Slakken en zagen

In de tijd dat mijn pubers nog moeten gaan blokken voor hun eindexamen, is dochter een keer opmerkelijk spraakzaam bij het avondeten. Het gespreksonderwerp?  De slaag/zakregeling.

De normen zijn behoorlijk aangescherpt. Tijdens de ouder-informatieavond zagen we dan ook wit om de neus toen ons op dreigende toon werd voorgehouden dat het écht véél moeilijker zou worden om dat felbegeerde diploma te bemachtigen. Wat nog ten overvloede werd gestaafd met het naast elkaar leggen van twee exact dezelfde puntenlijsten. Waar de kandidaat eerder nog geslaagd zou zijn, zou deze volgens de nieuwe normering zakken als de spreekwoordelijke baksteen. Het was genoeg informatie om me zowat te verslikken in de slappe koffie (hoe kon ik toen ook weten dat wonderen nog echt bestaan en ze het beiden zouden halen?).

Dochter meldt al etende terloops dat ze een tegenvallend punt heeft gehaald voor een Kleine Praktische Opdracht. En dat uitgerekend bij biologie, waar ze toch al niet een kei in is.

“Goh, wat jammer”,  zeg ik, “want daar kun je zelfs ieder tiende punt extra goed gebruiken”.

“Nou, een tiende punt zal echt niks uitmaken, hoor”, spreekt ze tegen, terwijl ze de spaghetti geroutineerd om haar vork draait.

Nu is het mijn beurt om te sputteren tegen zoveel eigenwijsheid.

“Tuurlijk wel”, antwoord ik, “één tiende punt kan straks het verschil maken tussen slakken en zagen”. Of het nou aan de spaghetti ligt die ik net op dat moment mijn keel in laat glijden of dat er een kortsluiting in mijn hersenpan optreedt, de woorden komen er in ieder geval verkeerd uit.

Dochter schatert het uit. “Slakken en zagen! Slakken en zagen, ha ha ha!”. Haar lach werkt aanstekelijk, want ook ik kom niet meer bij als ik me realiseer dat mijn verspreking een nogal merkwaardig beeld oproept.

“Zie je het al voor je”, breng ik met moeite uit tussen de gierende lachbuien door, “zo’n slijmerige beestjes die druk aan het zagen zijn?” Van de weeromstuit heb ik ook nog de hik gekregen, hetgeen dochterlief zó hard doet lachen dat ik even vrees dat ze stikt in haar spaghettislierten.

Maar ze herpakt zich en begint doodleuk over doorligwonden.

“Doorligwonden? Hoe kom je daar nu weer bij? Lekker, we zijn aan het eten hoor. Kun je het daar niet een ander keertje over hebben?”

Maar ze heeft het net op school gehad en moet haar ei kwijt. Terwijl ze gloedvol feitjes opdist over decubitus, zoals deze nogal onsmakelijke aandoening in medisch jargon heet, kijkt haar broer haar met stijgende verbazing en – zie ik het goed? – iets van stiekeme bewondering aan. Maar zo snel als de blik komt opzetten, is die ook weer verdwenen.

“Als jij ’s morgens nóg langer in bed blijft liggen, krijg jij straks ook decubitus!”, roept hij over de tafel heen, onderwijl zijn bord nog eens rijkelijk opscheppend. Haar uitslaapgewoonten komen zo ineens in een heel ander daglicht te staan.

Dochterlief laat zich echter voor één keer niet provoceren en stapt alweer moeiteloos op het volgende onderwerp over.

“Weet je trouwens dat hier geesten in huis zitten? Ik weet het zeker!”, zegt ze schijnbaar onbezorgd als ze de parmezaanse kaas voor de tweede keer boven haar bord raspt.

Geamuseerd kijk ik haar aan.

“Geesten? Hoe dat zo?”, vraag ik grinnikend.

