Turbulentie

We schuifelen met onze handbagage door het gangpad van het vliegtuig. Na een abrupte stop omdat mijn voorganger ineens zijn stoel heeft gevonden, kan ik weer verder lopen. Mijn trekkoffer botst dan weer hier en dan weer daar tegen voeten of stoelen aan. Ik tuur naar de nummers en letters boven de rijen en ontwaar onze gereserveerde plaatsen.

Terwijl H. onze handbagage weglegt, wring ik me in mijn economy stoel aan het raam voor de 10-urige non-stop vlucht met Air Berlin naar the sunshine state Florida. Zodra ik zit, graai ik in mijn handtas naar mijn “hoe-overleef-ik-een-transatlantische-vlucht”-spulletjes.

Oordoppen tegen ellendig motorgebrul, vervelende ding-dong piepjes en krijsende baby’s? Check! Oogmasker zodat ik kan doen alsof ik heerlijk ontspannen slaap in mijn eigen bedje? Check! Tijdschriften en dik boek om te lezen in de vele ledige uren die komen gaan? Check!

Daarnaast bestaat mijn airplane survival kit uit een schrijfblok met pen om mogelijke inspiratie meteen vast te leggen, kauwgom tegen dichtklappende oren en – jawel! – een paar extra dikke sokken om aan te doen zodra mijn schoenen uitgaan. Wow-factor nul maar wel praktisch.

En natuurlijk niet te vergeten een heerlijk zachte, warme sjaal tegen de tocht, van die opblaasbare ANWB kussens voor in mijn nek en onder mijn voeten en tenslotte nog een i-pod voor het broodnodige auditieve entertainment.

Het duurt dus wel effe voordat ik goed en wel geïnstalleerd ben in mijn halve vierkante meter. Eerst prop ik mijn rotzooi zo goed en kwaad als dat gaat in het daarvoor bestemde net, dat daardoor meteen totaal uitpuilt. Maar geen nood, ik gebruik gewoon H.’s netje voor al de rest (hij heeft toch niks nodig want slaapt bijna hele vlucht zonder masker, doppen of andere hulpmiddelen).

Vervolgens ga ik – tot afgrijzen van H. – aan de slag met mijn opblaasbare kussens. Toen ik ze inpakte, vroeg hij me al ongelovig of ik die echt van plan was mee te nemen. Ja, dus. Want je zit, hangt en ligt je wezenloos tijdens zo’n ellenlange vlucht. Als je al eens de slaap vat, kiept je hoofd de ene keer voorover en sla je de andere keer met je hoofd tegen de zijkant van de stoel of het raam. Sommigen leggen van pure ellende zelfs hun vermoeide hoofd op het uitgeklapte tafeltje. Gevolg? Na tien uren in een gedwongen Houdini-houding te hebben doorgebracht, ben je zo brak als een tiener die figureert in “Zon, Zee en Zuipen”.

Dus ga ik fluks aan de slag met mijn donkerblauwe accessoires. Ik zet mijn lippen om het ventiel en blaas uit alle macht. Er gebeurt helemaal niks. Ik doe het nog eens maar het enige dat zich opblaast zijn mijn wangen. Na nog een paar pogingen voel ik me licht in het hoofd worden. H. staart me aan. “Je loopt helemaal paars aan. En dat ding is nog zo plat als een dubbeltje”, constateert hij fijntjes. Alsof ik dat niet al in de gaten had.

Maar H. is toch zo lief om vervolgens zelf een poging te wagen. Hij ademt diep in en geeft dan alles wat hij in zich heeft. En dat is indrukwekkend veel. Hij wordt eerst roze, dan rood en begint verdacht veel op een uit de kluiten gewassen hamster te lijken. Mijn kussentje blijft echter nog even slap als voor deze bovenmenselijke inspanningen.

