Make Over Mania

Het is onmiskenbaar: Koning Winter blaast geleidelijk de aftocht en maakt plaats voor Prinses Voorjaar.

Her en der mogen dan nog hoopjes sneeuw liggen, de lente komt er aan! Dit mooie seizoen in wording draagt de belofte in zich van steeds langere dagen, meer buiten leven en een frisgroen ontwakende natuur. Alles is nog nieuw. Nieuw leven als er lammetjes worden geboren, nieuwe blaadjes die uit hun tere knoppen springen, nieuw zonlicht dat door de grauwsluier van de voorbije maanden heen breekt.

Maar het is dadelijk ook de tijd om af te rekenen met even banale als vervelende zaken zoals: groene aanslag op je tuintegels, uitpuilende schuurtjes en stof, vuil en rotzooi in het algemeen. Juist ja, De Grote Schoonmaak. Op het moment dat de Lidl adverteert met motorpakken, de klok een uur vooruitgaat en op tv de wielerklassiekers beginnen, weet je dat je aan de bak moet.

Nu behoor ik zelf tot het neurotische type. Ik hang juist aan orde, netheid en regelmaat. Opruimen is mijn tweede natuur.

Maar de chaoten onder ons hebben er doorgaans meer moeite mee. Nou ja, ze zien er nog net niet als de Himalaya tegenop. Als ultieme smoes om niks te hoeven doen, poneren ze de stelling dat opruimen zinloos is. Het wordt immers toch in no time weer vies en rommelig. Met twee pubers in huis kan ik dit als ervaringsdeskundige wel beamen. Maar wonen in een huis dat er permanent uit ziet alsof er zojuist een bom is ontploft, is ook weer niet je dat. Overigens komt dit slappe excuus vaker uit de mond van mannen, die gemiddeld immers een hogere vuildrempel hebben dan vrouwen.

Maar er is ook een middencategorie. Dat zijn de Jekyll and Hyde-achtigen die qua opruimen een tweeslachtige persoonlijkheid hebben. Misschien ben jij wel zo iemand. Meestal slordig, maar soms ten prooi aan opruimwoede, vooral in het voorjaar? Yep! Ruim je meestal netjes op maar hou je een paar kamers gemakshalve altijd dicht omdat het daar één grote zwijnenstal is? Bingo!

Veel chaoten en een deel van de Jekyll and Hyde-achtigen lijden vaak aan “perfection paralysis“: ze raken in een lichte staat van paniek als ze zien wat er allemaal gedaan moet worden. Omdat ze nooit alles gedaan krijgen en zich overweldigd voelen, doen ze uiteindelijk helemaal niks.

Voor deze twee categorieën is er toch licht aan het einde van de tunnel. Als je niet wilt opruimen om een schone leefomgeving te krijgen, doe het dan voor het welzijn van je geest. Want wetenschappelijke inzichten claimen dat opruimen niet alleen leidt tot orde en rust in je huis, maar ook in je hoofd. Ik durf zelfs te beweren dat een opgeruimd huis leidt tot feel good momenten als je iedere keer vindt wat je zoekt, en snel ook. Als je zo méér tijd overhoudt voor de dingen die echt belangrijk zijn in het leven. Als je bijna alles wat je in huis hebt ook daadwerkelijk gebruíkt. Dat is namelijk niks minder dan een kick, met de bijbehorende adrenalinestoot. Ook is er weinig zo bevredigend als het gevoel dat je bekruipt als je met een ferme zwaai alle puinzooi in de container mikt. En omdat dit gevoel verslavend werkt, voorspel ik zelfs dat je het ook opgeruimd zult willen houden.

Uiteraard is ook over dit fenomeen een boek geschreven. Zo ontdekte ik na een korte zoektocht op internet “Zen and the Art of Housekeeping: The Path of Finding Meaning in your Cleaning“. De auteur, ene Lauren Cassel Brownell, gaat daarin zelfs nog een stapje verder als ze schrijft over de geestelijke weldaad van het huishouden doen: “I try to think of housekeeping as a short mental vacation. I let my mind freewheel like I do on a walk or a swim. I sometimes come up with solutions to problems I didn’t even know I had“.

