Hulp in de huishouding

Jaren geleden had ik een fantastische hulp in de huishouding die eigenlijk meer vriendin was dan wat anders. Bij haar wist je zeker dat je met een gerust hart de deur achter je dicht kon trekken. Zij was er zo een die precies wist hoe je het wilde zonder dat je iets hoefde te zeggen. Koffiedrinken vond ze eigenlijk maar een vervelende onderbreking van haar noeste arbeid. En áls ze al even ging zitten, zat ik er graag bij want dan was het ook echt gezellig.

Helaas heeft ze op een gegeven moment vanwege problemen met haar arm ander werk moeten kiezen. Sindsdien raas ik zelf als een tornado door het huis.

Niet dat ik geen andere hulp heb geprobeerd. Na een tip van een kennis (“Ze is echt aan te raden en is van nette komaf!”) besluit ik het te proberen. Omdat ik van nature wel enigszins wantrouwend ben, dek ik me bij de potentiële kandidate in door – in flagrante strijd met de waarheid – iets vaags te roepen over rugklachten waardoor ik in eerste instantie misschien tijdelijk een poetshulp nodig heb. Dit met het idee dat als ze niet goed en betrouwbaar genoeg is, ik altijd nog kan zeggen dat ik ineens op miraculeuze wijze genezen ben. Een leugentje om bestwil moet per slot van rekening kunnen.

Ik besluit de eerste keer de hele tijd erbij te blijven want ik laat een nieuwkomer natuurlijk niet meteen aan haar lot over. De hulp in kwestie blijkt bij binnenkomst al aardig op leeftijd. Monter houd ik mezelf voor dat dit nog niks zegt. Vriendelijk nodig ik haar uit te gaan zitten voor een kort kennismakingspraatje.

Als ik tien minuten later al volledig op de hoogte ben van de niet geringe problemen van haar kennelijk asociale buren kan ik me wel voor mijn kop slaan. Maar eerlijk is eerlijk, wie weet wat ze voor poetswonder is want ik heb haar nog niet in actie gezien. Na een korte toer door het huis en wat instructies van mijn kant gaat ze aan de slag.

Nou ben ik zo’n neurotisch type dat ik geen rustig moment heb als mijn hulp voor mij aan het werk is. Ik voel me niet alleen niet vrij in mijn eigen huis maar, erger nog, ik heb evenmin de rust om iets voor mezelf te doen. Zo kán ik bijvoorbeeld niet met een boek gaan zitten en – zonder ook maar op te kijken – mijn benen even van de vloer doen als de hulp om mij heen aan het stofzuigen is. Zo van: kijk mij hier decadent zitten niksen terwijl jij lekker al het werk doet.

Om te voorkomen dat ze denkt dat ik een aartslui en super verwend nest ben, zorg ik er dus voor dat ik voortdurend binnen haar gezichtsveld druk bezig ben met precies dezelfde dingen waarvoor ik haar toch niet verkeerd betaal.

Op een gegeven moment ben ik in de woonkamer in sneltreinvaart het dressoir aan het afstoffen als ik een gepuf, gekreun en gesteun hoor dat nog het meeste lijkt op een vrouw in barensnood die bezig is met de allerlaatste persweeën. Verbaasd kijk ik op, alleen maar om te constateren dat het mijn kennelijk zeer kortademige hulp is die in slow motion een keukenkastje sopt. Gealarmeerd loop ik in haar richting, onderwijl koortsachtig proberend om me te herinneren hoe ik ook alweer moet reanimeren. Maar nee, er blijkt niks ernstigs aan de hand.

Mijn nieuwe hulp is zo langzaam dat ik haar taken al af heb op het moment dat zij de stofzuiger nog moet uithalen. Ik heb mijn min of meer knarsentandend gedane aanbod koffie te zetten nog niet uitgesproken of ze zit – met een snelheid die duidelijk omgekeerd evenredig is aan haar poetstempo – al buiten in het zonnetje, wachtend op het moment dat ze door mij bediend zal worden. Na ruim een kwartier vind ik het welletjes, vooral omdat ze onophoudelijk aan het woord is en het daardoor nogal begint op te vallen dat ze een irritant nasaal stemgeluid heeft.

