The Ghost Of Christmas Past

In deze donkere dagen dwalen mijn gedachten geregeld af naar hoe wij vroeger thuis Kerstmis vierden. In de weken ervoor was mama al druk bezig met het maken van kerststukjes. Normaal gesproken is ze nogal ongedurig van aard, maar als ze bezig was met dennentakken, hulst, kerstballen, nepsneeuw en dat groene vierkante steekschuim kon ze urenlang geconcentreerd aan tafel zitten. Af en toe keek ik haar op de vingers, gebiologeerd toeziend hoe ze al die verschillende spulletjes telkens weer wist om te toveren tot een smaakvol geheel.

De tijd voor Kerst bestookten alle familieleden, papa en ik voorop, mama steevast hoopvol met diverse culinaire verzoeken die vermomd waren als goedbedoelde suggesties. Zo wilden wij liefst de “enige echte stroganoff” op de kerstdis, terwijl anderen bedelden om reerug of tournedos rossini. Gelukkig wist mama, een ware keukenkoningin, daar altijd raad op. Want als echte people pleaser was mama’s oplossing dat we het kerstmenu dan maar afwisselden zodat iedereen aan zijn of haar trekken kwam.

Mama’s dikke rode kerstkookboek, “Het ruikt naar Kerst”, was een bron van inspiratie. Zelfs ik ging ijverig aan de slag met het maken van kerstkoekjes van zanddeeg in de vorm van kerstboonpjes, sterren en kerstklokjes die ik voorzag van drie soorten mierzoet glazuur en afmaakte met van die keiharde zilveren decoratiebolletjes die je altijd tussen je tanden voelde knarsen.

Een paar dagen na Sinterklaas ging papa de kerstboom halen en uiteraard ging ik, als echt papa’s kind,  trouw met hem mee. Ik vond dit altijd een opwindende klus waarvoor ik goed beslagen ten ijs wilde komen. Zo deed ik steevast mijn oudste kleren aan, voorzag ik papa en mij van dikke werkhandschoenen en zocht ik stevig touw uit om de boom mee vast te sjorren voor de terugreis. 

Meestal kozen we in goed gezamenlijk overleg een uit de kluit(en) gewassen exemplaar dat we ternauwernood zelf naar huis konden vervoeren. De rit terug loeide de verwarming op volle toeren om de kou, die via de open achterklep van de auto binnenkwam, enigszins te compenseren.

Eenmaal goed en wel thuis aangekomen was het papa’s taak als man des huizes om in de achtertuin de stam zo recht mogelijk af te zagen. Getuige zijn soms niet erg met de kerstgedachte strokende uitroepen lukte dat niet altijd een-twee-drie. Maar uiteindelijk werd de boom met vereende krachten terug naar binnen gesleept, in dat onding van een voet geperst en stond hij – na het nodige duw- en trekwerk tegen de stam – min of meer rechtop te pronken in onze huiskamer die meteen naar den geurde. Mijn handschoenen plakten van de hars, in mijn trui staken allemaal naalden met van die scherpe uiteinden (Nordmanns met van die zachtere naalden die niet uitvallen bestonden toen nog niet) en op mijn broek zaten moddervegen, maar wat voelde ik me trots dat het wéér gelukt was.

In een staat van blije opgewondenheid haalde ik met papa de dozen met kerstspullen van de vliering in de garage, me verheugend op de hernieuwde kennismaking met glazen ballen in de mooiste kleuren, glinsterende trompetten en zilveren kerstslingers. Maar eerst moest nog “even” de snoeren rotzooi worden ontward van alle slingers met kerstlichtjes. En zoals ieder jaar sneed ik me bij het decoreren van de boom aan dat vermaledijde engelenhaar. Maar dat alles mocht de versierpret niet drukken. 

Samen met mama drapeerde ik rotspapier om de lelijke voet van de boom en bespoot ik het geheel rijkelijk met nep sneeuw. Vervolgens werd de antieke kerststal opgezet. De drie ietwat gehavende koningen (eentje miste een stuk van zijn hand, een ander had een gat in zijn robe en de derde had in de loop der jaren het puntje van zijn neus verloren) kwamen op gepaste afstand van Jozef en Maria om het kerstkribje te staan bij de open haard, de dieren in een kring eromheen.

