning brengt, komt het – oh zoet cliché! – tot een eerste innige zoen. Onvergetelijk is de scène die meteen daarna komt. Sarah nodigt hem uit binnen te komen, zegt droog “een momentje, alsjeblieft”, gaat achter de deur staan en trappelt dan geluidloos als een kind van blijdschap. Meesterlijk!

Maar de absolute winnaar kan er maar één zijn. Het gebeurt bijna op het einde van de film. Juliet, een frêle schoonheid (gespeeld door Keira Knightley) zit vlak voor Kerstmis thuis met haar nieuwbakken echtgenoot Peter op de bank. De deurbel gaat. Manlief blijft zitten in de veronderstelling dat het kinderen zijn die Christmas Carols komen zingen. De jongedame gaat naar de deur. Daar treft ze haar zeer smakelijke maar nogal stille aanbidder Mark aan, die toevallig ook de beste vriend is van haar man. Een totaal onmogelijke liefde dus. Als ze iets wil zeggen, beduidt hij haar stil te zijn. Als afleidingsmanoeuvre voor de nietsvermoedende Peter zet hij kerstmuziek aan.

De schat heeft een respectvolle liefdesverklaring op diverse kartonnen bordjes geschreven, die hij op uiterst aandoenlijke wijze één voor één voor Juliet omhoog houdt. Zijn boodschap is duidelijk: hij houdt van haar maar legt zich neer bij de situatie. Als hij klaar is, zet hij de muziek uit, draait zich om en loopt weg. En net als je denkt: Juliet, jij stommerik, ren er achter aan!, doet Juliet precies wat je hoopt en beloont ze Mark met een klinkende kus. Maar daar blijft het dan ook bij. Toch nog een beetje gerechtigheid voor die lieve Mark. Want om eerlijk te zijn, had ik veel liever gezien dat híj met haar getrouwd was in plaats van Peter.

Als de aftiteling loopt, bekruipt mij opnieuw het inmiddels bekende, warme en gloedvolle gevoel. Een diepe, contente zucht ontsnapt me.

Mijn romantische ziel kan er weer een jaartje tegen.

© Pascale Bruinen

Love Actually

Need I Say More? Dit doet toch ieder meidenhart smelten???

Italiaanse Toestanden

Ons cruiseschip komt aan in de imposante haven van Napels. Na een ontspannen ontbijtje op het achterdek maken we ons op voor een excursie naar het überromantische Capri. Aan de kade worden we opgewacht door de gids van de dag. Hij ziet er uit als het prototype van de Italiaanse fatterige gentiluomo. Niet al te groot, diepgebruind en gekleed in een wit linnen hemd met dito broek, compleet met bordeelsluipers, wandelstok en Borsalino-hoed.

“Maaie neeme ies Ro-ma-no”, stelt hij zich met veel gevoel voor drama en sterk Italiaans accent aan ons voor. Hij neemt er zelfs even zijn hoed bij af. Zijn voornaam spreekt hij in slow motion uit. En voor het geval we het nog niet begrepen hebben: “Ai emme jorre toergaaide for de deie”. Iets zegt me dat het wel eens een hele lange deie kan gaan worden, daar op Capri.

Terwijl ik hem eens goed bekijk, vraag ik me onwillekeurig af wat hij in de slappe tijd van het jaar in Napels zoal doet. Ik zou me zomaar kunnen voorstellen dat hij her en der wat bijklust voor de Camorra. Ik zie het meteen voor me: Romano, chic gesoigneerd en gezeten op een Vespa scooter, die vanuit de binnenvoering van zijn design colbertje in alle rust een geweer met afgezaagde loop en geluidsdemper produceert en zijn target zonder zelfs maar met de ogen te knipperen omlegt. Wel vanaf zo’n afstandje dat zijn strakke maatpak er niet onder heeft te lijden, natuurlijk. En daarna op naar la mamma, die nietsvermoedend op hem wacht met een bord dampende pasta.

