Ik vertrek

Zalvende stem van de voice-over:

“Hans en Trudy gaan, na jaren in Lutjebroek bij een baas te hebben gewerkt, nu voor zichzelf beginnen. Ze emigreren naar Azerbeidzjan om daar een winkel in tweedehands badkuipen te gaan runnen”.

Of deze.

“Merel en Paul hebben na lang dubben de knoop eindelijk doorgehakt. Ze gaan een zonnestudio opstarten in Kenia”.

Maar de favoriet blijft toch:

“Janneke en Henk-Jan hebben genoeg van alle regeltjes in Nederland en verhuizen met het hele gezin (Jantien, Jannes en Janke) naar het binnenland van Roemenië waar ze een camping gaan exploiteren”.

Zomaar drie zinnen die de opening zouden kunnen zijn van het goed bekeken tv-programma “Ik Vertrek”. Voor de enkeling die het niet kent: dat is een programma waarin doodgewone mensen besluiten het roer radicaal om te gooien door in het boze buitenland voor zichzelf te beginnen. Hetgeen uiteraard gepaard gaat met gierende emoties, heftige teleurstellingen en financiële debacles.

De formule is even simpel als doeltreffend: kies een stel dat door zou kunnen gaan voor je buren; zorg ervoor dat het enthousiasme voor een meestal op voorhand al totaal kansloze missie ervan af spat; kies bij voorkeur mensen die over meer dan gemiddelde naïviteit beschikken; laat het stel weliswaar iets voorbereiden maar vooral niet te veel.

Gevolg van deze combinatie van factoren is feel good tv van de bovenste plank. Immers:

* vanaf de veiligheid van je eigen vertrouwde bank leef je met ze mee en spoor je ze luidkeels aan om het juk van loonslaaf voorgoed van zich af te gooien. In gedachten ga je ondertussen na hoe het voor jezelf zou voelen om na de zoveelste op niks uitgedraaide vergadering tegen jouw baas op nonchalante wijze te zeggen: “Oh ja, ik heb nog wel wat voor de rondvraag. Ik neem ontslag bij deze ballentent want ik ga voor mezelf beginnen!”;

* is het zalig om ongegeneerd mee te janken als je ziet hoe moeilijk de emigranten in spé het hebben op hun o zo Hollandse afscheidsfeestje waar steevast zo’n gezellige-foto-van-achterblijvers-in-wissellijst cadeau wordt gegeven, oma Bertie in huilen uitbarst bij het vooruitzicht haar kleinkinderen te moeten gaan missen en zelfs die stuurse opa Hendrik met verdacht vochtige ogen in de camera kijkt;

* wacht je vol ongeduld op het moment dat je je met de nodige Schadenfreude helemaal suf kunt lachen als al snel na aankomst in het godvergeten gat blijkt dat er voorlopig, zeg maar het eerste half jaar, nog geen internetverbinding of telefoon beschikbaar zal zijn;

* word je rood van plaatsvervangende schaamte als je ziet dat de emigranten de taal van hun nieuwe thuisland niet eens op Jip en Janneke niveau spreken, zodat zelfs iets simpels als het bestellen van brood bij de bakker leidt tot een gênante vertoning;

* aanschouw je met stijgend ongeloof dat ze in hun ontsnappingsroes gemakshalve al begonnen zijn met die mega-verbouwing van uitgeleefde koestal naar chambre d’hôtes maar vergeten zijn een vergunning daarvoor aan te vragen zodat de burgemeester in hoogsteigen persoon (dat besnorde mannetje in rubber laarzen) alles acuut stillegt;

* kijk je hoofdschuddend toe hoe er plots nietsvermoedende gasten (die overigens altijd allemaal uit Nederland komen, locals boeken dit soort localiteiten nooit) op de stoep staan van een onderkomen wat nog lang niet af is en waar je normaliter nog geen varken in zou laten slapen.

Ironisch genoeg ontdekken de nieuwkomers pas op de plaats van bestemming dat hun nieuwe thuisland vaak minstens even veel, zo niet méér regels heeft dan Nederland. De meeste stellen hebben zich echter geen enkele moeite getroost om op dit vlak vooraf netjes hun huiswerk te doen.

