Glamour in de OK

Het is koud. Het is saai. Hier valt werkelijk he-le-maal niks te beleven. Grijze muren. Her en der een bed op wielen, al dan niet verscholen achter een stuk flinterdun gordijn in een nietszeggende kleur op zo’n lelijke rail. In mijn directe omgeving  is niemand te bekennen.

Omdat ik niet in de slachtofferrol wil, heb ik geen zin om plat te blijven liggen. In een opstandige bui ga ik dus fier rechtop zitten. Of toch in ieder geval zo recht als maar enigszins mogelijk is met mijn hemelsblauwe operatiegewaad dat van achteren wijd openhangt.

God wat voel ik me machteloos. Ik wil dit niet en moet het toch. Dat is niks voor mij. Geef je over, fluistert een stemmetje. Oh. Da’s mijn betere ik, realiseer ik me. Mijn Zen-ik, die controleverlies helemaal niet erg vindt. IK WIL DIT NIET, reageert mijn controlfreakerig ikje prompt als door een wesp gestoken. Heerlijk, dit. Ik moet zometeen geopereerd worden en kies juist dit moment uit om acuut een meervoudige persoonlijkheidsstoornis te ontwikkelen.

Ik probeer de kibbelende stemmetjes te negeren en er en passant bij te zitten alsof ik hier puur toevallig ben. Alsof ik ieder moment kan worden weggeroepen om belangrijkere dingen te gaan doen. Hoewel, dan zou ik zéker niet mijn dierbare haren onder dit papieren mutsje hebben gefrommeld. Mijn kapper zou een beroerte krijgen als hij me nu kon zien. En ik zelf ook, nu ik erover nadenk. Met mijn operatiejurkje aan, kapje op, dikke sokken op blote benen, make-uploos gezicht, nagels zonder een spoortje van lak. Een toonbeeld van elegantie. Voor één keer ben ik blij dat er geen spiegels zijn.

Deze hele godvergeten ruimte zou hier wel een make-over kunnen gebruiken. Pimp my hospital. Ik denk dan aan een fris en opwekkend fuchsiaroze kleurtje op de muren. Met het effect dat je helemaal happy de OK inrolt. Daarbij uiteraard een strakke witte vloer. Bijpassende dekentjes voor ieder bed, misschien zelfs wel met wat leuke extra kussentjes. Meteen een knus en huiselijk sfeertje.

In plaats van die afzichtelijke gordijnen komen er verrijdbare design kamerschermen met een prachtige levensgrote Boeddha afbeelding erop. Zó rustgevend dat je misschien niet eens meer een verdoving nodig hebt. Aan ieder bed een minimalistisch wit tafeltje met daarop een orchidee (vooruit, voor deze ene keer mag dat dan een nepper zijn, gelet op het infectierisico). En natuurlijk mag een geurkaars van Diptyque niet ontbreken. Voor de broodnodige ontspanning.

Net als ik in gedachten gekomen ben bij het stuk dat de chirurg ook verdacht veel weg krijgt van McDreamy uit Grey’s Anatomy komt een verpleegster binnen. Ze stopt bij een bed achterin de zaal. Zelfs op deze afstand kan ik het gesprek letterlijk volgen. Hoezo privacy?

“Nou laten we eens even kijken, u bent goed gezond?”

Jaahaaa, denk ik, túúrlijk. Daarom ligt die nu hier, toch?

Ik haal mijn verveelde oortjes onder het kapje uit zodat ze zich kunnen spitsen.

“En zegt u eens, rookt u?”

“Ja”, hoor ik een bedremmelde mannenstem antwoorden. Eén strenge vraag van een verpleegster en ze worden zó klein. Ach gut.

“Hoeveel sigaretten per dag?”

“Veer…”. Hij spreekt zo zacht dat ik de rest niet kan verstaan.

“Véértien?”, vraagt de verpleegster duidelijk verschrikt.

“Nee, veertig”, antwoordt de man noodgedwongen iets luider. Ik hoor nu duidelijk iets van angst in zijn stem.

“Véér-tíg!!”, echoot de verpleegster, waarbij ze er in slaagt de nadruk zowel op het eerste als op het tweede deel van het woord te leggen. “Dat is wel héél erg veel”, klinkt het snibbig.