“Nou, laatst was ik alleen thuis en toen hoorde ik ineens dat de TomTom vanzelf begon te praten. “Rechtsaf slaan!”, riep dat ding zomaar. Er was niemand in de buurt, hoor!”, voegt ze er enigszins gepikeerd aan toe als ze mijn opgetrokken wenkbrauwen ziet.

“Oh, dát. Dat gebeurt als wij de TomTom insteken om op te laden. Als die de satellieten gevonden heeft, kan het wel eens zijn dat hij alvast begint met de route uit te kramen. Dus als jij dacht dat dit geesten waren die alvast de weg wilden uitstippelen, moet ik je helaas teleurstellen”. Ik hou m’n gezicht nog net in de plooi.

“Oh. Ok dan. Was lekker. Doei!”. En weg is ze, naar boven toe. Het onderwerp heeft zijn aantrekkingskracht al weer verloren.

Een korte aandachtsspanne kan soms zo z’n voordelen hebben.

© Pascale Bruinen

slakken

zaag

Bij gebrek aan plaatjes van zagende slakken, dit keer twee aparte foto’s.

Advertenties

Wat ruist er door het struikgewas? (3)

Mijn eerste nacht in onze safaritent in het private game reserve is er een om nooit te vergeten. Ik ga pas liggen nadat ik alle beddengoed van ons mooie ledikant heb afgehaald om te controleren of zich geen zwarte mamba erin heeft verstopt. Het is zo’n klamme hitte dat ik bijna mijn bed uitdrijf. Airco is alleen nog maar een mooie droom.

Hoewel ik kapot moe ben van de lange reis en alle indrukken, kan ik de slaap niet vatten. Een megakoor van krekels brult zo luid als de motoren van de Formule 1. Ik vind het prachtig maar in plaats van dat het me in slaap wiegt, word ik er alleen maar wakkerder van.

En krekels zijn niet de enige dieren die ik hoor. Want als ik mijn oren spits (en dat doe ik), hoor ik daar tussendoor ook vele vogels roepen, tsjilpen en krijsen. Kennelijk zijn die Zuid-Afrikaanse gevederde vrienden in tegenstelling tot hun Nederlandse collega’s ook ’s nachts actief.

Wat me enigszins verontrust zijn de geluiden die ik niet kan thuis brengen. En dat zijn er nogal wat. Ik hoor door de krekel- en vogelkakofonie namelijk ook regelmatig een soort gebrom, gesis en gehuil. Nodeloos te zeggen dat ik hierdoor helemaal geen oog dicht doe.

Net als ik denk dat ik nu wel alles gehad heb, hoor ik buiten – vlak achter mijn hoofd – een luid gekraak. Ik zit in één ruk rechtop in bed. Het was het geluid van een doorbrekende tak. En een grote, zo te horen. Dat gebeurt niet spontaan. Mijn hart lijkt zo’n vijfentwintig centimeter omhoog te zijn geschoten en zit nu ongeveer ter hoogte van mijn keel.

Ik por H.,  die naast me doodleuk de slaap der onschuldigen slaapt, in zijn zij.

“Heb je dat gehoord? Er zit hier een of ander dier pal naast onze tent! Word wakker!!!”, schreeuw-fluister ik terwijl ik aan hem rammel. Hoe is het mogelijk dat hij gewoon doorslaapt alsof ons niet slechts een flinterdun tentzeil scheidt van God weet wat voor bloeddorstig wild beest.

“Hè? Wat? Wat is er? Heb niks gehoord, ga slapen!”, antwoordt H. slaapdronken in het pikkedonker. Mooie boel is dit. We bevinden ons misschien wel in een potentieel levensbedreigende situatie en meneertje draait zich nog eens lekker om.

“Aan jou heb ik ook niks!”, sis ik als een boze slang. Ineens bedenk ik me dat het ook nog zou kunnen dat het iets op twéé benen was. Ik weet niet wat ik erger vind, want in het laatste geval hoeft de kwaadwillende maar de rits van de badkamer omhoog te trekken en hij staat al binnen. Ik wou dat ik kon zeggen dat het zweet me uitbrak bij die gedachte, maar dan zou ik liegen. Ik ben namelijk al drijfnat.