Opvallend is ook dat de emigranten er voetstoots van uit gaan dat het oer Hollandse adagium “afspraak is afspraak” ook deel is van het cultureel erfgoed van bijvoorbeeld Spanje. Denk je in de binnenlanden van Andalusië op maandag om 9.00 uur een afspraak te hebben met de loodgieter zodat die vervelende lekkage wordt verholpen, mag je blij zijn als hij ergens in die zelfde week nog komt opdagen. Als de gestreste man des huizes de loodgieter in kwestie eindelijk aan de telefoon krijgt en in gebroken Engels wanhopig vraagt wanneer hij dan wel komt, luidt het antwoord: “Mañana, mañana”. Ja, morgen is inderdaad weer een dag, maar wat onze Nederlandse vrinden dan nog niet weten is dat er niet letterlijk morgen wordt bedoeld. Vrij vertaald betekent het: “Ik zie wel óf en zo ja wanneer ik kom”.

Het succes van deze inmiddels beproefde formule is hoogstwaarschijnlijk te danken aan het gegeven dat alle kijkers, waarvan velen ongetwijfeld in een midlifecrisis verkeren maar nog in de ontkenningsfase zijn, stiekem precies dezelfde dromen hebben als de deelnemers. Alleen met dit verschil dat de kijkers er eindeloos over nadenken, praten en twijfelen om dan weer over te gaan tot de saaie maar o zo vertrouwde orde van de dag, terwijl de deelnemers de stap daadwerkelijk zetten.

Dankzij de tv-avonturen van de dappere deelnemers kunnen alle lafbekken, schrijfster dezes zeker niet uitgezonderd, voor een minuutje of vijftig ook hun droom – die doorgaans ook altijd alleen maar een droom zal blijven – leven en beleven. Kunnen ze eventjes proeven aan hoe het zou zijn om het écht te doen. En hopen ze eigenlijk dat de deelnemers niet slagen in hun missie als zelfstandig ondernemer in het buitenland. Want dan voel je je zelf meteen een stuk beter omdat je wordt bevestigd in je keuze voor de veilige status quo. Blijf zitten waar je zit en verroer je niet is zo gek nog niet, denk je dan zelfgenoegzaam terwijl je nog een lekkere hand pringles naar binnen werkt.

Andersom, als ze na overwinning van tegenslag wel succes hebben en geluk vinden in hun nieuwe bestaan, voel je je als achterblijver meteen een verliezer. Een sukkel omdat je het zelf niet probeert. Want diep in je hart weet je dat je inderdaad niks wint door nooit een uitdaging aan te gaan. Door nooit in het diepe te springen. Door nooit volledig je droom na te jagen.

Sommige deelnemers mogen dan amateuristisch te werk gaan in de uitvoering van hun plannen, ze beginnen zonder uitzondering wel allemaal met een sprankeling in hun ogen aan het avontuur. Ze zijn bereid er keihard voor te werken en door diepe dalen te gaan. Ze doen het toch maar.

Daarom maak ik een diepe buiging voor alle deelnemers aan “Ik Vertrek”. Respect!

Want per slot van rekening zit ik nog steeds op mijn bank.

© Pascale Bruinen

ik vertrek

 

Benieuwd wie van jullie ook graag kijkt naar andermans pogingen een mooi bestaan op te bouwen in het buitenland.

Advertenties

Crime Passionnel

“We gaan straks even naar de foire in Luik en daarna gezellig uit eten bij de Italiaan”, zegt mijn vader. Het is een koude, natte zondag in oktober, begin jaren tachtig. De foire, de grote Luikse kermis die bestaat uit één langgerekte aaneenschakeling van kraampjes, attracties en eetgelegenheden, is volop bezig. Altijd druk, rommelig en boordevol herrie.

“Hè ja, dat is leuk!”, roep ik uit. Niet dat ik ook maar ergens in wil. Ik ga vooral voor het sfeertje, de zoetigheden en niet in de laatste plaats voor de grijpers. Menig Belgische frank is in mijn jeugd al verdwenen in de krochten van die automaten in de hoop dat de metalen klauw deze ene keer wél dat oerlelijke pluchen beertje zou vastpakken en voor mij in de lade zou werpen.