Helaas kan ik het gesprek niet verder afluisteren omdat er ineens iemand naast mijn bed staat die mij komt halen. Snel trek ik mijn mutsje omlaag. Die haren eronder is nog tot daaraan toe, maar die haren eronder én twee oren die er links en rechts parmantig onderuit steken is teveel van het goede. Ik heb het donkerbruine vermoeden dat ik zo namelijk verdacht veel weg heb van een Gremlin. Dat risico kan ik natuurlijk niet lopen voor het geval ik zometeen een McSteamy tegenkom in de OK.

Ik word streng gesommeerd te gaan liggen en word de OK in gereden. Met een gezamenlijk gezongen ene-tweeje-drie! word ik overgeheveld op een supersmal operatiebed.

De operateur vraagt me welke knie het is. “Rechts”, antwoord ik in wat ik denk dat toch duidelijk Nederlands is. “Ok, rechts”, herhaalt hij. Hij maakt aanstalten een teken te zetten. Maar dan kijkt hij op en vraagt: “Wélke knie is het?”

Ongerust dat ík nou net weer het geluk heb een chirurg met Alzheimers te treffen zoek ik, lichtelijk in paniek, oogcontact met mijn dokterlijke hoop in bange dagen. En dat valt nog niet mee, verscholen als ze zijn tussen het groene mond/neuskapje en het kekke veelkleurige piratendoekje op zijn hoofd.

“R E C H T S”, zeg ik terwijl ik hem indringend in zijn ogen kijk. Ik articuleer iedere letter zo scherp mogelijk en wijs zelfs voor alle zekerheid het juiste been aan. Ik krijg de neiging om er in doventaal ook nog gebaren bij te gaan maken, ware het niet dat ik niet weet hoe dat moet.

“Ik moet dat weer aan u vragen, dat is protocol”, mompelt hij vanachter zijn groene spuugdoekje. Ik voel me op slag een idioot. Ik zeg niks meer.

Ineens verrast de anesthesist mij met de nogal aparte mededeling dat hij bij de ruggenprik maar één been gaat verdoven in plaats van twee. Ik kijk even om me heen om te zien of ik Frans Bauer ergens onder de mondkapjes ontwaar want dit lijkt langzamerhand meer op Bananasplit. Als ik vraag of dit serieus bedoeld is, knikt hij ernstig. “Maar de rekening is niet de helft van normaal hoor, ha ha!!”, schatert hij om zijn eigen grapje. Ik lach maar mee, per slot van rekening moet hij nog zijn enorme naald tussen mijn ruggenwervels in gaan mikken. Na een tijdje voel ik mijn ene been afschakelen, een wonderlijke ervaring. Het hoort niet meer bij mij.

“Voelt u dit?”, vraagt de chirurg. “Bent u dan nu al in mijn been aan het snijden?”, reageer ik met een wedervraag. Je ziet hem gewoon denken dat het oh zo jammer is dat juist deze betweterige patiënt niet voor een algehele narcose heeft gekozen. “Nee hoor, ik gaf alleen maar een klein prikje”. Maar nee, ik voelde helemaal niets. Noppes. Nada.

Prompt krijg ik een groen laken recht voor mijn snuit gespannen en kan ik niks interessants meer zien. Dat wil zeggen, totdat ik na een minuut of twintig ineens pal voor mijn neus een bloot been loodrecht omhoog zie staan. Ik frons mijn wenkbrauwen en vraag me verontwaardigd af hoe dat in godsnaam mogelijk is. Van wie is dat been? Ik zie dat dit been helemaal oranje is van de jodium. Ik zie tenen die mij ergens vaag bekend van voorkomen. Ik zie dat het been in kwestie ingezwachteld wordt met een drukverband. En dan realiseer ik me met een schok dat het mijn eígen been is. Nu weet ik eindelijk wat mensen bedoelen als ze zeggen dat ze een out of body experience hebben.

En daar lig ik dan in al mijn natuurlijke schoonheid, met één been dat zo dik is ingepakt dat het meer wegheeft van de poot van een olifant die dringend aan de vochtafdrijvers moet.

Als dat geen glamour is in de OK dan weet ik het niet meer.

© Pascale Bruinen

Heb je zelf soortgelijke OK-ervaringen opgedaan? Laat dan hier een reactie achter!

