Home Alone

Yes! Tsjakka! Joehoe! Een aan euforie grenzend gevoel bekruipt me. Ik ben alleen. Alléén. Eindelijk is iedereen weg.

Oh, begrijp me niet verkeerd. Ik ben gek op mijn gezin, hou zielsveel van ze en zou ze voor geen goud willen of kunnen missen. Maar nu heb ik het huis even een paar uurtjes he-le-maal voor mezelf. Wat een luxe.

In gedachten hoor ik een en dezelfde flard van het lied van Ramses Schaffy: “Laat me, laat me, laat mij gewoon m’n gang maar gaan”. Hoe toepasselijk. Eens even niks. Niets hoeven uitleggen, nergens antwoord op hoeven geven, van niks of niemand last hebben.

Ik ben helemaal alleen thuis en vind het heerlijk. Egoïstisch? Absoluut, maar ik voel me er niet schuldig onder. Mijn hele week staat al in het teken van dingen doen, van hot naar her rennen, praten. Van op bezoek gaan, luisteren, meeleven. Van helpen, meedoen, meedenken. Meestal voor, bij en met anderen.

Op een dag als deze ben ík aan de beurt. Even lucht happen. Wat zuurstof is voor je longen, is af en toe alleen zijn voor mij. Noodzakelijk en gezond.

Ik ben alleen met mijn gedachten. Ik voel dat ik langzaam tot mezelf kom. Als ik wil, kan ik alleen maar lanterfanten. Of lezen. Schrijven. Opruimen. Alles doen op mijn eigen tempo. Of niet.

Niemand die er wat van zegt. Niemand die mijn aandacht vraagt. Niemand die me uit mijn ritme haalt.

Ik ervaar de schoonheid van oorverdovende stilte. Geen luid dreunende muziek van puberdochter. Geen eindeloze oefensessies met zelf gemixte deuntjes van puberzoon. Geen dreunende voetstappen op de trappen als zoon of dochter met vier stappen tegelijk naar boven of naar beneden rent.

Alleen maar rust in de tent.

Nu ben ik zowaar in staat om het tikken van de klok te horen, het aanspringen van de diepvriezer of het zacht neerdalen van de regen buiten. Het leven is mooi.

Veel mensen zijn bang om alleen te zijn en zetten daarom permanent de radio of TV aan om zo de illusie te creëren dat er iemand bij ze is. Ik wil die stilte net bewust ervaren. Het doet me goed. Geeft me energie. Biedt me nieuwe inzichten.

Zo laad ik door mijn alleen-zijn mijn accu tussendoor telkens even op, waarna ik me weer betrokken en oprecht geïnteresseerd op anderen en andere dingen kan richten. Dit is een vorm van egoïsme waar anderen dus alleen maar profijt van hebben. Altru-egoïsme dus. Ik kan het iedereen aanraden.

Ik ben juist bezig de laatste regels van deze column aan het papier toe te vertrouwen, als ik de achterdeur met een ferme klap hoor dichtslaan. Zoonlief is thuis. Even later hoor ik de bassen als vanouds boven mij trillen. Maar in plaats van dat het me irriteert, moet ik er nu van glimlachen.

“Hallo!”, roept kort daarna een heldere stem van beneden. Dochter is binnen. De bassen krijgen nu in rap tempo gezelschap van de bekende kreten van de rappers. En ik erger me dit keer zelfs niet aan de soms ronduit idiote teksten.

Ah, de vertrouwde geluiden van pubers in hun kamers.

De stilte is voorbij maar ik vind het niet erg. Want ik kan er weer vol tegenaan. Ik ga de kamers even langs. Begroet zoon die mij prompt vraagt om te kijken naar het informatieboekje over de op handen zijnde schoolreis. Steek mijn hoofd om de deur van de kamer van dochterlief waar mij meteen wordt verzocht om die laatste bobbel even uit haar haren weg te stijlen.

Na deze klusjes, die ik routineus maar met hervonden enthousiasme afhandel, ga ik naar beneden. Daar komt H. net thuis.

En voordat hij ook maar iets kan zeggen, zeg ik het zelf maar alvast. “Kan ik ergens mee helpen?”

Ik ben net weer ingestapt in de achtbaan van het gewone, vertrouwde, drukke gezinsleven.

