True Colors

Heel soms gebeurt het onwaarschijnlijke: ik raak ontroerd door een reclamespotje. In dit geval gaat het om – ik durf het bijna niet te zeggen – een wasmiddelcommercial van een grote discount supermarkt. Voor de enkeling die ‘m nog niet gezien heeft volgt hier een omschrijving:

De muziek van True Colors van Cindy Lauper zet in, dit keer gezongen door een welluidende en gevoelige mannenstem. 

You with the sad eyes…

Shot 1: moeder (haar hoofd komt niet in beeld) duwt deur wasmachine dicht, Schattig Klein Meisje gekleed in zalmkleurig jurkje met witte maillot (verder te noemen: SKM) zit op haar knietjes voor het apparaat en kijkt aandachtig ernaar. PB: Mijn nieuwsgierigheid is meteen gewekt. Waarom zou het kind zo geïnteresseerd zijn in een wasbeurt?

Shot 2: we zien SKM weer pal voor de wasmachine zitten staren, alleen dit keer wordt ze van achteren gefilmd. PB: het beeld van dat wachtende onschuldige meisje met haar haren gevangen in twee aandoenlijke staartjes grijpt me onverwacht naar de strot. Het doet me zo denken aan mijn eigen dochter op die leeftijd. Waar is toch de tijd naartoe dat ik haar haartjes mocht borstelen en haar staartjes mocht versieren met de mooiste elastiekjes?

…don’t be discouraged, though I realize…

Shot 3: SKM ligt nu een stukje verderop op de grond en speelt verveeld met wat wasknijpers.

…in a world full of people, you can lose sight of it all

Shot 4: nu zit SKM met een verdrietig gezichtje pal voor de glazen deur van de wasmachine. Ze staart intens, haar hoofdje draait mee in hetzelfde ritme als de trommel. PB: ik weet op dat moment nog steeds niet waarom ze daar zit, maar ik vind haar zo zie-ie-lig.

Shot 5: we zien SKM staan voor de wasmachine, in haar handen heeft ze een speelgoedsaxofoon. Ze kijkt treurig.

And the darkness inside you will make you feel so small

Shot 6: nu ligt SKM op haar rug met haar hoofd richting de wasmachine, haar armen gespreid, terwijl ze met een serieus snoetje naar de draaiende trommel achter haar kijkt;

Shot 7: de was is eindelijk klaar, moeder (nog steeds zonder hoofd) heeft een vrolijk gekleurde knuffelgiraffe in haar hand. Bij SKM breekt voor het eerst een stralende lach door.

(Muziek zwelt aan). But I see your true colors shining through…

Ze rent op haar moeder af, sluit met een zielsgelukkige blik haar knuffel – waarvan nu blijkt dat die dus al die tijd in de wasmachine zat – in de armen en drukt hem met een dikke kus tegen zich aan. PB: nu kun je me wegdragen. Ik knipper wat al teveel met mijn ogen en moet ineens vaker slikken. Dit is Ontroering met hoofdletter O.

True colors…

Ik heb geen verstand van marketing maar dit lijkt me reclame-technisch een hoogstandje. Zó knap om dit te bedenken rondom zoiets banaals als een wasmiddel. Ter vergelijking hoef je alleen maar die nagesynchroniseerde draken van andere commercials op te roepen, bijvoorbeeld van die witte gigant waar ze megagrote lakens aan een helikopter hangen en die niet verder komen dan “totaal vernieuwde waskracht/vlekformule”. Nee, dan dit spotje. Zeker als je nagaat dat het ook anno 2016 nog steeds zo is dat vrouwen doorgaans de was doen gaat dit filmpje WHAM-BOEM-BAAF recht het hart in van iedere vrouw/moeder (tenzij dat je van steen bent).

Briljant!

© Pascale Bruinen

images

Schermafbeelding 2016-03-08 om 09.08.05

images-1.

Advertenties

De “tig” categorie

Dochterlief zit op de praatstoel. Ze is op bezoek gekomen om gezellig samen te gaan shoppen.

“Nog even en dan ben ik jarig”, merkt ze fijntjes op terwijl ze in de badkamer snel en vakkundig haar haren bewerkt met mijn stijltang.

“Weet je al wat voor cadeau je zou willen krijgen?”, vraag ik haar spiegelbeeld.

“Nou, ik word twintig. Dat is een heel bijzondere leeftijd…”, antwoordt ze.

Ik hoor vooral wat ze niet zegt.

Mijn ogen zoeken de hare. “Niet specialer dan 18 toch?”

Ze houdt de tang even stil en zegt: “Zéker wel! Want vanaf dan zit ik in de “tig” categorie. En daar kom ik niet meer vanaf. Ga maar na: twin-tig, der-tig, veer-tig, vijf-tig, zes…”

“Ja, ja, stop maar, ik snap je punt”, onderbreek ik haar opsomming.  “Dan zit er dus niks anders op dan honderd te worden, toch?” Een grote grijns straalt me vanuit de spiegel tegemoet.

“Inderdaad. Maar die twintigste verjaardag is dus, nou ja, ánders”.

