Afspraken maken op zijn pubers

Sinds enige tijd is bij ons in huis chaos troef. Er valt namelijk geen peil te trekken op wat er nou precies door mijn twee pubers wel of niet is afgesproken en met wie en wanneer. Dat maakt het nogal lastig om huishoudelijke aangelegenheden te plannen. Met name erachter komen wie ’s avonds mee zal/zullen eten is de laatste tijd een schier ondoenlijke klus.

Vorige week spande de kroon. Rond een uur of 16.00 ’s middags deelt mijn dochter ineens mee dat een vriendin zal komen meeëten. Prima, gezellig, maar dan toch nog maar even snel naar de winkel om een extra portie vlees te halen. Ik ben nog niet terug of ze komt mij vertellen dat de vriendin toch niet komt. Zij eet zelf wel gewoon hier.

Niks aan de hand, dat ene extra stuk vlees gaat toch wel op, denk ik terwijl ik mij achter het fornuis posteer. Intussen krijg ik een sms-je van zoonlief met daarin welgeteld vier woorden: “Eet bij opa oma”. Nou, dat schiet lekker op want de vijf flinke stukken vlees liggen al te sudderen in de pan.

Plotseling duikt dochter op in de keuken en kondigt doodleuk aan dat ze net afgesproken heeft om bij die vriendin te gaan eten. Omdat ze aan mijn gezicht ziet dat ik inmiddels niet meer in al te beste stemming ben, verdwijnt ze naar boven voordat ik mijn mond kan opentrekken.

“Mooie boel is dat”, mopper ik verongelijkt, “nu moeten we zeker met zijn tweeën die vijf stukken vlees gaan verorberen?” Terwijl ik nu niet alleen uitwendig maar ook inwendig kook, komt H. thuis. “We eten vanavond met zijn tweeën, nadat we eerst respectievelijk met zijn vijven, vieren en drieën zouden hebben gedineerd”, deel ik hem cryptisch mee.

Net als we willen gaan eten komt dochter binnen en gaat, alsof het de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld is, aan de (voor haar niet gedekte) tafel zitten. H. en ik kijken haar aan alsof we water zien branden. “Je zou toch bij die vriendin eten”? “Oh, dat. Dat gaat niet door. Ik eet gewoon mee”.

Murw geslagen door deze zoveelste wijziging in de plannen weet ik niks beters te doen dan op de automatische piloot over te schakelen en haar het eten voor te schotelen. “Waarom heb ik zoveel vlees op mijn bord? Dat krijg ik echt niet op, hoor!!” roept ze, niet gehinderd door ook maar enig inlevingsvermogen. Op dat moment moet ik mijn uiterste best doen om het bord met sudderlapjes niet in de vuilnisbak te kieperen.

Voor nu laat ik het maar bij het zo kalm mogelijk uitgesproken antwoord dat ze het mag laten liggen. En ondertussen hoop ik voor de zoveelste keer dat het einde van de (tijdelijke?) kortsluiting in de hersenhelften van mijn pubers nabij is.

In ieders belang.

© Pascale Bruinen

Zijn jullie ook in de gelukkige omstandigheid pubers in huis te hebben die van het een op het andere moment weer iets geheel anders gaan doen dan net was afgesproken? Ik heb namelijk zo’n donkerbruin vermoeden dat dit voor velen van jullie heel herkenbaar is. Troost ons met jouw verhalen!

Advertenties

Het leed dat piket heet

Toen ik nog officier van justitie was, had ik geregeld piketdienst. Dat betekende dat ik doordeweeks na kantoortijd en in de weekenden standby moest zijn voor allerlei dringende telefoontjes van de politie, die vaak genoeg bij nacht en ontij kwamen. In zo’n dienst werd ik geleefd door mijn mobiel. En voor iemand die altijd zelf graag de regie heeft, zoals ik, is dat allerminst een feestje.