Nog zeven rondjes te gaan voordat ik er weer even uit kan.

© Pascale Bruinen

 

Heerlijk, die rollercoaster, maar evengoed erg prettig als je af en toe even kunt uitstappen. Ben benieuwd of meer mensen kunnen genieten van even alleen zijn, van een momentje voor jezelf hebben.

Advertenties

Victoria’s Secret Revisited

Nee, dit keer gaat het niet over de supermodels (zie daarvoor mijn column “Het Geheim van Victoria”), maar over de winkels van Victoria’s Secret. Bij elk bezoek aan de Verenigde Staten speur ik vooraf op internet naar de locaties waar deze lingerie/badmode/parfum- en make-up gigant te vinden is.

Meestal ben ik binnen pakweg zes uur nadat we zijn geland al aardig in de buurt van het Heilige der Heiligen. Zo ook nu. We zijn nog niet goed en wel geïnstalleerd in ons hotel of we gaan in de hete namiddagzon al goedgeluimd op weg naar Lincoln Road, zeg maar de Rodeo Drive van Miami. Ik rek mijn nek zover mogelijk uit om te kijken of ik de manshoge posters van Doutzen, Adriana of Alessandra al op een of andere chique gevel bespeur.

Ineens zie ik een vrouw die me tegemoet loopt met de trademark fuchsiarose-pastelrose gestreepte tas met gouden letters. Ja! Ik moet nu vlakbij zijn. De adresgegevens van internet geven aan dat het niet ver meer is. Ik versnel mijn toch al niet zo langzame pas. Ik kijk geconcentreerd voor me en dan zie ik ze. De twee woorden waar ik op gewacht heb.

Ik stuif naar binnen met H. in mijn kielzog en word prompt bijna bedwelmd door een mix van de heerlijkste geurtjes. Ergens in het nog werkende deel van mijn hersens krijg ik vaag het bericht door dat dit een bekende marketingtool is die de kooplust pleegt aan te wakkeren. Maar mijn ander deel, dat van de beloningen, negeert dit meteen en gooit alle remmen los.

Ik graai een van die supergrote, zwarte tassen mee die bedoeld zijn om al je aankopen in te gooien en loop verder de winkel in. Bij het zien van al die mooie, geurende en hebberig makende spullen raak ik in een soort van flow die nog het dichtst komt bij een meditatieve staat van trance. Niet dat ik ooit in een dergelijke staat heb verkeerd, maar dit moet het wel ongeveer zijn. Want ik kom als het ware los van mezelf en zweef meer door de enorme winkel dan dat ik loop. Zo glijd ik lichtvoetig van het ene deel naar het andere.

Ik zie veel te veel. Schappen en schappen vol met make-up en nagellak in té leuke verpakkingen, super de luxe uitziende bodylotions en bodymists en vooral heel veel parfums en eau de toilettes. Ik voel me als een kind in een snoepwinkel. Een gevoel dat nog versterkt wordt door alle snoeperige kleurtjes die ik her en der ontwaar.

Ik besluit systematisch te werk te gaan. Daarom begin ik bij het eerste rek meteen maar in rap tempo aan de diverse parfumflesjes te ruiken. “Déze is zalig”, roep ik naar H. “En moet je díe ruiken, heerlijk gewoon! Of nee, ik geloof dat ik deze nóg lekkerder vind. Die ruikt naar een frisse fruitsmoothie, alsof ik het zo zou kunnen opdrinken!”. In vijf minuten tijd steek ik zoveel geurstrookjes onder zijn neus, dat hij er helemaal confuus van wordt. “Welke was die eerste nou ook al weer?”. De waarheid is dat ik, inmiddels omgeven door een waar slagveld van flesjes, monsters en geurstrookjes, het zelf niet meer weet.

“Het kost allemaal bijna niks, dus ik neem gewoon een stuk of zes verschillende. En…oh! Kijk, als je die drie mini’s er ook bij neemt, krijg je dit enveloptasje cadeau. Té schattig gewoon. Die wil ik wel. Voor hoeveel hebben we nu in de tas zitten? Want als we voor meer dan 100 dollar kopen, krijg je deze übercoole strandtas ook nog voor niks. En de dollar staat al op een historisch dieptepunt, dus…”. H. roept nog in herinnering dat dit mega-voordeel wel meevalt als ik straks op de terugvlucht een boete moet betalen wegens overgewicht, maar dat is nu even tegen dovemansoren gezegd.