Hoewel ik demonstratief kopjes en schoteltjes naar binnen begin te brengen is ook dat voor haar nog onvoldoende aansporing weer te beginnen. Pas als ze na een aantal minuten ziet dat ik niet meer naar buiten kom, gaat ze met veel gehijg, ge-oei-oei en demonstratief gestrek van haar rug weer aan het werk.

Als ik haar vraag om verder te gaan met dweilen, krijg ik als antwoord dat dit niet goed is voor de vloer. Als ik haar uitleg dat mijn vloer deze behandeling al jaren zonder noemenswaardige schade doorstaat én ik uit oogpunt van hygiëne echt wil dat gedweild wordt, houdt ze stug vol dat het toch beter is van niet.

Ik voel mijn geduld in rap tempo op raken en kan maar ternauwernood de neiging onderdrukken om de hele onderverdieping stante pede zelf te gaan dweilen. Als ik mijn verzoek (ditmaal met opeen geperste kaken) herhaal, zie ik haar hoofdschuddend naar de kraan lopen. Als ik haar even later steels observeer, dweilt ze de woonkamervloer met een gezicht waar de afkeuring van af spat en hoor ik haar in zichzelf mompelen. Ik spits mijn oren en meen iets op te vangen als “eigenwijs” en “die moderne vrouwen”, maar zeker weet ik het niet.

Als haar tijd er eindelijk op zit, is ze aan de bovenverdieping niet eens toegekomen. Als ik naar mijn hoogglans keukenkastjes gluur, zie ik overal nog strepen en vingers erop. Spullen die ze heeft weggepakt om onder protest te kunnen dweilen, blijken (met opzet?) niet te zijn teruggezet.

Mijn opluchting is dan ook onbeschrijflijk als ik, na haar geforceerd glimlachend te hebben uitgezwaaid, de deur achter haar dicht kan doen. Ik maak zelfs een heus vreugdesprongetje. Daarna tackel ik mijn keukenkastjes, zet alles terug op zijn plek en poets ik de hele bovenverdieping in de tijd dat zij waarschijnlijk nog niet eens terug thuis is aangekomen.

Na een paar dagen bel ik haar op met de mededeling dat er nog net geen medisch wonder is gebeurd omdat mijn rugklachten kort na haar poestbeurt ineens zijn verdwenen. Als doekje voor het bloeden veins ik nog op vakkundige wijze de nodige teleurstelling, waarna ik inwendig juichend de verbinding verbreek.

Zelf je huis mogen poetsen zou een grondrecht moeten zijn.

© Pascale Bruinen

Hulp in de huishouding

Advertenties

Wake up and smell the roses

Ik voel geregeld de dringende behoefte om me onder te dompelen in het geurende groen van een bos, me te verliezen in het bewonderen van glooiende heuvels of – op vakantie – eindeloos te wandelen langs de branding.

Het is een oerdrang waar ik maar al te graag aan toegeef. Ik kan nog zo veel stress hebben, zodra ik buiten ben en mijn aandacht focus op een bloem in de berm, een koe in een sappig groene wei of een merel op een boomtak voel ik me tot rust komen.

Ik neem de uitdrukking Wake up and smell the roses letterlijk; als ik ’s ochtends vroeg langs een rozenstruik loop, móet ik gewoon even stoppen en aan een van de bloemen ruiken. Vroeger zou ik dat waarschijnlijk niet gedurfd hebben, bang als ik was dat degenen die dit zouden zien me voor gek of toch minstens een tikje excentriek zouden verslijten. Nu ik heb geleerd om meer te leven in het moment ben ik alle schaamte voorbij en geef ik me met een gerust gemoed over aan deze olfactorische geneugte.