Maar ook voor mijn gezinsleden was zo’n bereikbaarheidsdienst geen onverdeeld genoegen. Toen mijn kinderen klein waren, begrepen ze nog niet zo goed waarom ze stil moesten zijn als ik eindeloze telefoongesprekken voerde. En de telefoon rinkelde juist altijd op de vervelendste momenten. Bijvoorbeeld als ik mijn zoon en dochter gezellig aan het voorlezen was, het badwater net op temperatuur had of bij de geitjes in het park was aangekomen.

Als peuters/kleuters hadden ze er dan ook een handje van om me juist voortdurend wat te vragen als ik met de politie aan de lijn hing. Dat ging als volgt:

Politieman: “We hebben net een dode man aangetroffen in gemeente X. Het lijkt op een ongelukkige val van de trap maar dat…”

Kind 1: “Mama? Mama? Mámááááá!” (snel in volume toenemend).

Politieman: “Zei u iets?”

Ik (terwijl ik mijn wenkbrauwen streng frons en mijn vinger even op mijn mond leg richting Kind 1 om het tot stilte te manen): “Nee hoor, gaat u verder.”

Politieman: “Ja, zoals ik al wilde zeggen, dat moet nog onderzocht worden”.

Ik (terwijl ik met Kind 2 om mijn been geklemd probeer te lopen naar een plek waar ik rustig kan schrijven): “Wie betreft het? Is de Technische Recherche al ter plaatse?”

Kind 1: “Maaaamaaaaa!!! Moet plasje doen!”

Politieman: “O, ik hoor dat er bij u ook een crisis is!”

Ik: “Ja, euh, zoiets inderdaad. Euh, ik noteer even zijn gegevens en dan bel ik u zo terug, OK?” Kind 1 stond inmiddels op springen zodat ik haastig de naam van de onfortuinlijke man opschreef. Kind 2 was ondertussen verwoede pogingen aan het doen om mij de telefoon afhandig te maken.

Ik, sissend fluisterend tegen Kind 2: “Niet doen! Dat is stout, hoor. Mama moet nog even bellen”.

Hoorde ik die politieman nou zachtjes grinniken?

Tegen de tijd dat ze pubers waren, snapten ze het wel degelijk maar deden ze net alsof ze gek waren. Zo riepen zoon- respectievelijk dochterlief keihard “Nou houdt zij alweer de badkamer zo lang bezet, doe iets!”, “Ik heb geen schone sokken meer!” of “Het wc-papier is bijna op!”, dwars door ernstige gesprekken met de recherche heen.

Godzijdank heb ik dat inmiddels allemaal achter de rug. Nu mag de volgende generatie officieren de borst nat maken voor deze piketdiensten. Ik wens ze daarbij veel wijsheid.

En tegen aanklagers met (jonge) kinderen zou ik willen zeggen: hou vol want het komt uiteindelijk allemaal goed!

© Pascale Bruinen

moeizame gesprekken2

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

 

Het recht om fouten te maken (3)

Iedere rechtgeaarde ouder wil het beste voor zijn kinderen. Ik ben daarop geen uitzondering. Hoe je daaraan invulling geeft, is afhankelijk van je eigen referentiekader. Dat wordt op zijn beurt bepaald door hoe je zelf bent opgevoed, je normen en waarden, omgevingsfactoren en wat al niet meer.

Toen mijn pubers hun middelbare schooltijd heel anders bleken in te vullen dan hoe ik dat vroeger had gedaan, was ik in eerste instantie in shock. Zij vonden leren namelijk niet hun eerste prioriteit terwijl dat voor mij altijd vanzelfsprekend was geweest. Toen dit echt tot me doordrong, deed ik waar ik van nature goed in ben: ik ging in de oplosstand.

Ik bood ze mijn hulp, tijd en een luisterend oor aan. Gaf (vooral ongevraagd) tips en adviezen over het maken van schema’s voor proefwerkweken zodat ze tijdig alle stof konden verwerken. Drukte ze op het hart dat ze altijd met mij konden sparren als ze ergens niet uitkwamen (behalve met de B-vakken want dan zou ik ze van de regen in de drup helpen). En ik controleerde met meer ijver als de gemiddelde parkeerwachter of ze hun huiswerk wel maakten, opdrachten op tijd inleverden en voldoende voorbereid naar hun proefwerken gingen. Of liever gezegd: ik probeerde het maar dat was al snel een mission impossible.

