Het Spookhuis

Onderstaand verhaal (waarvan ik letterlijk de tekst heb overgenomen) schreef ik toen ik een jaar of 10 oud was. Het belandde destijds zelfs in het schoolkrantje van mijn basisschool. Daarmee is dit mijn allereerste officiële publicatie als schrijfster (en nog wel zelf getypt op mijn vaders typemachine)!

Zoals alle meisjes van die leeftijd was ik een paardengek. Iedere zaterdag ging ik ponyrijden, het hoogtepunt van mijn week. Daarnaast las ik alles wat los en vast zat over paarden en miste ik geen aflevering van Black Beauty, de serie die ging over een jonge meid en haar zwarte paard. Mijn verhaal is daar “losjes” op gebaseerd, ben ik bang.

Natuurlijk heb ik mijn ouders jarenlang gek gemaakt om een paard of pony te kopen. Maar verder dan een hoofdstel ben ik helaas nooit gekomen.

Lees en huiver!

Het Spookhuis

“Jane”, riep mevrouw Stone, “Jane, kom je nog of wil je soms te laat komen?”

“Ja, ja”, zei Jane verstoord. Ze was verdiept in een artikel waarin iets stond over een spookhuis in Dartmoor. Jane at vlug het laatste hapje van een boterham, dronk een slok thee, kuste haar moeder goedendag en liep naar de stal. Daar stond Bliksem, haar paard, gezadeld en al. “Aha, dat is werk van moeder, dat is toch een schat”, dacht Jane. Ze stapte op, gaf het paard de sporen en daar gingen ze.

Om vier uur kwam ze uit school. Thuis aangekomen zette ze Bliksem in de wei en liep naar de deur. Ze liet de klopper vallen. “Banggggg”, deed het hard. Jane, die er aan gewend was dat er direct iemand naar de deur kwam, keek verbaasd toen het alsmaar stil bleef. Nog eens liet ze de klopper vallen, maar het had geen zin. Pas toen zag ze een briefje waarop stond: “Ben naar oma. Kom om zes uur pas terug. Sleutel ligt onder de mat. Mama.”

Jane’s gezicht betrok, maar klaarde al snel weer op: ze was een avonturierster en dacht weer aan dat artikel uit de krant. Dat was nu net wat voor haar….

Ze liep naar de wei. Haar besluit was genomen: ze zou naar het spookhuis gaan. Ze stapte op en reed weg. Bomen en struiken schoten voorbij. Onderweg dacht Jane: “Zes uur. Dan moet ik terug”.

Na een half uur kwam ze in Dartmoor. Dartmoor is een gebied in Engeland waar moeras en kale stukken zich afwisselen. Na een poosje te hebben gereden zonder iets te hebben gezien, kwam ze bij een oud uitziend herenhuis. Het was kennelijk verlaten (opmerking: het woord “kennelijk” stond er destijds echt al in, ongelofelijk maar waar). Ze stapte af, bond Bliksem aan een boom en liep naar het huis. De schemer begon al te vallen. De wind gierde om het huis. Ze keek eens door een van de kapotte ramen.

“Wat een troep, als mama dit zag, zou ze meteen beginnen te poetsen”. Ze raapte al haar moed bijeen en deed de deur open, wat bepaald niet ging zonder gepiep of gekraak. Wolken stof dwarrelden door Jane’s gezicht. Ze kuchte eens. Dan……………

Zag ze daar niet iets bewegen? Of was het maar inbeelding? Jane hoopte op het laatste. Ze liep verder, naar de woonkamer, waar ze de overblijfsels zag van de meubels. Toen kwam ze in een gang, waar allemaal harnassen stonden. Ineens….banggggg…..daar viel een vizier dicht! Jane schrok zich een aap. Ze besloot het maar te vergeten. Het zou wel toeval geweest zijn.

Maar dan vloog de deur achter haar dicht. Ze liep ernaar terug en trok aan de deurknop. Deze zat muurvast. De gang scheen nergens op uit te komen, want er was geen andere uitgang. Verdrietig en angstig tegelijk ging ze op de grond zitten. Was ze hier maar nooit aan begonnen.

Eensklaps hoorde ze voetstappen. Ze kwamen steeds dichterbij….Het klonk harder en harder…..Het was nu heel dichtbij. Toen begon het tegen de deur te schoppen. Jane was nu zo bang geworden, dat ze haar ogen maar dicht deed. Ineens vloog de deur open. Jane stond verstijfd van schrik. Toen hoorde ze haar paard hinniken. Ze deed haar ogen open en wat zag ze? Haar paard was naar binnen gekomen! Het was natuurlijk ongerust geworden, omdat het baasje zo lang weg bleef. Toen was hij maar naar binnen gegaan om eens te kijken waar het vrouwtje was; nou, dat was hem aardig gelukt ook.

