Voor altijd zusjes (1)

Ik zit rustig te werken achter mijn bureau als ik het telefoontje krijg. In het display van mijn gsm zie ik dat het mijn oudste zus is. Ze is net terug van vakantie. Gezellig, denk ik, meteen maar even kijken of we nog een shopafspraak kunnen vastleggen.

‘Hoi Jacky!’ roep ik uitgelaten zodra ik het gesprek heb aangenomen. Aan de andere kant blijft het echter stil. Of nee, wacht, ik hoor in de verte iets dat op een soort geritsel lijkt.

‘Jacky? Ben je daar?’

Ik luister met gespitste oren. Iemand ademt hoorbaar in en uit. Even gaat de absurde gedachte door me heen dat een of andere akelige hijger de mobiele telefoon van mijn zus in handen heeft gekregen en nu lukraak haar contacten lastigvalt. Maar dan hoor ik een gesmoorde snik en een bekende stem.

‘Het is helemaal mis, Pascale.’ Er klinkt meer gesnuif en ik besef dat ze aan het huilen is. Een microseconde later maken mijn hersenen de gevreesde connectie. Shit, ze heeft me gezegd dat ze meteen na haar vakantie naar die bus moest om mee te doen aan dat bevolkingsonderzoek naar borstkanker. O god, o god…

‘Dat meen je niet! Weet je zeker dat ze zich niet hebben vergist?’ vraag ik nog.

Maar vanbinnen weet ik het antwoord al. Een paar seconden geleden was ik nog in een staat van onbezorgde vrolijkheid. Nu voel ik me alsof een ijskoude hand langzaam maar zeker mijn keel dichtknijpt. Met horten en stoten vertelt ze dat ze op de laatste dag van haar vakantie iets raars had gezien aan de huid van een van haar borsten. Ze vertrouwde het niet helemaal, maar gelukkig had ze – stom toevallig – meteen na thuiskomst sowieso een afspraak staan voor het bevolkingsonderzoek. Daarna kreeg ze een telefoontje van haar huisarts dat ze op de foto aan een kant iets verontrustends zagen. Met een weinig overtuigend ‘Het kan ook iets goedaardigs zijn,’ verwees hij haar meteen door naar het ziekenhuis. Daar maakten ze met spoed nog meer foto’s en een echo, waarna ze een biopt namen.

Zojuist heeft ze in het ziekenhuis de uitslag daarvan gekregen, waarbij haar angstige voorgevoelens zijn bevestigd. Ze heeft een agressieve vorm van borstkanker.

Ik hoor het haar allemaal zeggen, maar kan er in de tussentijd met mijn gedachten niet bij. Het was toch gewoon een leeftijdsgebonden routineonderzoek? Daar ga je – tussen al je andere verplichtingen door – snel even heen, maakt die stomme, pijnlijke röntgenfoto’s met dat apparaat dat meer op een martelwerktuig lijkt en vervolgens krijg je de uitslag, die altijd goed is.

‘Niks aan de hand, mevrouw, bedankt voor uw bezoek!’

Alleen is het dit keer anders.

Het lijkt alsof ik langzaam vanbinnen verstijf. Ik voel tranen opkomen. Mijn kamergenoot ziet het en verlaat discreet onze gezamenlijke kantoorruimte. Mijn zus heeft kanker. Mijn zus heeft kanker. Mijn zus heeft kanker. Het lijkt wel een meditatiemantra, maar dan een hele gemene. Maar het volgende moment denk ik weer: heeft ze wel kanker? Misschien hebben ze het biopt verwisseld. Iedereen kan fouten maken.

‘Wat gaat er nu gebeuren?’ vraag ik huilend.

‘Ik moet terug naar het ziekenhuis en word dan waarschijnlijk eerst ingepland voor een borstbesparende operatie. Maar als daarna blijkt dat dit niet genoeg is, moet mijn borst er alsnog af. En daarna zal ik chemo moeten, ik…’ Ze maakt haar zin niet af. In plaats daarvan hoor ik een onderdrukte snik. Mijn dossiers, die voor me op mijn bureau liggen, lijken plots wel te zwemmen. Ik realiseer me dat ik wazig zie en wrijf met mijn vrije hand door mijn ogen.

‘Waar ben je nu? Moet ik naar je toe komen?’