Ondertussen begeleidt het onderwerp van mijn criminele dagdroom ons groepje ostentatief rokend tot een paar honderd meter verderop, waar we ons op zijn aanwijzing gehoorzaam posteren bij de Superjet boot die ons naar Capri zal brengen. Ter plekke wenkt hij met een sigaret in zijn hand dat we allemaal dicht om hem heen moeten komen staan. Vervolgens deelt hij met brede armgebaren audiosets uit, waarmee we ook op een afstandje in verbinding blijven staan met onze “gaaide” als die de bezienswaardigheden wil toelichten.

Romano smoest wat met iemand die door moet gaan voor de plaatselijke kapitein Schettino en zie! Even later begeleidt hij onze kudde behendig langs de lange rij wachtenden de boot op, wat ons op de nodige valse blikken komt te staan. Maar daardoor kunnen we wel de mooiste stoeltjes bemachtigen: die bovenop het dek, in de zon met prachtig uitzicht.

De overtocht duurt zo’n 40 minuten. Zodra de boot snelheid begint te maken, voel ik de  afkoelende zeebries door mijn haren gaan. De middellandse zee flonkert en glinstert als een saffier. Aan de einder is het heiig. Het belooft een hete dag te worden. Dromerig kijk ik over de reling. Ik zie kleine vissersboten, catamarans en zeilschepen met wapperende witte zeilen die scherp afsteken tegen de diepblauwe lucht. Het monotone gedreun van de motoren werkt slaapverwekkend zodat ik een paar keer flink moet knipperen om mijn ogen open te houden.

Na een tijdje alleen maar zee te hebben gezien, doemen nu ineens hoge, steile rotsen op uit de nevel. Ik ga aan de reling staan en ontwaar in de verte de contouren van Capri. Bij iedere zeemijl dat we dichterbij komen, geeft het eiland meer details van zichzelf prijs. Ik zie nu dat de rotsen deels groen zijn. Mijn ogen dwalen over de luxueuze villa’s die zich aaneenrijgen op de heuvels als parels aan een ketting.

De boot mindert vaart. We gaan de haven in. Het eerste dat in me opkomt is dat het lijkt op Saint Tropez in vroeger tijden. De jachthaven is mooi maar vooral gezellig. En hoewel er genoeg juweeltjes van schepen liggen die alleen voor de allerrijksten der aarde te betalen zijn, is het niet zo over the top als de Zuid-Franse badplaats met al die megajachten met helicopterdek.

Romano is ook weer onder de levenden, zo blijkt al snel als ik het geknerp hoor van zijn lijzige stem over de audioset. Hij dirigeert ons met strakke hand naar buiten. We gaan eerst met minibusjes naar boven, naar Anacapri. De busjes bieden plaats aan 8 personen en zijn – slik! – zonder airco. Al snel wordt duidelijk waarom de busjes mini zijn: de slingerende, bochtige weg naar boven is supersmal.

Dat levert spannende, soms zelfs James Bond-achtige taferelen op. Zo neemt onze chauffeur met ware doodsverachting een haarspeldbocht en wordt in de curve plots geconfronteerd met én iemand die doodleuk midden op de weg scootert én een tegenligger. Nodeloos op te merken dat de “oehs” en “aahs” in ons flink verhitte busje niet van de lucht zijn. En dat komt niet alleen door het oogverblindende panorama.

Boven aangekomen gebaart Romano een ieder de audiosets in te doen. Maar al na een paar minuten blijken die krengen ware ondingen. Het met zwaar Italiaans accent doorspekt Engels van Romano werkt eerst nog op mijn lachspieren maar in no time vooral op mijn zenuwen. Zijn bedoeling is namelijk dat je de oortjes te allen tijde inhoudt, het ontvangstkastje aan je kleding hangt en vooral ademloos luistert naar het inhoudsloze gewauwel dat hij volcontinu uitzendt.

Ik besluit daarom al snel stiekem burgerlijk ongehoorzaam te zijn en de schoonheid van Capri zonder die irritante oortjes te gaan ervaren. Maar Romano, die als een havik waakt over zijn volgelingen, heeft al gezien dat ik de oortjes uit heb getrokken en is “notte emjoesed”. Vanuit zijn positie vanaf een metertje of twintig sommeert hij zogenaamd iederéén de oortjes steeds te blijven dragen, maar richt daarbij zijn Ray Ban blik recht op mij waarbij er geen glimlachje af kan. Met mijn dagdroom nog vers in herinnering doe ik ze gauw weer in. Zij het met frisse tegenzin.