Op kerstochtend werd ik traditiegetrouw al vroeg wakker van het gezellige geklingel-klangel van potten en pannen alsmede van de onmiskenbare geur van vers gezette koffie vermengd met het aroma van “gebakken bammen”, een eigen culinaire uitvinding van mama die nog het meeste weg heeft van een hele smakelijke kruising tussen pizza en tosti (voor de liefhebbers: het recept staat onderaan deze column).

Aangezien Kerst vroeger zeker niet altijd wit was, hielden we ’s morgens de gordijnen dicht zodat we de druilerige grijze lucht niet konden zien en we ons een wit winterwonderland voor konden stellen. Het enige toegestane kunstlicht was afkomstig van de gekleurde lampjes van onze kerstboom. Mama stak overal in de huiskamer en op de feestelijk gedekte tafel theelichten en kaarsjes aan. Met hun flakkerende vlammetjes die een gouden gloed wierpen op het “goede servies” zorgden ze voor een feeërieke en intieme sfeer in de donkere ruimte. Vooral de mobiel gemaakt van houten kerstengeltjes die ronddraaiden dankzij de opstijgende warmte van de kaarsjes staat voor altijd in mijn geheugen gegrift. Als de engeltjes draaiden, wist ik dat het echt Kerstmis was.

Ik verzorgde de muziek. Steevast legde ik de stokoude lp van Bing Crosby op de platenspeler. Terwijl wij ons te goed deden aan vers sinaasappelsap en een lekkere “bam”, croonde Good ol’ Bing over white Christmas en een Hawaiiaanse kerstgroet (Mele Kalikimaka) waarbij – o, zalige geruststelling! – de lp ieder jaar opnieuw weer oversloeg op precies dezelfde plek.

Gisteren heb ik de traditie voortgezet en “gebakken bammen” gemaakt voor ons kerstontbijt. Ze waren goed gelukt en vonden gretig aftrek, al smaakten ze toch anders dan toen mama ze maakte. Maar als ik eerlijk ben gaat het mij veeleer om de zoete herinneringen aan warme, liefdevolle en zorgeloze Kerstdagen die ze bij mij losmaken.

Die dierbare momenten van geborgenheid mogen dan lang vervlogen zijn, het gevoel dat erbij hoort zal ik nooit vergeten.

© Pascale Bruinen

The Ghost of Christmas Past

Dit is weliswaar geen foto van onze kerstboom vroeger, maar hij kan zomaar doorgaan voor zijn dubbelganger. Wat ik nog mis zijn de gekleurde lampjes, de ornamenten van vogeltjes, trompetten, klokjes, huisjes en engeltjes…

Recept voor echte Bruiniaanse “gebakken bammen”: men neme tomatenpuree die op laag vuur wordt gemengd met koffiemelk en op smaak wordt gebracht met peper, zout en gedroogde peterselie (een gefruit wit uitje mag naar believen ook worden toegevoegd maar hoort er eigenlijk niet in). Men strooie vervolgens stukjes lekkere ham en geraspte oude kaas door dit mengsel en men smere dit uit over witte boterhammen. Garneer de “bammen” bovenop met nog wat meer geraspte kaas en bak de “bammen” in een voorverwarmde oven op 180 graden in een minuut of 7 à 8 tot ze lekker knapperig zijn. Voor de finishing touch kun je de gebakken “bammen” net voor het opdienen nog bestrooien met vers gehakte peterselie of – een eigentijdsere variant – basilicum. Smakelijk eten!

 

 

Advertenties

Catalonië

Catalonië. Hele kaaskopse volksstammen kiezen ’s zomers deze bestemming om er coma te zuipen of tweedegraads brandwonden op te lopen bij het uitslapen van hun roes op het strand (de jeugd) of lekker op de camping te staan (al de rest).

Veel verder dan Blanes, Rosas en Lloret de Mar komen ze meestal niet. Vooruit, misschien nog even een dagtochtje met de bus naar Barcelona, waarbij ze dan ook nog de meeste tijd  doorbrengen in het stadion van Barça. Dan heb je het ook wel gehad. Maar wat weet de gemiddelde Nederlander nu eigenlijk van dit misschien wel bekendste onbekende deel van Spanje?