‘Nee, laat maar. Ik ben nu thuis.’ Gelukkig is haar man bij haar. Een minuut later beëindig ik het gesprek met de belofte dat ik zo snel mogelijk langs ga, en het verzoek me te bellen zodra ze meer weet van haar bezoek aan het ziekenhuis. Ik druk op het rode telefoontje en zie in een flits dat we vier minuten en drieëntwintig seconden nodig hebben gehad om dit vreselijke nieuws te bespreken. Ik leg mijn gsm neer op mijn bureau en staar naar mijn aantekeningen die vijf minuten geleden nog o zo belangrijk leken. Ik heb geen idee wat ik nu moet doen. Verder werken heeft in ieder geval geen enkele zin want mijn concentratie is weg. Ik hoor een zachte klop op de deur en Roy, mijn collega, steekt zijn hoofd om de deur. In zijn hand heeft hij een glaasje water.

‘Kom maar binnen,’ zeg ik.

‘Slecht nieuws?’ vraagt hij terwijl hij de witte plastic beker voor me neerzet.

‘Mijn zus heeft borstkanker.’ Op de een of andere manier is het echt nu ik het hardop heb uitgesproken. Ik schrik er zelf van. Ik buk me om een zakdoek uit mijn tas te halen.

‘Jeetje! Wat erg. Waarom ga je niet naar huis?’

‘Ja, dat ga ik ook doen. Ik heb vanmiddag gelukkig geen verplichtingen.’ Ik drink een paar slokken water en snuit dan mijn neus. Vervolgens pak ik mijn jas en spullen en loop richting de deur.

‘Bedankt voor je goede zorgen.’

‘Geen dank en sterkte!’

Onderweg naar mijn auto strijden allerlei wilde gedachten in mijn hoofd om voorrang. Wat als ze doodgaat? Wordt ze ooit nog wel beter? Zal haar borst eraf moeten? Het is allemaal zó oneerlijk. Het nieuws komt nog extra hard bij mij binnen, omdat het juist samenvalt met het moment dat ik een hechte band met Jacky heb opgebouwd.

Ik kan het niet geloven.

© Pascale Bruinen

Volgende week kun je in deel 2 lezen hoe dit afloopt. Dit verhaal komt uit de bundel “Onveranderd Anders” (juli 2016), waarvan de opbrengst ten goede komt aan de Limburgse Toon Hermans Huizen. http://www.onveranderdanders.nl/

images-3

 

 

 

 

Hij wil de cel niet uit, maar in

Tijdens mijn ZSM-dienst belt de politie over een man die stennis schopt in een ziekenhuis. Hij eist hulp, maar na onderzoek blijkt hij niets te mankeren. Als men zegt dat hij het ziekenhuis moet verlaten, gaat hij in bed liggen en komt er niet meer uit.

De beveiliging belt de politie. Als die komt, vernielt hij diverse spullen en wordt hij aangehouden.

In de politiecel zwijgt hij als het graf. De crisisdienst wordt ingeschakeld maar constateert dat meneer geestelijk in orde is. Hij wil zelfs niet praten met een reclasseringsmedewerkster. Omdat het strafrechtelijk onderzoek is afgerond, wordt hij in vrijheid gesteld. Maar onze meneer weigert te vertrekken.

Omdat de politie geen liefdadigheidsinstelling is en haar cellen hard nodig heeft, wordt hij met zachte dwang uit de cel gezet en naar buiten begeleid. Intussen vraag ik me af hoelang we moeten wachten tot de volgende melding.

En inderdaad, binnen een half uur komt er een telefoontje dat meneer zich buiten schuldig heeft gemaakt aan schennis der eerbaarheid. Zodoende zit hij weer vast, dit keer zelfs in adamskostuum omdat hij al zijn kleren heeft uitgedaan. Omdat dit duidelijk een schreeuw om aandacht is, besluit ik dat strafrechtelijk ingrijpen niet gepast is. Maar wat dan wel?

Opeens bedenk ik dat het een idee zou kunnen zijn om een van de politie-onderhandelaars in te schakelen. Deze komen meestal in actie als er een gijzelingssituatie of dreigende zelfmoord aan de orde is. Dat is hier weliswaar niet zo, maar deze professionals hebben veel ervaring en kennis in huis om gestreste mensen te kunnen overtuigen.

De politie vindt het een goed idee. Niet lang erna hoor ik dat meneer – aangekleed en wel – rustig en vrijwillig is vertrokken. Nieuwsgierig bel ik met een van de onderhandelaars.

“In de 30 jaar dat ik bij de politie werk, heb ik nog nooit meegemaakt dat iemand de cel niet uit wilde!”, zegt hij. Dan legt hij uit dat hij en zijn collega’s getraind zijn om geweld te vermijden. Zij luisteren goed, denken mee en leggen de nadruk op hulpverlening. Dankzij hun optreden zag meneer in dat hij niet in de cel thuishoorde.

Een mooi en succesvol voorbeeld van hoe de politie hulp verleent aan hen die dat behoeven.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 2 juli 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

politiecel