De arrogantie van de macht

Vanavond krijgen we eters. Het koppel dat op bezoek komt, kennen we nog niet zo lang. Zij is huisvrouw, hij heeft een eigen bedrijf. Op het menu staan Italiaanse gerechten: een salade caprese met verschillende salumi als antipasti gevolgd door een hoofdgerecht van tagliatelle met zalm. Alleen het toetje, chocolade mousse met slagroom versierd met framboosjes en blauwe bessen, is niet uit het land van de laars.

“Ik moet jullie iets bekennen”, opent onze mannelijke gast het gesprek als we met z’n allen aan tafel schuiven. “Toen mijn vrouw mij vertelde wat jullie voor werk doen, was ik er van overtuigd dat jullie allebei zo’n hele arrogante types zouden zijn.” H. (mijn man) en ik kijken elkaar aan en schieten dan samen in de lach.

“O ja? Hoezo dat?”, kan ik niet nalaten geamuseerd te vragen terwijl ik het warme stokbrood doorgeef aan mijn vriendin. Haar gezichtsuitdrukking verraadt dat ze zich een beetje geneert voor de openhartigheid van haar echtgenoot.

“Nou ja, als officier van justitie en politieman hebben jullie natuurlijk een bepaalde status en macht. Veel mensen in zo’n positie voelen zich daardoor beter dan anderen en laten dat merken ook”, antwoordt hij. “Maar bij jullie bespeur ik daar niets van. Jullie zijn juist heel gewoon en gemakkelijk in de omgang.” Hoor ik daar iets van verbazing in zijn stem?

Ik schep mozzarella met tomaatjes en wat van die geurige basilicumblaadjes op mijn bord en zeg dan: “Ik heb helemaal niks met rangen en standen. Titels interesseren me niet. Ik zou dus niet weten waarom ik me niet normaal zou kunnen gedragen”.

“Zo is dat. Gelukkig dat we ondanks ons werk toch bij jullie in de smaak vallen”, grapt H. als hij het glas heft. Nu moet iedereen lachen. Het volgende moment toosten we alle vier op een gezellige avond.

Als ik heel wat uurtjes later (het was inderdaad heel gezellig) met H. de afwasmachine inruim, galmt die opmerking over arrogantie nog na in mijn hoofd. Zouden meer mensen er zo over denken?

Wat mij betreft is de arrogantie van de macht totaal misplaatst.

Want het gaat in het leven uiteindelijk niet zozeer om wat je doet voor de kost, maar om wie je echt bent.

© Pascale Bruinen

arrogantie van de macht

Deze column is op 2 april 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Advertenties

Het Spookhuis

Onderstaand verhaal (waarvan ik letterlijk de tekst heb overgenomen) schreef ik toen ik een jaar of 10 oud was. Het belandde destijds zelfs in het schoolkrantje van mijn basisschool. Daarmee is dit mijn allereerste officiële publicatie als schrijfster (en nog wel zelf getypt op mijn vaders typemachine)!

Zoals alle meisjes van die leeftijd was ik een paardengek. Iedere zaterdag ging ik ponyrijden, het hoogtepunt van mijn week. Daarnaast las ik alles wat los en vast zat over paarden en miste ik geen aflevering van Black Beauty, de serie die ging over een jonge meid en haar zwarte paard. Mijn verhaal is daar “losjes” op gebaseerd, ben ik bang.

Natuurlijk heb ik mijn ouders jarenlang gek gemaakt om een paard of pony te kopen. Maar verder dan een hoofdstel ben ik helaas nooit gekomen.

Lees en huiver!

Het Spookhuis

“Jane”, riep mevrouw Stone, “Jane, kom je nog of wil je soms te laat komen?”

“Ja, ja”, zei Jane verstoord. Ze was verdiept in een artikel waarin iets stond over een spookhuis in Dartmoor. Jane at vlug het laatste hapje van een boterham, dronk een slok thee, kuste haar moeder goedendag en liep naar de stal. Daar stond Bliksem, haar paard, gezadeld en al. “Aha, dat is werk van moeder, dat is toch een schat”, dacht Jane. Ze stapte op, gaf het paard de sporen en daar gingen ze.

Om vier uur kwam ze uit school. Thuis aangekomen zette ze Bliksem in de wei en liep naar de deur. Ze liet de klopper vallen. “Banggggg”, deed het hard. Jane, die er aan gewend was dat er direct iemand naar de deur kwam, keek verbaasd toen het alsmaar stil bleef. Nog eens liet ze de klopper vallen, maar het had geen zin. Pas toen zag ze een briefje waarop stond: “Ben naar oma. Kom om zes uur pas terug. Sleutel ligt onder de mat. Mama.”