Maar wat wil je ook met parfums met namen als Bombshell, Desire of Love Spell Blush? Of wat te denken van Heavenly Summer, Pure Seduction en Pear Glacé? Het zullen niet ’s werelds meest unieke geurtjes zijn, maar ik vind ze zalig en zo kan ik lekker vaak afwisselen.

Omdat de zwarte tas inmiddels nagenoeg niet meer te dragen is, heb ik hem liefdevol overgedragen aan H. Omdat hij mij mijn pleziertjes gunt, draagt hij de zware last zonder te klagen, de schat. Er zit zoveel in dat hij bijna scheef loopt.

We zijn al op weg naar de kassa als ik uit een ooghoek opeens de badmode-afdeling ontwaar. Ik weet niet hoe snel ik daarheen moet draven. De bikini’s, badpakken, pareo’s en bijpassende andere hebbedingetjes zijn helemaal te gek. Begerig trek ik een stuk of vier bikini’s uit een grote la om te gaan passen. Ondertussen prijs ik me gelukkig dat ik nog geen nieuwe in Nederland heb gekocht. Over vooruitziende blik gesproken.

Net op het moment dat ik me om wil draaien om tegen H. te zeggen dat ik nu de bikini’s ga proberen, hoor ik een doffe dreun achter me die meteen wordt gevolgd door gejammer. “Au, au, allemachtig, dat doet pijn!”, hoor ik H. kreunen. Ik kom tot een abrupte stop want dit klinkt toch wel ernstig. “Wat is er in hemelsnaam gebeurd?”, vraag ik. Maar dan zie ik dat hij een bloedende snee heeft ter hoogte van zijn linkerknie. “Ik ben verdomme tegen de scherpe rand van deze uitstekende lade met bikini’s opgelopen”, antwoordt H. verongelijkt. “Welke halve gare laat die ook zo wagenwijd open staan?”.

Ik voel eerst het bloed uit mijn gezicht wegtrekken, waarna het vervolgens in razend tempo terugkeert en ik er hoogstwaarschijnlijk uit zie als een biet met zonnebrand. Ik besluit ter plekke dat het beter is om maar niet op te biechten dat ik in mijn enthousiasme om te gaan passen die la misschien niet helemaal dicht heb gedaan.

De commotie zorgt wel voor extra aandacht, want meteen staat een bloedmooie verkoopster naast H., mét ontsmettingsmiddel, verbandrol en een megapleister. Ze put zich uit in excuses. Ik voel me met de minuut ongemakkelijker. H. laat het zich daarentegen allemaal maar wat graag aanleunen. “We zouden eigenlijk tegen Victoria’s Secret moeten procederen”, zegt H. monter tegen mij, terwijl hij gefascineerd toekijkt hoe zijn knie met Amerikaans gevoel voor drama wordt ingepakt door de Doutzen-meets-Florence Nightingale-lookalike. Hmmm, nu hoor ik ineens niks meer over pijn. “Per slot van rekening zijn we in Amerika en zouden we misschien miljoenen kunnen vangen voor zo’n grove onoplettendheid van het personeel”, vervolgt hij grinnikend. “Ach, weet je”, mompel ik, “misschien kunnen we in plaats daarvan beter vragen of we een parfumflesje voor niks krijgen. Zo erg is je sneetje nou ook weer niet”. Ik hoop vurig dat hij er nu over ophoudt.

Na dit medische intermezzo kom ik dan toch nog aan bij de paskamers. Die zijn een verhaal apart. Om te beginnen zijn ze strictly off limits voor mannen waardoor er een heel speciaal, vertrouwelijk “boudoir”-sfeertje hangt. Daarbij is het vrouwelijk personeel uitermate deskundig, supervriendelijk en behulpzaam. Een ware verademing. Vijf minuten passen en het lijkt wel of je er een nieuwe best friend forever bij hebt. Tenslotte is de term “pashokje” een grove belediging voor de grote, luxueuze wit-roze ruimtes die je van binnenuit op slot kunt draaien voor optimale privacy als je aan het passen bent. Ze zijn uitgerust met een schattige canapé, hoge spiegels aan twee wanden zodat je jezelf ook van achteren kunt aanschouwen (mocht je dat al willen) en – halleluja! – lampen die een flatterend licht afgeven. Zouden alle winkels moeten doen.