Wie heeft ooit geweten dat dit mogelijk was? Terwijl je op je knieën de vloer van de badkamer schrobt, ben je in werkelijkheid op vakantie! Dé oplossing in tijden van economische crisis. En in plaats van naar die dure yoga- of meditatieles te gaan, kun je ook gewoon één voor één de lamellen van al je jaloezieën afstoffen. De afstompende repeterende bewegingen zullen je uiteindelijk in dezelfde staat van trance brengen. Helemaal gratis en voor niks!

Opruimen is het nieuwe mediteren. Niks Ashram in India, maar gewoon een Make Over Mania in je eigen huis. Niks “Eten, Bidden, Beminnen” maar “Stoffen, Dweilen, Ordenen”. Het is Zen, het is Yin-Yang, het is Sheng Fui.

Alleen Boeddha zelf kan jou nu nog tegenhouden.

© Pascale Bruinen

make over mania

Zie hier het boek. Nee, ik heb het zelf nog niet in de kast staan. Maar ik moet zeggen dat ik nu wel gruwelijk nieuwsgierig ben naar de rest van de eye-openers die hier ongetwijfeld in zullen staan.

Overigens is deze column een bewerking van mijn column “Make Over in Meerssen”, die   in mei 2012 is verschenen In INFO nr. 41 van Wonen Meerssen.

Advertenties

Survivalkit voor de flexwerker

Net terug van vakantie, hoor ik dat we gaan flexwerken. We mogen nagenoeg niks meer aan persoonlijke spullen op de werkplek hebben. Het devies luidt dus: opruimen! Mijn relaxte post-vakantie staat is in één klap weggevaagd want ik hang nogal aan mijn ditjes en datjes. Sommige nuttig, andere alleen maar leuk en een enkele een combinatie van beide. Ik kijk vertwijfeld naar mijn bureau, kast en de onmiddellijke omgeving daarvan. Dit is wat ik zie aan privé-prullaria:

Twee ingelijste pentekeningen; diverse fotolijstjes met afbeeldingen van mijn kroost toen het nog tanden aan het wisselen was; een imposante verzameling thee- en cup a soupzakjes, mokken, glazen, lepeltjes en een eenpersoons theepot; knutselwerkjes (onder andere een té schattig nep frambozengebakje) en tekeningen van de kids uit het pré-puber tijdperk; een paraplu; een stel hangers; verschillende plastic zakken en stoffen tassen voor als ik boodschappen ga doen; een paar gemakkelijke (platte!) schoenen om in de pauze – verlost van knellende hakken – snel een blokje om te gaan; zo’n bol met nepsneeuw (afdankertje van dochterlief); een stel verjaardagskaarten van drie jaar geleden; een wekkerradio (niet om wakker te blijven maar om eventueel naar de radio te luisteren, wat ik overigens nooit doe); een (plak)spiegel; een gelukspoppetje (cadeau van lieve vriendin); een felgroene verzwaarde zak die fungeert als deurstop; een plant (eentje van het type dat overleeft no matter what); een prent van een Buddhahoofd (bedoeld om zen te blijven wat overigens meer niet dan wel lukt) en een afbeelding van een lachende vrouw en man die onder het genot van een glas rode wijn gezellig in de openlucht aan het tafelen zijn (gevisualiseerd levensmotto van een dierbare vriendin die het werkje passend heeft betiteld als “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij”. Nu dit toevallig ook mijn levensmotto zou kunnen zijn, kijk ik daar altijd naar als ik een mental boost nodig heb. Zoals, euh, nu).

Mijn brein doet een heldhaftige poging om te gaan werken maar raakt al snel overbelast, gewend als het de laatste drie weken is geraakt aan dolce far niente. Eerst maar eens koffie, denk ik, dan opruimen. De massa e-mails in mijn in-box en stapels door te ploegen dossiers moeten dan nog maar even wachten.