In het begin praatte ik vooral tegen ze totdat ze allebei glazig uit hun ogen keken (mental note: inmiddels weet ik dat dit bij pubers gelijk staat aan pedagogische harakiri). Ik denk achteraf dat ik tijdens hun middelbare schooltijd langer gepreekt heb dan welke Amerikaanse tv-dominee ook.

Toen dit niet hielp (goh, gek hè?) bedacht ik ingewikkelde beloningssystemen waar het punten sparen van supermarkten nog bij verbleekt. Een soort van opvoedkundige airmiles maar dan zonder pasje. Nodeloos te zeggen dat dit niet werkte, evenmin als straffen (niet naar de voetbaltraining, niet de stad in, gsm/laptop inleveren: been there, done that) en op hun (niet bestaand?) schuldgevoel proberen te werken. Als ik uiteindelijk zó moe was dat ik me als een murw gebeukte bokser in de ring voelde, verlaagde ik me af en toe zelfs tot iets wat verdacht veel op smeken en omkoping leek.

Maar wat ik ook deed of liet, het leek hoegenaamd geen verschil te maken. OK, soms veroorzaakte mijn ingreep een opleving, maar die was altijd zeer tijdelijk. Wat ik écht wilde – dat ze plotsklaps het licht zouden zien en van binnenuit het Grote Studie Belang zouden voelen – gebeurde echter nooit.

Toen ik in hun eindexamenjaar, aan het einde van mijn Latijn gekomen, met lede ogen zag hoe ze allebei ervoor stonden (mijn dochter zou er heel hard aan moeten gaan trekken en bij mijn zoon was het zo goed als hopeloos), was dat voor mij – eindelijk! – een eyeopener. Al die moeite, al die energie, al die stress en frustratie. En waarvoor eigenlijk?

Het besef dat dit het allemaal niet waard was, drong toen in volle hevigheid tot me door. Het ergste dat kon gebeuren, was immers dat ze niet zouden slagen. Nou en? Dan deden ze er maar een jaartje langer over. En toen gebeurde het. Ik bevrijdde mezelf uit de grip van de angst om hun toekomstbeeld en liet het los.

Achteraf zie ik heel scherp dat ik me destijds te zeer persoonlijk verantwoordelijk voelde   – en daarmee dus ook máákte – voor hun beider levensgeluk. Maar de crux is nu juist dat een ieder zélf verantwoordelijk is voor zijn leven en dus ook voor zijn geluk. Want volgens de Amerikaanse schrijfster Joan Didion werkt dit zo: “Character – the willingness to accept responsibility for one’s own life – is the source from which self-respect springs“. En zelfrespect is een van de beste wegen naar een betekenisvol en gelukkig bestaan.

Als ouders moet je die verantwoordelijkheid dus daar neerleggen waar die thuishoort en dat is bij je opgroeiende/studerende kinderen. Uiteraard geldt daarvoor dat ze op een leeftijd moeten zijn waarop ze kunnen overzien wat ze aan keuzes hebben. Als ouders kun je ze vervolgens (gevraagd en ongevraagd) in die keuzes adviseren maar kiezen doen ze uiteindelijk zelf. Bij die keuzevrijheid hoort dat ze ook de consequenties van die keuzes moeten accepteren.

Terugkijkend snap ik wel waar die bemoeizucht bij mij vandaan kwam. Ik had van thuis uit heel sterk de boodschap meegekregen dat levensgeluk met name voortkomt uit een gedegen opleiding en dito baan. Ook de hele Westerse cultuur draagt dit beeld uit. In mijn hoofd zong dus de mantra: zouden mijn bloedjes van kinderen niet slagen in hun schoolcarrière, dan zouden ze nooit een fatsoenlijk bestaan kunnen opbouwen en dús ook nooit het geluk kunnen vinden. Dat is zo’n beetje het allerlaatste dat je als moeder voor je kroost wilt. En voilà, de controledrift is geboren.