Advertenties

Liefdesverklaring (herpublicatie)

Carnaval. Het feest van meedoen. Van aanstekelijke uitgelatenheid. Schateren van het lachen, ongegeneerd flauwekul maken, je weer voor even kind voelen, oude bekenden zien, helemaal uit je dak gaan, je onderdompelen in de vrolijke mensenmassa’s buiten en binnen. Café’s binnen gaan waar je anders nooit komt, met wildvreemden de grootste lol hebben, met iedereen overal een praatje aanknopen. De zon die het licht weerkaatst van duizenden pailletten, de kakelbonte mengeling van kleuren, de vaandels en de vlaggen. Je als een vogel zo vrij voelen, de zalige zorgeloosheid, even nergens aan hoeven denken.

De vertrouwde muffe geur van de carnavalskleren in de koffer, de nostalgische reuk van schmink, de optochten uitlopen of er al halverwege uitgaan omdat het café lonkt, spontaan meegaan met een voorbijkomende polonaise, dansen en springen, inhaken met degene die toevallig net naast je staat, de ongelooflijke saamhorigheid, de ongekende humor. Altijd een warm bad, ongeacht de buitentemperatuur.

Muziek maken. Achter de muziek aan gaan. Swingen op de hypnotiserende schelle en doffe dreunen van een sambaband, allemaal samen hetzelfde liedje woord voor woord meeblèren aan de bar. De blije opwinding voelen als je het geschal van de trompetten hoort echoën tegen de eeuwenoude muren van de smalle sfeervolle straatjes, de overgave waarmee zelfs de slechtste muzikant de laatste noot uit zijn instrument perst. De bastonen van de grote trom die tot in je buik trillen. Muziek beleven in elke vezel van je lijf maar vooral in je ziel.

Kindertjes die het met de paplepel ingegoten krijgen, baby’s die te midden van de kakofonie van geluiden slapen als een roos in een tot mini-kasteel omgebouwde bolderkar. De heerlijk ouderwetse geur van knakkers uit een speelgoedpistooltje, de onvoorstelbaar mooie zelfgemaakte creaties, de ingewikkelde en soms loodzware constructies die mensen al die dagen meesjouwen, barbecuen midden op straat, de giechelende gezelligheid als je met z’n allen in de rij staat voor de wc, de boel op stelten zetten bij de Chinees, goedwillende “Hollanders” en buitenlanders liefdevol inwijden in de geheimen van onze allermooiste traditie.

De grappen en de grollen, straattheater op iedere hoek, spontaan met zijn allen touwtje springen in een steeg. Publiek wordt entertainer, de entertainer wordt publiek.

Maar ook het feest van kapot moe zijn, niet meer vooruit kunnen, het ijskoud hebben, door en door nat zijn, je gebroken voelen, pijn aan je voeten van het vele lopen, last van je rug van het staan en het gewicht van je carnavalspak, een keel als schuurpapier hebben, de gloeiende hitte als je met al je kledinglagen ergens naar binnen gaat, de doffe ellende als je in een veel te klein wc hokje al die lagen één voor één moet zien uit te doen waarbij je tamboerijn en andere toebehoren in de weg hangen.

De vette happen aan de kraam, de onvoorstelbare hoeveelheden rotzooi op straat, toch nog veel te veel glazen die kapot gaan (per ongeluk of expres), mensen die het nog altijd niet begrepen hebben en menen dat het “leuk” is een hoedje van iemand af te trekken of in iemands billen te knijpen. Sommigen, jong of oud, die ten onrechte denken dat in recordtijd dronken worden hier ook maar iets mee van doen heeft.

De pruik die al na vijf minuten jeukt als de ziekte, je portemonnee verliezen, de rest van de groep kwijt zijn (en dat soms niet eens erg vinden), de schmink en glitters er ’s nachts niet meer af krijgen, je huis bezaaid met afgevallen pailletten, plakkerige veren van boa’s, stukjes glas die uit je schoenzolen zijn gevallen, natte confetti-stukjes, modderige sneeuw. Overal kleren die ruiken naar de bekende mengeling van rook, bier en zweet.

Het feest van beschouwen. Zelf toeschouwer zijn. Je verwonderen. Bewonderen. Relativeren, filosoferen, diepe en serieuze gesprekken hebben terwijl je een kanariekooi op je kop hebt staan. Een duivel die kust met een bisschop. Rangen en standen die wegvallen. De verlegene toont zich extravert, de poetshulp is koningin. Mannen worden vrouwen, vrouwen worden mannen. Ongestoord zijn wie of wat je maar wilt. Het belangrijke wordt onbelangrijk en andersom. De ontroering als je kijkt naar al die lachende gezichten, naar mensen die onbekommerd plezier hebben.