Gewapend met een cappuccino uit de automaat, die overigens in niets laat denken aan het gelijknamige drankje waarvan ik in Italië heb genoten, keer ik terug op mijn kamer. Ik adem eens diep in, neem een van mijn plastic zakken ter hand (zie je, komt nu toch goed van pas!) en donder daar, met pijn in mijn hart, zoveel als maar kan aan spulletjes in. Met uitzondering van mijn thee- en soepzakjes (dorst en honger is niet goed voor de productie), mijn plakspiegel (ik wil niet rondlopen met lippenstift op mijn tanden en ik krijg hem toch niet meer van de muur af), mijn gelukspoppetje (wie weet wat er gebeurt als ik het weghaal) en afbeelding van “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij” (het oog wil ook wat). Daar moet ik dus nog iets op verzinnen.

Ik kijk, nadat ik drie zakken tjokvol heb gestouwd, tevreden om me heen. Hee, ik kan de vensterbank weer zien! En de ruimte ziet er navenant groter uit nadat ik een onwaarschijnlijke hoeveelheid post-its, briefjes, memo’s en een enkel vergeeld krantenartikel van de muur getrokken heb. Ik voel me verlost, gelouterd, bevrijd.

Maar daarmee ben ik er nog niet. Want in plaats van in totaal anderhalve (hoge) kast in beslag te mogen nemen, krijg ik vanaf nu maximaal twee planken toegewezen. Twee planken. Dat wordt een uitdaging. Ik laat mijn ogen gaan over de onafzienbare rij ordners die ik in de loop der tijden verzameld heb. In het overgrote deel ervan werp ik nooit een blik, laat staan dat ik er iets mee doe. Hoogste tijd dus voor rigoureuze actie. Mijn methode? Ik blader ze vluchtig even door, schrik me kapot van de inhoud die soms terug blijkt te gaan tot rond de millenniumwisseling om vervolgens het hele zwikje met een voldaan gevoel in de papierversnipperaar te gooien. Zó, dat lucht op. Na een uur heb ik zowaar drie kwart van een hele kast weggewerkt. Maar dat komt omdat ik na de eerste tien minuten besluit het vluchtig doorbladeren over te slaan en de inhoud ongezien weg te smijten in de rotsvaste veronderstelling dat ik het toch niet zal missen.

Blijft het probleem dat ik binnenkort geacht word aan eender welk bureau te kunnen werken, terwijl ik toch wat aan eigen spulletjes en gezelligheid wil behouden. Ineens heb ik een ingeving. Ik moet gewoon zo’n zeil hebben met daaraan op iedere hoek een touw, zoals die verkopers van neptassen- en zonnebrillen. Iedere ochtend spreid ik dan dat zeil uit over mijn “bureau van de dag” en arrangeer mijn privé-spulletjes erop. Aan de flexmuur pin ik mijn “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij”, mijn gelukspoppetje hang ik over mijn leeslamp en mijn plant posteer ik naast het computerscherm. All set! Zodra ik uitgewerkt ben, trek ik aan de vier touwtjes zodat mijn spullen in één handige beweging samengepakt worden in een soort van pungel en ik vertrek. Ideaal!

Een survivalkit voor de flexwerker.

© Pascale Bruinen

En dit is ‘m dan, “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij”, die niet mag ontbreken op mijn flexwerkplek. Één blik op deze afbeelding en je weet waarom.

Handleiding Man met Hoge Vuildrempel

Inleiding

Deze handleiding is speciaal ontwikkeld voor vrouwen die samenwonen met mannen met een zogenaamde “`Hoge Vuildrempel”. Dat is een meestal structurele en soms zelfs permanente stoornis in de waarneming van rommel- en viesheidsrealiteit en behoort tot het spectrum van de As V stoornissen: de categorie van de Makkelijke Mannen Malligheden. Deze diagnose is relatief eenvoudig vast te stellen en moet gebeuren aan de hand van onderstaande checklist. Deze dient bij voorkeur te worden uitgevoerd door de reeds langere tijd inwonende echtgenote/partner.