Inmiddels weet ik echter dat dit beeld slechts ten dele waar is. Natuurlijk, een goede opleiding en baan zijn belangrijk en kunnen zeker bijdragen aan een prettig en relatief onbezorgd leven Maar om gelukkig te kunnen worden gaat het ook en vooral om dat je iets gaat doen waarvan je ogen gaan twinkelen omdat je jezelf kunt zijn en al je talenten kunt ontplooien. Of, om in de woorden van de Amerikaanse auteur, filosoof en voorvechter van burgerrechten Howard Thurman te spreken: “Don’t ask yourself what the world needs. Ask yourself what makes you come alive and then go do that. Because what the world needs is people who have come alive.”

Inmiddels hebben mijn kinderen (die toen wonderwel allebei geslaagd zijn voor hun eindexamens) hun draai gevonden in hun vervolgstudies, al zou ik geen garanties durven geven dat dit zo blijft. Maar om me heen zie ik nu veel mensen, ook personen die me heel dierbaar zijn, met soortgelijke problemen worstelen. Ze hebben kinderen met een goed verstand die niet (meer) willen leren, stoppen met hun studie en/of niet weten wat ze willen. Ik zie de vertwijfeling en pijn in hun ogen, ik voel hun onmacht. En ik zie ze in precies dezelfde val trappen waar ik jarenlang in heb gezeten. Ze gaan in de “doe-stand” en raken in een mum van tijd in overdrive, als ze met de moed der wanhoop proberen om bij te sturen, te corrigeren of te motiveren.

Tegen al die bezorgde ouders die het zo graag goed doen zou ik maar één ding willen zeggen: laat – het – los. Het gaat toch zoals het gaat. Als jij de verantwoordelijkheid daar legt waar die thuishoort, kun je eindelijk ontspannen en hou jij er in ieder geval geen maagzweer, echtscheiding of overspannenheid aan over.

En mocht je ondanks alles toch nog twijfelen of dit wel de goede weg is, kan het volgende misschien de doorslag geven: door je te blijven bemoeien ontneem je je kroost het recht om fouten te maken. Ja, je leest het goed; het recht om fouten te maken. Het is een reflex van iedere ouder om zijn kind te willen behoeden voor het maken van fouten. Maar door dit stelselmatig te doen, blokkeer je juist die uiterst waardevolle leermomenten.  Enige uitzondering hierop is als het gaat over gevaarlijke of ongezonde situaties, dan moet je als ouder uiteraard ingrijpen. Maar voor al de rest geldt: laat – het – los.

Ik heb nu wel eens spijt dat ik dit niet eerder heb ingezien.

Maar soms is de meest oncomfortabele les de leerzaamste.

© Pascale Bruinen

d8b5670fd0a1d3713dce152218ddcf88

Het recht om fouten te maken (2)

Loslaten. Het woordje lijkt simpel genoeg maar ik heb er jarenlang mee geworsteld. Zeker daar waar het op mijn kinderen aankomt, heb ik ze in retrospect te vaak en te veel willen behoeden voor het maken van fouten. Of althans voor datgene wat ik als “fout” bestempelde.

Neem bijvoorbeeld hun middelbare schooltijd. Omdat ik vroeger een ijverige student was die hoge punten haalde, ging ik er voetstoots vanuit dat mijn zoon en dochter dat ook wel  zouden doen. Maar in werkelijkheid bleek dit heel anders. Mijn zoon, gezegend met een goed stel hersens, deed vooral zijn best om huiswerk voor zich uit te schuiven. En dochterlief wist met hard werken weliswaar mooie resultaten neer te zetten, maar had al snel andere prioriteiten dan leren.

Desondanks hield ik stug vast aan de illusie dat er twee klonen van mezelf in huis moesten zitten. Met als voorspelbaar gevolg, dat ik ze beiden 24/7 achter de broek aanzat en wanhopig probeerde te controleren wat ze allemaal (niet) aan het doen waren.