Anacapri is schilderachtig met smalle, kronkelende straatjes geplaveid met kasseien, overal geurende bougainville en veel palmen. Tot mijn verrukking zijn hier veel winkeltjes die authentieke spulletjes verkopen van plaatselijke kunstenaars in plaats van het gebruikelijke made in Taiwan spul.

Hoewel er hordes toeristen lopen, valt de oprechte vriendelijkheid van de Capresi me op. Als ik H. enthousiast wijs op een enorme basilicumplant die in een hofje staat, wenkt de eigenaar ons om dichterbij te komen kijken. Ik complimenteer de oudere man in het Italiaans met zijn prachtige kruidenplant. Het volgende moment roept hij zijn vrouw erbij en laten ze ons – glunderend van trots –  ook andere zelf gekweekte groenten zien. Ze hebben alle een grillige vorm maar de zongerijptheid straalt er van af. Er ontspint zich een geanimeerd gesprek over de smaak van Italiaanse courgettes, aubergines en reuze tomaten. Als we afscheid nemen van dit hartelijke koppel, duwt de man ons ieder een flinke tak basilicum in de handen en wenst hij ons nog een goede reis. Ze zwaaien ons na alsof we elkaar al heel lang kennen.

Precies dit soort momenten is de reden waarom ik reizen zo fantastisch vind.

Even later rijden we terug naar beneden, naar Capri. Dat heeft een mooi centrum van witgekalkte huizen, luxe hotels en dure winkels te midden van veel mooie begroeiing en citroenboompjes. Niet voor niks dat je hier op iedere straathoek de wereldberoemde limoncello kunt proeven én kopen. Ondanks dat Capri zelf vrij klein is, zijn in het pittoreske stadje alle wereldberoemde modemerken vertegenwoordigd. Ook zie ik buitenproportioneel veel banken en geldautomaten. Het is duidelijk: Capri is gericht op de rich and famous.

De toerist uithangen maakt moe en hongerig. Gelukkig krijgen we van Romano maar liefst een heel uur vrij om een echte Napolitaanse pizza te gaan nuttigen. Via mijn oordopjes hoor ik hem tot wel driemaal toe benadrukken dat we alléén onze tanden mogen zetten in eentje die gebakken is in een houtoven. Gelet op de tijd is onze flamboyante gids gelukkig zo goed om een restaurant aan te raden en – oh toeval – laten we daar nou net vlakbij zijn!

Aangespoord door onze rammelende magen besluiten H. en ik niet te dralen en gelijk  naar binnen te gaan. Het is een gezellig restaurant met prachtig uitzicht op de baai. Maar wat nog belangrijker is: het ruikt er goddelijk en er zitten ook Italiaanse gezinnen aan de dis. Altijd een goed teken. Nu we hier toch zijn, gaan we voor de plaatselijke specialiteiten: de klassieke insalata caprese en een pizza margherita. Als ik om me heen kijk, zie ik nog vier tafeltjes volstromen met mensen uit onze groep.

“Volgens mij heeft Romano een deal met dit restaurant”, zeg ik tegen H. terwijl ik in een sappige tomaat bijt en tegelijkertijd met mijn hoofd knik in de richting van een stel uit ons groepje twee tafels verderop. Ik heb de woorden nog niet uitgesproken of ons gespreksonderwerp komt de zaak binnen lopen. Ik zie dat hij zijn hoed en zonnebril afzet. Daarna gaat zijn spiedende blik door de ruimte en zelfs vanaf mijn plekje kan ik hem bijna zien hoofdrekenen wat zijn reclame hem dit keer gaat opleveren. Even later heeft hij een onderonsje met de eigenaar. Bella Italia, waar de ene mano de andere wast.

Die Romano.

Onze gaaide heeft zo zijn kostje weer bijeen gegraaide.

© Pascale Bruinen

Romano

Hier is hij dan, compleet met die verdraaide audioset. Ondanks dat heb ik genoten op Capri. Het eiland is echt de moeite waard om te bezoeken, alleen al voor het fabelachtige uitzicht van bovenaf op de schitterende baai beneden. En als je er een keer mocht komen: vraag dan naar de enige echte Romano!