Hij geeft het op. Maar ik ben niet van plan het hierbij te laten want ik heb ze niet voor niks tot in het vliegtuig meegezeuld. Met gevaar voor eigen leven – ik schat zomaar in dat mijn hersenaderen zowat op knappen stonden-  krijg ik uiteindelijk de felbegeerde lucht in die prullen. Maar als ze eindelijk allebei tot hun volle proporties zijn opgeblazen kan ik ternauwernood een aanval van claustrofobie onderdrukken. Mijn toch al zeer beperkte ruimte wordt nu gedomineerd door iets dat nog het meeste lijkt op een levensgrote blauwe worst (het voetenkussen) en een oversized nekbrace from hell. H. ziet het met lede ogen aan en waarschuwt mij dat hij onder geen beding een van beide op zijn postzegelzitje wil hebben. Maar al snel blijkt dat we ons zorgen hebben gemaakt om niks, want binnen een uur blijken beide kussens zo goed als leeggelopen te zijn en ben ik dus toch aangewezen op het flinterdunne kussentje en dekentje van Air Berlin. Met dank aan de ANWB.

Uitgeput van al mijn voorbereidingen kijk ik eens om me heen. Ik zie lastige peuters, opgefokte ouders, giechelige twintigers en serieus kijkende zakenreizigers. En we zijn nog maar net vertrokken. Gelukkig zijn de stewardessen – tegenwoordig luchtvaartdienstverleners geheten – al druk bezig met de bekende karretjes voor een eerste rondje drankjes.

De vlucht verloopt voorspoedig.  Maar je kunt er op wachten dat zich dat fijne fenomeen voordoet: turbulentie. Vroeg of laat gaat het bordje “Fasten seatbelts” aan en is het partytime.

Zo ook nu. Nadat we een paar keer slechts geringe turbulentie hebben gehad, is het vermaledijde bordje tijdens het laatste deel van de vlucht weer opgelicht. Maar nu lijkt het alsof de stem van de stewardess strenger over de luidsprekers schalt. Onheilspellend bijna. Ze klinkt alsof zij iets weet dat wij nog niet weten. We moeten terug naar onze plaatsen, ons stevig insnoeren en mogen tot nader order niet meer naar het toilet. En al snel blijken deze adviezen hoognodig. Dit keer is het menens.

Ik trek mijn gordel voor de zekerheid nog maar wat strakker aan. Al snel rammelen we van links naar rechts. We schokken op en neer alsof we met 200 kilometer per uur over een Belgische autoweg met gigantische hobbels rijden. En het duurt lang. Heel erg lang.

Hoeveel turbulentie kan een vliegtuig eigenlijk aan?, vraag ik me in stilte af. Op internet heb ik gezien dat ik bepaald niet de enige ben die dit soort vragen heeft. De antwoorden zijn niet echt duidelijk. Misschien wel expres omdat anders geen hond meer in zou willen stappen. Ik probeer wanhopig niet te denken aan al die rampprogramma’s waarin vliegtuigen de hoofdrol spelen.

Na enige tijd begint het voortdurende gewiebel op mijn maag te werken. Ik heb het idee dat mijn ingewanden in een soort “shaken, not stirred” toestand raken. Mijn hoofd lijkt voortdurend nee te schudden. De loshangende oortjes van het audio- en videocentrum pendelen van links naar rechts als waren ze de pendule van een klok.

Het bord dat de gordels verplicht stelt, is de laatste anderhalf uur niet meer uit geweest. En nog is het niet voorbij. Het geschud begint nu epische proporties aan te nemen. De turbulente luchtstromen tillen me soms half uit mijn stoel, om me vervolgens weer met een klap neer te doen komen. Nu is een mooie tijd om met mijn ademhalingsoefeningen te beginnen om rustig te blijven. In door de neus, uit door de mond. Ik sluit mijn ogen en verbeeld me dat ik in een bus rijd over een weg vol met kuilen en bobbels. Veel helpt het niet. Feit blijft dat ik me op elf kilometer hoogte bevind.

Ik open mijn ogen en kijk uit mijn raam. Maar behalve ijskristallen op de ruit en lieflijke schapenwolkjes in een helblauwe lucht is er niks bijzonders te zien. Wind, zo leerde ik al op de middelbare school, is niks meer dan een horizontale verplaatsing van lucht. Maar die kan verdomd sterk zijn. Zeker als we met een snelheid van zo’n slordige 900 kilometer per uur dwars tegen de oceaandepressies in vliegen.