In het moderne middelbare schoolsysteem was dat overigens nog niet zo simpel. Zo veranderden bijvoorbeeld pakweg iedere drie weken (!) hun roosters, zodat ik totaal geen zicht meer had op hun schooltijden. Een compleet overzicht van hun huiswerk krijgen was ook nagenoeg onmogelijk, zeker bij mijn zoon, die soms niet eens de moeite had genomen iets zinnigs of leesbaars in zijn agenda te noteren. Aantekeningen in schriften werden tot mijn verbijstering door beiden niet gemaakt. En tijdens proefwerkweken was ík het die van de stress geen oog dicht deed, terwijl de beide hoofdrolspelers doodleuk lagen te ronken in hun bedden.

Twee van zo’n kinderen onder je dak hebben terwijl je zelf qua plichtsgetrouwheid heel anders in elkaar steekt, is daarom vragen om problemen. Dus ontvouwde zich steeds hetzelfde scenario: als ik langs hun slaapkamer liep en zag dat ze alles behalve boven de boeken zaten, kon ik het uit ongerustheid over hun barre toekomstbeeld niet laten om er een kritische opmerking over te maken. Daar werd dan weer bits, gestoken of naar mijn idee juist veel te kalm op gereageerd, hetgeen leidde tot de nodige verhitte discussies die steevast eindigden met óf een dichtgesmeten deur (pubers) óf verontwaardigd zwijgen (pubers en/of ondergetekende) óf getergde uitroepen in de trant van “Je begrijpt mij gewoon niet!” (pubers).

Niet dat ik het niet heb geprobeerd, dat loslaten. Echt, ik heb het af en toe uit mijn tenen proberen te halen maar het lukte me gewoonweg niet. Het kwartje viel bij mij pas toen ze vlak voor hun eindexamens stonden. Bij mijn dochter zou het erom spannen, bij mijn zoon hadden we het al eerder opgegeven want acht verliespunten inlopen met nog een paar maanden te gaan zou toch onmogelijk zijn. Toen ik daarvan doordrongen raakte, voelde ik een ongekende rust over me heen komen en kon ik ineens alles in het juiste perspectief plaatsen.

Ik realiseerde me dat er veel ergere dingen waren dan zakken voor het eindexamen. Dan nog maar een extra jaar eraan vast plakken, nou en? Ze waren nog zo jong, één jaar langer erover doen zou ook niet het verschil maken. Deze bewustwording zorgde voor een gevoel van bevrijding, alsof een enorme last van mijn schouders werd gehaald. Zo voelt het dus als je écht loslaat, diep van binnen.

Overigens zijn ze destijds allebei toch geslaagd voor hun eindexamen. Mijn zoon heeft een  knop omgezet en zich eenvoudigweg voorgenomen dat hij wilde slagen. Daarop heeft hij een enorme eindspurt ingezet. En wat mij in al die jaren van nalopen, vragen, smeken, controleren, straffen, belonen en een flinke portie stress niet gelukt is, lukte toen ineens wel: hij ging hard studeren. Waarom? Gewoon, omdat hij het echt wilde.

Als ik vooraf had geweten dat het zo werkte, had ik me jaren van frustratie, geploeter en ellende kunnen besparen.

© Pascale Bruinen

Volgende week het laatste deel!

Het recht om fouten te maken (2)

 

Het recht om fouten te maken (1)

Als ik één ding de afgelopen jaren wel heb geleerd, is het dat loslaten extreem moeilijk is. Vooral het stapsgewijs loslaten van mijn kinderen, heeft me de nodige moeite gekost. Met de kennis van nu had ik het destijds hoogstwaarschijnlijk heel anders aangepakt.