Jane’s gezicht betrok, maar klaarde al snel weer op: ze was een avonturierster en dacht weer aan dat artikel uit de krant. Dat was nu net wat voor haar….

Ze liep naar de wei. Haar besluit was genomen: ze zou naar het spookhuis gaan. Ze stapte op en reed weg. Bomen en struiken schoten voorbij. Onderweg dacht Jane: “Zes uur. Dan moet ik terug”.

Na een half uur kwam ze in Dartmoor. Dartmoor is een gebied in Engeland waar moeras en kale stukken zich afwisselen. Na een poosje te hebben gereden zonder iets te hebben gezien, kwam ze bij een oud uitziend herenhuis. Het was kennelijk verlaten (opmerking: het woord “kennelijk” stond er destijds echt al in, ongelofelijk maar waar). Ze stapte af, bond Bliksem aan een boom en liep naar het huis. De schemer begon al te vallen. De wind gierde om het huis. Ze keek eens door een van de kapotte ramen.

“Wat een troep, als mama dit zag, zou ze meteen beginnen te poetsen”. Ze raapte al haar moed bijeen en deed de deur open, wat bepaald niet ging zonder gepiep of gekraak. Wolken stof dwarrelden door Jane’s gezicht. Ze kuchte eens. Dan……………

Zag ze daar niet iets bewegen? Of was het maar inbeelding? Jane hoopte op het laatste. Ze liep verder, naar de woonkamer, waar ze de overblijfsels zag van de meubels. Toen kwam ze in een gang, waar allemaal harnassen stonden. Ineens….banggggg…..daar viel een vizier dicht! Jane schrok zich een aap. Ze besloot het maar te vergeten. Het zou wel toeval geweest zijn.

Maar dan vloog de deur achter haar dicht. Ze liep ernaar terug en trok aan de deurknop. Deze zat muurvast. De gang scheen nergens op uit te komen, want er was geen andere uitgang. Verdrietig en angstig tegelijk ging ze op de grond zitten. Was ze hier maar nooit aan begonnen.

Eensklaps hoorde ze voetstappen. Ze kwamen steeds dichterbij….Het klonk harder en harder…..Het was nu heel dichtbij. Toen begon het tegen de deur te schoppen. Jane was nu zo bang geworden, dat ze haar ogen maar dicht deed. Ineens vloog de deur open. Jane stond verstijfd van schrik. Toen hoorde ze haar paard hinniken. Ze deed haar ogen open en wat zag ze? Haar paard was naar binnen gekomen! Het was natuurlijk ongerust geworden, omdat het baasje zo lang weg bleef. Toen was hij maar naar binnen gegaan om eens te kijken waar het vrouwtje was; nou, dat was hem aardig gelukt ook.

Jane schreeuwde van vreugde: “Oo Bliksem, hoe heb je me kunnen vinden. Je bent het knapste paard van de hele wereld.”

Ze keek op haar horloge. Half zeven al….. Wat zou moeder ongerust zijn. Ze pakte haar paard bij de teugels en liep snel naar buiten. Daar stapte ze op en reeds snel weg. Na een half uur kon ze haar huis al in de verte zien liggen. Hoewel het al donker werd, kon Jane een gestalte wild zien staan zwaaien voor het hek. Dat was haar moeder.

Bij het hek aangekomen vroeg deze met ongeruste stem: “Kind toch, waar ben je al die tijd geweest?”

Nou, dacht Jane, ik zal maar alles vertellen. En toen ze uitverteld was, zei moeder een beetje bestraffend: “Laat het een les voor je geweest zijn. Ga nooit meer zonder toestemming ergens heen. Begrepen?”

“Ja, mams”, zei Jane.

Sinds dat voorval had Jane veel minder belangstelling voor spookhuizen.

E…i…n…d…e…..

Het spookhuis

Zo zag het er destijds in het schoolkrantje uit.

Magnolia

Als het ook maar even lukt, probeer ik een bezoekje te brengen aan de magnifieke magnoliaboom die een van de mooie straten uit de buurt siert. Gelet op zijn grootte, vermoed ik dat hij vele tientallen jaren oud moet zijn.

Het hele jaar door ligt hij op mijn wandelroute. Bijna altijd stop ik even in zijn nabijheid om zijn majestueuze grilligheid tot in elke vezel van mijn lijf op te nemen. Iedere winter kijk ik verlangend naar zijn ontelbare ovaalvormige knoppen die hun kleurrijke schat nog lang niet prijs willen geven.