“En daar hoort ook een ander cadeau bij”, vul ik aan voordat zij het kan doen. Nu is het mijn beurt om van oor tot oor te glimlachen. “Ik zal er eens over nadenken”, beloof ik haar.

Haar woorden brengen me terug naar mijn eigen jeugd. Weet ik eigenlijk nog wel hoe het was om twintig te worden? Dat was in 1984. Het jaar waarin in Nederland abortus wordt gelegaliseerd, de Nederlandse afdeling van Artsen zonder Grenzen wordt opgericht en Doe Maar stopt met optreden. Belangrijk buitenlands nieuws is dat voormalig filmacteur Ronald Reagan wordt herkozen als president van de Verenigde Staten, bisschop Desmond Tutu de Nobelprijs voor de Vrede ontvangt en gastland Frankrijk het Europees Kampioenschap voetbal wint. 1984. Het lijkt lichtjaren geleden.

Bij mijn weten vond ik het destijds niet echt iets bijzonders om twintig te worden. Ja, de gedachte dat ik niet langer officieel een tiener zou zijn is wel even in me opgekomen, maar lang heb ik daar niet bij stilgestaan. Zoals ik me eigenlijk sowieso niet echt bewust was van het gegeven dat ik op dat moment mijn jeugdjaren beleefde.

Veeleer was ik bezig met de eerstvolgende tentamens (ik studeerde Nederlands Recht) of wanneer ik wat gezelligs met vrienden en vriendinnen kon gaan doen. Het zou nog jaren duren voordat het begrip “mindfulness” op ieders lippen zou liggen.

In die tijd kon ik ook lang van tevoren al bezig zijn met naderende feestdagen, zoals Sinterklaas, Kerstmis of Carnaval. Ik telde eerst de maanden, daarna de weken en tenslotte de dagen af tot het grote moment daar was. Als ik nu terugkijk, leek het toen wel alsof de tijd veel stroperiger was dan nu. Alles duurde op de een of andere manier langer.

“Oh, oh, je kijkt zo dromerig. Je gaat er toch geen column over schrijven, hè?”, vraagt de bijna jarige plagerig.

“Zéker wel!”, zeg ik haar na.

Dit keer grijnzen we allebei.

© Pascale Bruinen

images images

 

Haar eerste autootje

Dochterlief heeft pas geleden haar rijbewijs gehaald. Niet alleen een feestelijk gebeuren, maar ook een van de mijlpalen in een mensenleven. Dit was ook het moment om mijn belofte in te lossen en haar een tweedehands autootje te kopen van het geld dat ik voor haar heb gespaard.

Dan begint Het Grote Zoeken. Want waar vind je voor een redelijke prijs een wagentje dat weinig kilometers heeft gereden, van een betrouwbare verkoper is, zich ergens binnen een aanvaardbare afstand tot onze woonplaats bevindt, liefst airconditioning én een mooie kleur heeft en er ook nog een beetje leuk uitziet? In de twee weken nadat ze het rijbewijs heeft gekregen, bekijken we zeker zestig auto’s op internet maar iedere keer is er iets anders mee of blijkt hij al verkocht.

Maar dan hebben we beet; een leuk type Volkswagen die voldoet aan alle vereisten en ook nog in een speciale uitvoering. Mijn dochter is in de wolken want zo kan ze voortaan met de auto naar haar stageplaats en twee bijbaantjes rijden in plaats van met trein en bus. Een groot gemak.

Als ze voor het eerst komt voorrijden in haar kekke bolide, straalt ze bijna achter haar sportieve stuur vandaan. “Moet je kijken mam wat er allemaal in zit! Extra opbergvakken! En heb je dit al gezien?”, roept ze terwijl ze me trots de make-up spiegel toont die verborgen zit in de zonneklep van de bijrijdersstoel. Niet dat ze die veel zal kunnen gebruiken als ze zelf moet rijden, maar haar enthousiasme is aanstekelijk. Daarom antwoord ik naar waarheid dat ik het enig vind (ik ben en blijf natuurlijk vrouw dus snap haar op dit punt maar al te goed).

Eenmaal binnen kunnen H. en ik het niet laten om haar vanuit onze beroepsdeformatie wel nog wat adviezen te geven over zogenoemde hotspots, plekken waar ze haar dierbare wagentje liever niet moet parkeren. Want ja, er zijn nu eenmaal mensen die anderen hun kleine geluk niet gunnen en zonder enig mededogen andermans auto vernielen of stelen.

Ik hoop zo dat onze doelgroep van haar wagentje afblijft want zo niet, weet ik zeker dat het haar hart zou breken.

En daarmee ook het mijne.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 25 juni 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Haar eerste autootje

Watskeburt?

Met het bereiken van respectievelijk de achttien plus en negentieneneenhalf-jarige leeftijd zijn mijn kids, in ieder geval toch officieel, eindelijk gearriveerd bij de jaren des verstands. Althans, dat hoop ik.

In hun pubertijd die – nipt – achter me ligt, waren ze altijd zo met zich zelf bezig dat het vaker leek alsof ik een hotel runde in plaats van een gezin. Wel ultra platinum all-inclusive, natuurlijk. Dus met drie voedzame maaltijden per dag, schier ongelimiteerde snacks en allerhande activiteiten (gratis wifi!!!) bij de prijs inbegrepen.