Één voordeel zie ik wel. Godzijdank is de nacht maar kort want om kwart over vier gaat de wekker al.

Als ik eindelijk uit bed mag klauteren, ga ik rechtstreeks de douche in. Nou ja, niet dan nadat ik bij het armzalige licht van mijn batterij-lamp heb gecheckt of ik me niet soms samen met een schorpioen dreig te gaan wassen.

Tegen half vijf worden we door de porter opgehaald. Willard en Zablon wachten op ons in het restaurant, waar we een snelle kop koffie drinken. Het wordt al bijna licht. Even later is ons gezelschap compleet en vertrekken we.

Buiten is het, zeker vergeleken met die bakoven binnen in de tent, heerlijk koel. Ik kan zelfs een dun jasje verdragen. Het belooft een prachtige dag te worden want de lucht is helder met slechts hier en daar een wolkje.

De zonsopkomst boven het wildreservaat is een spectaculair schouwspel. Ik pak mijn fototoestel en maak om de minuut een totaal andere foto, zo snel verandert het licht. Dromerig staar ik naar het landschap dat zich steeds duidelijker ontvouwt in zeeën van tinten rood, roze, oranje en geel. Ik voel diepe dankbaarheid dat ik dit mag zien.

Het is februari en hier is het hoogzomer. De grassen zijn plaatselijk wel driekwart meter hoog. In de verte zie ik de grillige vormen van een baobab-boom, die op zijn kop lijkt te staan. Volgens Willard eten olifanten de zachte bast van de boom en apen de vruchten. Daarom wordt de baobab ook wel apenbroodboom genoemd.

Terwijl ik rond speur over de vlakte voel ik dat Willard de auto stop zet. Ik kijk recht vooruit. Op zo’n twintig meter voor ons lopen een mannetjes- en een vrouwtjesleeuw midden op de weg met een air alsof het reservaat hen toebehoort (je bent niet voor niets de koning der dieren). Ik neem mijn camera ter hand en besluit te filmen. Als ik door de lens kijk, kan ik mijn ogen niet geloven. Het mannetje bestijgt de leeuwin en gaat met haar paren. Het is kort en luidruchtig. Meteen erna gooit het vrouwtje zich op de grond. Het mannetje draait wat om haar heen en maakt dan aanstalten om haar weer te beklimmen. Maar daar is mevrouw niet van gediend, getuige haar gebrul en de ferme uithaal van haar klauwen in zijn richting. Het mannetje blijft nog even beteuterd staan en geeft het dan op.

Ook de mannetjesleeuw gaat nu liggen met zijn machtige kop in onze richting gedraaid. Met mijn toestel haal ik hem zo dichtbij dat ik zelfs de krassen op zijn snuit kan zien. Het lijkt alsof hij mij recht aankijkt en ik hem zo kan aanraken. H. is bezig foto’s te maken met de iPad en steekt het ding een stuk uit de Landrover om hem beter in beeld te krijgen. Prompt tilt de leeuw zijn kop op en kijkt indringend in onze richting. “Je doorbreekt het profiel!”, fluister ik hem gealarmeerd toe, waarop hij snel eieren voor zijn geld kiest en de iPad naar binnen haalt.

Willard heeft de beste baan van de wereld, denk ik als we weer verder rijden. Ik zou zelf wel ranger willen zijn. Als ik mijn gedachte met hem deel, zegt hij: “Yes, because this (hij maakt een breed handgebaar van links naar rechts over de wildernis) is my office!”. Het is jaloersmakend.