Het is het allemaal en tegelijk is het zo veel meer dan de som der delen.

Een sentiment van chauvinisme, van oneindige liefde voor je stad, voor waar je vandaan komt. Een heel sterk gevoel van verbondenheid. En van trots. Trots op dit prachtige feest. Het gevoel van: dit is van en voor ons, voor iedereen die wil meedoen, dit pakt niemand ons meer af. Het gevoel van extase dat zich puur natuur van je meester maakt als duizenden kelen tegelijk uitbarsten in samenzang op een sprookjesachtig verlicht plein, het overweldigende gevoel ergens echt bij te horen.

Het surrealistische van de stilzwijgende afspraak om deze dagen uit alle windstreken verkleed samen te komen op een paar vierkante kilometer heilige grond. Net een suikerspin: zo hap je er in en zo is het weer weg. De vurige hoop er volgend jaar weer bij te mogen zijn. Telkens een paar stapjes vóór proberen te blijven op je eigen onontkoombare vergankelijkheid. Een gevoel van urgentie want alles kan zomaar ineens voorbij zijn. De tranen die onwillekeurig komen als je weer voor een jaar afscheid moet nemen van dit “feest der feesten”. Moegestreden van de vijfdaagse uitputtingsslag die je samen met al die andere gelijkgestemden onder alle denkbare weersomstandigheden hebt volbracht. Het doet pijn tot in het diepst van je wezen maar in je hart weet je: het is goed geweest. Je hebt je accu opgeladen, je hebt weer intens mogen beleven hoe het is om hiervan deel te mogen uitmaken. Je bent er weer bij geweest.

Het is een voorrecht. Elk jaar opnieuw. Geniet ervan.

© Pascale Bruinen

Dit prachtige schilderij van Robert Jan van Melle beeldt het carnavalsgevoel treffend uit. De vrolijkheid, uitgelatenheid en kleurenpracht. Ik zal ongetwijfeld nog vele andere ervaringen niet genoemd hebben die jullie hebben opgedaan met carnaval. Het is eigenlijk sowieso bijna onmogelijk om de geest van carnaval in woorden te vatten. Het is een cliché maar je moet het inderdaad zelf beleven om het te kunnen voelen. Toch kunnen jullie ook een poging wagen om je persoonlijke carnavalservaring te beschrijven. Geïnspireerd geraakt? Laat hier dan je reactie achter!

Retro-tutten met Tupperware

Wie kent ze niet, die pastelkleurige duizend-en-een-dingen doosjes van vroeger, gemaakt van dat fijne, speciale plastic dat altijd een beetje meeveert en zo lekker buigzaam is? Die niet kapot te krijgen o zo handige kommen, vleesdozen, wasemmertjes en opbergboxen? En het beste van alles: die perfect passende deksels waardoor alles ook echt vers blijft en er niks uitloopt? Juist ja, Tupperware is de naam.

Oh, ik heb het wel geprobeerd. Ander goedkoper merk gekocht met het idee dat het “toch allemaal wel hetzelfde is”. Not so. Goed voorbeeld zijn de lunchdoosjes en drinkbekers die ik destijds voor mijn kleuters heb gekocht. In een paar maanden tijd hadden ze maar liefst drie sets versleten. Eén keer de schooltas op de grond gooien en het doosje bleek gescheurd. En nog erger: de dekseltjes van de bekers sloten nooit lekdicht af waardoor de melk telkens in hun rugzakjes liep. Ieuww! Toen vond ik het welletjes en heb ik op een heuse Tupperware party voor allebei een lunchbox en afsluitbare beker gekocht.

Jaar na jaar van trouwe dienst voor mijn opgroeiende kids hebben ze met glans doorstaan. En dat waren tropenjaren, mag ik wel stellen. Die doosjes en bekers hebben alles meegemaakt, van basisschool tot in de brugklas. Niet dat ze toen kapot gingen, ben je gek. Nee, het was gewoon niet langer “vet” of “chill” om de boterhammen nog in zo’n “stom” doosje te stoppen. Dus nemen mijn man en ik ze nu maar dagelijks mee naar het werk. Als levend voorbeeld van omgekeerd doorgeven van generatie op generatie.