Een poosje later kom ik met twee nieuwe aanwinsten de paskamer uit. Nadat we hebben afgerekend en ik inderdaad het enveloptasje én een enige strandtas “voor niks” erbij heb gekregen, lopen we naar buiten. Tot onze verbazing is zowaar al de zwoele schemering van de vroege avond ingevallen.

We zijn ruim twee uur binnen geweest.

© Pascale Bruinen

Hier zie je mijn verzameling. Het is snoeperig, zoet en heel erg roze. Maar voor zo af en toe is dat helemaal niet erg…

Ontmoeting in ziekenhuis

Flashback naar midden jaren negentig. Ik báál. Van mijn dikke zwangere buik die me in de weg zit, van het stil moeten liggen, van de grenzeloze verveling die hoort bij een ziekenhuisopname die al ruim anderhalve week duurt.

In die tien dagen heb ik al verschillende kamergenotes de revue zien passeren. Die gelukkigen zijn inmiddels al weer terug thuis, met hun pasgeboren baby. Ik ben voorlopig nog niet zo ver.

De routine van het ziekenhuis-leven is slaapverwekkend, het gevoel geleefd te worden gigantisch en het gebrek aan privacy stuitend. Om de zoveel tijd komt een dokter je even aan een lichamelijk onderzoek onderwerpen, met in zijn kielzog een hele reeks studenten. Tja, dat zijn nu eenmaal de geneugten van een academisch ziekenhuis. Of hij of zij effe “mag voelen”? Nou nee, liever niet. Zeker niet met al die kwijlende studjes in witte jassen ernaast, die gretig meekijken als ze mijn voeten (die ik inmiddels overigens nog maar zelden kan zien) in ijskoude beugels hijsen. En spreiden maar! Lekker. Zou wel eens muisje willen spelen als ze straks in hun inspiratieloze koffiekamer zitten te ouwebeppen over wat ze nu weer allemaal aan fraais van baarmoedermonden hebben gezien, die van mij incluis.

Denk je ’s nachts van het eindeloze gecontroleer, gefrunnik en gevraag af te zijn, think again. Zelfs mijn nachtrust is niet heilig in het ziekenhuis, getuige het feit dat de verpleegsters op kousenvoeten mijn kamer op komen geslopen om met een mini zaklampje te checken of ik soms niet uit het raam geklommen ben. Toegegeven, ik heb er wel vaker aan gedacht, maar de ramen kunnen helaas niet open. Frisse lucht is inmiddels alleen nog een verre herinnering. Life is boring.

Maar dan. De dag begint eerst nog als alle andere. Ik word gewekt om zeven uur (waarom in godsnaam? Ik ga toch nergens heen de hele dag), getemperatuurd (ook zoiets, je voelt toch zo dat ik niet verhit ben?) en aan de bloeddrukmeter – dezer dagen mijn allerbeste vriend – gelegd. Ook goedemorgen.

Na deze plichtplegingen mag ik mijn gisteren bestelde ontbijtje nuttigen. Ja, ik heb hier élke dag ontbijt op bed. De keuze is of ik een bruin gekleurde kleffe snee brood wil of een witte. Of ik een fletsgeel plastic plakje wat door moet gaan voor kaas wens of een fabrieksmatig gefabriceerd stukje worst. En tot slot, vermag ik lauwe, slappe koffie of heet water met een kleurtje? Hmmm, mag ik daar nog even over nadenken? Nee, het formulier moet met militaire precisie worden ingevuld en tijdig worden ingeleverd, anders krijg ik niks. Hoewel de verleiding soms groot is om dan maar acuut in hongerstaking te gaan, bestel ik iedere keer toch maar braaf. Eten kost immers tijd en zo krijg ik weer twintig héle minuten om.