Hierna zien we nog meer giraffes, olifanten, impala’s en zebra’s. Willard rijdt het struikgewas in omdat hij in de verte een aantal witte neushoorns heeft gespot. Als hij de motor uitzet, komen ze een voor een dichterbij. Ze zijn nieuwsgierig en omdat ze slechte ogen hebben, willen ze ons nader kunnen bekijken. Ik zie dat ze allemaal door de modder hebben gerold want ze zijn bedekt met dikke stukken grijze opgedroogde grond. Op eentje z’n rug zit zo’n vogeltje met een rode bek dat zich tegoed doet aan insecten. Als Willard de auto weer in beweging zet, schrikken ze en zetten het op een aandoenlijk drafje.

Het is tijd voor een korte pauze. Willard kiest een open stuk uit en zet de Landrover dan stop. Nu mogen we allemaal uitstappen. Wat op zich wel vreemd is omdat de instructie luidt dat het tijdens de game drive ten strengste verboden is om uit de Landrover te stappen. Kennelijk acht Willard het hier veilig genoeg, hoewel het landschap precies hetzelfde is. Ik zie wel dat hij en Zablon voortdurend rond kijken. Al vraag ik me af wat ze zouden doen als er ineens een roofdier nadert want ze hebben geen geweren bij zich.

Wat ze wel hebben, achterin de Landrover, is een minibar. Niks frivools maar aluminium bekers voor koffie of thee, vergezeld van een koekje. Om ons heen omarmt het oneindige landschap ons als ware het een omhelzing van een geliefde. Ik zucht eens diep en adem de heerlijke geur van de Afrikaanse natuur in. Terwijl ik mijn koffie drink, draai ik langzaam alle kanten op. Want stel je voor dat ik ineens zo’n beige staart met een zwarte pluim aan het uiteinde boven het hoge gras zie naderen. Zekerheidshalve blijf ik op sprong-afstand van de Landrover.

Willard vertelt dat hij begrip ervoor heeft dat we graag wilde dieren zien. Maar hij vraagt ook nadrukkelijk aandacht voor kleine wonderen, zoals bijvoorbeeld een minuscuul  stengeltje van een grashalm. Het zal niet groter zijn dan anderhalve centimeter en is flinterdun. Hij vraagt ons om het uiteinde ervan vochtig te maken met wat speeksel en vervolgens goed op te letten.

Als ik doe wat hij vraagt en naar het stengeltje kijk, zie ik tot mijn verbijstering dat het vochtig gemaakte uiteinde ineens gaat bewegen. Het draait rond en rond, als een mini-boor. En dat is ook precies de bedoeling, zegt Willard, want zo is een enkele dauwdruppel voldoende om ervoor te zorgen dat het zichzelf de grond in draait zodat nieuw gras op kan komen. Wel zo handig onder extreme omstandigheden.

Vol ontzag kijk ik naar het nietige stengeltje. Het wow-effect is inderdaad even groot als bij het zien van een olifant.

Na onze pauze hebben we nog het geluk dat we een kudde buffels zien, exotische vogels kunnen bewonderen en twee prachtige jachtluipaarden vinden die verscholen liggen tussen het hoge gras. Ze zijn perfect gecamoufleerd. Als ik mijn foto’s heb geschoten, kijk ik met een intense blik naar deze wondermooie dieren. Ik wil deze beelden voor altijd vasthouden.

Het gevoel één te zijn met de natuur, het gevoel van vrijheid, de prachtige vergezichten, de eindeloze horizon, het licht, de dieren, de begroeiing, de mensen…Het zijn stuk voor stuk uitstekende redenen om terug te gaan naar Zuid-Afrika, dit ontroerend mooie land.

Om in de woorden van Arnold Schwarzenegger te blijven:

I’ll be back!”

© Pascale Bruinen

wat ruist (3) 1

 

zonsopkomst boven het Zuid-Afrikaanse land

wat ruist (3) 2

en dit zien we rond half zes in de ochtend…

wat ruist (3) 3

De enige echte Koning der Dieren

wat ruist (3) 5

Impala

wat ruist? (3) neushoorns

 

de modderige neushoorns

wat ruist? (3) luipaarden het jachtluipaard

 

Wat ruist er door het struikgewas? (2)

Ik ben in Zuid-Afrika en maak me op voor mijn allereerste safari.