Ik voel me gesterkt in deze gewoonte als ik lees dat nu ook wetenschappelijk bewezen is dat je temidden van natuur sneller geneest. Zo concludeert sociologe Jolanda Maas in haar proefschrift getiteld “Vitamin G: Green environments-Healthy environments” dat mensen die in een groene omgeving wonen zich niet alleen gezonder voelen maar het feitelijk ook zijn. Haar onderzoek wijst uit dat deze mensen minder vaak naar de huisarts gaan, minder last hebben van depressie en gemakkelijker herstellen van stress.

De natuur heeft dus een positief effect op onze fysieke gesteldheid. Zo bleek in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer (what’s in a name!) meer groen – van 30% naar 40% – tot minder sterfte per jaar te leiden.

Maar er zou ook bewijs zijn voor de stelling dat patiënten die uitkijken op een groene omgeving sneller genezen en dus eerder ontslagen worden uit het ziekenhuis dan de stakkers die bijvoorbeeld slechts zicht hebben op een parkeerplaats. Nu ook in de gezondheidszorg duidelijk wordt dat natuur geld kan besparen, zijn zorgverzekeraars plotsklaps ook in alles wat groeit en bloeit geïnteresseerd. Zo stort Menzis 25 euro van elke afgesloten polis in het fonds van Natuurmonumenten.

Ik bevind me in de gelukkige omstandigheid dat ik een eigen tuin heb in een groene woonwijk. In mijn vrije tijd ga ik graag naar buiten om alle mogelijke soorten groen op te zoeken. Op vakantie is het extra genieten van fantastische natuurgebieden en exotische vegetatie met de wonderbaarlijkste geuren en kleuren. Dat geeft een enorme boost. Maar ik kan evengoed genieten van het stadspark, zo’n typische holle weg of van een eenzame klaproos in de berm.

Als je zelf de natuur niet (meer) kunt opzoeken, is het zaak dat de natuur jou een bezoek brengt. Dus omring je met bomen, planten en bloemen. Als je geen eigen tuin hebt, zorg dan dat je uitkijkt op andermans tuin, op een openbare groenvoorziening of voor mijn part op een met klimop begroeide muur. Kies kussenslopen, bedspreien en tafellakens met natuurtaferelen. Gebruik een prachtig begroeid berglandschap, een ongerepte steppe of een zo-groen-dat-het-pijn-doet-aan-je-ogen jungle als screensaver. En als je man of vrouw het niet voor je doet, koop dan in ieder geval geregeld eens een bloemetje voor jezelf.

Natuur heelt, ook al is het een slap aftreksel van het echte werk.

© Pascale Bruinen Wake up and smell the roses Wake up and smell the roses (2)

Back to the eighties

Samen met een aantal bevriende koppels zijn we op een eighties party. De tijd van de schoudervullingen, Ronald Reagan en Ijzeren Maggie, ontplofte kapsels en yuppies. Maar dus ook van veel leuke muziek. Madonna, U2 en Michael Jackson domineren in die tijd de hitlijsten.

De jaren tachtig roepen herinneringen op aan Duran Duran, Spargo, Rick Astley. Frank Duvall, Bucks Fizz en Stock, Aitken & Waterman. Maar ook aan Maywood, Milli Vanilli, Boys Town Gang of Irene Carra. Proud to be fout, kortom.

Maar laten we ons niets wijs maken. Aan de gemiddelde leeftijd te zien van de mannen en vrouwen om me heen, zijn zij allemaal hier om dezelfde reden als ik: me dankzij de muziek even terug in de tijd wanen om nostalgisch te zwijmelen bij de zorgeloze herinneringen als twentysomething. 

Good old Erik de Zwart is er ook en doet zijn naam qua hoofdbedekking nog volop eer aan. Eerlijk is eerlijk, hij ziet er voor zijn leeftijd nog goed uit. Hij schnabbelt vanavond een paar duizend euro’s door de boel aan elkaar te praten en dat doet hij goed. Als ik mijn ogen even sluit en luister naar die overbekende stem, ben ik plots weer 25 jaar oud en zit ik voor mijn tv-tje te kijken naar de Top 40.