Checklist diagnose Hoge Vuildrempel.

Deze checklist bestaat uit multiple choice vragen.

1 . Hoe vaak komt het voor dat je man/partner zijn sleutels niet kan vinden?

a. Nooit

b. Af en toe

c. Minstens vijf keer per week

d. Minstens vijf keer per dag

2. Welke zin hoor jij je man/partner tot vervelends toe uitspreken?

a. Waar is mijn…?

b. Hoe kan het dat ik …niet kan vinden?

c. Ik had het hier toch echt neergelegd!

d. Alle antwoorden van a tot en met c

3.  Als jij je man/partner weer eens ziet rommelen in de sokkenla dan denk jij meteen

a. Ach, wat lief, hij is eens voor mij aan het opruimen!

b. De wasmachine heeft weer eens de andere helft van het

sokkenpaar opgevreten

c. Laat dat!

d. Waarom ben ik met deze chaoot getrouwd/gaan

samenwonen?

4. Je hebt, voordat je vertrekt naar je loeidrukke en verantwoordelijke baan, heel duidelijke poetsinstructies achtergelaten voor manlief. Als je om 20.00 u bekaf thuiskomt tref je hem…

a. met de schrobborstel nog in zijn hand slapend aan op de net geboende vloer;

b. hulpeloos met de zuiger aan in precies dezelfde klerezooi als toen je vertrokken bent;

c. net op het moment dat hij voor de vorm nog snel een stofdoek ter hand wil gaan nemen;

d. onbekommerd met een pilsje aan op de bank in één doffe huishoudellende waarbij het lijkt alsof er een bom is ontploft;

5.  Welk antwoord hoor jij het vaakst als je zegt “wat is het hier één grote bende!”

a. “Oh.”

b. “Dat valt toch wel mee?”

c. “Ik wilde net hetzelfde zeggen!”

d. “Waar? Wat bedoel je?”, vergezeld van een blik zo blanco als de cheque voor Cruijff die Ajax en een Mexicaanse dwergvoetbalclub hem bieden om hen van de ondergang te redden.

6. Wat is de reactie van je man/partner als hij een pan met rode spaghettisaus op je prachtige witmarmeren vloer laat vallen?

a. “Ha ha, het lijkt hier wel “Nightmare on Elmstreet!”

b. “Ik heb je ook steeds gezegd die pan niet zo vol te doen”, waarbij hij een priemende wijsvinger jouw kant op steekt.

c. “Het is toch zeker niet op mijn call of duty spel terecht gekomen?”

d. Hij loopt er zonder iets te zien gewoon dwars doorheen.

Uitslag

Het meeste antwoord “d” = positief op Hoge Vuildrempel.

Ga met de grootst mogelijke spoed over op plan B.

Plan B

Behandeling van een Hoge Vuildrempel is moeilijk maar niet onmogelijk. Meestal zal een ambulante behandeling niet voldoende zijn, maar dient er een langdurige klinische opname aan te pas te komen. Deze kan gelukkig wel plaatsvinden binnen het eigen huis, waardoor betrokkene dagelijks geconfronteerd zal worden met de dramatische huishoudelijke gevolgen van zijn stoornis.

Daarnaast zal de behandeling bestaan uit groepssessies met medepatiënten, die gewoonlijk probleemloos binnen vijf minuten in de onmiddellijke nabijheid geronseld kunnen worden. Denk aan buren en bekenden. De enige voorwaarde is dat ze van het mannelijk geslacht zijn. Deze groepssessies vinden beurtelings plaats onder leiding van een vrouwelijk slachtoffer van de patiënt, die immers als ervaringsdeskundige bij uitstek geschikt is om de bijzondere problematiek te belichten.

Een groepssessie kan er als volgt uit zien:

Groepsleidster: “Welkom, allen, laten we eerst een voorstelrondje doen. Ik begin hier links van me. Vertel eens wie je bent en waarom je hier zit?”