Tupperware. Een instituut. Vaste prik in de keukenkastjes van onze moeders en oma’s, die er vaak tot en met de dag van vandaag nog gebruik van maken. Zo zweert de moeder van een goede vriendin na dik vijfendertig jaar (!) nog steeds bij haar zelfde wonderemmertje. Want, zo zegt zij stellig, zelfs de vieste vlekken verdwijnen als bij toverslag zodra het vuile kledingstuk enige tijd in het speciale plastic emmertje heeft doorgebracht. Een collega van mijn man heeft zijn twee boterhamdoosjes zelfs non-stop in gebruik sinds 1975, als een tijdloos baken van stabiliteit en houvast in deze roerige tijden van verandering. Een vleugje nostalgie.

Het ijzersterke merk, in 1944 begonnen in de Verenigde Staten, heeft de tand des tijds met vlag en wimpel doorstaan. De plasticfabrikant zit ook vandaag de dag nog rotsvast in het zadel en viert dit jaar in Nederland zelfs het 50-jarig jubileum. En wat je waarschijnlijk net als ik niet wist, is dat Tupperware in de loop der jaren diverse designprijzen heeft gewonnen en zelfs te bewonderen valt in belangrijke musea, waaronder het Metropolitan Museum of Art in New York.

Was het vroeger vooral een toonbeeld van degelijke en duurzame kwaliteit, anno 2012 is het ook nog hartstikke trendy geworden. Wat te denken van CheeSmart, Click N Shake of een Micropop?Of misschien toch liever een Sporty, Quickshaker of een Snack Pack? Tupperware blijft zichzelf voortdurend opnieuw uitvinden maar zonder daarbij concessies te doen aan die kenmerken die het merk gemaakt hebben tot wat het is.

Ook de bekende Tupperware parties en de nieuwe Tupperware Kookstudio passen helemaal in het “retro-tutten”. De nieuwe trend van huiselijkheid en gezelligheid, van lekker samen fröbelen. Die zie je momenteel overal terug maar dan zonder het oubollige imago dat daar vroeger nog wel eens aan kleefde.

Denk daarbij anno 2012 bijvoorbeeld maar aan de doorstart van breien als hobby, vergeten groenten telen of de workshops waar je rijkelijk versierde cupcakes leert maken. Het grote verschil met vroeger is dat nu ook hoog opgeleide vrouwen en zelfs mannen deze bezigheden met graagte inpassen in hun überdrukke schema’s en daaraan naar het schijnt een soort van therapeutisch welbevinden ontlenen. Het zou hetzelfde effect hebben als mediteren maar dan zonder de “uuuhhhhmmmmmmmm” klanken eindeloos te moeten uitstoten. Mediteren light, zeg maar. Minimale inspanning, maximaal effect.

Na al deze nieuw verworven inzichten kijk ik ineens heel anders aan tegen mijn onverwoestbare plastic kaasstolp, sapkan en magnetronbakje. En als ik in de nabije toekomst mijn stressniveau voel oplopen tot ongekende hoogten weet ik wat me doen staat. Dan meld ik me meteen aan voor de eerste de beste Tupperware party waarna ik dankzij een megaportie zien-kopen-doet-kopen endorfines de hele wereld weer aankan.

© Pascale Bruinen

En wie van jullie heeft ze ook in de kast staan, misschien zelfs ook al járen….??? Vermeld sinds wanneer jij hetzelfde Tupperware-doosje gebruikt en dan kijken we eens wie de absolute recordhoud(st)er is. Laat het me weten!

Giet it oan?

Tiisdei 7 febrewaris 2012

Giet it oan?

“Mei Oostenbrug”

“Goeie Jan, moarn, mei Wiebe. Der bin we wer. Wêr binsto?”

“Moarn, Wiebe. Ik bin krekt yn Snits. Hoe giet it mei dy?”

“It giet net sa goed Jan. De druk nimt ta oer de Alvestêdentocht. Ik wurd hielendal gúk skille troch krantemannen en televyzje, somtiden grif fjirtig keer op in dei. En no mei dy snie…Skytmerakels!’.

“En oars ik wol, Wiebe, en oars ik wol.

“Lit de lju mar rabje. Wy hoopje op noch better waar”.

“Pyt en Gerrit sizze oer it waarberjocht dat de froast wol goed is, it is noch goed kâld. Mar der binne no ferskate waarkaarten, sizze Gerrit en Pyt. It is noch net te sizzen hoe’t it komt. Giet it oan? Giet it net oan? It kin alle kanten noch út”.