Na een heerlijke high tea in het restaurant van het private game reserve worden we voorgesteld aan de ranger die de komende vier safari’s voor ons op zoek zal gaan naar wilde dieren. Zijn naam is Willard en hij zal ons rondrijden in zijn open Landrover jeep. Het is een grote donkere man van achter in de dertig met een kaal hoofd onder zijn tropenhoed en een vriendelijke uitstraling. Hij is gekleed in een bosgroen hemd waarop een portofoon is bevestigd en een lichtgrijze broek. Hij stelt ons voor aan Zablon, onze tracker. Hij zal voorop de jeep zitten en sporen zoeken. Zablon is een stuk jonger en komt, ondanks de grote glimlach op zijn donkere gezicht, wat verlegen over.

Als we de laatste koffiedruppels (wie zegt dat je tijdens een high tea alleen maar thee zou mogen drinken?) naar binnen hebben gegoten, spoeden we ons achter Willard en Zablon aan naar onze Landrover. Het is een monsterlijk grote jeep die vooral heel erg open is (ieuww!) en plaats biedt aan zeker negen safarigangers. Omdat men in Zuid-Afrika links rijdt, zit het stuur aan de rechterkant.

H. en ik installeren ons op de eerste rij, pal achter Willard en Zablon. We hebben een rugzakje bij ons met daarin water, muggenspray, een verrekijker, twee fototoestellen en dunne truien voor als het donker wordt.

Als iedereen zit, legt Willard eerst een aantal belangrijke spelregels uit. Met stip op 1 staat het gebod om tijdens onze tocht door de wildernis vooral nóóit het profiel van de Landrover met zijn inzittenden te doorbreken.  De wilde dieren zien dit namelijk als één groot geheel, zodat ze ons met rust zullen laten. Bovendien zijn ze aan deze vorm gewend, waardoor ze die niet meer interessant vinden. Willard instrueert ons allen daarom streng om vooral te blijven zitten in de jeep. Het is dus strikt verboden om op te staan om die extra leuke foto te kunnen maken, dat zou dan wel eens je laatste kunnen zijn. Laat staan dat je uit mag stappen.

Als ik tegen Willard zeg dat ze ons mensen toch kunnen ruiken en horen, bevestigt hij dat. Maar kennelijk snappen de wilde dieren desondanks niet dat wij gemakkelijke prooien zijn. Nu maar hopen dat er niet ergens die ene bolleboos-leeuw rondloopt die dit fabeltje zo doorprikt en wél begrijpt dat wij lekkere hapjes zijn die met één simpele sprong kunnen worden verschalkt.

Het spreekt voor zich, zegt Willard vrij overbodig, dat we de wilde dieren ook niet mogen voeren, aaien (!) of mogen aanroepen (“póes póes póes…, kijk eens hier voor de foto…, póes póes!”). Tenslotte worden we nog gewaarschuwd voor stelende apen, overhangende takken (met of zonder wurgklare python erop) en giftige doornen. Fijn! Laat de game drive maar beginnen!

Terwijl de jeep over de nu platliggende beschermingshekken het kamp uitrijdt, hang ik het nieuwe fototoestel – dat in staat is om van heel veraf in te zoomen – om mijn nek. We rijden over onverharde wegen die met iedere afslag die Willard neemt steeds smaller worden. Het is ruim boven de dertig graden en de klamme hitte is drukkend. Maar in de rijdende Landrover is het gelukkig een stuk koeler.

Eenmaal verder in de bush word ik bedwelmd door een geur die een hemelse mengeling is van droge aarde, kruidige gewassen en bloeiende struiken en bomen. Ik sluit even mijn ogen en adem diep in door mijn neus. Ik kan bijna voelen hoe mijn longen dankbaar de schone lucht (bye bye fijnstof!) opzuigen en hoe de laatste restjes Nederlandse stress verdwijnen.