Het grappige is dat we eigenlijk geen van allen houden van dit kermisvermaak. We lopen steevast maximaal een uurtje over de foire, puur voor de vorm en dan hebben we het alweer gezien. Met de vette walm van frites en oliebollen nog in onze kleren, maken we dat we zo snel mogelijk bij de Italiaan komen. De echte reden waarom we naar Luik zijn gegaan.

Mijn ouders komen al heel lang in dit etablissement dat nou eens niet die oubollige inrichting heeft met de obligate rood-wit geblokte tafelkleedjes en wijnkruiken aan het plafond. Ze zijn dol op de pasta’s, de osso bucco en de melanzane alla parmigiana. Ze zijn er vaste klant.

De laatste jaren mag ik tot mijn grote vreugde ook mee. De eigenaar, een trotse, knappe en goed geklede Italiaan, is altijd in zijn zaak aanwezig. Hij begroet ons altijd uitbundig, allerhartelijkst en bij naam. Zijn rijzige en donkere gestalte imponeert. Hij steekt in al zijn mannelijke elegantie schril af tegen zijn kleine, onopvallende en immer slordig geklede vrouw.

Telkens als ik die twee samen zie, vraag ik me af hoe ze bij elkaar zijn gekomen. Haar vale gezichtskleur doet vermoeden dat ze zelden buiten komt en haar warrige piekhaar geeft prijs dat ze niet bijster geïnteresseerd is in uiterlijk vertoon. En dat met zo’n echtgenoot. Ze lijken een nogal onwaarschijnlijke combinatie. Maar ja, les extrèmes se touchent, zullen we maar zeggen.

Jaren later besluiten mijn ouders er weer eens een keertje te gaan eten. Bij binnenkomst valt het mijn vader meteen op dat de eigenaar niet aanwezig is. En zijn vrouw is ook al nergens te bekennen. De enige bekenden die mijn vader wel ziet, zijn de inmiddels volwassen dochters van het echtpaar. Zij werken in de bediening.

Als een van de beide dames aan tafel komt om de bestelling op te nemen, kan mijn vaderhet niet laten om te vragen waar le patron is. Hij is anders toch altijd in de zaak?

De dochter kijkt hem vreemd aan, twijfelt even zichtbaar maar vraagt dan: “U bent niet van hier, hè? Dus u weet het nog niet”.

“Nee”, antwoordt mijn vader, “ik weet niks. Wat is er dan gebeurd?”

De dochter kijkt hem recht aan en zegt dan plompverloren: “Mijn vader heeft mijn moeder vermoord. Hij zit in de gevangenis”. Om vervolgens doodgemoedereerd verder te gaan met de tafel te dekken.

Later horen we de rest van de gruwelijke details, die zo uit een film noir zouden kunnen komen. Blijkt dat de knappe Italiaan zijn lelijke echtgenote op heterdaad heeft betrapt toen ze “het” deed met – jawel, ik verzin dit niet – de al even lelijke kok van zijn restaurant. Nota bene in de echtelijke sponde. Waarop de knappe Italiaan zich op zijn hielen omdraaide, zijn dubbelloops jachtgeweer haalde en ze allebei ter plekke doodschoot. En voilà, een nieuwe filmtitel is geboren: the cook, the murderer, his wife and her lover.

Volgens de Belgische strafwet een echte crime passionnel waarvoor strafvermindering geldt. De knappe Italiaan was na niet al te lange tijd weer vrij man en zou destijds zijn teruggekeerd in zijn restaurant.

We zijn er nooit meer teruggegaan. Zo’n tagliatelle al salmone hapt toch anders weg als je je realiseert dat het wordt geserveerd door iemand die een dubbele moord op zijn geweten heeft.

Zijn gerechten waren altijd al to die for. 

Maar je kunt het ook overdrijven.