Na het ontbijt komt de vrijwilligster met de lokale krant, het enige prettige moment van de ochtend. Ik gris hem gretig uit haar handen. Zo, dit neemt me niemand meer af. Hiermee kan ik, als ik maar langzaam genoeg lees, maar liefst 45 minuten doorkomen. Ik ben midden in een artikel over vrouwen boven de 50 die in de kliniek van dr. Severino Antinori via kunstmatige inseminatie toch nog zwanger kunnen worden (ieeeuww, effe niet aan denken!) als ik op de gang het bekende gestommel hoor van een bed op wielen dat wordt voortgeduwd. Het rammelende geluid komt dichterbij. Ik kijk snel op van mijn krant en zie dat het bed míjn kamer komt ingereden.

Oh God, daar zul je De Nieuwe weer hebben, denk ik geërgerd. De Nieuwe is vaak vervelend nieuwsgierig. Ik zal voor de zoveelste keer gevraagd krijgen waarom ik hier lig, wanneer ik ben uitgerekend en of ik soms ook zoveel vocht vasthoud? De Nieuwe betekent ook dat die paar beschikbare stoeltjes voor bezoek weer gedeeld moeten worden, ellenlange stompzinnige telefoongesprekken moeten worden aangehoord en onsmakelijke geluiden vanachter het inderhaast dichtgetrokken gordijn moeten worden ondergaan.

Ik besluit De Nieuwe vanachter mijn krant eerst eens onopvallend gade te slaan. Eerste indruk: ze heeft ongeveer mijn leeftijd, heeft zwart lang haar en ligt niet in het bed maar zit fier rechtop en heeft het hoogste woord. Oh oh. Red Alert. Een druktemaker.

“Hoi, ik ben M. en ben in verwachting van een tweeling. Bij mij zijn de weeën te vroeg begonnen dus ik moet me nu rustig houden”, roept ze lachend bij wijze van begroeting terwijl de verpleegsters haar bed naast dat van mij posteren. “Ha, dat komt mooi uit”, zeg ik, “want ik mag me ook niet inspannen of opwinden anders gaat mijn bloeddruk door het plafond!”. Dit vinden we beiden zo grappig dat we meteen in een deuk liggen.

Binnen een mum van tijd zijn we in een geanimeerd gesprek verzeild geraakt en kletsen we honderduit. En waar denk je dat het over gaat? Juist ja, over onze zwangerschapskwaaltjes, wanneer we uitgerekend zijn en de ellende van een ziekenhuisopname.

Als kamergenoten klikt het zo goed tussen ons dat onze drukke gesprekken, geregeld onderbroken door gierende lachbuien, bij de dokters en verpleegsters al snel tot gefronste wenkbrauwen leiden. “Ze vinden het geloof ik toch niet zo’n goed idee dat ze ons samen hebben gelegd”, fluister ik haar giechelig toe. “Nee, zeker niet. Moet je háár zien kijken!”, antwoordt M. terwijl ze met haar hoofd quasi onopvallend knikt richting de hoofdzuster. En inderdaad, die kijkt allesbehalve happy. Hetgeen weer genoeg is om de slappe lach te krijgen.

“Dames, dames, denken jullie nog aan jullie rust? Misschien moeten jullie eens even een lekker dutje doen”, zegt de hoofdzuster alsof ze het tegen een stelletje onmondige kleuters heeft. Ik proest het bijna uit. Een dutje is zo ongeveer het allerláátste waar M. en ik op zitten te wachten. We liggen goddorie al de hele dag verplicht op bed! Ik voel een bijna puberale rebelsheid opkomen. “Ach, lachen is gezond, nietwaar?”, kan ik niet nalaten nogal provocerend uit te roepen. Zo, daar heeft ze mooi niet van terug. Ze glimlacht minzaam en loopt de kamer uit. “Die heb je mooi weggejaagd!”, schatert M. het uit.

Het mooiste moment van de dag is als onze bloeddruk moet worden gemeten. Niet vanwege deze stomvervelende medische handeling, maar vanwege de jonge, aantrekkelijke verpleger – door ons meteen tot Lekker Ding gedoopt – die dat komt doen. Hee, we mogen dan wel zwanger zijn maar daarom zijn we nog niet blind! Probleem is alleen dat die verdomde bloeddruk flink de hoogte in gaat als we zo liggen te ginnegappen. Dat Lekker Ding vervolgens grapjes met ons maakt, helpt ook al niet want mijn bloeddruk gaat skyhigh. Zelfs zodanig dat het apparaat op tilt slaat en er een of ander alarm af gaat. Tuu-doe-die, tuu-doe-die, tuu-doe-die, loeit het ding door de kamer.

