Afspraken maken op zijn pubers

Sinds enige tijd is bij ons in huis chaos troef. Er valt namelijk geen peil te trekken op wat er nou precies door mijn twee pubers wel of niet is afgesproken en met wie en wanneer. Dat maakt het nogal lastig om huishoudelijke aangelegenheden te plannen. Met name erachter komen wie ’s avonds mee zal/zullen eten is de laatste tijd een schier ondoenlijke klus.

Vorige week spande de kroon. Rond een uur of 16.00 ’s middags deelt mijn dochter ineens mee dat een vriendin zal komen meeëten. Prima, gezellig, maar dan toch nog maar even snel naar de winkel om een extra portie vlees te halen. Ik ben nog niet terug of ze komt mij vertellen dat de vriendin toch niet komt. Zij eet zelf wel gewoon hier.

Niks aan de hand, dat ene extra stuk vlees gaat toch wel op, denk ik terwijl ik mij achter het fornuis posteer. Intussen krijg ik een sms-je van zoonlief met daarin welgeteld vier woorden: “Eet bij opa oma”. Nou, dat schiet lekker op want de vijf flinke stukken vlees liggen al te sudderen in de pan.

Plotseling duikt dochter op in de keuken en kondigt doodleuk aan dat ze net afgesproken heeft om bij die vriendin te gaan eten. Omdat ze aan mijn gezicht ziet dat ik inmiddels niet meer in al te beste stemming ben, verdwijnt ze naar boven voordat ik mijn mond kan opentrekken.

“Mooie boel is dat”, mopper ik verongelijkt, “nu moeten we zeker met zijn tweeën die vijf stukken vlees gaan verorberen?” Terwijl ik nu niet alleen uitwendig maar ook inwendig kook, komt H. thuis. “We eten vanavond met zijn tweeën, nadat we eerst respectievelijk met zijn vijven, vieren en drieën zouden hebben gedineerd”, deel ik hem cryptisch mee.

Net als we willen gaan eten komt dochter binnen en gaat, alsof het de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld is, aan de (voor haar niet gedekte) tafel zitten. H. en ik kijken haar aan alsof we water zien branden. “Je zou toch bij die vriendin eten”? “Oh, dat. Dat gaat niet door. Ik eet gewoon mee”.

Murw geslagen door deze zoveelste wijziging in de plannen weet ik niks beters te doen dan op de automatische piloot over te schakelen en haar het eten voor te schotelen. “Waarom heb ik zoveel vlees op mijn bord? Dat krijg ik echt niet op, hoor!!” roept ze, niet gehinderd door ook maar enig inlevingsvermogen. Op dat moment moet ik mijn uiterste best doen om het bord met sudderlapjes niet in de vuilnisbak te kieperen.

Voor nu laat ik het maar bij het zo kalm mogelijk uitgesproken antwoord dat ze het mag laten liggen. En ondertussen hoop ik voor de zoveelste keer dat het einde van de (tijdelijke?) kortsluiting in de hersenhelften van mijn pubers nabij is.

In ieders belang.

© Pascale Bruinen

Zijn jullie ook in de gelukkige omstandigheid pubers in huis te hebben die van het een op het andere moment weer iets geheel anders gaan doen dan net was afgesproken? Ik heb namelijk zo’n donkerbruin vermoeden dat dit voor velen van jullie heel herkenbaar is. Troost ons met jouw verhalen!

Het recht om fouten te maken (3)

Iedere rechtgeaarde ouder wil het beste voor zijn kinderen. Ik ben daarop geen uitzondering. Hoe je daaraan invulling geeft, is afhankelijk van je eigen referentiekader. Dat wordt op zijn beurt bepaald door hoe je zelf bent opgevoed, je normen en waarden, omgevingsfactoren en wat al niet meer.

Toen mijn pubers hun middelbare schooltijd heel anders bleken in te vullen dan hoe ik dat vroeger had gedaan, was ik in eerste instantie in shock. Zij vonden leren namelijk niet hun eerste prioriteit terwijl dat voor mij altijd vanzelfsprekend was geweest. Toen dit echt tot me doordrong, deed ik waar ik van nature goed in ben: ik ging in de oplosstand.