Behalve dat er dj’s zijn die ons moeten gaan opzwepen, zijn er ook live optredens gepland. Stralende middelpunt van vanavond is Billy Ocean. De platen die ik van hem ken, zijn When the going gets tough, the tough get going, Caribbean Queen en Get outta my dreams, get into my car. Gezellige meezingers, maar niet meer dan dat. Precies goed dus voor een avond ongecompliceerde lol.

Als het tijdstip nadert waarop hij aan de beurt is, ga ik met een paar vriendinnen helemaal vooraan staan bij het podium om maar niets van zijn optreden te hoeven missen. Ingespannen tuur ik naar de bühne waar hij nu ieder moment kan verschijnen.

Opeens zie ik een oude grijze man tussen de coulissen door naar voren komen. Wat doet die nou hier op zo’n moment?, denk ik nog lichtelijk geïrriteerd. De spanning in de zaal loopt voelbaar op. Waar blijft Billy Ocean?

Tot mijn verbijstering grijpt de brutale bejaarde ineens de microfoon. Het applaus en gejoel van het publiek zwellen nu aan tot boven de toegestane decibelnorm. En dan valt bij mij pas het kwartje.

O mijn god. Dit ís Billy Ocean! Wat is er met hem gebeurd???

Ik kan alleen maar sprakeloos en met open mond staren naar de man op het podium die nog het meeste weg heeft van een kloon van de voormalige Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan.

Om te zeggen dat ik in shock ben, is het understatement van het jaar. Hoe wreed is de tand des tijds. Want wáár is de fris en fruitige Billy Ocean met zwart haar gebleven die ik ken uit al die leuke clips? Ik zie er kennelijk zó geschrokken en verslagen uit, dat mijn vriendinnen in een deuk liggen.

“Wat had jij dan gedacht? Dat hij er nog net zo uit ziet als in 1984?”, grinnikt er eentje.

Euh, ja. Eigenlijk wel. Mick Jagger is toch ook geen spat veranderd sinds 1961?

Pas na een paar nummers gebiologeerd staren naar het gezicht en luisteren naar de stem van deze grijsaard, ben ik overtuigd dat het hem echt is. Alleen het vocale deel van hem is nog precies hetzelfde als in de jaren tachtig.

“Ik denk dat ik beter met mijn rug naar het podium kan gaan staan”, fluister ik daarom tegen mijn vriendin die naast me staat en voeg de daad meteen maar bij het woord.

Even later besluit ik terug naar achter in de zaal te lopen.

Ik hoef het verval niet zo nodig van dichtbij in het gezicht te kijken.

© Pascale Bruinen

Back to the eighties 1

Voor

back to the eighties 2

en na

De Sandwichgeneratie (2)

Als lid van de sandwichgeneratie, de generatie van veertig- tot zestigjarigen die zowel voor hun opgroeiende kinderen als voor hun vader en moeder die beginnen te kwakkelen moeten zorgen, maak ik als geen ander kennis met onze ouderen.

En zij met mij.

Ongemakkelijk ingeklemd liggend op dat broodje mag je je niet alleen verheugen op jarenlang puberleed, maar ook op het in- en uitlopen van verzorgings- of verpleegtehuizen en geregelde bezoekjes met je ouders aan de huisarts, vrijwel alle specialismen in het ziekenhuis, de hoorapparatenspecialist, de opticiën, de fysiotherapeut, de eerste hart hulp, de apotheek, de gemeente (voor alle papierrompslomp) en niet te vergeten MediReva. Je weet wel, die supertrendy, oergezellige zaak waar je allerlei kekke medische hulpmiddelen in de friste kleurtjes kunt scoren, namelijk vijftig tinten grijs.

Gelukkig zijn er ook bedrijven die die duffe en truttige rollators en scootmobielen kunnen leveren in fuchsiaroze, lichtgroen of pastelblauw. Of in een vrolijke print met bloemetjes, vogeltjes of polkadots. Neem gerust eens een kijkje op http://www.pimpmyrollator.nl. Niet dat ik persoonlijk ooit ook maar één oudere heb gezien die was uitgerust met een rollator met zebrastrepen.