© Pascale Bruinen

Dit is nog een onschuldige verbeelding van het thema…

Tijdelijk gesloten wegens verbouwing

Wie pubers thuis heeft, zal beamen dat zij vaak in een omgedraaide wereld lijken te leven. Logica is ver te zoeken; wat vroeger heel gewoon was, is nu off limits en de enigen die hun onsamenhangende verhalen begrijpelijk vinden, zijn zij zelf. Ik betrap me erop dat ik een paar keer per dag zo’n moment heb dat ik niet weet wie er nu gek is, mijn puber of ik. We zitten niet op verschillende planeten maar in compleet andere melkwegstelsels.

De reden voor al dit fraais? Hun brein is tijdelijk gesloten wegens verbouwing en wel eentje die in het ergste geval zo’n dikke zes, zeven jaar kan duren. Zo creëer je meteen een nieuw programma. Wat te denken van “Help, mijn puber is klusser!”, “Van probleemgeval tot droompuber” of “Red mijn puberverbouwing”? Aan inspiratie geen gebrek. Ik hoef alleen maar om me heen te kijken, goed te luisteren en iedere puberale oprisping meteen op te schrijven om zo een paar scènes te hebben.

Scène 1: dochterlief werkt als vakkenvuller en vertelt over de man die de baas is over de vulploeg.

Ik: “Is dat een jonge man?”

Dochter: “Nee”.

Ik: “Hoe oud is hij dan?”

Dochter: “In de twintig”.

En bedankt.

Scène 2: ik heb een discussie met dochterlief over hoe lang je ballerina’s door kunt  dragen.

Ik: “Dan doe je als het kouder wordt toch een pantykousje in je ballerina’s?”

Dochter: “Nee, dat wil ik niet, die zijn glanzend”.

Ik: “Niet altijd, die zijn er ook in mat”.

Dochter: “Mat is ook glanzend”.

Tja.

Scène 3: zoon reageert op opmerking dochter die meldt dat ze blokuren heeft waarbij ze hetzelfde vak twee uur achter elkaar in hetzelfde lokaal heeft.

Zoon: “Het is veel chiller om verschillende vakken achter mekaar te hebben”.

Ik: “Hoezo?”

Zoon: “Als je van les wisselt, wissel je tenminste van lokaal en zijn zo al tien minuten om!”

Ik: “Dan zijn er nog steeds 40 minuten over”.

Zoon: “Maar niet als je tegen het einde ook nog even naar de WC gaat!”.

Tegen zoveel naakte ambitie kan ik niet op.

Los van dit soort hoogstaande dialogen moet er ook nog opgevoed worden. Zodra ik een dappere poging daartoe doe, word ik de laatste tijd door mijn pubers steevast ge-eyeballed.  Oftewel de ogen worden – half geloken – dramatisch ten hemel geslagen als non-verbaal teken dat ik totale bullshit uitkraam. Als ze tenminste niet al schouderophalend de kamer hebben verlaten midden in een van mijn preken. En ja, natúúrlijk laat ik ze onmiddellijk terugkomen en hef ik mijn “Jij-loopt-niet-weg-als-ik-tegen-je-praat”-speech aan. Compleet met priemende wijsvinger. En ja, uiteráárd horen ze dit totaal ongeïnteresseerd aan omdat ze ieder woord zelf al uitspreken nog voordat ík het heb kunnen zeggen.

Bijzonder knap is dat pubers, ondanks hun interne verbouwing, het multi-tasken toch tot kunst hebben weten te verheffen. Zo vindt mijn zoon de ultieme ontspanning door te laptoppen met de muziek aan terwijl achter hem (!) de tv loeit. Of doet mijn dochter met één hand mascara op terwijl ze met de andere hand blind een what’s app bericht typt op haar gsm. Ik doe het ze niet na. Niet dat ik niet weet hoe ik met één hand mascara op moet doen, maar vooral omdat ik nog steeds geen clou heb hoe ik moet what’s appen. Maar dat terzijde.

De verbouwingswerkzaamheden zorgen er ook voor dat mijn pubers niet vooruit te branden zijn. Dit in pijnlijke tegenstelling tot vroeger toen ze altijd lekker buiten aan het rennen en ravotten waren. Het bed is nu hun beste vriend. Daar storten ze zich – mét hun onafscheidelijke smartphone – op zodra ze thuis komen, maken ze huiswerk en zappen ze eindeloos langs alle tv-kanalen terwijl ze de laptop op schoot hebben.  Of om met Fabulous Mama Magazine te spreken: het leven was een stuk gemakkelijker toen apple en blackberry nog alleen maar vruchten waren.