Neem bijvoorbeeld de hele middelbare schooltijd van mijn zoon en dochter. Mijn referentiekader was hoe ik vroeger zelf was op die leeftijd. Nu ging ik toevallig altijd ontzettend graag naar school. Ik herinner me nog heel goed dat ik het als bakvis (net als mijn hartsvriendinnen) heel jammer vond als het vrijdagmiddag was en het weekend voor de deur stond. Het was namelijk zo gezellig op school. Er was een speciale sfeer van geborgenheid maar ook van onbezorgde lol die we onderling hadden. En dan zwijg ik nog maar van een paar jongens in hogere klassen die we toch o zo interessant vonden.

Maar ik vond school ook echt leuk omdat ik heel leergierig was. Ik had een honger naar kennis, al vond ik zeker niet alles even interessant. Zo hebben de beruchte B-vakken mij helaas nooit kunnen bekoren omdat ik, hoe ik het ook probeerde, er eenvoudigweg weinig van snapte. Wellicht staat mede daarom dat moment in mijn herinnering gegrift waarop de scheikundelerares naar mijn bankje liep en me mijn proefwerk met daarop een 6- teruggaf. “Heel goed gedaan Pascale!” zei ze bemoedigend tegen me, de schat. Apetrots was ik op deze magere voldoende, die me urenlang zwoegen had gekost.

Nee, ik was een echt Alfameisje. Goed in talen en echte leervakken zoals geschiedenis en aardrijkskunde, waarvoor ik dan ook hoge punten haalde. Ik maakte altijd keurig mijn huiswerk (want stel je voor dat ik een beurt kreeg en het niet wist! O, de schaamte!) en draaide voor de proefwerkweek vakkundig een hele planning in elkaar van wanneer ik wat ging leren, zodat er zelfs ruim de tijd was om alles nog eens te herhalen.

Met mezelf (en mijn vriendinnen, die precies hetzelfde waren) als lichtend voorbeeld in mijn achterhoofd, ging ik er bij aanvang van de schoolcarrières van mijn beide nazaten er dus voetstoots vanuit dat zij eenzelfde mentaliteit zouden hebben. Alleen bleek al snel dat dit ideaalbeeld niet helemaal klopte met de rauwe werkelijkheid. Of beter gezegd: helemaal niet.

Want zoonlief, mijn oudste, was weliswaar erg slim maar vooral een kei in het voortdurend voor zich uitschuiven van al zijn huiswerk. Hij heeft tijdens alle schooljaren het uitstellen van taken tot een ware kunst verheven en mij zo menigmaal tot wanhoop gedreven.

Mijn dochter leek daarentegen meer op mij. Althans in die prettige veronderstelling verkeerde ik nog tijdens haar brugklasjaar. Ze leerde zich een ongeluk en haalde prachtige punten. “Hè hè”, dacht ik opgewekt, “is er toch eentje die wat van mij weg heeft.” Het daaropvolgende jaar werd ik ook ruw uit deze mooie droom gewekt. Dochterlief had plotsklaps (in navolging van haar vriendinnen) “besloten” dat ze niet langer zoveel tijd met haar neus in de boeken wilde zitten. Ze wilde namelijk ook nog graag “een leven” hebben.

Tja. Toen viel mij effe niets meer in.

© Pascale Bruinen

Herkenbaar? Lees volgende week deel 2.

loslaten

 

 

Pooiergozer

De laatste jaren duikt het fenomeen “loverboy” op; een jongen die doet alsof hij verliefd is op een meisje, haar in het begin overlaadt met aandacht en cadeautjes en haar ondertussen door chantage, bedreiging en geweld steeds verder isoleert van haar familie en vrienden. Hierdoor wordt ze steeds afhankelijker van hem.

Eenmaal dolverliefd merkt ze dat ze gestaag minder aandacht krijgt en droogt ook de stroom presentjes ineens op. Hij stelt geldproblemen te hebben en geeft haar hiervan de schuld.

Het verliefde meisje snapt niks van deze ommekeer en wil hem uit liefde en schuldgevoel op alle mogelijke manieren helpen. Op dat moment slaat de “loverboy” toe door het meisje schijnbaar moeiteloos over te halen om als prostituee voor hem te gaan werken. Als ze écht van hem houdt, moet ze dat maar op die manier “bewijzen.”