De pubergast kwam doorgaans alleen naar beneden als hij of zij gelaafd en gespijsd wenste te worden, maar daarbuiten liep ik – soms letterlijk – tegen een gesloten kamerdeur aan.

Nu had ik wel altijd gedacht dat ze me zeker te hulp zouden schieten als er een keertje iets vervelends in huis met me zou gebeuren. Zoals laatst.

Ik ben me boven aan het haasten om op tijd op een afspraak te komen. Ik probeer mijn horloge om te doen terwijl ik met twee treden tegelijk de trap af wil rennen. Nou kan ik inderdaad vaak twee of soms wel drie dingen tegelijkertijd doen, maar dit huzarenstukje lukt me niet. Want ik struikel prompt over mijn eigen voeten, zodat ik met een daverend “boem-boem-boem” vanaf ongeveer halverwege de resterende traptreden af dónder in plaats van loop.

Ik maak een flinke smak maar heb gelukkig niks gebroken of anderszins beschadigd. Wel ben ik me kapot geschrokken en sta ik onder in de hal nog wat onwennig na te trillen.

Verwachtingsvol bedenk ik wie van beiden, mijn zoon of dochter die gelukkig allebei thuis zijn, nu ieder moment gek van bezorgdheid to the rescue komt. Maar al wat ik zie, er komt geen nageslacht met gezwinde spoed naar beneden.

Vanaf een afstandje hoor ik mijn dochter iets vaags roepen dat klinkt als “Watskeburt?” Oh niks, hoor, ik heb alleen zojuist bijna mijn nek gebroken. Maar ga gerust verder met je haren in model te brengen.

Als ik uiteindelijk met nauwelijks verholen sarcasme bozig terugroep dat ik alleen maar van de trap ben gevallen, valt er even een hoopvolle stilte. Ik ga er van uit dat ze na deze schokkende mededeling haar deur opengooit en naar beneden snelt, vol als ze is van liefdevolle ongerustheid. Maar even later hoor ik enkel een vrolijk: “Oké!”. Ja, jij ook bedankt.

Van mijn zoon hoef ik ook al niks te verwachten. Die is zo druk en luidruchtig bezig met het maken van het ultieme muzieknummer dat hij helemaal niks kán hebben gehoord van mijn  potentieel fatale valpartij, al zou hij het willen.

Ik zou úren gewond onderaan de trap hebben kunnen liggen.

Of in ieder geval toch tot het moment dat mijn hotelgasten tevergeefs zouden hebben gebeld voor roomservice.

© Pascale Bruinen

watskeburt

Ook zo’n pubers in huis (gehad)? Deel dan hier je lief en/of leed!

Driehonderdvijfenzestig dagen per jaar

De oude man wandelt met lange passen, doelbewust en vastberaden. Zijn lange, smalle gestalte immer kaarsrecht. Keurig gekleed. Hij doet me denken aan een militair die marcheert in een parade. Alleen is hij maar in zijn eentje.

Nog nooit heeft hij zijn wandeling een dag overgeslagen. Hij loopt dwars door de vier seizoenen, de zeven dagen van de week en alle feestdagen heen. Hij steekt zijn paraplu op als het regent, trotseert de sneeuw met pet en das of kiest de schaduwzijde van de weg als de zon onbarmhartig schijnt.

Telkens als ik hem tegenkom, groeten we elkaar. Soms gevolgd door een kort praatje over het weer, al dan niet in het voorbij lopen. Voordat hij me ziet, is zijn gezichtsuitdrukking serieus en peinzend, alsof hij een extreem moeilijke opgave moet oplossen. Zodra we oogcontact hebben, wordt zijn expressie neutraal-vriendelijk.

Zijn doel is het kerkhof. Daar ligt zijn dochter. Op jeugdige leeftijd werd ze geveld door de killer met de grote K. Ze liet een dochtertje achter. Samen met zijn vrouw heeft hij zich over zijn enige kleinkind ontfermd omdat de vader van het kind niet deugde.

Hij voedt haar op. Brengt haar naar school, naar clubjes, naar vriendinnetjes. Nooit had de oude man kunnen bedenken dat hij zijn dochter ten grave zou moeten dragen. Dat hij niet alleen opa, maar ook vader voor zijn kleindochter zou moeten zijn. Dat hij iedere dag de weg naar het kerkhof te voet zou gaan afleggen.

Bij iedere ontmoeting vraag ik me weer af waarom hij, jaar in jaar uit, iedere dag erheen gaat. Om zichzelf te straffen of te pijnigen? Omdat hij het zijn dochter op haar sterfbed heeft beloofd? Om de dingen van de dag door te nemen aan haar grafzerk?

Ik weet het niet en ik durf het hem ook niet te vragen.

Dagelijks is de oude man druk bezig met de dood. Misschien wel té druk.

Ik ben bang dat hij vergeet te leven.

© Pascale Bruinen

driehonderdvijfenzestig dagen per jaar