Het landschap is zo mooi dat het pijn doet aan mijn ogen. Het is van een uitgestrektheid die wij in Nederland niet kennen. Nergens is een teken van menselijk ingrijpen te zien. Het  kleurenpalet van de Zuid-Afrikaanse natuur gaat van lichtbeige via eindeloze tinten groen naar het donker van takken en boomstammen. Her en der is het Afrikaanse land glooiend. Af en toe gaan we over een stuk bijna uitgedroogde rivier of langs een enkele eenzame boom. Het is zo’n typische boom die ik alleen maar ken van natuurfilms maar nu zie ik hem in het echt.

Het is de acacia. Hij heeft een ranke hoge stam, waarna de takken breed als een parasol horizontaal uitwaaieren. Ik word er stil van en ik heb nog geen dier gezien.

Even later stopt Willard de jeep en zet de motor uit. Opwinding maakt zich van ons meester als we een drietal zebra’s vlak langs de weg in het hoge gras zien staan. Ze kijken ons recht aan. Ik grijp mijn camera en zoom met enigszins trillende handen in. In de lens zie ik de zebrasnuit zo vlakbij dat het lijkt alsof ik maar mijn hand hoef uit te steken om hem te aaien. Het is een prachtbeest met zulke sierlijke tekeningen op zijn hoofd (en niet kop, het is een paard) dat de kunstwerkjes op de kop van Henk Schiffmacher hiermee vergeleken nog net geen peuterkrabbels zijn.

Als we allemaal onze foto’s hebben genomen, rijdt Willard verder. Na een minuut of vijf zien we vlak voor ons een olifant uit de struiken komen. Willard zet de jeep meteen stil. We houden collectief onze adem in. Hij draait zijn grote kop en gooit met zijn slurf de rode grond over zijn machtige lijf. Een oranje stofwolk onttrekt hem heel even bijna aan het zicht. Ik denk nu een beetje te weten hoe David Attenborough zich moet voelen als hij een van zijn vele natuurfilms maakt.

Het volgende moment komt de olifant recht op ons afgelopen en flappert daarbij met zijn grote oren. Het ziet er dreigend uit maar Willard legt ons enigszins geschrokken gezelschap haastig uit dat hij die flapperende oren enkel gebruikt om af te koelen.

Ik maak de ene na de andere foto. Dan besluit ik te filmen. Door de relatieve beschutting van mijn lens zie ik dat de olifant steeds dichterbij ons komt. Als ik opkijk, wordt het langzamerhand een beetje too close for comfort.

Willard zet de jeep gelukkig in zijn achteruit. Maar dan stopt hij de auto weer terwijl ik hem in gedachten aanmoedig om vooral verder achteruit te rijden. Want de kolos is nu weer dichterbij ons wel erg open jeepje gekomen. In gedachten denk ik aan die Engelse toeristen die nog maar een paar weken geleden in het Krugerpark het slachtoffer werden van een olifant met iets teveel testosteron. Ze waren kennelijk iets te dichtbij gekomen waarna hij hun auto had aangevallen en een vrouw zwaar verwondde.

Ik probeer deze gedachten weg te duwen. En dan zie ik nog meer olifanten de weg op komen. De opwinding slaat toe als we zien dat ze een kleintje bij zich hebben. Hoe schattig! De kleine is duidelijk bang als hij op de open weg is, want hij rent zo’n beetje naar de overkant. Willard rijdt stapvoets verder achteruit om ze de ruimte te geven en dan lopen de olifanten aan de overkant de beschutting van de struiken in.

We rijden verder. De zon begint langzaam onder te gaan. Het licht lijkt nog kwetsbaarder te worden nu het de schelle tonen van de hete middagstralen geleidelijk achter zich laat.