Juridisch gezien is dit een vorm van mensenhandel, een manier waarop grof geld wordt verdiend door aan te zetten tot prostitutie, soms letterlijk over de rug van meisjes die oprecht dachten dat ze de ware liefde hadden gevonden.

Omdat het hele proces niets, maar dan ook niets met echte liefde te maken heeft, pleit ik voor het loslaten van de veel te romantische term “loverboys” en dit om te dopen in “pooiergozers”. Want het zijn gewoon ordinaire souteneurs. Overigens zijn het tegenwoordig ook regelmatig meiden die andere meisjes overhalen zich te prostitueren.

Probleem is hoe deze pooiergozers te herkennen, want liefde, aandacht en (normale) cadeautjes horen ook thuis in alle gewone liefdesrelaties. Wees in ieder geval alert op bepaalde signalen bij meisjes, zoals plotseling uitdagendere kleding en make-up dragen, liegen, bedriegen, weglopen, schooluitval, nieuwe “vrienden” terwijl de oude worden verwaarloosd, een slaafse houding ten opzichte van het nieuwe vriendje, obsessief bezig zijn met een of meerdere gsm’s, gedragsveranderingen, rondhangen op vreemde of afgelegen locaties, schuldopbouw of juist opeens beschikken over (dure) nieuwe spullen en contant geld.

Onze meiden moeten weten dat echte liefde nooit isoleert, maar verbindt, nooit chanteert maar los kan laten en nooit eist dat je verandert maar je juist neemt zoals je bent. Echte liefde is onbaatzuchtig, onvoorwaardelijk en onovertroffen in het bieden van warmte, geborgenheid en respect.

Zegt het voort.

Want iedere meid die uit de klauwen van een pooiergozer blijft, is er één.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 12 maart 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad

pooiergozer

Herinneringen aan lange lome zomerdagen

Ineens zie ik haar. Ze heeft nog dezelfde haarcoupe met weelderige krullen en haar gezicht lijkt ook nauwelijks last te hebben gehad van de tand des tijds. Maar de echte herkenning komt als ik haar lachende ogen zie. M. mag dan inmiddels zo’n 36 jaar ouder zijn dan toen ik haar de laatste keer zag, ze ziet er nog steeds meisjesachtig uit en heeft nog precies dezelfde sprankelende uitstraling als eind jaren zeventig.

Eén blik op haar en ik ben weer terug in de tijd dat mijn ouders ieder voorjaar hun caravan tot oktober neerzetten op een camping op zo’n 15 kilometer van huis. Ieder weekend dat het enigszins redelijk weer was, wat in mijn (gekleurde?) beleving best wel vaak was, togen we er heen. Iedereen was er welkom en dus was het er de spreekwoordelijke zoete inval. Mijn zussen en broer namen hun wederhelften en jonge kinderen mee, mijn ouders nodigden vrienden en goede bekenden uit en ook mijn vriendinnetjes waren altijd meer dan welkom.

Die periode associeer ik met lange lome zomerdagen die ik grotendeels aan het opgespoten strandje of in het meertje doorbracht. Zonnebaden, zwemmen of met een hele bubs volleyballen in het water, waarbij ik als preutse puber na iedere duik naar de bal zekerheidshalve even controleerde of mijn bovenstuk en bikinibroekje nog goed zaten. Op een oranje badhanddoek luisteren naar muziek die schetterde uit de cassetterecorder, eindeloos met mijn hartsvriendinnen kletsen over jongens of steelse blikken werpen op die hunk die een paar handdoeken verderop stoer zat te doen. Af en toe een balletje trappen op het voetbalveldje, een ijsje halen in de kantine of een potje jeu-de-boulen of badmintonnen met eender wie daar op dat moment zin in had. Eenvoudige pleziertjes die je een leven lang bij blijven.