Ik bood ze mijn hulp, tijd en een luisterend oor aan. Gaf (vooral ongevraagd) tips en adviezen over het maken van schema’s voor proefwerkweken zodat ze tijdig alle stof konden verwerken. Drukte ze op het hart dat ze altijd met mij konden sparren als ze ergens niet uitkwamen (behalve met de B-vakken want dan zou ik ze van de regen in de drup helpen). En ik controleerde met meer ijver als de gemiddelde parkeerwachter of ze hun huiswerk wel maakten, opdrachten op tijd inleverden en voldoende voorbereid naar hun proefwerken gingen. Of liever gezegd: ik probeerde het maar dat was al snel een mission impossible.

In het begin praatte ik vooral tegen ze totdat ze allebei glazig uit hun ogen keken (mental note: inmiddels weet ik dat dit bij pubers gelijk staat aan pedagogische harakiri). Ik denk achteraf dat ik tijdens hun middelbare schooltijd langer gepreekt heb dan welke Amerikaanse tv-dominee ook.

Toen dit niet hielp (goh, gek hè?) bedacht ik ingewikkelde beloningssystemen waar het punten sparen van supermarkten nog bij verbleekt. Een soort van opvoedkundige airmiles maar dan zonder pasje. Nodeloos te zeggen dat dit niet werkte, evenmin als straffen (niet naar de voetbaltraining, niet de stad in, gsm/laptop inleveren: been there, done that) en op hun (niet bestaand?) schuldgevoel proberen te werken. Als ik uiteindelijk zó moe was dat ik me als een murw gebeukte bokser in de ring voelde, verlaagde ik me af en toe zelfs tot iets wat verdacht veel op smeken en omkoping leek.

Maar wat ik ook deed of liet, het leek hoegenaamd geen verschil te maken. OK, soms veroorzaakte mijn ingreep een opleving, maar die was altijd zeer tijdelijk. Wat ik écht wilde – dat ze plotsklaps het licht zouden zien en van binnenuit het Grote Studie Belang zouden voelen – gebeurde echter nooit.

Toen ik in hun eindexamenjaar, aan het einde van mijn Latijn gekomen, met lede ogen zag hoe ze allebei ervoor stonden (mijn dochter zou er heel hard aan moeten gaan trekken en bij mijn zoon was het zo goed als hopeloos), was dat voor mij – eindelijk! – een eyeopener. Al die moeite, al die energie, al die stress en frustratie. En waarvoor eigenlijk?

Het besef dat dit het allemaal niet waard was, drong toen in volle hevigheid tot me door. Het ergste dat kon gebeuren, was immers dat ze niet zouden slagen. Nou en? Dan deden ze er maar een jaartje langer over. En toen gebeurde het. Ik bevrijdde mezelf uit de grip van de angst om hun toekomstbeeld en liet het los.

Achteraf zie ik heel scherp dat ik me destijds te zeer persoonlijk verantwoordelijk voelde   – en daarmee dus ook máákte – voor hun beider levensgeluk. Maar de crux is nu juist dat een ieder zélf verantwoordelijk is voor zijn leven en dus ook voor zijn geluk. Want volgens de Amerikaanse schrijfster Joan Didion werkt dit zo: “Character – the willingness to accept responsibility for one’s own life – is the source from which self-respect springs“. En zelfrespect is een van de beste wegen naar een betekenisvol en gelukkig bestaan.

Als ouders moet je die verantwoordelijkheid dus daar neerleggen waar die thuishoort en dat is bij je opgroeiende/studerende kinderen. Uiteraard geldt daarvoor dat ze op een leeftijd moeten zijn waarop ze kunnen overzien wat ze aan keuzes hebben. Als ouders kun je ze vervolgens (gevraagd en ongevraagd) in die keuzes adviseren maar kiezen doen ze uiteindelijk zelf. Bij die keuzevrijheid hoort dat ze ook de consequenties van die keuzes moeten accepteren.

Terugkijkend snap ik wel waar die bemoeizucht bij mij vandaan kwam. Ik had van thuis uit heel sterk de boodschap meegekregen dat levensgeluk met name voortkomt uit een gedegen opleiding en dito baan. Ook de hele Westerse cultuur draagt dit beeld uit. In mijn hoofd zong dus de mantra: zouden mijn bloedjes van kinderen niet slagen in hun schoolcarrière, dan zouden ze nooit een fatsoenlijk bestaan kunnen opbouwen en dús ook nooit het geluk kunnen vinden. Dat is zo’n beetje het allerlaatste dat je als moeder voor je kroost wilt. En voilà, de controledrift is geboren.