Victoria’s Secret Revisited

Nee, dit keer gaat het niet over de supermodels (zie daarvoor mijn column “Het Geheim van Victoria”), maar over de winkels van Victoria’s Secret. Bij elk bezoek aan de Verenigde Staten speur ik vooraf op internet naar de locaties waar deze lingerie/badmode/parfum- en make-up gigant te vinden is.

Meestal ben ik binnen pakweg zes uur nadat we zijn geland al aardig in de buurt van het Heilige der Heiligen. Zo ook nu. We zijn nog niet goed en wel geïnstalleerd in ons hotel of we gaan in de hete namiddagzon al goedgeluimd op weg naar Lincoln Road, zeg maar de Rodeo Drive van Miami. Ik rek mijn nek zover mogelijk uit om te kijken of ik de manshoge posters van Doutzen, Adriana of Alessandra al op een of andere chique gevel bespeur.

Ineens zie ik een vrouw die me tegemoet loopt met de trademark fuchsiarose-pastelrose gestreepte tas met gouden letters. Ja! Ik moet nu vlakbij zijn. De adresgegevens van internet geven aan dat het niet ver meer is. Ik versnel mijn toch al niet zo langzame pas. Ik kijk geconcentreerd voor me en dan zie ik ze. De twee woorden waar ik op gewacht heb.

Ik stuif naar binnen met H. in mijn kielzog en word prompt bijna bedwelmd door een mix van de heerlijkste geurtjes. Ergens in het nog werkende deel van mijn hersens krijg ik vaag het bericht door dat dit een bekende marketingtool is die de kooplust pleegt aan te wakkeren. Maar mijn ander deel, dat van de beloningen, negeert dit meteen en gooit alle remmen los.

Ik graai een van die supergrote, zwarte tassen mee die bedoeld zijn om al je aankopen in te gooien en loop verder de winkel in. Bij het zien van al die mooie, geurende en hebberig makende spullen raak ik in een soort van flow die nog het dichtst komt bij een meditatieve staat van trance. Niet dat ik ooit in een dergelijke staat heb verkeerd, maar dit moet het wel ongeveer zijn. Want ik kom als het ware los van mezelf en zweef meer door de enorme winkel dan dat ik loop. Zo glijd ik lichtvoetig van het ene deel naar het andere.

Ik zie veel te veel. Schappen en schappen vol met make-up en nagellak in té leuke verpakkingen, super de luxe uitziende bodylotions en bodymists en vooral heel veel parfums en eau de toilettes. Ik voel me als een kind in een snoepwinkel. Een gevoel dat nog versterkt wordt door alle snoeperige kleurtjes die ik her en der ontwaar.

Ik besluit systematisch te werk te gaan. Daarom begin ik bij het eerste rek meteen maar in rap tempo aan de diverse parfumflesjes te ruiken. “Déze is zalig”, roep ik naar H. “En moet je díe ruiken, heerlijk gewoon! Of nee, ik geloof dat ik deze nóg lekkerder vind. Die ruikt naar een frisse fruitsmoothie, alsof ik het zo zou kunnen opdrinken!”. In vijf minuten tijd steek ik zoveel geurstrookjes onder zijn neus, dat hij er helemaal confuus van wordt. “Welke was die eerste nou ook al weer?”. De waarheid is dat ik, inmiddels omgeven door een waar slagveld van flesjes, monsters en geurstrookjes, het zelf niet meer weet.

“Het kost allemaal bijna niks, dus ik neem gewoon een stuk of zes verschillende. En…oh! Kijk, als je die drie mini’s er ook bij neemt, krijg je dit enveloptasje cadeau. Té schattig gewoon. Die wil ik wel. Voor hoeveel hebben we nu in de tas zitten? Want als we voor meer dan 100 dollar kopen, krijg je deze übercoole strandtas ook nog voor niks. En de dollar staat al op een historisch dieptepunt, dus…”. H. roept nog in herinnering dat dit mega-voordeel wel meevalt als ik straks op de terugvlucht een boete moet betalen wegens overgewicht, maar dat is nu even tegen dovemansoren gezegd.