Zodra de temperaturen gaan stijgen, hou ik de magnolia angstvallig in de gaten, bang als ik ben dat ik de eerste tekenen van het ontvouwen van zijn bloemknoppen zou kunnen missen.

Een tijdje terug is het zover. Het kwik is een paar daagjes een stuk gestegen dus vertrek ik  vol goede moed richting boom. De ineens opgekomen krokussen die als een paars-wit kleed het grasveld sieren waar ik langs loop, verraden dat mijn hoop weleens gegrond kan zijn.

Halverwege de straat zie ik het al. De bekende contouren van de takken zien er anders uit dan eerst. Als ik de magnolia dichter ben genaderd, zie ik dat de knoppen al een klein beetje van het zachte roze en romige wit hebben onthuld als waren het lieflijke blosjes op zijn wangen. Zijn takken steken prachtig af tegen de felblauwe lucht. Ik sta stil op de weg in het flauwe zonnetje en laat dit vroege voorjaarsschouwspel op me inwerken. Omdat ik niets tussen mij en de boom in wil hebben, zet ik zelfs mijn zonnebril speciaal even af.

Hoe lang staat deze boom hier al? Hoeveel generaties zijn hier al langs gekomen en hebben hem bewonderd, in hem geklommen of genoten van zijn schaduw? Hoeveel geluksmomenten heeft hij voorbijgangers al niet geschonken met zijn bloemenpracht?

Zoals ieder jaar probeer ik ook deze lente tijdens zijn o zo korte bloeitijd zo vaak mogelijk langs te gaan. Één stevige voorjaarsstorm of hagelbui en de kwetsbare bloemen worden immers ruw afgerukt en dan is het weer een jaar gedaan met de pret.

Nog even en hij is helemaal open. Dan is hij op zijn allermooist, mijn magnolia.

Míjn magnolia, dat klinkt wel mooi.

Want al is hij officieel natuurlijk niet van mij, stiekem voelt het na onze jarenlange gedeelde intimiteit wel zo.

© Pascale Bruinen

Magnolia

 

 

 

Onschuld

De vrijstaande woning waar de rechter-commissaris in alle vroegte voor een doorzoeking aanbelt, is ruim, strak en modern. Over zijn schouder kijk ik toe hoe de heer des huizes de deur open doet. De man wordt verdacht van grootschalige drugshandel en witwassen van crimineel geld.

Terwijl wij onze legitimatiebewijzen tonen, houdt een van de politiemannen hem aan en zegt dat hij niet tot antwoorden is verplicht. We gaan naar binnen.

In de riante woonkamer met leistenen vloer worden mijn ogen onmiddellijk getrokken naar een enorme flatscreen TV en een Bose geluidsinstallatie. De open keuken wordt gedomineerd door een groot kookeiland met dure apparatuur. Je kunt er van de grond eten. Alles oogt nieuw. Op de bovenverdieping wordt een kamer omgebouwd tot saunaruimte en in de achtertuin staat een flink formaat jacuzzi zelfs nog in de verpakking. En dat alles bij iemand die officieel van een uitkering zou moeten rondkomen.

Zijn echtgenote is er niet. Wel zijn er twee jonge kindjes. Eentje kan zo te zien nog maar net lopen. Zoals altijd voel ik me enigszins onbehaaglijk bij een doorzoeking omdat ik, hoewel daartoe bevoegd, toch ongevraagd een privédomein binnendring. Maar als er onschuldige kinderen bij betrokken zijn, voel ik dat des te meer.

Terwijl ik samen met de rechter-commissaris toekijk hoe de politiemensen beginnen met hun zoektocht, komt het peutertje vrolijk naar me toe gewaggeld. Het jongetje brabbelt iets onverstaanbaars achter zijn speen. Dan trekt hij de speen uit zijn mondje, gooit die demonstratief op de grond en lacht voluit naar mij.

Ik kan niet anders dan teruglachen naar dit aandoenlijke en guitige kind. Hoewel ik me ongemakkelijk voel om te spelen met een peutertje van een verdachte die ik mogelijk ga vervolgen, raap ik – zoals overduidelijk ook zijn bedoeling was – het speentje op en geef het terug. Prompt gooit hij het opnieuw met een sierlijke boog op de grond. Onwillekeurig moet ik denken aan mijn eigen kroost toen het die leeftijd had. Gek hoe alle kinderen precies hetzelfde doen.

Zelfs na al die jaren dat ik dit werk doe, blijf ik het een pijnlijke situatie vinden dat kinderen, die zich van geen kwaad bewust zijn, de dupe worden van het gedrag van hun ouders.

Voor mij went dat kennelijk nooit.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 18 december 2014 verschenen in het Algemeen Dagblad.

onschuld7