Inmiddels weet ik echter dat dit beeld slechts ten dele waar is. Natuurlijk, een goede opleiding en baan zijn belangrijk en kunnen zeker bijdragen aan een prettig en relatief onbezorgd leven Maar om gelukkig te kunnen worden gaat het ook en vooral om dat je iets gaat doen waarvan je ogen gaan twinkelen omdat je jezelf kunt zijn en al je talenten kunt ontplooien. Of, om in de woorden van de Amerikaanse auteur, filosoof en voorvechter van burgerrechten Howard Thurman te spreken: “Don’t ask yourself what the world needs. Ask yourself what makes you come alive and then go do that. Because what the world needs is people who have come alive.”

Inmiddels hebben mijn kinderen (die toen wonderwel allebei geslaagd zijn voor hun eindexamens) hun draai gevonden in hun vervolgstudies, al zou ik geen garanties durven geven dat dit zo blijft. Maar om me heen zie ik nu veel mensen, ook personen die me heel dierbaar zijn, met soortgelijke problemen worstelen. Ze hebben kinderen met een goed verstand die niet (meer) willen leren, stoppen met hun studie en/of niet weten wat ze willen. Ik zie de vertwijfeling en pijn in hun ogen, ik voel hun onmacht. En ik zie ze in precies dezelfde val trappen waar ik jarenlang in heb gezeten. Ze gaan in de “doe-stand” en raken in een mum van tijd in overdrive, als ze met de moed der wanhoop proberen om bij te sturen, te corrigeren of te motiveren.

Tegen al die bezorgde ouders die het zo graag goed doen zou ik maar één ding willen zeggen: laat – het – los. Het gaat toch zoals het gaat. Als jij de verantwoordelijkheid daar legt waar die thuishoort, kun je eindelijk ontspannen en hou jij er in ieder geval geen maagzweer, echtscheiding of overspannenheid aan over.

En mocht je ondanks alles toch nog twijfelen of dit wel de goede weg is, kan het volgende misschien de doorslag geven: door je te blijven bemoeien ontneem je je kroost het recht om fouten te maken. Ja, je leest het goed; het recht om fouten te maken. Het is een reflex van iedere ouder om zijn kind te willen behoeden voor het maken van fouten. Maar door dit stelselmatig te doen, blokkeer je juist die uiterst waardevolle leermomenten.  Enige uitzondering hierop is als het gaat over gevaarlijke of ongezonde situaties, dan moet je als ouder uiteraard ingrijpen. Maar voor al de rest geldt: laat – het – los.

Ik heb nu wel eens spijt dat ik dit niet eerder heb ingezien.

Maar soms is de meest oncomfortabele les de leerzaamste.

© Pascale Bruinen

d8b5670fd0a1d3713dce152218ddcf88

De Sandwichgeneratie (1)

Help! Ik word geplet tussen mijn verantwoordelijkheden. Enerzijds voor mijn jongvolwassen kinderen en anderzijds voor mijn moeder op leeftijd. Alledrie benodigen ze zorg, aandacht en liefde.

In mijn levensfase, (nipt!) 50 plus, hoort het er kennelijk bij om voortdurend in deze  ongemakkelijke, soms zelfs pijnlijke spagaat te verkeren. Want net als je denkt dat je het ergste puberleed wel gehad hebt en eindelijk meer quality time voor jezelf krijgt, breekt de tijd aan dat je ouders steeds minder zelfstandig kunnen.

Wij zijn de sandwichgeneratie, volgens http://www.encyclo.nl de “generatie van mensen tussen de 40 en de 60 jaar die ingeklemd zit tussen opgroeiende kinderen en ouders die gaan kwakkelen”.

Voorwaar geen sinecure als je bedenkt dat daarnaast juist door deze 40- tot 60-jarigen vaak ook nog buitenshuis moet worden gewerkt (soms met een behoorlijke stressbaan) en binnenshuis moet worden gepoetst, gewassen en gekookt. En, o ja, je wilt ook nog leuke dingen doen met je lief, op vakantie gaan (liefst meerdere keren per jaar), je sociale contacten onderhouden (al was het maar om steen en been te klagen over alles wat op je bordje ligt want waar zijn al die vriendinnen anders voor) en zeker twee maar liever nog drie keer per week naar de sportschool.

Want je mag dan wel ingeklemd zitten, dat betekent nog niet dat je ook nog overgewicht, een conditie van een 100-jarige of van die blubberarmen wilt hebben. Je zult toch maar net die ene knappe vrijwilliger van onder de veertig in het verzorgingshuis tegen het mooie lijf lopen,  je hoogbejaarde vader begeleiden naar die jonge, zeer appetijtelijke geriater of met je moeder meegaan naar het incontinentiespreekuur van die sexy uroloog. Dan wil je zelf toch zo fit, slank en strak mogelijk voor de dag komen (al heb je wel het voordeel dat je dit al snel lijkt naast iemand die minimaal twintig jaar ouder is).