Maar wat wil je ook met parfums met namen als Bombshell, Desire of Love Spell Blush? Of wat te denken van Heavenly Summer, Pure Seduction en Pear Glacé? Het zullen niet ’s werelds meest unieke geurtjes zijn, maar ik vind ze zalig en zo kan ik lekker vaak afwisselen.

Omdat de zwarte tas inmiddels nagenoeg niet meer te dragen is, heb ik hem liefdevol overgedragen aan H. Omdat hij mij mijn pleziertjes gunt, draagt hij de zware last zonder te klagen, de schat. Er zit zoveel in dat hij bijna scheef loopt.

We zijn al op weg naar de kassa als ik uit een ooghoek opeens de badmode-afdeling ontwaar. Ik weet niet hoe snel ik daarheen moet draven. De bikini’s, badpakken, pareo’s en bijpassende andere hebbedingetjes zijn helemaal te gek. Begerig trek ik een stuk of vier bikini’s uit een grote la om te gaan passen. Ondertussen prijs ik me gelukkig dat ik nog geen nieuwe in Nederland heb gekocht. Over vooruitziende blik gesproken.

Net op het moment dat ik me om wil draaien om tegen H. te zeggen dat ik nu de bikini’s ga proberen, hoor ik een doffe dreun achter me die meteen wordt gevolgd door gejammer. “Au, au, allemachtig, dat doet pijn!”, hoor ik H. kreunen. Ik kom tot een abrupte stop want dit klinkt toch wel ernstig. “Wat is er in hemelsnaam gebeurd?”, vraag ik. Maar dan zie ik dat hij een bloedende snee heeft ter hoogte van zijn linkerknie. “Ik ben verdomme tegen de scherpe rand van deze uitstekende lade met bikini’s opgelopen”, antwoordt H. verongelijkt. “Welke halve gare laat die ook zo wagenwijd open staan?”.

Ik voel eerst het bloed uit mijn gezicht wegtrekken, waarna het vervolgens in razend tempo terugkeert en ik er hoogstwaarschijnlijk uit zie als een biet met zonnebrand. Ik besluit ter plekke dat het beter is om maar niet op te biechten dat ik in mijn enthousiasme om te gaan passen die la misschien niet helemaal dicht heb gedaan.

De commotie zorgt wel voor extra aandacht, want meteen staat een bloedmooie verkoopster naast H., mét ontsmettingsmiddel, verbandrol en een megapleister. Ze put zich uit in excuses. Ik voel me met de minuut ongemakkelijker. H. laat het zich daarentegen allemaal maar wat graag aanleunen. “We zouden eigenlijk tegen Victoria’s Secret moeten procederen”, zegt H. monter tegen mij, terwijl hij gefascineerd toekijkt hoe zijn knie met Amerikaans gevoel voor drama wordt ingepakt door de Doutzen-meets-Florence Nightingale-lookalike. Hmmm, nu hoor ik ineens niks meer over pijn. “Per slot van rekening zijn we in Amerika en zouden we misschien miljoenen kunnen vangen voor zo’n grove onoplettendheid van het personeel”, vervolgt hij grinnikend. “Ach, weet je”, mompel ik, “misschien kunnen we in plaats daarvan beter vragen of we een parfumflesje voor niks krijgen. Zo erg is je sneetje nou ook weer niet”. Ik hoop vurig dat hij er nu over ophoudt.

Na dit medische intermezzo kom ik dan toch nog aan bij de paskamers. Die zijn een verhaal apart. Om te beginnen zijn ze strictly off limits voor mannen waardoor er een heel speciaal, vertrouwelijk “boudoir”-sfeertje hangt. Daarbij is het vrouwelijk personeel uitermate deskundig, supervriendelijk en behulpzaam. Een ware verademing. Vijf minuten passen en het lijkt wel of je er een nieuwe best friend forever bij hebt. Tenslotte is de term “pashokje” een grove belediging voor de grote, luxueuze wit-roze ruimtes die je van binnenuit op slot kunt draaien voor optimale privacy als je aan het passen bent. Ze zijn uitgerust met een schattige canapé, hoge spiegels aan twee wanden zodat je jezelf ook van achteren kunt aanschouwen (mocht je dat al willen) en – halleluja! – lampen die een flatterend licht afgeven. Zouden alle winkels moeten doen.