“Ja, ik kom krekt út Ljouwert en dêr is it iis mar seis sintimeter. Mar juster leine de marren by Sleat noch iepen. As it tsien graden friest dan groeit it iis mei twa sintimeter de nacht oan, Wiebe”.

“Moai sa Jan, hiel moai. Do makkest my bliid hjoed. Mar by Boalsert binne noch in protte wynwekken. It bûteniis is tusken de nul en fiif sintimeter dik. Dat is lang net dik genôch.”

“Ja mar it bliuwt nije wike noch friezen. En er komt lokkich net mear snie. Mar no is it benammen gefaarlik op plakken dêr’t wynwekken krekt tichtfêzen binne. Dan is it iis faak net iens ien sintimeter dik, wylst jo dat net sjen kinne”.

“Mar Jan, witsto, as ’t net kin sa ’t moat, dan moat it mar sa ’t it kin. Spitigernoch. Mar ik sil myn bêst dwaan mei dy krantemannen en televyzje”.

“As it net sile wol, moat men lavearje. Sa is ‘t en net oars, want as ’t oars wie, wie ’t net sa”.

“Moarn is alwer in nije dei, Jan. Oant moarn”.

“Oant moarn, Wiebe”.

© Pascale Bruinen

Deze deelnemers aan de carnavalsoptocht melden dat het “toch nog oan giet”, zij het dat het dan geen elfstedentocht wordt, maar de tocht dan voert door slechts één stad.

Wie vindt het, net als ik, doodzonde voor Nederland maar natuurlijk vooral voor de trotse Friezen zelf dat de Alvestedentocht is afgeblazen? Of ben je net blij dat het niet doorgaat? Je kunt het ons hier laten weten.

Paarse regenbui

Ik heb de gewoonte om luidkeels te zingen in de auto. Onlangs nog Purple Rain van Prince in de cd-speler en op volle sterkte meekwelen met His Royal Badness. Een moment helemaal voor mezelf. Volledige vrijheid om me vocaal uit te leven in de knusse privacy van mijn micro-wereld op wielen. Niemand die tegen me klaagt, niemand die me vraagt om het volume zachter te zetten. Alleen Prince en ik, samen in een intieme paarse regenbui.

Bij ieder gitaarakkoord en elke lyric waan ik me meer in de jaren tachtig. In mijn gedachten zie ik alle beelden van de videoclip, afkomstig uit de gelijknamige film, weer voorbij komen. Prince met zijn witte gitaar op het podium in die donkere en ietwat louche nachtclub, omgeven door sigarettenrook. Een klein en frêle mannetje in een potsierlijke prinselijke outfit op schoenen met plateauzolen. Ogen aangezet met eyeliner, vlassig snorretje, glitterspray in zijn krullenkapsel. Op enig moment tijdens het optreden geeft hij Wendy, vaste gitariste van zijn band The Revolution, een broederlijke kus op de wang. Ze blijft er onbewogen onder. Gek hoe je je dit soort details jaren later nog exact weet te herinneren.

Ik vind het pas echt leuk worden als deze geniale compositie bijna ten einde loopt. Eerst komt nog die magistrale elektrische gitaarsolo, dat klaaglijke maar tegelijk prachtige gejank. Hoewel het onnavolgbaar is, probeer ik tegen beter weten in zelfs dat mee te blèren.

Maar dan. Eindelijk, eindelijk komt het moment waarop ik 5 minuten en 19 seconden heb gewacht. Prince gaat nu over op hartverscheurende uithalen met zijn falsettostemmetje. Het klinkt bijna pijnlijk, alsof hij zojuist met zijn koninklijk klokkenspel klem is komen te zitten tussen de gitaarsnaren. Maar tegelijkertijd is het zó mooi dat ik er kippenvel van krijg. In mijn ontroering heb ik geen andere keus dan zo hard mogelijk met hem mee te janken.

Ik neem een enorme ademteug, sper mijn mond wagenwijd open en geef vanuit mijn middenrif ongenegeerd alles wat ik in me heb, als ware het voor de finale van The Voice of Holland. Mijn volume en toonhoogte zorgen er in mijn compacte middenklasser bijna voor dat ik acuut die engerd van Carglass moet bellen. Op exact hetzelfde moment gaat het stoplicht op rood.

Voor één keer kijk ik maar niet links of rechts naast me.

© Pascale Bruinen

Heb jij ook een favoriet liedje dat je graag luidkeels meezingt in de auto? Laat het mij en de lezers van deze blog dan weten!