Als trots lid van de sandwichgeneratie blus ik het ene moment het zoveelste puberbrandje om het volgende ogenblik met groot materieel uit te rukken voor een crisissituatie bij mijn moeder op leeftijd want haar iPad “doet weer zo raar”.

De laatste jaren zijn H. en ik onder andere ingezet als respectievelijk koerier (hoogstpersoonlijk een belangrijke brief afgeven bij de gemeente uit angst dat die anders niet op de juiste plek zou aankomen), klusjesman (de slang van de verplaatsbare airco was er uit gevallen), en bezorgservice (boodschappen en medicijnen afleveren aan huis).

Een paar jaar geleden zijn mijn ouders verhuisd naar een mooi appartement in een verzorgingshuis. Als rechtgeaarde sandwichers moesten H. en ik uiteraard ook ons steentje hieraan bijdragen.

De organisatie rondom hun verhuizing was grofweg vergelijkbaar met die van de onlangs in Nederland gehouden internationale nucleaire top NSS. Maanden van tevoren werd begonnen met de voorbereiding. Dat wil zeggen: mijn vader deelde aan iedereen orders uit die stelselmatig werden genegeerd en mijn moeder keek vooral veel en vaak met een vertwijfelde blik om zich heen naar alles wat (vooral door haar) in de loop van járen was verzameld.

Zo had de garage van mijn ouderlijk huis meer weg van een lokale vestiging van de Mediamarkt door alle overbodige en overtollige elektrische apparaten die daar bij elkaar op ettelijke planken stonden te verstoffen. Dat wafelijzer van de reclame waarmee geen enkele van die zoete lekkernijen was gebakken. Die must have krulset die nooit was ontmaagd. Of de vijfde grill die nimmer daglicht heeft mogen aanschouwen.

Maar het ergste waren de kleren, schoenen, tassen, sjaaltjes en kilo’s sieraden (helaas niet van edelmetalen) van mama (je ziet, ik heb het van geen vreemde). Op een dag ga ik als dochter annex verhuizer annex sandwicher mama helpen om orde in deze chaos te scheppen. Dit met het idee dat het wiskundig onmogelijk is om alles mee te nemen naar haar volgende woning. Om te voorkomen dat we veel te veel gaan verhuizen alleen maar om het straks in het nieuwe appartement te moeten wegdoen, ben ik aangetreden.

Staand temidden van een onoverzienbare stapel winterjassen wijs ik haar streng doch rechtvaardig op het gegeven dat zeker een op de vier stuks (eigenlijk drie op de vier maar ja, het is je moeder hè?) weg moet. Ik zie dat ze van deze mededeling in shock is.

“Ja maar die heb ik nodig voor als het echt koud is. En deze, die doe ik niet weg. Nooit!”

Ik, hoopvol wijzend op een andere jas: “Maar die is toch niet meer zo leuk, nietwaar? Die doen we in de doos voor de kledingbak”.

“Nééééé…..! Die zéker niet!”. Om hem vervolgens, net als de zeven andere, liefdevol in te pakken in de verhuisdoos.

Nodeloos te zeggen dat dit met al de rest van de spullen ook zo is gegaan, mijn ferme taal ten spijt. En zo komt het dat op het einde van D-Day, de dag van hun verhuizing, niemand in hun mooie nieuwe appartement zich meer voor- of achteruit kan bewegen tussen de overal tot aan het plafond opgestapelde verhuisdozen.

Ik weet het, ik weet het, ik ben een watje. Ik mag dan wel officier van justitie zijn die nota bene de respectabele leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt, maar in aanwezigheid van mijn moeder voel ik me in no time weer een kleuter van vijf.

Ik zie het maar als gratis regressietherapie.

© Pascale Bruinen

sandwichgeneratie (1) 2e

Slakken en zagen

In de tijd dat mijn pubers nog moeten gaan blokken voor hun eindexamen, is dochter een keer opmerkelijk spraakzaam bij het avondeten. Het gespreksonderwerp?  De slaag/zakregeling.