De stewardess komt langs. “Es ist extrem!” zegt ze twee keer achter elkaar tegen een collega. Vertel eens iets dat ik nog niet wist. Prettige mededeling, zeker omdat we nog minstens anderhalf uur moeten. Net als ik deze alarmerende gedachte probeer te verdringen, wordt er nog een schepje bovenop gedaan en lijkt het alsof we in een achtbaan zitten. We vallen een paar meter omlaag en gaan dan weer met een schok omhoog.

“Hoeeeeeee!”, hoor ik verschillende passagiers, zelfs mannen, om me heen uitroepen.  Ondanks de gordels vliegen we een stukje uit onze stoelen en rammelen we wat af. Nu hoor ik ook van alles kraken en schuiven. In de cabine is het muisstil geworden. Zelfs de baby’s hoor je niet meer. Minuten lijken wel uren te duren.

Mijn maagsappen zijn inmiddels zo dolgedraaid, dat ze massaal protesteren. Ik voel dat ik misselijk word. Behalve dat het vliegtuig op en neer gaat, schudt het nu ook wild van links naar rechts. Het lijkt alsof een onzichtbare reuzenhand de Airbus A 330 naar believen alle hoeken van het luchtruim laat zien. Voor de zekerheid vergewis ik me ervan dat er een zakje voor eventuele maaginhoud onder handbereik is in mijn overvolle net.

Na wat een eeuwigheid lijkt, klinkt het verlossende bericht dat we de landing gaan inzetten. Na nog meer bonken, schokken en trillen komt de Airbus met een ferme klap neer op de landingsbaan. Opluchting giert door me heen. H. en ik kijken elkaar veelbetekenend aan. We zien allebei bleek-groen maar hee, we zijn er! De andere passagiers zien er ook niet al te florissant uit met hun verwarde haardossen, verkrampte gezichtsuitdrukkingen en wit weggetrokken snoetjes.

Terwijl ik wacht om te kunnen opstaan, kijk ik weer door het raampje en zie dat het een stralende dag is in Miami.

Aaahhh….., vakantie! Twee weken alleen maar genieten.

Zon, zee, zen.

Palmen, pelikanen, paradijselijke stranden.

Caribische sferen, cruisen, chillen.

Daar heb ik wel urenlang shake, rattle ’n roll voor over.

© Pascale Bruinen

fasten_seatbelt_sign

Hier zul je ‘m hebben, dat vervelende teken dat je lekker op en neer gaat schudden voor god weet hoe lang. Wil je meer lezen over mijn vliegavonturen, kijk dan eens naar de columns  “Vliegangst” (1, 2 en 3), “Bange momenten met Ryanair” en “Mayday! Mayday!” (1 en 2). Zelf ook turbulentie meegemaakt? Laat dan hier jouw reactie achter!

Advertenties

Ziende Blind

Ziende Blind

Dat Italië niet bepaald bekend staat vanwege zijn goede reputatie op het gebied van belasting betalen, was al wijd en zijd bekend. Als de inwoners van de laars zeggen dat ze “fiscaal flexibel” zijn, bedoelen ze dan ook dat ze op grote schaal belasting ontduiken. Maar dat ze – met name in de hoofdstad – ook ziende blind zijn, is weer wat nieuws.

Zo kopte een landelijke krant onlangs dat de politie in Rome maar liefst veertig nepblinden heeft ontmaskerd die ten onrechte een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 1100 euro  per persoon met daar bovenop nog een invaliditeitstoelage van bijna 430 euro ontvingen. Totale schade over alle jaren: een slordige 3,5 miljoen euro. Mille grazie!

Door ze langere tijd te schaduwen werd ontdekt dat de “blinden” vrolijk jogden (ok, dat zou best nog kunnen als je niets kunt zien), berichten via Facebook verstuurden (dat is al een stuk moeilijker maar daar zou je eventueel hulp bij kunnen krijgen) en…auto reden. Tja, vooral dat laatste lijkt me een typisch gevalletje van case closed.

Aaahhh, die Italianen. Superieur op het gebied van excellente koffie, heerlijke ijsspecialiteiten en authentieke pasta’s. Onovertroffen qua mode, stijl en elegantie. Volmaakt waar het gaat om stedenpracht, lieflijke landschappen en mannelijk zowel als vrouwelijk schoon. 