In plaats van dat ik daarvan in de stress schiet, barst ik op dat moment in een onbedaarlijke lachbui uit. Ja, ik weet het, hoogst ongepast en niet echt getuigend van verantwoordelijkheidsbesef. Maar ik kan er niks aan doen, het is ook zó’n komisch gezicht. Lekker Ding komt aangerénd, kijkt ernstig en probeert me vriendelijk doch beslist tot de orde te roepen. En onderwijl gaat dat ding maar tekeer. M. ligt, voor zover ze het nog kan met twee baby’s in haar buik, dubbelgevouwen van het lachen. De tranen lopen haar over de wangen, wat weer tot verdere hilariteit leidt.

Als blijkt dat ik ondanks het krijsende alarm nog leef en hoogstwaarschijnlijk blijf leven, wordt Lekker Ding wat rustiger. Het apparaat wordt gereset en even later is mijn bloeddruk weer tot aanvaardbare proporties gedaald. Qua gezondheid is het dus waarschijnlijk inderdaad geen goed idee dat M. en ik een kamer delen. Heeft die stomme hoofdzuster nog gelijk.

Een paar dagen later komen de weeën bij M. weer opzetten en dit keer laten ze zich niet meer tegenhouden. De tweeling, twee jongetjes, wordt veel te vroeg geboren. Ze liggen in een couveuse en wegen ieder nog geen kilo, maar maken het gelukkig goed. Ze heten J. en D. Verdorie, denk ik, J. had ik ook als naam voor mijn baby op staan, mocht het een jongetje worden.

Zes dagen later beval ik van een gezonde zoon. We besluiten hem toch zoals gepland ook J. te noemen. M. zie ik hierna toch nooit meer, denk ik, dus wat maakt het uit? Al heb ik puur uit fatsoen wel nog even aan haar gevraagd of ze daar bezwaar tegen had, maar nee. Zij zal wel hetzelfde denken.

Wist ik veel dat we niet al te lang hierna beste vriendinnen zouden worden, vlakbij elkaar zouden komen te wonen en dat onze kinderen samen zouden opgroeien?

Waar een ziekenhuisopname toch nog goed voor kan zijn.

© Pascale Bruinen

Ja, zo was het ongeveer. En wat zijn jouw zwangerschaps- en bevallingservaringen? Lekker thuis bevallen bij romantisch kaarslicht? Een kekke onderwaterbevalling gehad? 27 Uur moeten persen? Deel hier jouw bijzondere verhaal.

Survivalkit voor de flexwerker

Net terug van vakantie, hoor ik dat we gaan flexwerken. We mogen nagenoeg niks meer aan persoonlijke spullen op de werkplek hebben. Het devies luidt dus: opruimen! Mijn relaxte post-vakantie staat is in één klap weggevaagd want ik hang nogal aan mijn ditjes en datjes. Sommige nuttig, andere alleen maar leuk en een enkele een combinatie van beide. Ik kijk vertwijfeld naar mijn bureau, kast en de onmiddellijke omgeving daarvan. Dit is wat ik zie aan privé-prullaria:

Twee ingelijste pentekeningen; diverse fotolijstjes met afbeeldingen van mijn kroost toen het nog tanden aan het wisselen was; een imposante verzameling thee- en cup a soupzakjes, mokken, glazen, lepeltjes en een eenpersoons theepot; knutselwerkjes (onder andere een té schattig nep frambozengebakje) en tekeningen van de kids uit het pré-puber tijdperk; een paraplu; een stel hangers; verschillende plastic zakken en stoffen tassen voor als ik boodschappen ga doen; een paar gemakkelijke (platte!) schoenen om in de pauze – verlost van knellende hakken – snel een blokje om te gaan; zo’n bol met nepsneeuw (afdankertje van dochterlief); een stel verjaardagskaarten van drie jaar geleden; een wekkerradio (niet om wakker te blijven maar om eventueel naar de radio te luisteren, wat ik overigens nooit doe); een (plak)spiegel; een gelukspoppetje (cadeau van lieve vriendin); een felgroene verzwaarde zak die fungeert als deurstop; een plant (eentje van het type dat overleeft no matter what); een prent van een Buddhahoofd (bedoeld om zen te blijven wat overigens meer niet dan wel lukt) en een afbeelding van een lachende vrouw en man die onder het genot van een glas rode wijn gezellig in de openlucht aan het tafelen zijn (gevisualiseerd levensmotto van een dierbare vriendin die het werkje passend heeft betiteld als “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij”. Nu dit toevallig ook mijn levensmotto zou kunnen zijn, kijk ik daar altijd naar als ik een mental boost nodig heb. Zoals, euh, nu).