De normen zijn behoorlijk aangescherpt. Tijdens de ouder-informatieavond zagen we dan ook wit om de neus toen ons op dreigende toon werd voorgehouden dat het écht véél moeilijker zou worden om dat felbegeerde diploma te bemachtigen. Wat nog ten overvloede werd gestaafd met het naast elkaar leggen van twee exact dezelfde puntenlijsten. Waar de kandidaat eerder nog geslaagd zou zijn, zou deze volgens de nieuwe normering zakken als de spreekwoordelijke baksteen. Het was genoeg informatie om me zowat te verslikken in de slappe koffie (hoe kon ik toen ook weten dat wonderen nog echt bestaan en ze het beiden zouden halen?).

Dochter meldt al etende terloops dat ze een tegenvallend punt heeft gehaald voor een Kleine Praktische Opdracht. En dat uitgerekend bij biologie, waar ze toch al niet een kei in is.

“Goh, wat jammer”,  zeg ik, “want daar kun je zelfs ieder tiende punt extra goed gebruiken”.

“Nou, een tiende punt zal echt niks uitmaken, hoor”, spreekt ze tegen, terwijl ze de spaghetti geroutineerd om haar vork draait.

Nu is het mijn beurt om te sputteren tegen zoveel eigenwijsheid.

“Tuurlijk wel”, antwoord ik, “één tiende punt kan straks het verschil maken tussen slakken en zagen”. Of het nou aan de spaghetti ligt die ik net op dat moment mijn keel in laat glijden of dat er een kortsluiting in mijn hersenpan optreedt, de woorden komen er in ieder geval verkeerd uit.

Dochter schatert het uit. “Slakken en zagen! Slakken en zagen, ha ha ha!”. Haar lach werkt aanstekelijk, want ook ik kom niet meer bij als ik me realiseer dat mijn verspreking een nogal merkwaardig beeld oproept.

“Zie je het al voor je”, breng ik met moeite uit tussen de gierende lachbuien door, “zo’n slijmerige beestjes die druk aan het zagen zijn?” Van de weeromstuit heb ik ook nog de hik gekregen, hetgeen dochterlief zó hard doet lachen dat ik even vrees dat ze stikt in haar spaghettislierten.

Maar ze herpakt zich en begint doodleuk over doorligwonden.

“Doorligwonden? Hoe kom je daar nu weer bij? Lekker, we zijn aan het eten hoor. Kun je het daar niet een ander keertje over hebben?”

Maar ze heeft het net op school gehad en moet haar ei kwijt. Terwijl ze gloedvol feitjes opdist over decubitus, zoals deze nogal onsmakelijke aandoening in medisch jargon heet, kijkt haar broer haar met stijgende verbazing en – zie ik het goed? – iets van stiekeme bewondering aan. Maar zo snel als de blik komt opzetten, is die ook weer verdwenen.

“Als jij ’s morgens nóg langer in bed blijft liggen, krijg jij straks ook decubitus!”, roept hij over de tafel heen, onderwijl zijn bord nog eens rijkelijk opscheppend. Haar uitslaapgewoonten komen zo ineens in een heel ander daglicht te staan.

Dochterlief laat zich echter voor één keer niet provoceren en stapt alweer moeiteloos op het volgende onderwerp over.

“Weet je trouwens dat hier geesten in huis zitten? Ik weet het zeker!”, zegt ze schijnbaar onbezorgd als ze de parmezaanse kaas voor de tweede keer boven haar bord raspt.

Geamuseerd kijk ik haar aan.

“Geesten? Hoe dat zo?”, vraag ik grinnikend.

“Nou, laatst was ik alleen thuis en toen hoorde ik ineens dat de TomTom vanzelf begon te praten. “Rechtsaf slaan!”, riep dat ding zomaar. Er was niemand in de buurt, hoor!”, voegt ze er enigszins gepikeerd aan toe als ze mijn opgetrokken wenkbrauwen ziet.

“Oh, dát. Dat gebeurt als wij de TomTom insteken om op te laden. Als die de satellieten gevonden heeft, kan het wel eens zijn dat hij alvast begint met de route uit te kramen. Dus als jij dacht dat dit geesten waren die alvast de weg wilden uitstippelen, moet ik je helaas teleurstellen”. Ik hou m’n gezicht nog net in de plooi.

“Oh. Ok dan. Was lekker. Doei!”. En weg is ze, naar boven toe. Het onderwerp heeft zijn aantrekkingskracht al weer verloren.

Een korte aandachtsspanne kan soms zo z’n voordelen hebben.

© Pascale Bruinen

slakken

zaag

Bij gebrek aan plaatjes van zagende slakken, dit keer twee aparte foto’s.