Patiënt: “Ik ben John en…(zwijgt aarzelend)..en ik lijd aan een Hoge Vuildrempel”. Er klinkt een bemoedigend applaus vanuit de kring. Instemmend gemompel vult de doorzonkamer.

Groepsleidster: “Geweldig! Fijn dat je er bent John. Voel je de warmte van ons allemaal, van je medepatiënten? Ik in ieder geval wel!”

Patiënt: “Nou, warm heb ik het niet echt. Maar ik..euh..ik, ik…” (patiënt grijpt met beide handen zijn hoofd en lijkt de wanhoop nabij).

Groepsleidster: (buigt zich naar hem toe en houdt haar hoofd schuin en brengt zo les 7 – “Toon Empathie” – in praktijk en vraagt met fluweelzachte stem): “Ja? Zeg het maar John, we zitten hier voor jou, met jou, door jou”.

Patiënt (het huilen nabij): “Ik..ik heb…, ik heb het gedáán!”

Groepsleidster (kijkt nu ietwat benauwd en bladert gejaagd door het opengeslagen lesboek op schoot, koortsachtig op zoek naar les 13: “Wat te doen in crisissituatie?”) : “Hoe, hoe bedoel je, John?”

Patiënt (gooit ineens alle schroom van zich af, staat op en klopt zich als een volwaardige Bokito roffelend op de borst): “Ik heb gepoeoeoeoeoeoeoeoeoeoetst!!!”

Na een fractie van een seconde waarin je een speld kunt horen vallen, breekt erna de hel los. Patiënten vallen huilend in elkaars armen, John wordt op de schouders genomen, een staande ovatie breekt los, de groepsleidster breekt en valt dankend op haar knieën.

Conclusie

Dit is dus waar je het voor doet! Het kan dus wel. Het enige dat je daarvoor nodig hebt is liefdevolle volharding, een onuitputtelijke dosis geduld en de niet aflatende steun van medeslachtoffers. Waarbij het overigens zeker geen kwaad kan om sereen glimlachend alle vier zijn afstandsbedieningen te verstoppen.

Dat krijgt zelfs de A plus categorie in no time aan het werk.

© Pascale Bruinen

Zo, het hoge woord is er uit. Wie wil hier publiekelijk bekennen ook een Hoge Vuildrempel te hebben? En zijn daar eventueel ook vrouwen tussen? Want hoewel de column er natuurlijk niet over gaat, is het zeker ook iets dat (sporadisch?) voorkomt bij dames. Nou, wie durft? Of heb je soortgelijke ervaringen als op de foto en wil je je hart erover luchten? Doe het hier, dan heb je al een gratis groepssessie! Succes gegarandeerd!

Weggoois(ch)e Vrouwen

De alom aanwezige crisis heeft ook positieve bijwerkingen. Door het chronische geldgebrek bij de gemeentelijke overheden worden alle voorzieningen op een laag pitje gezet. Hoogste tijd om dus zelf in actie te komen, indachtig het steeds vaker uitgedragen principe van de zelfredzaamheid. Of, om het met de historische woorden van John F. Kennedy te zeggen: vraag niet wat uw gemeente voor u kan doen, maar wat u voor uw gemeente kunt doen.

Het antwoord op deze retorische vraag dringt zich al meteen op als ik een voet buiten de deur zet. Al joggend en fietsend door onze mooie landelijke wijk valt mijn blik steeds vaker op chipszakken, plastic flessen en zakdoekjes. Schijnbaar achteloos weggeworpen in de berm of  – waarom ook niet? – gewoon midden op het prachtige speelveldje. Als puisten op een wondermooi gezicht. Ze springen in het oog, of je het wilt of niet.

Met ieder hardlooprondje en ritje op mijn stalen ros groeit mijn irritatie. De hele route is vol met de tastbare uitwassen van onze op hol geslagen consumptie-maatschappij. Het wordt niet minder, alleen maar meer. De verhuftering van de samenleving op micro-niveau.