Grote vraag is waarom niet. Omdat we Nederlanders zijn, heb ik een vaag vermoeden dat het wel weer over geld zal gaan. Of misschien willen onze ouderen juist graag met acuut depressief stemmende hulpmiddelen door het verzorgingstehuis strompelen omdat ze graag klagen en zo’n vreselijk grijze rollator nu eenmaal veel medelijden oproept.

Ook de rest van de standaarduitrusting van veel vijfenzeventigplussers, te weten een stok, een rolstoel of desnoods een zuurstoffles, zou zo verfraaid kunnen worden. En, nu ik toch bezig ben, laten we dan ook ein-de-lijk die steunkousen eens aanpassen. Want wáárom zie ik die bij ouderen toch altijd in zo’n schijtkleur beige terwijl er wel degelijk steunkousen zijn die van een vrolijker dessin zijn voorzien? Jahaa, er zijn zelfs steunkousen met hartjes, schaakbordmotief of witte sterren.

Vervolgens zou je die hulpmiddelen, afhankelijk van of er wel of niet is gefraudeerd met je persoonsgebondenbudget, nog verder kunnen versieren. Zo zou de oudere naar believen allerlei gadgets kunnen toevoegen. Zoals daar zijn: een houder met minstens vijfentwintig verschillende vakjes voor de dagelijkse dosis medicijnen, een gezellige kralen- of schelpenketting om die lelijke alarmknop aan te hangen en een handig plastic mapje – uiteraard gestyled door Maik de Boer – om in geval van nood het kunstgebit in op te bergen.

Cool, toch?

Dit is allemaal leuk en aardig, maar mijn ervaring als sandwichdeskundige leert me ook dat er bij 99,9% van de dames in verzorgingshuizen ook wel een haar make-over plaats zou mogen vinden. Wat zeg ik, een haarrrevolutie. Die één tiende procent bij wie dit niet hoeft, is mijn moeder. Zij gaat zo ongeveer vanaf het moment dat ze uit de luiers was eenmaal per week (!) naar de kapper (daar gaat mijn erfenis) en laat haar haren tot op de dag van vandaag nog steeds  in een ernstig verjongend zwart verven.

Dat zij zonder overdrijven zowat de enige is in het verzorgingshuis die niet wit/grijs/paars haar heeft, bleek onlangs nog toen er iets te doen was en de regionale krant een foto had geplaatst die van bovenaf was genomen in de grote hal waar iedereen naast elkaar zat. In de zee van grijze hoofden zag ik welgeteld één zwarte kruin. Ra ra wie dat was.

Maar ze heeft groot gelijk. Waarom zou je, alleen omdat je ineens bijna vijfentachtig bent, zo’n saaie, nietszeggende, oudmakende haarkleur willen hebben? Het leven is de moeite waard om tot het aller-, allerlaatste moment zo goed mogelijk te worden geleefd. Zo goed mogelijk uitzien, je haar verven en leuke kleren aan kan heus ook op gevorderde leeftijd. Ik zou niet weten waarom niet.

Stel je toch eens voor wat een fris kleurtje op al die ongezellige maar noodzakelijke hulpmiddelen én in de haarcoupes voor onmiddellijk effect zou sorteren in de samenleving. Al die blonde, rood-, bruin- of zwartharig geverfde hangouderen die buiten samenscholen met zuurstokroze of pimpelpaarse steunkousen in van die hippe, vette wagentjes of ondersteund door een stok met zonnebloem- of kolibrieprint. Nog wat strakke, gekleurde brilmonturen erbij in plaats van die ouderwetse goudomrande en…voilà, je zou je bijna gaan verheugen op je oude dag! Hoe cool is dat?