Watskeburt?

Met het bereiken van respectievelijk de achttien plus en negentieneneenhalf-jarige leeftijd zijn mijn kids, in ieder geval toch officieel, eindelijk gearriveerd bij de jaren des verstands. Althans, dat hoop ik.

In hun pubertijd die – nipt – achter me ligt, waren ze altijd zo met zich zelf bezig dat het vaker leek alsof ik een hotel runde in plaats van een gezin. Wel ultra platinum all-inclusive, natuurlijk. Dus met drie voedzame maaltijden per dag, schier ongelimiteerde snacks en allerhande activiteiten (gratis wifi!!!) bij de prijs inbegrepen.

De pubergast kwam doorgaans alleen naar beneden als hij of zij gelaafd en gespijsd wenste te worden, maar daarbuiten liep ik – soms letterlijk – tegen een gesloten kamerdeur aan.

Nu had ik wel altijd gedacht dat ze me zeker te hulp zouden schieten als er een keertje iets vervelends in huis met me zou gebeuren. Zoals laatst.

Ik ben me boven aan het haasten om op tijd op een afspraak te komen. Ik probeer mijn horloge om te doen terwijl ik met twee treden tegelijk de trap af wil rennen. Nou kan ik inderdaad vaak twee of soms wel drie dingen tegelijkertijd doen, maar dit huzarenstukje lukt me niet. Want ik struikel prompt over mijn eigen voeten, zodat ik met een daverend “boem-boem-boem” vanaf ongeveer halverwege de resterende traptreden af dónder in plaats van loop.

Ik maak een flinke smak maar heb gelukkig niks gebroken of anderszins beschadigd. Wel ben ik me kapot geschrokken en sta ik onder in de hal nog wat onwennig na te trillen.

Verwachtingsvol bedenk ik wie van beiden, mijn zoon of dochter die gelukkig allebei thuis zijn, nu ieder moment gek van bezorgdheid to the rescue komt. Maar al wat ik zie, er komt geen nageslacht met gezwinde spoed naar beneden.

Vanaf een afstandje hoor ik mijn dochter iets vaags roepen dat klinkt als “Watskeburt?” Oh niks, hoor, ik heb alleen zojuist bijna mijn nek gebroken. Maar ga gerust verder met je haren in model te brengen.

Als ik uiteindelijk met nauwelijks verholen sarcasme bozig terugroep dat ik alleen maar van de trap ben gevallen, valt er even een hoopvolle stilte. Ik ga er van uit dat ze na deze schokkende mededeling haar deur opengooit en naar beneden snelt, vol als ze is van liefdevolle ongerustheid. Maar even later hoor ik enkel een vrolijk: “Oké!”. Ja, jij ook bedankt.

Van mijn zoon hoef ik ook al niks te verwachten. Die is zo druk en luidruchtig bezig met het maken van het ultieme muzieknummer dat hij helemaal niks kán hebben gehoord van mijn  potentieel fatale valpartij, al zou hij het willen.

Ik zou úren gewond onderaan de trap hebben kunnen liggen.

Of in ieder geval toch tot het moment dat mijn hotelgasten tevergeefs zouden hebben gebeld voor roomservice.

© Pascale Bruinen

watskeburt

Ook zo’n pubers in huis (gehad)? Deel dan hier je lief en/of leed!

GSM

Met de gsm’s van mijn zoon en dochter is iets vreemds aan de hand. Die blijken namelijk frequent niet bereikbaar te zijn. Maar alleen als ík ze wil bellen of sms-en.

Vroeger, in hun pré-abonnemententijd, stond GSM bij mijn kroost normaliter voor “Geen Saldo Meer”. Als ultieme smoes om me niet te woord te hoeven staan. Nu ze ieder een abonnement hebben betekent GSM zoiets als “Ga Snel Moven”. Alles om maar zo gauw mogelijk van me af te zijn.

Dit gaat als volgt. Ik (in mijn rol als bezorgde moeder die op punt van vertrek staande puber nog snel naroept): “Op tijd thuis komen en zorg dat je bereikbaar bent als ik je wil spreken!”

Puber (zoon of dochter, dat maakt in dit voorbeeld niks uit) is al zo goed als buiten en mompelt in het gunstigste geval “Hmm”, meestal expres gevolgd door iets onverstaanbaars om zich daarna met versnelde pas uit de voeten te maken.