Mijn brein doet een heldhaftige poging om te gaan werken maar raakt al snel overbelast, gewend als het de laatste drie weken is geraakt aan dolce far niente. Eerst maar eens koffie, denk ik, dan opruimen. De massa e-mails in mijn in-box en stapels door te ploegen dossiers moeten dan nog maar even wachten.

Gewapend met een cappuccino uit de automaat, die overigens in niets laat denken aan het gelijknamige drankje waarvan ik in Italië heb genoten, keer ik terug op mijn kamer. Ik adem eens diep in, neem een van mijn plastic zakken ter hand (zie je, komt nu toch goed van pas!) en donder daar, met pijn in mijn hart, zoveel als maar kan aan spulletjes in. Met uitzondering van mijn thee- en soepzakjes (dorst en honger is niet goed voor de productie), mijn plakspiegel (ik wil niet rondlopen met lippenstift op mijn tanden en ik krijg hem toch niet meer van de muur af), mijn gelukspoppetje (wie weet wat er gebeurt als ik het weghaal) en afbeelding van “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij” (het oog wil ook wat). Daar moet ik dus nog iets op verzinnen.

Ik kijk, nadat ik drie zakken tjokvol heb gestouwd, tevreden om me heen. Hee, ik kan de vensterbank weer zien! En de ruimte ziet er navenant groter uit nadat ik een onwaarschijnlijke hoeveelheid post-its, briefjes, memo’s en een enkel vergeeld krantenartikel van de muur getrokken heb. Ik voel me verlost, gelouterd, bevrijd.

Maar daarmee ben ik er nog niet. Want in plaats van in totaal anderhalve (hoge) kast in beslag te mogen nemen, krijg ik vanaf nu maximaal twee planken toegewezen. Twee planken. Dat wordt een uitdaging. Ik laat mijn ogen gaan over de onafzienbare rij ordners die ik in de loop der tijden verzameld heb. In het overgrote deel ervan werp ik nooit een blik, laat staan dat ik er iets mee doe. Hoogste tijd dus voor rigoureuze actie. Mijn methode? Ik blader ze vluchtig even door, schrik me kapot van de inhoud die soms terug blijkt te gaan tot rond de millenniumwisseling om vervolgens het hele zwikje met een voldaan gevoel in de papierversnipperaar te gooien. Zó, dat lucht op. Na een uur heb ik zowaar drie kwart van een hele kast weggewerkt. Maar dat komt omdat ik na de eerste tien minuten besluit het vluchtig doorbladeren over te slaan en de inhoud ongezien weg te smijten in de rotsvaste veronderstelling dat ik het toch niet zal missen.

Blijft het probleem dat ik binnenkort geacht word aan eender welk bureau te kunnen werken, terwijl ik toch wat aan eigen spulletjes en gezelligheid wil behouden. Ineens heb ik een ingeving. Ik moet gewoon zo’n zeil hebben met daaraan op iedere hoek een touw, zoals die verkopers van neptassen- en zonnebrillen. Iedere ochtend spreid ik dan dat zeil uit over mijn “bureau van de dag” en arrangeer mijn privé-spulletjes erop. Aan de flexmuur pin ik mijn “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij”, mijn gelukspoppetje hang ik over mijn leeslamp en mijn plant posteer ik naast het computerscherm. All set! Zodra ik uitgewerkt ben, trek ik aan de vier touwtjes zodat mijn spullen in één handige beweging samengepakt worden in een soort van pungel en ik vertrek. Ideaal!

Een survivalkit voor de flexwerker.

© Pascale Bruinen

En dit is ‘m dan, “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij”, die niet mag ontbreken op mijn flexwerkplek. Één blik op deze afbeelding en je weet waarom.