Dat dit soort puber-toestanden niet tot Nederland beperkt blijven, blijkt als we afgelopen zomer bij Catalaanse vrienden logeren. Die hebben een veertienjarige puberzoon die hun met zijn ledigheid af en toe tot wanhoop drijft. Terwijl zij zich iedere dag een slag in de rondte werken, moeten ze bij thuiskomst lijdzaam toezien hoe zoonlief alleen maar op de bank tv ligt te kijken of te playstationen. Wat hem prompt de titel “Koning van de Sofa” oplevert.

Hij is er nog trots op ook.

© Pascale Bruinen

Gelukkig is de verbouwing op een gegeven moment ein-de-lijk achter de rug. En als de stofwolken zijn opgetrokken, zou het zomaar kunnen dat je puber ineens wel aanspreekbaar is en zowaar kan plannen, organiseren en gevaren kan inschatten.  Nu bevestigt de uitzondering altijd de regel, dus ik ben benieuwd wie pubers heeft die hoegenaamd geen last hebben van verbouwingsperikelen?

Skiën (2)

Terwijl ik steeds sneller en sneller achterstevoren op mijn ski’s de besneeuwde berg afglijd, staat H. boven nietsvermoedend te keuvelen met onze skileraar. In een reflex roep ik heel hard om hulp.

Het volgende moment zie ik dat ze allebei naar me kijken en hoor ik de geblondeerde Heineken-reclame-kloon met een sappig Zwitsers accent roepen dat ik me moet laten vallen.

Ik besluit dit advies meteen op te volgen voordat er echt ongelukken gebeuren dus gooi ik me weinig stijlvol opzij in de sneeuw. Au! Dat wordt een blauwe plek. Ik zie dat ik ongeveer één derde van de piste naar beneden gegleden ben. Tjonge, jonge, hoe moet ik nu weer boven komen?

Maar dat is nog het minste van mijn problemen, merk ik als ik probeer op te staan. Want mijn stokken liggen her en der verspreid en zodra ik recht probeer te komen, glij ik weer een stukje verder naar achteren. Oh oh, dit is een ramp. Wat moet die skileraar wel niet denken? Stel je niet aan, zegt een stemmetje dat mijn onbezorgde ik moet voorstellen, je hebt toch niet voor niks skilessen geboekt? Je bent een beginneling, dan gebeuren deze dingen. Ja, maar ondertussen heb ik een achterlijke eerste indruk gemaakt en dat kan ik niet uitstaan.

Net als ik weer een heldhaftige poging wil doen om op te staan, word ik bedolven onder een sneeuwdouche als skileraar Rudi op een paar centimeter afstand flitsend tot stilstand komt. “Grüssli!”, roept hij vriendelijk naar mijn in een nogal onnatuurlijke houding gestrekt liggende gestalte. Nou, ook gegroet. Heel prettig dat mijn eerste ontmoeting met degene die mij de fijne kneepjes van het lange lattenwerk moet gaan bijbrengen, er eentje is waar ik het schaamrood van op mijn kaken krijg.

Hij reikt mij mijn stokken aan, instrueert dat ik dwars op de helling moet gaan liggen en mijn ski’s op de kanten moet zetten. Pluspunt: ik kan opstaan en glij ook niet weg. Minpunt: ik moet dat hele klere-eind terug naar boven lópen. En wel zoals een krab. Dwars, ski voor ski.

Tegen de tijd dat ik eindelijk boven ben aangekomen, ben ik bezweet en buiten adem van de inspanning. H. heeft er daarentegen al een halve les op zitten. Ik zie dat hij al kan remmen en zelfs een klein beetje sturen. Bah. Het is gewoon niet eerlijk.

Maar er is geen tijd meer om te mokken. Heineken Rudi blijkt in het echt Enrico te heten en heeft er zin in. Hij spreekt met zo’n sterk Zwitsers accent dat ik in het begin goed mijn best moet doen om überhaupt te verstaan wat hij zegt. Wat me trouwens laat denken aan die kennis die eens de blunder van zijn leven maakte door aan een rechtgeaarde Zwitser te vragen of deze “kein normales deutsch” kon praten. Omdat ik niet levensmoe ben, zal ik deze vraag maar niet aan Enrico stellen. Geroutineerd legt hij uit wat de ski-houding inhoudt en hoe je moet remmen. Even later maak ook ik keurige stops in een v-vorm.

