Blauw op straat maar dan anders

Gefascineerd lees ik het artikel in deze krant over een arme en criminele wijk van de stad Pachuca in Mexico die onlangs in vrolijke kleuren is geschilderd. Mijn ogen worden op onweerstaanbare wijze getrokken naar de foto.

Deze toont een tegen een heuvel aangebouwd stadsdeel dat je tegemoet schittert in de kleuren geel, frisgroen, paars, roze, oranje, rood en blauw. Sommige huizen hebben zelfs een combinatie van tinten. Het kostte het kunstenaarscollectief German Crew 14 maanden schilderwerk om 20.000 liter verf op 1500 vierkante meter muur te krijgen. Het oogt als één gigantische regenboog. Het woord “schilderachtig” was zelden toepasselijker. Mijn humeur knapt er onmiddellijk van op.

Mijn wenkbrauwen gaan omhoog als ik lees dat de bewoners tijdens de make-over meer contact met elkaar zoeken en kinderen vaker buiten spelen. Niks bijzonders, zou je zeggen, ware het niet dat deze mensen vantevoren niet eens de deur uit durfden. De vrolijke kleuren van de woningen hebben geleid tot meer gemeenschapszin waarbij de wijkgenoten ook verantwoordelijkheid willen nemen voor hun veiligheid. Bijkomend voordeel is dat een aantal woningen dankzij de schilderklus nu ook gelegaliseerd is. Deze huizen zijn dus “bontgewassen” in plaats van wit. De projectleider, een ex-bendelid dat zijn leven een andere wending heeft gegeven door muurschilderingen en graffitikunst te maken, had nooit verwacht dat de schilderklus zo’n enorme impact zou hebben.

Vrolijke kleuren staan kennelijk niet alleen symbool voor een mooier leven, maar leiden ook daadwerkelijk tot een hogere bestaanskwaliteit. De limoengroene, koningsblauwe en lavendelpaarse tinten geven een gevoel van veiligheid. De roze, oranje en rode tinten bieden hoop aan een categorie mensen die eigenlijk al was afgeschreven.

Frisse kleuren zouden ook een lust voor het oog én een moodbooster kunnen zijn in verzorgings- en verpleeginstellingen, ziekenhuizen of gevangenissen, met alle positieve gevolgen van dien voor het gedrag van de bewoners. En het zou een geweldig idee zijn voor vele Nederlandse buurten die er met hun grijsgrauwe tinten verpauperd en liefdeloos uitzien en waar de criminaliteit welig tiert. Want een dergelijke deprimerende omgeving nodigt nu eenmaal niet uit om de best mogelijke keuzes te maken.

Dit voorbeeld leert ons dat vrolijke verftinten wel eens zouden kunnen leiden tot minder politie-inzet.

Blauw op straat, maar dan anders.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 20 augustus 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Blauw op straat

Liefdesverklaring (herpublicatie)

Carnaval. Het feest van meedoen. Van aanstekelijke uitgelatenheid. Schateren van het lachen, ongegeneerd flauwekul maken, je weer voor even kind voelen, oude bekenden zien, helemaal uit je dak gaan, je onderdompelen in de vrolijke mensenmassa’s buiten en binnen. Café’s binnen gaan waar je anders nooit komt, met wildvreemden de grootste lol hebben, met iedereen overal een praatje aanknopen. De zon die het licht weerkaatst van duizenden pailletten, de kakelbonte mengeling van kleuren, de vaandels en de vlaggen. Je als een vogel zo vrij voelen, de zalige zorgeloosheid, even nergens aan hoeven denken.

De vertrouwde muffe geur van de carnavalskleren in de koffer, de nostalgische reuk van schmink, de optochten uitlopen of er al halverwege uitgaan omdat het café lonkt, spontaan meegaan met een voorbijkomende polonaise, dansen en springen, inhaken met degene die toevallig net naast je staat, de ongelooflijke saamhorigheid, de ongekende humor. Altijd een warm bad, ongeacht de buitentemperatuur.

Muziek maken. Achter de muziek aan gaan. Swingen op de hypnotiserende schelle en doffe dreunen van een sambaband, allemaal samen hetzelfde liedje woord voor woord meeblèren aan de bar. De blije opwinding voelen als je het geschal van de trompetten hoort echoën tegen de eeuwenoude muren van de smalle sfeervolle straatjes, de overgave waarmee zelfs de slechtste muzikant de laatste noot uit zijn instrument perst. De bastonen van de grote trom die tot in je buik trillen. Muziek beleven in elke vezel van je lijf maar vooral in je ziel.

Kindertjes die het met de paplepel ingegoten krijgen, baby’s die te midden van de kakofonie van geluiden slapen als een roos in een tot mini-kasteel omgebouwde bolderkar. De heerlijk ouderwetse geur van knakkers uit een speelgoedpistooltje, de onvoorstelbaar mooie zelfgemaakte creaties, de ingewikkelde en soms loodzware constructies die mensen al die dagen meesjouwen, barbecuen midden op straat, de giechelende gezelligheid als je met z’n allen in de rij staat voor de wc, de boel op stelten zetten bij de Chinees, goedwillende “Hollanders” en buitenlanders liefdevol inwijden in de geheimen van onze allermooiste traditie.