Die keren dat ik ze dan wel eens bel, hoor ik geregeld het irritante “toe-doe-die”-geluidje, gevolgd door de dito vrouwenstem die vergenoegd meldt dat het nummer dat ik probeer te bellen op dit moment niet bereikbaar is en uitgeschakeld kan zijn. Uitgeschakeld! Há! Dát kan het nooit zijn, althans niet uit vrije wil.

Een tijdje geleden. Ik ben mijn oplader kwijt. Ik weet zeker dat ik hem op de gebruikelijke plaats heb neergelegd maar daar ligt hij niet meer. Omdat zoonlief zich onlangs nog heeft laten ontvallen dat zijn oplader stuk is (en nee, hij heeft geen idee waardoor), krijg ik ineens het donkerbruine vermoeden dat hij die wel eens “geleend” kan hebben. Uiteraard zonder eerst even aan mij te vragen. En inderdaad, tussen de schriften, boeken, pennen en cd-roms die kris kras door elkaar op zijn bureau liggen, ligt ook mijn oplader. Desondanks weet hij het klaar te spelen dat zijn gsm – en dan bij voorkeur op cruciale momenten – zo leeg is als de Griekse staatskas.

Zoiets doet me knarsetanden.

Puberdochter maakt het op een andere manier te bont. Zij let doorgaans juist als een havik erop dat haar gsm altijd opgeladen is. Het probleem is alleen dat zij een van de enige personen in Nederland moet zijn die om de haverklap geen bereik heeft. Maar uitsluitend daar waar het contact met het thuisfront betreft. Want met haar vriendinnen heeft ze daar hoegenaamd nooit last van. Maar die stellen dan ook geen vervelende vragen en zeuren haar evenmin aan de kop met bemoeizuchtige opvoeddingetjes.

Als ik haar zeg dat ik een column over dit heikele onderwerp in voorbereiding heb, haast ze zich te benadrukken dat zij míj nu juist nóóit aan de telefoon krijgt als ze me nodig heeft.  Die nood van haar moet overigens niet met een korrel maar met een heel pak zout genomen worden want die keren dat ik word gebeld gaat het slechts over twee dingen: haar geld is op en/of ze wil een lift van van A naar B. Liefst pronto.

Soms bekruipt me ook wel eens het aan paranoia grenzend gevoel dat ze mij gewoon wegdrukt als ik inbel. Met name als ik dan een staccato-sms verstuur die qua tekst niks te raden over laat (“neem NU op!!!”) en haar meteen erna wel aan de telefoon krijg. Ra ra hoe kan dat?

Haar verklaringen zijn even onwaarschijnlijk als uiteenlopend. Zoals daar zijn: “Ik had de telefoon even ergens anders neergelegd” (yeah right, ze zou nog liever een arm of een been missen dan haar mobiel); “Ik heb de telefoon niet gehoord” (onmogelijk daar ze zowat fysiek vergroeid is met het ding) of (wat mij betreft de allermooiste): “Ik zag wel een nummer in het display maar het was anoniem dus ik dacht, neem maar niet op” (de enige die met een anoniem nummer bij haar inbelt, nee correctie, de enige die haar überhaupt belt, ben ik!).

Want iemand bellen is iets voor fossielen uit het stenen tijdperk.

Zoals ik.

© Pascale Bruinen

Je herkent dit vast wel als je zelf pubers in huis hebt. Maar misschien dat volwassenen er ook wat van kunnen. Dus laat je reacties de vrije loop!

Tijdelijk gesloten wegens verbouwing

Wie pubers thuis heeft, zal beamen dat zij vaak in een omgedraaide wereld lijken te leven. Logica is ver te zoeken; wat vroeger heel gewoon was, is nu off limits en de enigen die hun onsamenhangende verhalen begrijpelijk vinden, zijn zij zelf. Ik betrap me erop dat ik een paar keer per dag zo’n moment heb dat ik niet weet wie er nu gek is, mijn puber of ik. We zitten niet op verschillende planeten maar in compleet andere melkwegstelsels.

De reden voor al dit fraais? Hun brein is tijdelijk gesloten wegens verbouwing en wel eentje die in het ergste geval zo’n dikke zes, zeven jaar kan duren. Zo creëer je meteen een nieuw programma. Wat te denken van “Help, mijn puber is klusser!”, “Van probleemgeval tot droompuber” of “Red mijn puberverbouwing”? Aan inspiratie geen gebrek. Ik hoef alleen maar om me heen te kijken, goed te luisteren en iedere puberale oprisping meteen op te schrijven om zo een paar scènes te hebben.