Als de avond langzaam viel, ging ik met mijn toiletmapje en een handdoek naar de douches om even later fris gewassen met natte haren en gestoken in een Adidas trainingspak terug naar onze caravan te lopen (en, o, wat dacht ik dat ik hip was.) Die typische geur van een zwoele zomeravond, het aroma van een warme stoffige aarde vermengd met de frisse tonen van de langzaam afkoelende lucht en de dennenbomen, is voor altijd verbonden aan mijn jeugdjaren op deze camping.

’s Avonds was het uiteraard tijd voor de barbecue. Mijn vader, zwagers en vrienden gooiden de kolen erop en zorgden met een luchtbedpomp (!) ervoor dat het vuurtje goed werd opgepookt. Als de kolen eindelijk zo heet waren dat ze grijs kleurden, kwamen de vrouwen met eindeloze hoeveelheden shashlik-stokjes met gemarineerde stukjes vlees afgewisseld met gesneden ui en paprika. Het rijgen van al dat lekkers voor zo’n twintig man duurde soms wel uren en was een taak van de dames (tja, het waren wel de jaren zeventig en de emancipatie was toen nog niet zo ver als nu.) Daarna werd er lekker gegeten, het een en ander gedronken en vooral heel veel gepraat en gelachen. Iedereen had volop aandacht voor elkaar (en het zou gelukkig nog decennia duren voordat we massaal zouden worden afgeleid door de terreur van mobiele telefoons.)

Naarmate de avond vorderde werden de moppen steeds schuiner, de giechelbuien van de dames steeds luider en mijn geluks-en tevredenheidsgevoel steeds intenser. Ik zat er immers bij, omringd door mijn familie, vrienden en kennissen en genoot met volle teugen. Het waren prachtige, onvergetelijke zomeravonden.

Na een tijdje dijde de groep die ons op de camping met een bezoek kwam vereren nog verder uit. Zo kwam ook M., die destijds de vriendin van de broer van een van mijn zwagers was, bij het gezelschap te horen. Ik was toen veertien en M., zo schat ik, een jaar of twintig, eenëntwintig. Op die leeftijd is dat een onoverbrugbaar verschil. Ik keek dan ook ongelofelijk tegen haar op en was zelfs stiekem ontzettend jaloers op haar. Zij was immers een mooie volwassen vrouw en wat was ik nou helemaal? Een schoolgaande tiener met puberkuren. Zij moest daarentegen welhaast het leven leiden dat ik ook zó graag wilde: geen bemoeienis van ouders, lekker doen waar je zin in hebt en vooral: zij mocht vast uitgaan, zo veel, zo vaak en tot zo laat als ze wilde. Ik zou op dat moment nog twee lange jaren moeten wachten voordat ik uit zou mogen en dan nog alleen tot 23.00 uur ’s avonds (nu gáán ze niet eens rond die tijd). Gelukkig wist ik dat op dat moment nog niet, want als je puber bent lijkt een week al een eeuwigheid, laat staan twee jáár.

Mijn gemijmer wordt abrupt onderbroken als M. mij ook blijkt te herkennen. We zeggen elkaar enthousiast gedag. Na veel oh’s en ah’s en “Wat gek dat we elkaar nooit meer ergens gezien hebben!” komen we tot dezelfde conclusies: wat gaat de tijd akelig snel en wat zijn we niks veranderd (nou ja, bijna niks). In een paar minuten tijd weten we de kloof van bijna veertig jaar te overbruggen en zijn we min of meer “bij” betreffende relatie. wel of geen kinderen en werksituatie.

Maar wat wel anders is, is de dynamiek tussen ons. Hoewel het leeftijdsverschil exact hetzelfde is, zijn we nu – eindelijk! – gelijken. Voor mij voelt dat heel raar maar wel prettig. We beloven contact te houden via Facebook.

Mooi hoe een hele reeks dierbare herinneringen aan zorgeloze, lang vervlogen zomers kan worden getriggerd door één enkele blik van herkenning.

© Pascale Bruinen

 

herinneringen aan lange lome zomerdagen

Hebben jullie ook zulke mooie herinneringen aan vervlogen zomers? Deel ze dan hier!