Jane schreeuwde van vreugde: “Oo Bliksem, hoe heb je me kunnen vinden. Je bent het knapste paard van de hele wereld.”

Ze keek op haar horloge. Half zeven al….. Wat zou moeder ongerust zijn. Ze pakte haar paard bij de teugels en liep snel naar buiten. Daar stapte ze op en reeds snel weg. Na een half uur kon ze haar huis al in de verte zien liggen. Hoewel het al donker werd, kon Jane een gestalte wild zien staan zwaaien voor het hek. Dat was haar moeder.

Bij het hek aangekomen vroeg deze met ongeruste stem: “Kind toch, waar ben je al die tijd geweest?”

Nou, dacht Jane, ik zal maar alles vertellen. En toen ze uitverteld was, zei moeder een beetje bestraffend: “Laat het een les voor je geweest zijn. Ga nooit meer zonder toestemming ergens heen. Begrepen?”

“Ja, mams”, zei Jane.

Sinds dat voorval had Jane veel minder belangstelling voor spookhuizen.

E…i…n…d…e…..

Het spookhuis

Zo zag het er destijds in het schoolkrantje uit.

Lettervreter

Leesmonster. Paginaverslinder. Lettervreter. Als kind leed ik al aan boekenboulimia. Ik vrat ze gulzig op en voordat ik ze goed en wel had verteerd, spuugde ik ze alweer uit. Hunkerend naar meer.

Als een rupsje nooit genoeg verorberde ik alles wat maar een kaft had. Gelukkig kreeg ik met mijn verjaardag en met Sinterklaas altijd boeken cadeau. Maar als jeugdige leesverslaafde redde ik het daar niet mee dus restte mij niks anders dan de gang naar de bibliotheek. Daar leende ik telkens het toegestane maximum aan boeken. Ruim vóór de terugbreng-datum had ik ze al uit en ruilde ik ze steevast in tegen een set verse.

Ah, de bieb. Mijn bieb was klein maar ik vond hem indrukwekkend.  Dat kwam door een paar dingen. Een ervan was de geur. Die onmiskenbare mix van papier en inkt gemengd met de reuk van natte regenjassen die op de verwarming lagen te drogen. Een vertrouwde, warme maar tegelijkertijd opwindende sensatie voor mijn kinderneus.

Een ander was de stilte. Het had bijna iets voornaams, iets plechtigs. Alsof ik in een kerk was. Alleen werd hier niet de heilige mis opgedragen aan God, maar aan Het Boek. Ik ging er als vanzelf van fluisteren. Als ik überhaupt al iets zei. Want eenmaal binnen had ik alleen oog voor de afdeling kinderboeken, waar de ene titel nog meer naar me leek te lonken dan de andere. Als gehypnotiseerd staarde ik naar alle delen van Puk en Muk, Wipneus en Pim en “de vrolijke postbode” Pietje Puk. Of ging ik door alle delen van Pietje Bell.  Daarna kreeg ik wat ik mijn kostschool-fase noem en las ik alles van Enid Blyton (“De Dolle Tweeling” en de hele Pitty reeks) of amuseerde ik me kostelijk met de stripavonturen van Bessie Turf, het eetlustige dikkertje dat – inderdaad – ook op kostschool zat.

Tussendoor verslond ik alle boeken van Pippi Langkous, Suske en Wiske, verhalen van Floris en Black Beauty (het paard uit de gelijknamige Engelse serie) en alles waar ik verder maar de hand op kon leggen.

Maar er is één kinderboek dat ik nooit ben vergeten en zeker zeven keer heb herlezen en dat is “Hijs de vlag, Corientje!” van Guus Betlem. Waarom? Omdat ik hardop moest lachen om de grappige avonturen van mijn heldin. Omdat ik even kon griezelen toen Corientje tijdens het collecteren voor het goede doel in het huis van een enge man terecht kwam (wat gelukkig goed afliep). Omdat ik me helemaal kon verliezen in het opwindende verhaal van kinderen die samen een vereniging voor dieren-in-nood oprichten.

Maar dit boek herinner ik me vooral vanwege een ontroerende scène als Corientje de kauw – een vogel die ze liefdevol heeft opgevangen en van alles heeft geleerd- weer vrij moet laten. Het ondeugende beestje is zo aan haar gehecht geraakt, dat hij eerst niet wil gaan. In plaats daarvan steekt hij zijn kopje in haar nek. Zó schattig en aandoenlijk. Pas na een aantal mislukte pogingen vliegt het beestje eindelijk echt uit. Tranen met tuiten heb ik gehuild, elke keer weer.

Dat is de universele kracht, macht en magie van een goed boek.

© Pascale Bruinen

leesmonster