De grappen en de grollen, straattheater op iedere hoek, spontaan met zijn allen touwtje springen in een steeg. Publiek wordt entertainer, de entertainer wordt publiek.

Maar ook het feest van kapot moe zijn, niet meer vooruit kunnen, het ijskoud hebben, door en door nat zijn, je gebroken voelen, pijn aan je voeten van het vele lopen, last van je rug van het staan en het gewicht van je carnavalspak, een keel als schuurpapier hebben, de gloeiende hitte als je met al je kledinglagen ergens naar binnen gaat, de doffe ellende als je in een veel te klein wc hokje al die lagen één voor één moet zien uit te doen waarbij je tamboerijn en andere toebehoren in de weg hangen.

De vette happen aan de kraam, de onvoorstelbare hoeveelheden rotzooi op straat, toch nog veel te veel glazen die kapot gaan (per ongeluk of expres), mensen die het nog altijd niet begrepen hebben en menen dat het “leuk” is een hoedje van iemand af te trekken of in iemands billen te knijpen. Sommigen, jong of oud, die ten onrechte denken dat in recordtijd dronken worden hier ook maar iets mee van doen heeft.

De pruik die al na vijf minuten jeukt als de ziekte, je portemonnee verliezen, de rest van de groep kwijt zijn (en dat soms niet eens erg vinden), de schmink en glitters er ’s nachts niet meer af krijgen, je huis bezaaid met afgevallen pailletten, plakkerige veren van boa’s, stukjes glas die uit je schoenzolen zijn gevallen, natte confetti-stukjes, modderige sneeuw. Overal kleren die ruiken naar de bekende mengeling van rook, bier en zweet.

Het feest van beschouwen. Zelf toeschouwer zijn. Je verwonderen. Bewonderen. Relativeren, filosoferen, diepe en serieuze gesprekken hebben terwijl je een kanariekooi op je kop hebt staan. Een duivel die kust met een bisschop. Rangen en standen die wegvallen. De verlegene toont zich extravert, de poetshulp is koningin. Mannen worden vrouwen, vrouwen worden mannen. Ongestoord zijn wie of wat je maar wilt. Het belangrijke wordt onbelangrijk en andersom. De ontroering als je kijkt naar al die lachende gezichten, naar mensen die onbekommerd plezier hebben.

Het is het allemaal en tegelijk is het zo veel meer dan de som der delen.

Een sentiment van chauvinisme, van oneindige liefde voor je stad, voor waar je vandaan komt. Een heel sterk gevoel van verbondenheid. En van trots. Trots op dit prachtige feest. Het gevoel van: dit is van en voor ons, voor iedereen die wil meedoen, dit pakt niemand ons meer af. Het gevoel van extase dat zich puur natuur van je meester maakt als duizenden kelen tegelijk uitbarsten in samenzang op een sprookjesachtig verlicht plein, het overweldigende gevoel ergens echt bij te horen.

Het surrealistische van de stilzwijgende afspraak om deze dagen uit alle windstreken verkleed samen te komen op een paar vierkante kilometer heilige grond. Net een suikerspin: zo hap je er in en zo is het weer weg. De vurige hoop er volgend jaar weer bij te mogen zijn. Telkens een paar stapjes vóór proberen te blijven op je eigen onontkoombare vergankelijkheid. Een gevoel van urgentie want alles kan zomaar ineens voorbij zijn. De tranen die onwillekeurig komen als je weer voor een jaar afscheid moet nemen van dit “feest der feesten”. Moegestreden van de vijfdaagse uitputtingsslag die je samen met al die andere gelijkgestemden onder alle denkbare weersomstandigheden hebt volbracht. Het doet pijn tot in het diepst van je wezen maar in je hart weet je: het is goed geweest. Je hebt je accu opgeladen, je hebt weer intens mogen beleven hoe het is om hiervan deel te mogen uitmaken. Je bent er weer bij geweest.

Het is een voorrecht. Elk jaar opnieuw. Geniet ervan.

© Pascale Bruinen

Dit prachtige schilderij van Robert Jan van Melle beeldt het carnavalsgevoel treffend uit. De vrolijkheid, uitgelatenheid en kleurenpracht. Ik zal ongetwijfeld nog vele andere ervaringen niet genoemd hebben die jullie hebben opgedaan met carnaval. Het is eigenlijk sowieso bijna onmogelijk om de geest van carnaval in woorden te vatten. Het is een cliché maar je moet het inderdaad zelf beleven om het te kunnen voelen. Toch kunnen jullie ook een poging wagen om je persoonlijke carnavalservaring te beschrijven. Geïnspireerd geraakt? Laat hier dan je reactie achter!