Maar kom bij dit bijzondere Zuid-Europese volk niet aanzetten met regels of wetten want daar zijn ze allergisch voor, zeker als het hun geld kost of als ze er het nut niet van in zien. En als je de pech hebt dat je ’s lands wetten niet hoogstpersoonlijk naar je glibberige hand kunt zetten zoals voormalig premier S.B. dat meermalen deed, dan moet je een andere uitwijkmogelijkheid verzinnen. En dat doen ze dan ook voortdurend. Sterker nog, ze hebben er – tussen de bunga-bunga feestjes, het doen van offèrs joe kente riefjoese en de zoveelste keer naar het stembureau hollen door – zowat een dagtaak aan.

Zodra een Italiaan zich geconfronteerd ziet met een in zijn ogen absurde maatregel ontbrandt er dus een ongekende creativiteit in deze zuiderling. Koortsachtig zoekt en peinst en plant hij net zolang totdat hij de perfecte pragmatische oplossing heeft gevonden.

Ter illustratie van deze ongebreidelde vindingrijkheid moge het voorbeeld dienen van het invoeren van de gordelplicht. Alom werd deze wet als onzinnig ervaren en dus was de bereidheid om braaf de veiligheidsriem aan te gaan doen ver te zoeken. Aan de andere kant wilden ze zeker geen boete krijgen. De Italiaanse uitweg uit deze impasse?  Binnen een mum van tijd waren er in het hele land t-shirts in omloop waarop een voorgedrukte gordel stond. Uiteraard werden die grif gedragen, voor dit goede doel zelfs over het gracieuze maatpak of kokette jurkje.

Alles om zich maar niet te hoeven conformeren aan het gezag. Of, zoals iemand het onlangs prozaïsch verwoordde op tv: “Voor alles is een medicijn, behalve voor de dood”.

Laat Italianen daarom vooral lekker hun chaotische en anarchistische zelf blijven en de wereld voortdurend verblijden met oogverblindende auto’s, fijne vespa’s en exquise wijnen. Laat ze desnoods af en toe ziende blind zijn als het op wetten en belasting betalen aankomt. Maar laat ze alsjeblieft geen cruiseschepen besturen of hogesnelheidstreinen maken want dan gaat het pas echt goed mis.

Voor de Italiaanse staat is deze hele situatie uiteraard een groot probleem. Maar misschien is dit de prijs die ze moeten betalen voor La dolce vita of het dolce far niente. Italianen zijn nu eenmaal levensgenieters. Zulke artistieke en autonome zielen met een bourgondische inborst kun je nu eenmaal moeilijk in het gareel krijgen als overheid. Italianen hebben het ontglippen aan onwelgevallige regels tot nationale kunst verheven.

Misschien dat de Italiaanse overheid via een omweg toch nog een slaatje kan slaan uit deze vermetele volksaard. Mijn advies? Open een groots opgezet museum gewijd aan de meest stoutmoedige, inventieve en onbeschaamde ontduikingspraktijken van ’s lands inwoners waarbij alle stukken van overtuiging permanent tentoongesteld worden.

En het spreekt vanzelf dat blinden gratis naar binnen kunnen.

© Pascale Bruinen

ziende blind

Hoe sluw, doortrapt, spitsvondig, geraffineerd, uitgekookt, gewiekst en geslepen kun je zijn? Che furbi sono gli italiani…

Romantiek van het spoor

Nog lang voordat iemand ooit had gehoord van “slow travel”, praktiseren wij het al. Dankzij mijn vader, die stikt van de angst om te vliegen, rijden wij met de auto altijd heel Europa door. En dan niet tot ergens over de grens in Duitsland of België, maar naar Portugal en zelfs tot ver in Griekenland.

Maar soms spelen we vals en nemen we de autoslaaptrein, zodat we al een aardig stuk richting onze eindbestemming hebben afgelegd als we ’s ochtends onze ogen open doen. Dat wil zeggen, áls we al geslapen hebben. Want een hele nacht op zo’n smal en keihard bankje liggen in een rammelende, piepende en soms bloedhete trein is niet echt bevorderlijk voor een gezonde nachtrust.