Ouderen zijn ondertussen dankzij de vergrijzing big business geworden. Er valt immers veel geld aan ze te verdienen. Verzorgingshuizen puilen uit. Nu ik daar ook geregeld kom, valt me op dat er nog steeds veel te veel betutteling van ouderen plaatsvindt. Zo sluit het gezellige restaurant met zitgedeelte om 19.30 uur (!). Als je daarna als oudere nog gezellig met je vrienden verder wilt borrelen onder het genot van wat onschuldige bitterballen, zul je je heil toch echt ergens anders moeten gaan zoeken.

Voor slimme ouderen is het gemiddelde verzorgingshuis helemaal een ramp. Die moeten het ineens doen met kienen of bingo als intellectueel hoogtepunt van de week. Alsof je, alleen omdat je ver boven de zeventig bent, ineens ook dommer bent geworden.

Let wel, ik misgun niemand zijn pleziertjes. Een halve haan winnen alleen maar omdat je als eerste alle omgeroepen getallen op je kaart hebt weggestreept kán heel leuk en opwindend zijn. Maar waarom wordt er standaard van uitgegaan dat mensen hun normale interesses die ze hadden toen ze jonger waren, verliezen als ze ouder worden?

Wat ik heb geleerd door regelmatig om te gaan met ouderen, is juist dat ze precies hetzelfde blijven. Mensen die vroeger graag de bloemetjes buiten zetten, vaak uit gingen en lol trapten, doen dit op gevorderde leeftijd ook nog het liefst. Ze mogen dan misschien wel gerimpeld zijn, die ondeugende twinkeling in hun ogen is er nog steeds.

Evenzo zijn degenen die als jongeren al een lang gezicht hadden, veel te vroeg achter de geraniums zijn gaan zitten en overal commentaar op hadden als ze oud en grijs zijn nog steeds niet geneigd voorop te gaan in de rollatorpolonaise.

Wie dat wel doet, is mijn moeder. Een nog steeds beeldschone, zwartharige diva die altijd positief blijft en zich graag amuseert. Een voorbeeld voor velen.

Fijne moederdag, mama.

© Pascale Bruinen

De sandwichgeneratie(1)

De Sandwichgeneratie (1)

Help! Ik word geplet tussen mijn verantwoordelijkheden. Enerzijds voor mijn jongvolwassen kinderen en anderzijds voor mijn moeder op leeftijd. Alledrie benodigen ze zorg, aandacht en liefde.

In mijn levensfase, (nipt!) 50 plus, hoort het er kennelijk bij om voortdurend in deze  ongemakkelijke, soms zelfs pijnlijke spagaat te verkeren. Want net als je denkt dat je het ergste puberleed wel gehad hebt en eindelijk meer quality time voor jezelf krijgt, breekt de tijd aan dat je ouders steeds minder zelfstandig kunnen.

Wij zijn de sandwichgeneratie, volgens http://www.encyclo.nl de “generatie van mensen tussen de 40 en de 60 jaar die ingeklemd zit tussen opgroeiende kinderen en ouders die gaan kwakkelen”.

Voorwaar geen sinecure als je bedenkt dat daarnaast juist door deze 40- tot 60-jarigen vaak ook nog buitenshuis moet worden gewerkt (soms met een behoorlijke stressbaan) en binnenshuis moet worden gepoetst, gewassen en gekookt. En, o ja, je wilt ook nog leuke dingen doen met je lief, op vakantie gaan (liefst meerdere keren per jaar), je sociale contacten onderhouden (al was het maar om steen en been te klagen over alles wat op je bordje ligt want waar zijn al die vriendinnen anders voor) en zeker twee maar liever nog drie keer per week naar de sportschool.

Want je mag dan wel ingeklemd zitten, dat betekent nog niet dat je ook nog overgewicht, een conditie van een 100-jarige of van die blubberarmen wilt hebben. Je zult toch maar net die ene knappe vrijwilliger van onder de veertig in het verzorgingshuis tegen het mooie lijf lopen,  je hoogbejaarde vader begeleiden naar die jonge, zeer appetijtelijke geriater of met je moeder meegaan naar het incontinentiespreekuur van die sexy uroloog. Dan wil je zelf toch zo fit, slank en strak mogelijk voor de dag komen (al heb je wel het voordeel dat je dit al snel lijkt naast iemand die minimaal twintig jaar ouder is).