De volgende dag begint het serieuzere werk. Vandaag moet ik leren sturen en bochten maken. Liefst meteen zo’n vloeiende die ik overal op de pistes tot vervelends toe heb mogen aanschouwen. Enrico instrueert en doet het voor. Het lijkt zó simpel. Maar schijn bedriegt ook deze keer.

Want als het mijn beurt is, kan ik wel naar links en rechts sturen, maar krijg ik het maar niet voor elkaar om vloeiende bochten te maken. Ik zet mijn stok precies zo neer als Enrico zegt, verplaats mijn gewicht keurig op tijd en kom even iets meer rechtop. Ik draai inderdaad maar desondanks blijft het er houterig uitzien. Terwijl ik voortploeter, zie ik tot overmaat van ramp dat zelfs kleuters – nota bene zonder stokken! – de piste met ware doodsverachting af zoeven. Waarom kan ik dat dan niet? Na elke bocht die ik met horten en stoten maak, raak ik gefrustreerder. En Enrico heeft dat feilloos in de gaten.

“Sie müssen ein anstrengender Beruf haben”, zegt hij fijntjes terwijl hij mij onderzoekend aankijkt als ik verbeten aan mijn zoveelste poging begin. Verdraaid, onze Enrico heeft meer mensenkennis dan ik dacht. Met dank aan de cliché-beeldvorming in de Heineken-reclame. “Ja, das stimmt”, zeg ik daarom maar, zonder precies te zeggen wat ik in het dagelijks leven doe. Maar ik ben nu gewaarschuwd. Enrico herkent mijn A-typetje als geen ander.

Hij besluit ons een nieuwe opdracht te geven. Als we bovenaan de berg staan, moeten we in een rechte lijn naar beneden skiën. Ik gaap hem aan alsof ik water zie branden. “Hoe bedoel je, in een rechte lijn? Geen bochten?”, vraag ik naar de bekende weg om tijd te winnen. Ik voel mijn ongerustheid als een lawine op me af komen. Maar nee, Enrico is onverbiddelijk. De ski’s moeten parallel met de punten naar het dal wijzen en dan gaan met die banaan. Enrico legt nog vrolijk uit dat dit de “Fall-linie” heet. Goh, waarom ben ik daar nou niet verbaasd over?

Als hij vervolgens vraagt wie van ons tweeën als eerste wil,  roep ik natuurlijk meteen “Ich”,  hoewel ik verrek van de angst. Maar ik stik nog liever in de sneeuw dan dat ik dit hier ga toegeven. Beter vol bravoure op mijn snufferd gaan dan dat ik als watje word weggezet.

Ik verschuif mijn skibril nog maar eens, omklem mijn stokken en zet met een ferme beweging van mijn armen af. Ik zal Enrico en H. eens een poepie laten ruiken. Ik mag dan wel het betere bochtenwerk niet beheersen, me als een baksteen naar beneden storten kan ik als de beste. Ik hoor de wind steeds harder langs me gieren, zie medeskiërs alleen nog als gekleurde vlekken en voel de ijskoude lucht in mijn longen stromen. Naarmate ik langer overeind blijf, word ik zelfs een beetje overmoedig. Dieper en dieper buig ik in de skihouding door, zodat ik nog minder luchtweerstand ervaar. Met deze snelheid en mijn stokken geklemd onder mijn armen ben ik de vleesgeworden aërodynamica. Robert Redford’s down hill skier is er niks bij. Wow, wat een kick!

Even later staat Enrico naast me. Hij kijkt me verrast en – zie ik het goed? – zelfs ietwat bewonderend aan. Há! Dát had hij zeker niet achter mij gezocht. “Das haben Sie aber gut gemacht!”, complimenteert hij me. Als ik niet al vuurrode wangen had van de kou, zou ik ze nu wel krijgen van pure blijdschap. Heb ik toch nog íets goed gedaan.