Maar oh, de romantiek van het spoor! Ondanks dat wij nog steeds vooral naar het warme zuiden trekken, roepen treinreizen bij mij altijd een hoog Anna Karenina of Lara uit Dokter Zhivago-gevoel op. Die ellenlange treinstellen, de hectiek en afscheidsdrama’s op de perrons en dat magische gevoel als de locomotief eindelijk koers zet naar onbekende verten. Zóóóó poëtisch.

Pas veel later krijg ik door dat het perron, met alle soorten menstypes die in een nooit eindigende stroom van aankomen en vertrekken door elkaar krioelen, eigenlijk de metafoor is voor het leven zelf. Je komt en je gaat.

In de zeventiger jaren reizen we meestal vanaf Bressoux bij Luik naar Narbonne (als we naar de Costa Brava gaan), Biarritz (van waaruit we het Spaanse binnenland ontdekken) of Saint-Raphaël (als de Côte d’Azur onze eindbestemming is). We hebben een coupé waarin zich zes couchettes oftewel bedbanken bevinden die overdag dienst doen als zitplaatsen. Omdat we meestal maar met zijn drieën zijn, zouden er nog drie “vreemden” bij ons in de coupé kunnen komen. Maar nadat papa – die vloeiend Frans spreekt- wat heeft gesmoesd met de conducteur waarbij een onbekend aantal biljetten Franse francs van eigenaar wisselen, komen er geen anderen meer bij.

De uurtjes voordat we gaan slapen ga ik altijd op onderzoek uit. Ik loop het smalle gangpad in en gluur dan even nieuwsgierig naar binnen bij de andere coupés. Mensen zitten te lezen, te kaarten of zijn al ingedut getuige hun naar beneden knikkende hoofd.

Maar ik amuseer me vooral door gebiologeerd uit het raam van het gangpad te kijken naar de dorpjes, steden en landschappen die aan mij voorbijtrekken. Het heeft bijna iets hypnotiserends, zeker in combinatie met dat ritmische kedeng-kedeng.

Dromerig kijk ik naar de bordjes met mysterieuze teksten onder de ruiten die in mijn kinderogen zowel exotisch als onontcijferbaar zijn. “Nicht hinauslehnen”, “E pericoloso sporgersi” of “Ne pas se pencher au dehors”. Alleen al het zien van deze woorden in vreemde talen doet bij mij een opwindend vakantiegevoel ontstaan. Zo alleen op de gang in die bewegende trein op weg naar een spannende buitenlandse bestemming voel ik me voor even niet meer kind maar volwassen en zelfverzekerd. Al ben ik stiekem wel blij dat mijn ouders onder handbereik zijn.

Het hoogtepunt van de avond is het diner in het restauratie-rijtuig. Het begint er al mee dat we daarvoor de nodige treinstellen door moeten lopen waarbij het soms lijkt alsof er geen einde aan komt. Daarbij is het onvermijdelijk om een paar keer zo’n doodeng punt met van die schuivende platen over te steken. Vooral het moment dat ik echt óp die wiebelende platen sta en de deur naar het volgende treinstel nog open moet gaan, vind ik akelig. Niet alleen omdat ik tussen de spleten onder mijn voeten de voorbij flitsende grond kan zien, maar vooral vanwege het oorverdovende geraas van de voortdenderende trein.

Na al deze ontberingen is de beloning navenant. In het restauratie-rijtuig heerst een serene sfeer met veel obers in chique kostuums. De inrichting is nostalgisch met donkerrode leren banken, houten lambriseringen en ouderwetse lampen aan de muren. Overal klinken omfloerste stemgeluiden, het beschaafde getik van bestek en het melodieuze kling-klang van kristallen glazen. Tegenwoordig zouden we zeggen dat het niet eens zozeer om het eten zelf gaat, maar vooral om de beleving. Want eten in zo’n aparte sfeer met zicht op het telkens wisselende landschap van Noord-Frankrijk is een onbetaalbare en onvergetelijke ervaring.