Als je de volksaard van de Catalanen wilt doorgronden is het goed je te realiseren dat ze zich niet Spaans voelen. Of zoals een sticker op de deur van een kinderkamer bij dierbare vrienden daar al verraadt: “Catalonia is not Spain”.

De Catalanen zijn in hun onafhankelijkheidsdrift dan wel niet zo fanatiek als de Basken en al helemaal niet gewelddadig, ze beschouwen hun Catalonië wel degelijk als een eigen entiteit. Met hun eigen geschiedenis, taal, tradities en gewoontes. Catalonië is de moeite waard om eens op andere manieren te ontdekken.

Waar in de rest van Spanje de corrida (stierengevecht) en de grote zwarte stier de trotse machoziel van de Iberiërs verbeelden, vind je deze kenmerken in Catalonië nergens terug. De Catalanen hebben er zelf gewoon niks mee. Het werd hen opgedrongen. Het is dan ook geen toeval dat Barcelona een van de eerste steden is waar het stierenvechten werd verboden.

De scherpte en het machismo van de Spanjaarden komt ook letterlijk tot uiting in hun taal. Die klinkt hard en weinig melodieus. Daarmee vergeleken is het Catalaans, internationaal erkend als aparte taal, veel gemoedelijker en zachter. Al zal de rest van Spanje daar wellicht de kwalificatie “boers” aan toevoegen.

Als je je nader verdiept in de Catalaanse mentaliteit vind je, gek genoeg, ook opvallende overeenkomsten met die van ons. Zo staan de Catalanen in eigen land bekend als harde werkers, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Andalusiërs. Het is niet voor niets dat laatstgenoemden graag en veel de spot drijven met de Catalanen door ze weg te zetten als mensen die leven om te werken en niet weten te genieten van de goede dingen des levens.

Ze hebben ook lak aan schone schijn of veel uiterlijk vertoon. Vinden het eenvoudigweg niet belangrijk. Ze vallen niet graag op. Zijn geen schreeuwers maar juist heel bescheiden. Net als in Nederland zijn ze hier aanhangers van het adagium: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.

Wat ook erg Nederlands aan de Catalanen is: de reputatie om gierig te zijn. In Catalonië is het daarom niet de gewoonte om een fooi achter te laten. Alleen als je echt exceptionele service hebt gekregen of out of this world hebt gegeten, wijken ze hier wel eens van af. Maar liever niet.

Ze houden van eerlijke, simpele dingen. Als die dan ook nog mooi of lekker zijn, is dat meegenomen. Dat wordt ook weerspiegeld in de Catalaanse keuken. Je kunt een Catalaan dan ook niet harder treffen dan hem zijn dagelijkse pa amb tomàquet te onthouden. Een stuk vers afgesneden brood, een ultrasappige tomaat eroverheen wrijven zodat de tomaat als het ware over het brood wordt uitgesmeerd, afgemaakt met een scheut geurige olijfolie. Heerlijk, gezond en zonder poespas.

Catalanen zijn verzot op het sportieve buitenleven en hebben een nogal apart gevoel voor humor. Rondom Kerst, tijdens de feesten van de Fires de Santa Llúçia verkopen ze overal de caganers, letterlijk kakfiguurtjes. Dat zijn beeldjes in een poephouding en dan nog liefst met het hoofd van een beroemd iemand er op. De Catalanen kopen ze massaal en zetten ze vervolgens onder de kerstboom. Niet in plaats van de kerststal, maar ernaast.

Op die kerststallen oftewel pesebres zijn ze ook dol. Op een kerstmarkt zag ik ze in alle soorten en maten, vaak ongelooflijk gedetailleerd uitgewerkt. Grappig weetje is overigens dat in Catalonië – in tegenstelling tot de rest van Spanje – net als in Nederland Tweede Kerstdag wordt gevierd.

Ze zijn ook het enige volk dat het klaarspeelt om de catastrofale dag waarop ze hun onafhankelijkheid hebben verloren tot nationale feestdag uit te roepen. Zo kunnen ze dit pijnlijke gegeven ieder jaar opnieuw beleven. Misschien welbewust, in een masochistisch verlangen om de nationalistische smart van weleer ook nu nog tot in de diepste vezels van hun ziel te kunnen voelen?