Met dank aan mijn “anstrengender Beruf”.

© Pascale Bruinen

Kek plaatje, niet? Nou, zo ging ik ook die berg af, met een waar killer instinct. Misschien zijn er meer lezers, met of zonder anstrengender Beruf, die als een speer op de ski’s naar beneden zijn gegaan. Ben benieuwd naar jullie ervaringen! 

Skiën (1)

Als ik iets doe, wil ik het goed doen. Nee, correctie. Liever nog perfect en wel meteen. Zo had ik een tijd terug het idee opgevat om weer eens te gaan skiën, dit keer voor het eerst samen met H. en de kids. Lekker sportief in de tintelfrisse buitenlucht en tegen de adembenemende achtergrond van besneeuwde alpentoppen naar beneden zoeven in soepele s-bochten. Wat is er heerlijker, gezonder en ontspannender dan dat?

Klein puntje is wel dat ik inmiddels al dik thirty-something was en mijn recentste ski-herinnering dateerde van toen ik een fietsenrek in mijn mond had. Mijn laatste heroïsche daad op de wintersport bestond er uit dat ik als zevenjarige pisnijdig mijn skistokken over de piste smeet uit protest dat de les al was afgelopen. Ze scheerden rakelings langs mijn skileraar. Over ambitieus gesproken.

Zoveel jaar later is mijn hernieuwde kennismaking met de lange latten geen, hoe zal ik het zeggen, onverdeeld succes.

Het begint er al mee dat het verdomd hard werken is, dat skiën. Ongelofelijk hoe je moet slepen, sjouwen en sjorren. Niet alleen met je eigen gewicht dat door thermisch ondergoed, lange sokken, zo’n charmant gewatteerd skipak, fleecetrui, sjaal, muts, wanten en niet te vergeten die fijne lichtgewicht schoenen zo goed als verdubbeld is. Maar ook met die zware, absurd lange en dus onhanteerbare latten, om nog maar te zwijgen over die stokken die alle kanten op slingeren.

Zo gebeurt het dus dat ik – ingepakt als een eskimo – in de verwarmde kelder van het hotel eerst probeer om in mijn ski-schoenen te komen. Met de nadruk op probeer want het is voorwaar geen sinecure met alles wat ik aan en om heb. Zodra ik die krengen dichtklik, heb ik er al spijt van. Ik voel namelijk een onaangename druk op mijn scheenbenen die alleen wegebt als ik de skihouding aanneem. Maar ja, ik kan moeilijk met gebogen knieën en pront uitstekend achterwerk door het dorp gaan lopen.

Inmiddels zweet ik onder mijn thermisch ondergoed als een otter van alle inspanningen in die benauwde kelder en ik heb nog geen meter geskied. Nu de latten en stokken nog even erbij nemen en hop, de wei in met die alpengeit.

Ik kom er al gauw achter dat het lopen met skischoenen een vak apart is. Als ik in een overdreven hak-teen hak-teen gang voort zwoeg op dat middeleeuws martelwerktuig, voel ik me net Neil Armstrong die op de maan loopt. Alleen de astronautenhelm ontbreekt nog. It’s one small step for a woman, but a giant leap for Pascale. Zoiets.

Volgend puntje is dat het bar koud is buiten met een wind die de gevoelstemperatuur tot antarctische temperatuur omlaag brengt. Als ons gezelschap op de ski-bus wacht en ik ondanks mijn imposante gestalte bijna wegwaai, vraag ik me af waarom ik dit ook alweer zo nodig wilde.

Ik strompel de bus in en sla bij het instappen met mijn ski’s per ongeluk tegen het raam aan, wat mij prompt op verontwaardigde blikken van mijn medepassagiers komt te staan. Ik mompel “Entschuldigung” en tracht te gaan zitten. Mijn skischoenen zorgen er echter voor dat ik alleen in een onderuitgezakte “kan-me-niks-schelen” houding kan zitten. Als mijn buurman bij het uitstappen bijna zijn nek breekt over mijn asociaal gestrekte benen, ben ik blij dat ik de bus gezond en wel kan verlaten zonder gelyncht te zijn.