Ik verheug me op het moment dat de conducteur tegen de avond de couchettes komt prepareren voor de nacht. Als hij alles heeft uitgeklapt, is de smalle coupé omgetoverd tot een knusse slaapzaal met links en rechts een stapelbed met drie ligplaatsen.

Vanzelfsprekend wil ik altijd in de hoogste. Dit smalle bed bevindt zich pal onder het dak. Van mijn ouders mag ik daar alleen slapen als ik me insnoer in een zelf gemaakte veiligheidsgordel, dat wil zeggen twee in elkaar gehaakte riemen van papa die dan om het bed worden vastgemaakt. Niet erg comfortabel maar een kleine opoffering vergeleken met het enerverende gevoel zo hoog te mogen liggen terwijl de trein met hoge snelheid zuidwaarts gaat.

Als onze bestemming Zuid-Spanje of Portugal is, nemen we ook geregeld de autoslaaptrein van Parijs naar Madrid. De eerste keer op deze route wacht ons een verrassing. Na urenlang op en neer schudden op het smalle bedje op weg naar de Spaanse hoofdstad worden we opeens ruw uit onze slaap gehaald. We horen keihard piepende remmen, waarna de trein na de nodige schokken uiteindelijk helemaal tot stilstand komt. Met enige moeite doe ik mijn ogen open. Tussen de spleten van het rolgordijn zie ik fel licht schijnen. Harde mannenstemmen roepen ondanks het nachtelijke uur keihard van alles tegen elkaar in een voor mij onverstaanbare taal.

Omdat ik precies wil weten wat gaande is, wurm ik me onder mijn in elkaar geknutselde veiligheidsgordel uit en schuif het gordijn wat opzij. Pal voor mijn neus bevindt zich een perron waar het een komen en gaan is van werklui. Mijn ouders zijn ook wakker geworden. Papa zegt dat hij denkt dat we bij de grens zijn. Omdat ik door het schurende geluid van metaal op metaal, het gerammel aan het treinstel en het luidruchtige geroezemoes van het spoorwegpersoneel de slaap niet meer kan vatten, heeft de hele situatie iets speciaals en avontuurlijks.

Even later wordt duidelijk dat de autoslaaptrein aan de grens bij Hendaye/Irun een tijd moet stilstaan omdat de spoorbreedte van Spanje groter is dan die van Frankrijk. Dus worden in het holst van de nacht doodleuk alle wiel- of draaistellen van de trein gewisseld. Nu ik gezien heb wat ze aan het doen zijn, kruip ik tevreden terug naar mijn plekje.

In het donker en veilig ingesnoerd op het hoogste stapelbed in een rijtuig van de Franse SNCF, pal voor de Spaanse grens, voel ik dat de trein zich weer langzaam in beweging zet. Onwillekeurig slaak ik een zucht van tevredenheid. Ik voel mijn ogen zwaarder worden.

En al snel wiegt het eentonige lied van wielen die over eindeloze rails door het Spaanse land gaan mij in een zoete, diepe slaap.

© Pascale Bruinen

romantiek op het spoor

Ook zo’n mooie souvenirs overgehouden aan gemaakte treinreizen? Laat dan hier je reactie achter.

Dikke Dolle Duiven

In onze tuin staat een krentenboom, die in het voorjaar mooie witte bloemetjes heeft. Na de bloeiperiode, in juni – juli, vormen die bloemetjes de basis voor talloze rode besjes. En daar zit ook meteen het probleem. Want deze besjes zijn een niet te versmaden lekkernij voor vogels.

Dus ook voor duiven.

Ik heb het niet zo op duiven, moet ik toegeven. Nog los van hun weinig vleiende reputatie dat het vliegende ratten zouden zijn, is het sowieso niet bepaald mijn favoriete ornithologische soort. Daar waar ik vertederd kan kijken naar mussen, merels en mezen, me kostelijk amuseer met stoute spreeuwen en verrukt luister naar lijsters, kan ik me gruwelijk ergeren aan het boerse koeren van die dikke dolle duiven. En dol dan in de zin van dwaas of dom.