Ik spied rond of ik in het hoge gras iets zie bewegen. Later zien we nog de ranke impala’s, die zich spoorslags uit de voeten maken als ze ons horen aankomen, de koedoes (waarvan het mannetje en vrouwtje er compleet anders uit zien) en de waterbok. Het  zijn stuk voor stuk wonderbaarlijk mooie schepsels.

En dan valt de duisternis. Het is ietsje afgekoeld, maar die trui heb ik echt niet nodig. Miljoenen krekels heffen allemaal tegelijk hun lied aan. Her en der hoor ik getjilp, gekras en geroep van god weet wat voor dieren. Zablon, die links voorop zit op een klapstoeltje, doet zijn grote schijnwerper aan en beweegt die tijdens het rijden van links naar rechts. De verrassend sterke lichtbundel valt op struiken, een stuk boom, een paadje. Willard, die het uitgestrekte gebied op zijn duimpje kent, besluit het pad te verlaten en dwars door de struiken en lage boompjes te rijden. Hoe stoer! Ik wou dat ik dat mocht doen.

Zablon verlaat zijn stoeltje voorop en komt in de jeep zitten, een zeker teken dat het gevaarlijk kan worden. Even later zien we gele ogen reflecteren in het licht van de schijnwerper. We rekken onze hoofden uit om te zien welk dier zich hier schuilhoudt. Al snel blijkt het een hele troep leeuwinnen te zijn. Ze liggen ontspannen tegen elkaar aan. Even verderop ligt het mannetje. Als hij wordt beschenen heft hij even zijn majestueuze kop op, maar legt die dan meteen weer neer.

We rijden door en zien plotseling een ranke giraffe vlak voor ons de weg oversteken. Het is een adembenemend gezicht om dit grote maar o zo elegante dier van zo dichtbij te mogen zien.  Ik kijk en kijk en probeer me deze unieke beelden in te prenten opdat ik ze nooit zal vergeten.

En dan zit onze eerste rit er al op. Morgenvroeg gaat de wekker om 04.15 uur voor de ochtendsafari (hoezo uitrustvakantie?).

Ik wou dat het al zover was.

© Pascale Bruinen

wat ruist (2) 1

wat ruist (2) 2

wat ruist (2) 3

wat ruist er (2) 7

mannetjeskoedoe

wat ruist er (2) 8hoe aandoenlijk…

Wat ruist er door het struikgewas? (1)

Tropenhoed? Check. Khaki hemd? Check. Verrekijker? Check.

Nee, nee, dit keer geen cruise maar een safari. We gaan de Zuid-Afrikaanse bush nóg onveiliger maken. Een soort groeten uit de rimboe, maar dan zonder draaiende tv-camera’s.

De locatie is jaloersmakend: een tented camp midden in een private game reserve, ver van de bewoonde wereld. Zo ver zelfs, dat er maar zeer beperkt elektriciteit is. In plaats daarvan staan er overal olielampjes. Rond het zwembad, bij de zitbanken buiten, in het restaurant. Zó romantisch. In onze tent zijn we aangewezen op een draagbare lamp op batterijen, in de canvas badkamer een lamp op zonne-energie en voor de rest alleen maar kaarsen.

Het woord tent dekt de lading trouwens niet helemaal. Want dit is niet camping maar glamping met een enorm bed, meubilair van donker hout en een terras van waar je een fantastisch uitzicht hebt over de groene omgeving zonder ook maar ergens een teken van beschaving te ontwaren.

De aardige mevrouw die ons wegwijs maakt, laat ons een kistje zien dat in een la van de kast ligt. Dit is het overlevingspakket, zegt ze. Vervolgens haalt ze muggenspray, lucifers, een portofoon en een fluitje uit het kistje. Met de portofoon kunnen we bij onraad contact leggen met het main camp. Ha gelukkig, denk ik nog. Puntje van aandacht is wel dat dit op zo’n twintig minuten rijden ligt.