Als trots lid van de sandwichgeneratie blus ik het ene moment het zoveelste puberbrandje om het volgende ogenblik met groot materieel uit te rukken voor een crisissituatie bij mijn moeder op leeftijd want haar iPad “doet weer zo raar”.

De laatste jaren zijn H. en ik onder andere ingezet als respectievelijk koerier (hoogstpersoonlijk een belangrijke brief afgeven bij de gemeente uit angst dat die anders niet op de juiste plek zou aankomen), klusjesman (de slang van de verplaatsbare airco was er uit gevallen), en bezorgservice (boodschappen en medicijnen afleveren aan huis).

Een paar jaar geleden zijn mijn ouders verhuisd naar een mooi appartement in een verzorgingshuis. Als rechtgeaarde sandwichers moesten H. en ik uiteraard ook ons steentje hieraan bijdragen.

De organisatie rondom hun verhuizing was grofweg vergelijkbaar met die van de onlangs in Nederland gehouden internationale nucleaire top NSS. Maanden van tevoren werd begonnen met de voorbereiding. Dat wil zeggen: mijn vader deelde aan iedereen orders uit die stelselmatig werden genegeerd en mijn moeder keek vooral veel en vaak met een vertwijfelde blik om zich heen naar alles wat (vooral door haar) in de loop van járen was verzameld.

Zo had de garage van mijn ouderlijk huis meer weg van een lokale vestiging van de Mediamarkt door alle overbodige en overtollige elektrische apparaten die daar bij elkaar op ettelijke planken stonden te verstoffen. Dat wafelijzer van de reclame waarmee geen enkele van die zoete lekkernijen was gebakken. Die must have krulset die nooit was ontmaagd. Of de vijfde grill die nimmer daglicht heeft mogen aanschouwen.

Maar het ergste waren de kleren, schoenen, tassen, sjaaltjes en kilo’s sieraden (helaas niet van edelmetalen) van mama (je ziet, ik heb het van geen vreemde). Op een dag ga ik als dochter annex verhuizer annex sandwicher mama helpen om orde in deze chaos te scheppen. Dit met het idee dat het wiskundig onmogelijk is om alles mee te nemen naar haar volgende woning. Om te voorkomen dat we veel te veel gaan verhuizen alleen maar om het straks in het nieuwe appartement te moeten wegdoen, ben ik aangetreden.

Staand temidden van een onoverzienbare stapel winterjassen wijs ik haar streng doch rechtvaardig op het gegeven dat zeker een op de vier stuks (eigenlijk drie op de vier maar ja, het is je moeder hè?) weg moet. Ik zie dat ze van deze mededeling in shock is.

“Ja maar die heb ik nodig voor als het echt koud is. En deze, die doe ik niet weg. Nooit!”

Ik, hoopvol wijzend op een andere jas: “Maar die is toch niet meer zo leuk, nietwaar? Die doen we in de doos voor de kledingbak”.

“Nééééé…..! Die zéker niet!”. Om hem vervolgens, net als de zeven andere, liefdevol in te pakken in de verhuisdoos.

Nodeloos te zeggen dat dit met al de rest van de spullen ook zo is gegaan, mijn ferme taal ten spijt. En zo komt het dat op het einde van D-Day, de dag van hun verhuizing, niemand in hun mooie nieuwe appartement zich meer voor- of achteruit kan bewegen tussen de overal tot aan het plafond opgestapelde verhuisdozen.

Ik weet het, ik weet het, ik ben een watje. Ik mag dan wel officier van justitie zijn die nota bene de respectabele leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt, maar in aanwezigheid van mijn moeder voel ik me in no time weer een kleuter van vijf.

Ik zie het maar als gratis regressietherapie.

© Pascale Bruinen

sandwichgeneratie (1) 2e