Ok, ik weet helemaal niet of ze echt dom zijn, waarschijnlijk niet, maar ze zien er wat mij betreft wel zo uit. Ze hebben een opgepompt oversized lijf en zo’n piepklein hoofdje. Daar kan dus bijna geen herseninhoud van enige betekenis in zitten, zou je denken. Het lijkt wel of ze last hebben van duivenobesitas. De verhoudingen zijn helemaal zoek. Het ziet er gewoon niet uit.

En uitgerekend die duiven met overgewicht zaten afgelopen najaar om de haverklap op mijn jonge boompje. De smalle takken en nog dunnere twijgen zakten vervaarlijk door als er weer een brutale dikzak niet al te elegant op landde. Zonder enige schroom vraten ze de ene bes na de andere op, kennelijk niet gehinderd door enige notie omtrent hun toch al niet zo ranke gestalte.

H. kon het ook niet uitstaan. Zodoende deed zich een interessant fenomeen voor. Zat ik rustig te lezen op de bank, vloog H. ineens als een gek op om wild gesticulerend voor het raam te gaan staan. Hij zette dit anti-duiven offensief nog verder kracht bij door hard op het raam te bonken en allerlei oergeluiden uit te stoten. Als iemand toevallig langs zou zijn gelopen, zou die onmiddellijk de mannen met witte jassen hebben laten aanrukken met een stevige dwangbuis.

Maar het werkte want de duif vloog weg, geschrokken als ze was van zoveel ongetemde agressie. Ze ging in een boom iets verderop verongelijkt zitten koekeloeren. Maar niet voor lang. Want H. had zijn plek naast mij op de bank nog niet ingenomen, of duffe duifmans was alweer terug. Alsof er niks gebeurd was.

Inmiddels waren de gemakkelijkste, dikkere takken dan ook – ondanks H.’s niet aflatende inspanningen door te gaan voor dorpsgek – helemaal kaal geplukt. Maar ja, er zaten nog steeds overheerlijke bessen aan de kleine twijgen en die zouden ze ook maar al te graag opvreten. Edoch, gerechtigheid! Doordat de duiven veel te zwaar waren, konden ze niet op die kleine takken zitten en dus ook niet de kleine rode vruchtjes verschalken.

Wie daar wel aan konden, waren de merels. Merels zijn mijn goede vrienden, merels zijn in, merels zijn top. Merels gun ik de aller-, allerbeste bessen van de hele wijde bessenwereld. Merels zijn zó licht in gewicht, dat ze ook op de dunne takken van het boompje konden gaan zitten smikkelen. En voor de allerdunste twijgen had de uiterst wendbare merel een super slimme oplossing: die pikte hij gewoon mee in volle vlucht!

Einde van het verhaal was dat mijn krentenboompje nog steeds leefde, de merels zich ongestoord te goed doen konden doen aan de rest van de bessen en H. gewoon kon blijven zitten waar hij zat.

Tot nu.

Want afgelopen week ontwaarde H. ineens een dikke duif die de euvele moed had om met kleine takjes in zijn bek pontificaal in onze achtertuin te landen. En als er nu iets is dat we allebei niet willen, is het wel dat we een hele familie duiven in onze tuin krijgen.

H. hield duifmans als een havik in de gaten en kwam er zo al snel achter dat onze prachtige blauwe regen diende als duiven-kraamkamer-in-wording.

Zo ontstond er een H.- en duifspel in een aantal bedrijven. Duif voerde takjes aan en maakte prille begin met nest maar zodra ze wegvloog haalde H. de takjes er prompt weer uit. Na H.’s derde mislukte poging het nest te saboteren, ging hij over op plan B. Hij besloot de kennelijk uiterst gewilde plek definitief ontoegankelijk te maken door een plastic zak tussen de takken van de blauwe regen te wurmen. Alleen maar om een half uur later te ontdekken dat de duif de takken daar doodleuk overheen had gedrapeerd. Misschien dus toch een intelligenter exemplaar dan ik dacht.

Maar H. was niet voor één gat te vangen en nam nog drastischere maatregelen.

En daarom pronkt onze blauwe regen nu niet alleen met magnifieke bloemtrossen, maar ook met een opgepropt luchtbed.

© Pascale Bruinen

Dikke Dolle Duiven

Mooi hè? Benieuwd of het afdoende is. Keep you posted!