Catalanen zijn niet een-twee-drie te doorgronden. Beschouwen iemand niet snel als vriend en laten iemand niet gauw toe in hun privésfeer. Maar als je volhardt, met oprechte interesse en open blik kijkt en een beetje je best doet ze te begrijpen, breek je door die barrières heen. Dan zie je wat er nog meer is behalve de mooie kuststreken, prachtige steden en een fabelachtige voetbalclub. Hoor je hun echte verhalen. Voel je de warme hartslag van een eeuwenoud volk dat op een ingetogen manier trots is.

Onvergetelijke ervaringen, hondstrouwe vriendschap en ongekende gastvrijheid zullen je ten deel vallen. Want uit eigen ervaring weet ik dat áls je eenmaal de status van vriend hebt bereikt, je ook écht bij ze binnen bent. Niet alleen in hun huis, maar bovenal in hun hart.

Voor altijd.

© Pascale Bruinen

Hier zie je de caganers die ik op een kerstmarkt tegenkwam. Is weer eens wat anders voor onder de kerstboom, toch?

Bore out

Tijdens een verplichte periode van fysieke rust door een onwillige, net geopereerde, knie denk ik eerst nog: nu kan ik eindelijk eens een boek uitlezen, mijn Spaans ophalen en lekker iedere dag Oprah kijken. Dit doe ik ook braaf. Wel drie héle dagen lang. Daarna verveel ik me al gek en zie ik de muren op me afkomen.

Van de niksigheid van een bestaan dat gedomineerd wordt door middag-tv en het boeken moeten lezen word ik geen gelukkiger mens. En het wordt er niet beter op nu ik vanaf mijn onvrijwillige positie op de bank al weken uitkijk op een satanisch glitterende kerstboom. In mijn verwrongen geest staart deze me provocerend aan met zijn tientallen flonkerende lichtjes. Al kan dit verschijnsel ook te maken hebben met een flinke portie pijnstiller.

Ik voel een bijna onbedwingbare neiging opkomen om met een van mijn krukken alle ballen één voor één uit dat grijnzende monster te slaan. Alleen de gedachte al bezorgt me een nogal verontrustend gevoel van bevrediging. Eerst lach ik het vermoeden van een beginnende decompensatie nog zenuwachtig weg. Nu begin ik echt aan mijn geestestoestand te twijfelen.

Maar net als ik denk dat ik gek word, ontdek ik dat voor mijn probleem gewoon een uitdrukking bestaat. Bore out heet het in goed Nederlands. Het is – hoe origineel – een variant op burn out.

Waar bij een burn out de stress en uitputting het gevolg zijn van een lange periode van te veel doen, is het bij bore out net de consequentie van langere tijd te weinig doen of te weinig geestelijke en/of fysieke uitdagingen. Het lijkt dan of het lichaam en de geest stilstaan. Je ontwikkelt een gevoel van eindeloze afgestomptheid en nutteloosheid. Je gaat dagelijks in een neerwaartse spiraal richting afvoerputje. De broodnodige prikkels die je anders ervaart blijven uit.

De bar slecht nagesynchroniseerde Tellsell-reclames werken helaas niet op de positiefste manier op mijn hersenen. Bij het zien van de zoveelste herhaling van die manisch glimlachende vrouw met haar vormeloze lelijker-dan-lelijke stretch-bh ben ik dan ook klaar om een baksteen door mijn tv te smijten. Maar dan is – praise the lord! – het moment aangebroken dat ik ein-de-lijk meer actieradius krijg dan strompelend van de bank naar het toilet en terug.

Als ik het gekund had, had ik hiervoor zelfs op mijn blote knieën God en/of mijn orthopedisch chirurg bedankt.

Volgens bepaalde exemplaren van laatstgenoemde beroepsgroep is daar immers niet eens zo gek veel verschil tussen.

© Pascale Bruinen

Zijn er onder mijn lezers nog meer onfortuinlijke mensen die noodgedwongen een tijdje thuis hebben moeten zitten en dit herkennen? Laat dan hier een reactie achter.