Scène 1: dochterlief werkt als vakkenvuller en vertelt over de man die de baas is over de vulploeg.

Ik: “Is dat een jonge man?”

Dochter: “Nee”.

Ik: “Hoe oud is hij dan?”

Dochter: “In de twintig”.

En bedankt.

Scène 2: ik heb een discussie met dochterlief over hoe lang je ballerina’s door kunt  dragen.

Ik: “Dan doe je als het kouder wordt toch een pantykousje in je ballerina’s?”

Dochter: “Nee, dat wil ik niet, die zijn glanzend”.

Ik: “Niet altijd, die zijn er ook in mat”.

Dochter: “Mat is ook glanzend”.

Tja.

Scène 3: zoon reageert op opmerking dochter die meldt dat ze blokuren heeft waarbij ze hetzelfde vak twee uur achter elkaar in hetzelfde lokaal heeft.

Zoon: “Het is veel chiller om verschillende vakken achter mekaar te hebben”.

Ik: “Hoezo?”

Zoon: “Als je van les wisselt, wissel je tenminste van lokaal en zijn zo al tien minuten om!”

Ik: “Dan zijn er nog steeds 40 minuten over”.

Zoon: “Maar niet als je tegen het einde ook nog even naar de WC gaat!”.

Tegen zoveel naakte ambitie kan ik niet op.

Los van dit soort hoogstaande dialogen moet er ook nog opgevoed worden. Zodra ik een dappere poging daartoe doe, word ik de laatste tijd door mijn pubers steevast ge-eyeballed.  Oftewel de ogen worden – half geloken – dramatisch ten hemel geslagen als non-verbaal teken dat ik totale bullshit uitkraam. Als ze tenminste niet al schouderophalend de kamer hebben verlaten midden in een van mijn preken. En ja, natúúrlijk laat ik ze onmiddellijk terugkomen en hef ik mijn “Jij-loopt-niet-weg-als-ik-tegen-je-praat”-speech aan. Compleet met priemende wijsvinger. En ja, uiteráárd horen ze dit totaal ongeïnteresseerd aan omdat ze ieder woord zelf al uitspreken nog voordat ík het heb kunnen zeggen.

Bijzonder knap is dat pubers, ondanks hun interne verbouwing, het multi-tasken toch tot kunst hebben weten te verheffen. Zo vindt mijn zoon de ultieme ontspanning door te laptoppen met de muziek aan terwijl achter hem (!) de tv loeit. Of doet mijn dochter met één hand mascara op terwijl ze met de andere hand blind een what’s app bericht typt op haar gsm. Ik doe het ze niet na. Niet dat ik niet weet hoe ik met één hand mascara op moet doen, maar vooral omdat ik nog steeds geen clou heb hoe ik moet what’s appen. Maar dat terzijde.

De verbouwingswerkzaamheden zorgen er ook voor dat mijn pubers niet vooruit te branden zijn. Dit in pijnlijke tegenstelling tot vroeger toen ze altijd lekker buiten aan het rennen en ravotten waren. Het bed is nu hun beste vriend. Daar storten ze zich – mét hun onafscheidelijke smartphone – op zodra ze thuis komen, maken ze huiswerk en zappen ze eindeloos langs alle tv-kanalen terwijl ze de laptop op schoot hebben.  Of om met Fabulous Mama Magazine te spreken: het leven was een stuk gemakkelijker toen apple en blackberry nog alleen maar vruchten waren.

Dat dit soort puber-toestanden niet tot Nederland beperkt blijven, blijkt als we afgelopen zomer bij Catalaanse vrienden logeren. Die hebben een veertienjarige puberzoon die hun met zijn ledigheid af en toe tot wanhoop drijft. Terwijl zij zich iedere dag een slag in de rondte werken, moeten ze bij thuiskomst lijdzaam toezien hoe zoonlief alleen maar op de bank tv ligt te kijken of te playstationen. Wat hem prompt de titel “Koning van de Sofa” oplevert.

Hij is er nog trots op ook.

© Pascale Bruinen

Gelukkig is de verbouwing op een gegeven moment ein-de-lijk achter de rug. En als de stofwolken zijn opgetrokken, zou het zomaar kunnen dat je puber ineens wel aanspreekbaar is en zowaar kan plannen, organiseren en gevaren kan inschatten.  Nu bevestigt de uitzondering altijd de regel, dus ik ben benieuwd wie pubers heeft die hoegenaamd geen last hebben van verbouwingsperikelen?