In geval van acute nood, zo legt zij ons uit, moeten we op het fluitje blazen. Prompt zie ik in gedachten al een grommende, uitgehongerde leeuw die in het holst van de nacht met zijn vlijmscherpe klauwen tegen ons canvas tentzeiltje slaat, op zoek naar lekkere hapjes. In paniek blaas ik op dat fluitje. Hoe willen ze dan in godsnaam weten waar het geluid vandaan komt? Want er liggen hier wel een stuk of veertien tenten helemaal verspreid in het groen over een redelijk groot gebied.

Tegen de tijd dat ze hebben uitgevogeld van welke tent het noodsignaal afkomstig was, zijn wij al lang en breed in stukken gescheurd en ligt de koning der dieren al lekker uit te buiken midden op ons ultra kingsize bed.

Terwijl ik dit opwekkende beeld probeer weg te stoppen, gaat de vrouw verder met het toelichten van de huisregels. De belangrijkste is dat we bij duisternis ab-so-luut niet zelf van het hoofdgebouw naar onze tent mogen lopen maar slechts begeleid door een porter. Dit in verband met de wilde dieren zoals neushoorns, hyena’s en luipaarden. We zitten per slot van rekening midden in de wildernis. Ze hebben aan de buitenkant van het kamp weliswaar van die hekken waar stroom op staat, maar je weet het natuurlijk nooit. 

Nu had ik gehoopt dat die porter een tot de tanden bewapende man zou zijn die met een vervaarlijk uitziend kapmes voorop loopt maar tot mijn schrik bleek het gewoon een plaatselijke jongen te zijn uitgerust met niet meer dan een lullig zaklampje.

Op mijn vraag wat ik moet doen als ik ineens word geconfronteerd met een woeste cheetah die me vanuit de struiken wil bespringen, zegt de aardige mevrouw dat ik dan zo stil mogelijk moet blijven staan. Lijkt me makkelijk zat terwijl je hele lijf giert van de vlucht- of vechthormonen. Of hard schreeuwen, dat zou ook nog wel eens helpen. Persoonlijk dacht ik eerder aan een verdovingsgeweer maar dat krijgen we niet. Hoezo klant is koning?

Hmm, aan deze probleempjes heb ik eerlijk gezegd niet meteen gedacht toen ik op internet de geweldige foto’s zag van onze safari-accomodatie. Overdag ziet het paadje naar onze tent, een onverhard smal weggetje dat zich een paar honderd meter door het dichte struikgewas heen worstelt, onschuldig genoeg uit maar bij nacht is het toch een ander verhaal.

Omdat vooral de overhangende boomtakken me toch wel enige zorgen baren, vraag ik haar meteen maar of hier soms ook slangen zitten. Uit een ooghoek zie ik dat H. me een waarschuwende blik toewerpt. Jammer dan, ik moet het toch weten.

In plaats van te antwoorden, stelt ze me een wedervraag. Of ik een eerlijk antwoord wil? Ja, dat wil ik. Nou, in dit gebied leven de tien dodelijkste slangen van Zuid-Afrika, zoals daar zijn de groene en zwarte mamba, de spugende cobra, de pofadder (allemaal gifslangen) en de wurgende python, doceert de aardige mevrouw. Fijn om te weten als ik straks in het pikkedonker over dat pad tussen struiken en bomen naar mijn tent terug moet. Ieeeee, ik moet er niet aan denken dat er zo’n koud, glibberig reptiel om mijn nek valt. Over out of my comfort zone gesproken. 

H. kijkt naar mijn gezicht (dat na deze mededeling kennelijk iets van zijn aanvankelijk nog  euforische blik heeft verloren) en slaat dan zijn ogen ten hemel. Tja, ik weet nu eenmaal graag precies waar ik aan toe ben.

Maar nu gaan we ons klaar maken voor onze allereerste safari.

Ik kan niet wachten.

© Pascale Bruinen

Wat ruist er door het struikgewas (1)Het paadje bij daglicht

Wat ruist er door het struikgewas (1) 2een bij duisternis…