Freestylen

Zoonlief heeft morgen een spreekbeurt. Omdat hij, zoals gewoonlijk, alles tot het laatste moment uitstelt heeft hij niks meer te kiezen. Hij krijgt dus het onderwerp dat als laatste nog over is. Ritueel slachten.

“Ik moet een betoog houden en stel me op het standpunt dat ik voorstander ben”, zegt hij als hij even beneden in de keuken is om te graaien en te snaaien.

“En bén je voorstander ervan?”, vraag ik, terwijl ik verbaasd toekijk hoe hij er binnen een halve minuut in slaagt een banaan, een handvol walnoten en een groot glas melk weg te werken.

“Kuhwejnie”, komt er al kauwend uit. Hij slikt de laatste hap door en zegt: “Gewoon slachten is ook geen feest voor die dieren, hoor. Krijgen ze een pin in hun kop”.

“Ja, dat is waar maar dat weerhoudt je er niet van vlees te eten, toch?”, vraag ik naar de bekende weg. Als er namelijk eentje binnen ons gezin een echte carnivoor is, is het zoonlief wel.

“Nee, zeker niet. Maar ik moet toch iets zeggen en dit lijkt me wel chill.  Vrijheid van godsdienst en zo”. Hij schenkt een tweede glas melk in.

Vrijheid van godsdienst en zo? Ik mag toch hopen dat zijn spreekbeurt, die hij binnen vierentwintig uur vanaf nu moet houden, ietsje dieper gaat dan dit soort nikszeggende puberkreten.

“En ga je het helemaal uit je hoofd leren?”, floep ik er uit. Oh oh. Helemaal fout natuurlijk. Aaaaahhh. Waarom leer ik sommige dingen nooit af? Mentaal zet ik me schrap voor wat komen gaat.

Hij zet zijn glas net ietsje te hard neer en roept: “Ben je gék?! Tuurlijk niet. Dat is ook juist niet de bedoeling, hoor! Het moet uit de losse pols. Ik schrijf wat steekwoorden op en dan zal het wel goed komen. En in het uiterste geval kan ik altijd nog freestylen”, besluit hij, terwijl hij een ferme greep doet naar de blauwe bessen.

“”Freestylen?”, vraag ik in opperste verbazing, “wat is dat nu weer”?

“Dat betekent dat als je het niet meer weet, je gewoon wat verzint”, antwoordt hij alsof het de normaalste zaak van de wereld is. “Of je vertelt gewoon weer hetzelfde maar dan in een andere context”, voegt hij er op zijn Cruijffieaans aan toe. Om daarna met enige gepaste trots af te sluiten met: “Ik heb dat zelf bedacht, de term komt uit de hip hop”.

Geweldig. Mijn zoon knoopt zonodig al freestylend zijn spreekbeurt met verzinsels en herhalingen aan elkaar. Super. Ápetrots voel ik me. Al moet ik tegen mijn zin bekennen dat de term leuk gevonden is. “Ik voel een nieuwe column opkomen. Ik zie de kop al voor me”, grinnik ik, terwijl ik in één vloeiende beweging de bak met aardbeien net op tijd buiten zijn bereik zet.

Hij verslikt zich prompt in een van de bessen, die meteen zijn keel inglijdt. “Gast, ik moet echt oppassen met wat ik hier zeg”, roept hij als hij uitgehoest is. “Maar ik ben de beroerdste niet. Je mag het gebruiken voor je column, hoor”.

Ach, dat is dan toch weer lief van hem, denk ik bij mezelf. En zo onzelfzuchtig! In een vlaag van affectie schuif ik de bak aardbeien weer naar hem toe.

“Maar dan heb ik wel recht op een percentage van wat jij ermee verdient!”, roept hij uit. En weg is hij.

Mét de aardbeien.

© Pascale Bruinen

Ik gok dat er meer ouders zijn met freestylende pubers in huis. Mocht je die onvergetelijke ervaringen willen delen, dan vind je hier je forum!