Gesterkt door het Chinese spreekwoord dat zelfs de langste reis begint met de eerste stap besluit ik – inmiddels tot het uiterste getergd – het heft zelf maar in handen te nemen. Of liever de vuilniszak. En gewapend met een paar stevige handschoenen trek ik er op uit. Het idee erachter is verbluffend in zijn eenvoud. Ik wandel toch al vaker door de buurt, dan is het een kleine moeite om de rotzooi van anderen gewoon op te rapen.

De eerste keer dat ik er zo op uit ga ben ik nog optimistisch gestemd. Ik denk dat ik aan een normale plastic zak wel voldoende heb, ik woon toch in een nette wijk? Niets blijkt minder waar. Ja, het is een van de beste woonwijken maar nee, net zou ik het niet willen noemen. Wij zijn een vies volkje. In een mum van tijd is mijn plastic zak overvol met blikjes, glazen flesjes, snoeppapiertjes, sigarettendoosjes, stukken plastic, McDonalds bakjes en kartonnen drinkpakken (de anderhalve liter variant). Ik ben verbijsterd want ik ben pas op een derde van één lange straat. Snel begeef ik me naar het milieuperron waar ik de zooi op verantwoorde wijze gescheiden in de daarvoor bestemde bakken dump.

Ik trek nogal de aandacht. Een fietser kijkt om als hij me tussen de struiken plastic frietbakjes ziet plukken. Er zijn automobilisten die remmen als ze mij met gehandschoende handen zien zeulen met een zware vuilniszak. Zelfs kinderen staren me aan. Maar ik ga onverstoorbaar door.

Mensen die ik tegenkom reageren uiterst positief. Een jong koppel met kindertjes prijst mijn onbezoldigde arbeid en zegt dat ze dit zelf ook moeten gaan doen in hun wijk. Een mevrouw die ik tref bij het milieupark schrikt zichtbaar van de hoeveelheid afval die ik op een kort stukje heb ingezameld en zegt dat mijn voorbeeld navolging verdient.

Dat vind ik zelf eigenlijk ook en dus besluit ik op de eerste de beste meidenavond mijn “pick ’n walk” principe te delen met mijn vriendinnen. Nadat ze bekomen zijn van hun eerste verbazing vinden ze het een geweldig idee en besluiten ook mee te gaan doen.

En dus trekken we, inmiddels vier man sterk (nou ja: drie vrouwen en een puber van 12), op een herfstige zondagochtend om 9.00 u de wijk in en rapen ons in anderhalf uur helemaal suf. Bij het aantreffen van een midden op een veldje weggegooide megafles champagne vraagt onze adolescent zich hardop af waarom iemand dat doet. Goeie vraag, te meer nu de vuilnisbak op nog geen tien meter afstand staat.

Moe maar voldaan gooien we de laatste rotzooi in de bakken. Volgende week weer? Jazeker. Het zaadje is geplant. Mijn vriendin heeft inmiddels ook een mooie naam voor ons meiden bedacht: Weggoois(ch)e Vrouwen. Het zou zomaar de nieuwste real life soap kunnen zijn.

© Pascale Bruinen

Het is zo’n simpele maar effectieve methode! Bovendien is het leuk, goed voor de gemeenschapszin, het kost niks en het is nog gezond ook (lekker buiten bewegen). Inmiddels heeft de gemeente zelfs prikstokken, handschoenen en vuilniszakken geleverd en is er ook een Weggoois(ch)e Man bij gekomen, die met zijn kindertjes meedoet.

Heb jij ook plannen voor een leuk burgerinitiatief? Laat het me weten en reageer!

Pubers (2)

Het puberdom blijft immer inspirerend materiaal om dankbaar uit te putten voor het schrijven van o-zo-herkenbare columns.

Na ommekomst van een negen weken lange zomervakantie is de school weer begonnen. En dat wordt tijd ook. Zelfs mijn zoon vindt dat kennelijk. Want hij verrast mij aan tafel door pardoes, bijna letterlijk tussen de soep en de aardappels door, mede te delen dat hij “wel weer zin heeft om nieuwe dingen te leren” (let daarbij vooral op het woordje “weer”, dat volledig onterecht impliceert dat hij eerder ook al zin daarin had). Ik word acuut bevangen door de drang om hem ter plekke te omhelzen voor zoveel enthousiasme maar weet me nog net in te houden. Ik kondig aan dat de vlag uit moet, hij ziet het eindelijk in. Hallelujah!