Een poosje later kom ik met twee nieuwe aanwinsten de paskamer uit. Nadat we hebben afgerekend en ik inderdaad het enveloptasje én een enige strandtas “voor niks” erbij heb gekregen, lopen we naar buiten. Tot onze verbazing is zowaar al de zwoele schemering van de vroege avond ingevallen.

We zijn ruim twee uur binnen geweest.

© Pascale Bruinen

Hier zie je mijn verzameling. Het is snoeperig, zoet en heel erg roze. Maar voor zo af en toe is dat helemaal niet erg…

Fotoshoot

Als je column-ambities maar ver genoeg reiken, kom je een heel eind. Zo ben ik er met noeste arbeid, de nodige volharding en een zekere dosis talent in geslaagd een wekelijkse column in de zaterdagbijlage van het AD te bemachtigen. Voorwaar de droom van iedere beginnende columnist. Niets minder dan een mijlpaal in mijn prille schrijversbestaan. Een gebeurtenis die voor mij dezelfde impact heeft als de bevestiging van het bestaan van het God-deeltje voor natuurwetenschappers. Er is alleen maar één minpuntje: dat betekent dat er ook foto’s moeten worden gemaakt.

Een snelle blik op mijn horloge leert dat ik nog een heel uur heb voordat de fotografe komt. Ik ben juist doende mijn blouse te strijken die ik zo aan wil, als ik de deurbel hoor. Wie kan dat nou zijn, vraag ik me af. Als ik de voordeur open, zie ik niemand. Wel brandt er een rood lampje op mijn gsm. Een voicemail. Ik luister hem af en verbleek. De fotografe is al hier, ze staat geparkeerd om de hoek! Er waren geen files dus ze had zo kunnen doorrijden.

Paniek! Stress! Ramp! Nooit eerder heb ik het feit dat er géén files zijn zo verwenst als nu. Daar sta ik dan, nagenoeg make-up loos in mijn spijkerbroek met zwarte t-shirtje dat ik vanochtend zorgeloos uit de kast heb gerukt om naar de kapper te gaan. Ik bel haar terug en even later staat ze, bepakt en bezakt, in de gang.

Ze informeert me dat het haar een mooi plan lijkt om een deel van de fotoshoot op de oprit te doen. “De óprit?”, bauw ik haar na. Moet ik zeker gaan poseren in het volle zicht van die nieuwsgierige postbesteller, de buurman van een paar huizen verderop die zijn hond uitlaat en iedere toevallige passant? Ik vraag nog of het haar geen beter plan lijkt om het in de achtertuin te doen, maar dan wenkt ze me al naar buiten.

Lichtelijk ongerust loop ik achter haar aan de voortuin in. Ik moet twee keer kijken voordat het tafereel, dat zich daar voor mijn ogen ontvouwt, tot mij doordringt. Haar assistent heeft in een paar minuten tijd een onwaarschijnlijke hoeveelheid statieven, daglichtlampen met reflector en paraplu’s opgesteld, compleet met een immens grote witte wand die in vol ornaat tegen de garagepoort is gezet. Het is te veel om te bevatten.

“Maar eerst gaan we binnen foto’s maken”, informeert ze me. Godzijdank! Stiekem hoop ik vurig dat het zo dadelijk gaat plenzen zodat ik me niet buitenshuis hoef te vertonen met allerhande camera’s op mij gericht.

De fotografe is druk in de weer met schermen, lampen, flitsers, filters en lenzen. Snel besluit ik deze gelegenheid aan te grijpen om wat make-up op mijn gezicht te gaan doen. Ik hol naar boven. Waar is Leco als je hem nodig hebt?, denk ik als ik vliegensvlug en geroutineerd in de weer ga met blusher, mascara en ogenpotlood. Ik maak van de gelegenheid gebruik om in mijn geplande outfit te schieten en ren de trap weer af.