Nadat we ons kroost hebben achtergelaten in een skiklasje, kijk ik eens om me heen naar het gekrioel van mannen, vrouwen en kinderen die allemaal maar één doel voor ogen hebben: de dichtstbijzijnde skilift bereiken en wel zo snel als je skischoenen je dragen kunnen. Wat niet erg snel is. Maar zie, de slimmeriken stappen alvast in hun ski’s en begeven zich naar de lift, een eindje verderop.

Omdat wij met onze skileraar boven hebben afgesproken, besluiten we dit voorbeeld te volgen. Ik gooi de latten neer en klop geroutineerd de sneeuw van mijn schoenen voordat ik ze vastklik in de ski’s. Zo, dat is een makkie. Dat ziet er alvast geroutineerd uit. Ik zet me af met mijn stokken en glijd soepeltjes in de richting van de sleeplift. Daar héb ik toch een hekel aan. Achter mekaar in de rij als een stelletje makke schapen en dan één voor één zo’n stomme stang tussen je benen duwen. Maar ja, je zult toch eerst die berg óp moeten voordat je eraf kunt.

Bij de lift glibber ik natuurlijk meteen te ver door, zodat ik met de punten van mijn ski’s over de achterkant van die van mijn voorganger schuur. Hij werpt me een dodelijke blik toe. Ik mompel weer “Entschuldigung”, wat deze reis mijn stopwoordje dreigt te worden.

Zo goed en zo kwaad als dat gaat met mijn wegglijdende ski’s en twee onwillige stokken die ik onder mijn arm moet klemmen manoeuvreer ik me in het daarvoor bedoelde spoor. Ik kijk over mijn schouder, gefocust op de eerstvolgende stang. Je moet namelijk goed opletten dat je dat metalen anker niet tegen je harses krijgt en dan ook nog de tegenwoordigheid van geest hebben om dat ding precies op het juiste moment te pakken.

Ja! Daar komt ‘ie! Ik grijp de stang alsof het mijn laatste strohalm is en even later voel ik een kleine ruk als ik word voortgetrokken. Mijn euforisch gevoel dat het meteen gelukt is, duurt niet lang want het volgende moment gaan mijn ski’s uit elkaar, ieder een andere kant op. Even dreig ik zó’n onvrijwillige spagaat te gaan maken dat compleet inscheuren na een bevalling daarmee vergeleken een piece of cake is. Maar met wat halsbrekende toeren slaag ik er wonder boven wonder toch in mijn latten terug te dringen in het spoor.

Bijna boven aangekomen let ik scherp op mijn voorgangers. Hoe verlaten die de lift? Ik zie het al, het is gewoon een kwestie van op tijd loslaten! En meteen weg skiën, stel ik ongerust vast. Als dat maar goed gaat. Ik ben er nu bijna. De clou is dat je niet  te vroeg loslaat (want dan glij je achteruit de berg af en komt er een kettingbotsing in de sleeplift), maar zeker ook niet te laat (want dan ga je in een noodgang de berg aan de verkeerde kant af).

Ik haal de stang tussen mijn benen uit, laat me nog even verder trekken en laat dan los. Ik zet me met mijn stokken af, naar ik hoop naar rechts waar de piste wacht. Maar mijn ski’s lijken een eigen leven te leiden want de bocht lukt niet echt. Zodoende kom ik loodrecht op de berg te staan en begin ik tot mijn schrik achterstevoren naar beneden te glijden. “H., héllup! Help me!”, roep ik nog, maar H. is wél keurig opzij geskied en staat zelfs al gezellig met een man te keuvelen.

Ik kijk naar het overduidelijk geblondeerde haar, het felrode skipak en de überflitsende skibril van de man in kwestie.

Oh mijn God. Ook dat nog.

Het is onze skileraar.

© Pascale Bruinen

Om nou te zeggen dat ik er precies zo uitzag is een tikkeltje overdreven maar wel ongeveer. Enige verschil was dat dit figuur er kennelijk wel nog mee kon lachen. Nu de tijd van wintersport weer gaat aanbreken, zou het leuk zijn om jullie skiverhalen te horen. Dus als je iets wilt delen, laat dan een reactie achter!