Maar dat is natuurlijk een ontboezeming ingegeven door weken van relatieve ledigheid. Want nu de school is gestart, hoor ik hem niet meer over de nieuwe dingen die hij leert. Integendeel.

Gelukkig werken mijn beide pubers ook naast school. Het is begonnen als vakantiewerk maar ze mogen ook na de vakantie blijven. En dat werken in de vakantie is een echt godsgeschenk gebleken. Met het zogenaamde zomerweer van 2011 zouden ze zich doodverveeld hebben als ze geen werk hadden gehad. Om nog maar te zwijgen over het geld dat ze hebben verdiend met al hun gezwoeg in de supermarkt.

Het is aardig om te zien hoe verschillend ze met de zuurverdiende centen omspringen. Zo brandt het geld bij zoonlief zowat meteen de portemonnee uit, terwijl mijn dochter wikt en weegt alvorens iets met zorg uit te kiezen.

Als gevolg van de (digitale) kooplust van zoonlief komt tegenwoordig wel zéér geregeld de koeriersdienst aan de deur met diverse pakjes. Nu zijn we niet altijd thuis en dan hebben we gelukkig een lieve en behulpzame buurvrouw die ze voor ons aanneemt.

Zo heeft hij inmiddels zijn hele kamer vol staan met allerhande coole apparaten waarvan ik niet eens de functie kan doorgronden. Het heeft wel allemaal met het maken van chille beats van doen.  Het is een ware wirwar van kabels, stekkers, verlengsnoeren, cd’s, lp’s, microfoons, platenspelers, boxen en mixpanelen. Mijn suggestie om in deze chaos wat orde te scheppen door eindelijk eens zijn speciaal daarvoor aangeschafte lades en kasten te gaan gebruiken wordt weggehoond. Hij legt uit dat hij het niet kan opruimen want alles moet voortdurend gebruikt worden.

Datzelfde adagium geldt ook voor zijn kleren, die met de regelmaat van de klok overal opduiken behalve in de daarvoor bestemde kledingkast. Zo vind ik t-shirts en joggingbroek over de trapreling, sokken in schoenen midden in de kamer en de kleren gedragen in een hele week verfrommeld op een stoel. Alles met het idee dat hij die toch op enig moment weer aandoet. Ook zijn kamer eenmaal per week opruimen en poetsen vindt hij als rechtgeaarde man grote onzin omdat toch “alles weer vies wordt”. Laten we het er op houden dat zijn vuildrempel beduidend hoger is dan de mijne.

Het lijkt wel alsof de kortsluiting die (hopelijk tijdelijk) plaatsvindt in de puberhersenen er voor zorgt dat ze alles maar half doen. Als er pannen moeten worden afgewassen zijn die maar half schoon. Degene die moet drogen laat overal nog water achter. De wc-rol wordt leeggetrokken tot het voorlaatste (gescheurde) velletje maar een nieuwe ophangen, ho maar. Melkpakken en flessen frisdrank worden opgedronken tot er nog maar een paar druppels resten en dan schielijks weer in de ijskast terug gezet, totdat een ander gezinslid dit luid verontwaardigd opmerkt. Alles liever dan dat ze zelf een nieuw pak of andere fles moeten gaan halen.

Zo stapelen de kleine ergernisjes zich op dagelijkse basis op. Maar desondanks zijn en blijven het schatten op weg naar volwassenheid. En op die weg gaan ze, soms irritant maar vaak aandoenlijk, voort.

Met vallen en opstaan.

© Pascale Bruinen

Hier ligt je kans om je ongetwijfeld super-herkenbare puberervaringen met ons te delen. Als je het kwijt wilt of moet, reageer dan!