Ik tref de fotografe beneden aan terwijl ze moeilijk kijkt naar mijn bank in de woonkamer. Of het schilderij daarboven weg kan? En, oh ja, alle kussens. En kan die bank misschien verder van de muur? Zó ja. Nu de toga aan de muur hangen, als achtergrond. Ik doe wat ze vraagt. En dan moet ik er aan geloven. Eerst komt ze met zo’n lichtmeter tot viermaal toe vlak bij mijn gezicht. Ze draait aan wat knoppen, zet een enorme lens op haar toestel en komt daarmee naar mijn smaak véél te dichtbij.

Als ik op commando in die grote zwarte cirkel kijk, voel ik me geïntimideerd. Ik merk dat mijn mond in de bekende blokkadestand gaat. Het lijkt wel of ik bevries. Wat ik eerst alleen vreesde, wordt nu werkelijkheid. Mijn fotogezicht neemt mijn eigen gezicht over. Als een vraatzuchtige alien slokt het fotogezicht iedere uitdrukking van spontaniteit op, totdat alleen een blik van “konijn gevangen in koplampen” overblijft.

“Je mag best neutraal glimlachen, hoor!”, zegt de fotografe bij wijze van aansporing. Mijn hersens begrijpen de boodschap, alleen komt die dankzij die alien nooit aan bij mijn gezichtsspieren. Verder dan wat ik denk dat een grimas is à la Jack Nicholson in The Shining net voor hij Shelley Duvall in de badkamer wil gaan afslachten kom ik echter niet. “Ik zoek een echte glimlach, eentje met je ogen”, hoor ik haar vanachter haar gigantische lens roepen. Ja, dat zou ik zelf ook wel willen, maar hoe dóe ik dat?

Ik krijg ineens diep respect voor de Doutzens, Alessandra’s en Adriana’s van deze wereld die er in slagen om volkomen ontspannen voor een camera te staan. De fotografe ziet me worstelen en besluit het over een andere boeg te gooien. “Vertel eens over je laatste vakantie”, zegt ze bemoedigend. Dat helpt. Ik praat en praat. Zij klikt en klikt. Mijn mond voelt zowaar wat losser aan. Omdat het inmiddels hard is gaan regenen (ja, echt!) gaat het oprit-circus niet door. De weergoden zijden geprezen.

“Zou je nog eens dat zwarte t-shirt aan kunnen trekken?”, vraagt de fotografe ineens. Wat? Dat doodgewone t-shirt dat ik lukraak had aangetrokken? “Ik denk dat zwart beter contrasteert”. Ik ben de beroerdste niet, dus ga ik me omkleden.

Of ik mijn kin lager kan houden? Ja, zo. En kan ik mijn gezicht wat schuiner houden? Nee, niet naar links, naar rechts. Prima. Mijn rug moet wat rechter. Kan ik meer naar voren leunen? Denk aan iets leuks zodat je ogen sprankelen! Kan ik eens wat donkere oogschaduw opdoen? Wil ik misschien toch maar even een bruine blouse aantrekken? Nee, dat is het toch niet helemaal, heb ik ook een bruin truitje?

Ik probeer alle aanwijzingen braaf op te volgen maar langzaam aan bekruipt me het idee dat ik een hopeloos geval ben. Totdat ik haar tussen het eindeloze klikken door steeds vaker hoor roepen: “Veel beter!”, “Mooi!”, “Dát bedoel ik”. Voor een nanoseconde voel ik me een supermodel dat bewierookt wordt in de fotostudio van een wereldberoemde fotograaf.

Mijn mini-dagdroom spat uiteen als ik haar hoor zeggen: “Ik heb alles. Daar zal zeker wel een foto tussen zitten”. Één foto? Ze heeft het laatste anderhalf uur bijna volcontinu opnames gemaakt. Als ze mijn gezicht ziet, haast ze zich te zeggen dat dit bij iedereen zo is.

Ik wil het o zo graag geloven.

© Pascale Bruinen

Dit is natuurlijk maar een super eenvoudig digitaal cameraatje. Het echt werk ziet er heel anders uit. Bovendien moet je daar nog wat statieven, lenzen, flitsers, filters, kabels, reflectieschermen en fotolampen bij denken en dan weet je ongeveer wat er bij een professionele fotoshoot komt kijken. Maar het is niet voor niets geweest want er zaten inderdaad een aantal mooie foto’s bij. En dat lag overigens meer aan de kwaliteit van de fotografe dan aan het model.