Dikke Dolle Duiven

In onze tuin staat een krentenboom, die in het voorjaar mooie witte bloemetjes heeft. Na de bloeiperiode, in juni – juli, vormen die bloemetjes de basis voor talloze rode besjes. En daar zit ook meteen het probleem. Want deze besjes zijn een niet te versmaden lekkernij voor vogels.

Dus ook voor duiven.

Ik heb het niet zo op duiven, moet ik toegeven. Nog los van hun weinig vleiende reputatie dat het vliegende ratten zouden zijn, is het sowieso niet bepaald mijn favoriete ornithologische soort. Daar waar ik vertederd kan kijken naar mussen, merels en mezen, me kostelijk amuseer met stoute spreeuwen en verrukt luister naar lijsters, kan ik me gruwelijk ergeren aan het boerse koeren van die dikke dolle duiven. En dol dan in de zin van dwaas of dom.

Ok, ik weet helemaal niet of ze echt dom zijn, waarschijnlijk niet, maar ze zien er wat mij betreft wel zo uit. Ze hebben een opgepompt oversized lijf en zo’n piepklein hoofdje. Daar kan dus bijna geen herseninhoud van enige betekenis in zitten, zou je denken. Het lijkt wel of ze last hebben van duivenobesitas. De verhoudingen zijn helemaal zoek. Het ziet er gewoon niet uit.

En uitgerekend die duiven met overgewicht zaten afgelopen najaar om de haverklap op mijn jonge boompje. De smalle takken en nog dunnere twijgen zakten vervaarlijk door als er weer een brutale dikzak niet al te elegant op landde. Zonder enige schroom vraten ze de ene bes na de andere op, kennelijk niet gehinderd door enige notie omtrent hun toch al niet zo ranke gestalte.

H. kon het ook niet uitstaan. Zodoende deed zich een interessant fenomeen voor. Zat ik rustig te lezen op de bank, vloog H. ineens als een gek op om wild gesticulerend voor het raam te gaan staan. Hij zette dit anti-duiven offensief nog verder kracht bij door hard op het raam te bonken en allerlei oergeluiden uit te stoten. Als iemand toevallig langs zou zijn gelopen, zou die onmiddellijk de mannen met witte jassen hebben laten aanrukken met een stevige dwangbuis.

Maar het werkte want de duif vloog weg, geschrokken als ze was van zoveel ongetemde agressie. Ze ging in een boom iets verderop verongelijkt zitten koekeloeren. Maar niet voor lang. Want H. had zijn plek naast mij op de bank nog niet ingenomen, of duffe duifmans was alweer terug. Alsof er niks gebeurd was.

Inmiddels waren de gemakkelijkste, dikkere takken dan ook – ondanks H.’s niet aflatende inspanningen door te gaan voor dorpsgek – helemaal kaal geplukt. Maar ja, er zaten nog steeds overheerlijke bessen aan de kleine twijgen en die zouden ze ook maar al te graag opvreten. Edoch, gerechtigheid! Doordat de duiven veel te zwaar waren, konden ze niet op die kleine takken zitten en dus ook niet de kleine rode vruchtjes verschalken.

Wie daar wel aan konden, waren de merels. Merels zijn mijn goede vrienden, merels zijn in, merels zijn top. Merels gun ik de aller-, allerbeste bessen van de hele wijde bessenwereld. Merels zijn zó licht in gewicht, dat ze ook op de dunne takken van het boompje konden gaan zitten smikkelen. En voor de allerdunste twijgen had de uiterst wendbare merel een super slimme oplossing: die pikte hij gewoon mee in volle vlucht!

Einde van het verhaal was dat mijn krentenboompje nog steeds leefde, de merels zich ongestoord te goed doen konden doen aan de rest van de bessen en H. gewoon kon blijven zitten waar hij zat.

Tot nu.

Want afgelopen week ontwaarde H. ineens een dikke duif die de euvele moed had om met kleine takjes in zijn bek pontificaal in onze achtertuin te landen. En als er nu iets is dat we allebei niet willen, is het wel dat we een hele familie duiven in onze tuin krijgen.

H. hield duifmans als een havik in de gaten en kwam er zo al snel achter dat onze prachtige blauwe regen diende als duiven-kraamkamer-in-wording.

Zo ontstond er een H.- en duifspel in een aantal bedrijven. Duif voerde takjes aan en maakte prille begin met nest maar zodra ze wegvloog haalde H. de takjes er prompt weer uit. Na H.’s derde mislukte poging het nest te saboteren, ging hij over op plan B. Hij besloot de kennelijk uiterst gewilde plek definitief ontoegankelijk te maken door een plastic zak tussen de takken van de blauwe regen te wurmen. Alleen maar om een half uur later te ontdekken dat de duif de takken daar doodleuk overheen had gedrapeerd. Misschien dus toch een intelligenter exemplaar dan ik dacht.

Maar H. was niet voor één gat te vangen en nam nog drastischere maatregelen.

En daarom pronkt onze blauwe regen nu niet alleen met magnifieke bloemtrossen, maar ook met een opgepropt luchtbed.

© Pascale Bruinen

Dikke Dolle Duiven

Mooi hè? Benieuwd of het afdoende is. Keep you posted!

Tuindrang

Ik lijd aan acute tuindrang. Dat is een vorm van nestdrang, maar dan anders. Gaat het bij nestdrang nog om de onweerstaanbare neiging om alles tip-top in orde te gaan maken voor de op komst zijnde baby, mijn tuindrang dwingt me al het groen, de terrasstenen en borders eens grondig onder handen te nemen met het oog op de naderende zomer. En daarbij duld ik geen enkele mate van uitstel.

Nadat ik me gestoken heb in mijn oudste spijkerbroek ga ik, gewapend met hoge rubber laarzen, regenjas, pet en dikke handschoenen beginnen aan Het Grote Karwei. Nog een gasmasker erbij en ik zou zo kunnen worden ingezet in het gifgebied rondom het Belgische Wetteren.

Als een bezetene – want ja, het heet niet voor niets tuindrang – raas ik door onze achtertuin. Mijn begerig oog valt als eerste op de klimop die ons omringt met een mooie, altijd groen blijvende muur. Maar de prijs die ik voor zoveel schoonheid moet betalen is dat hij vanaf het voorjaar regelmatig moet worden bijgeknipt. Zo ook nu, want ondanks de wel erg frisse temperaturen in deze zogenaamde lente zie ik lichtgroene stelen en bladeren alle kanten opschieten.

Ik neem eerst de kniptang ter hand en begin driftig alle takken af te knippen die boven de schutting uitkomen. Daarna ga ik met de snoeischaar de sprieten te lijf die te ver naar binnen groeien. Ah, wat heerlijk therapeutisch is dit toch! Knip, knip, knip. Als ik Klein Duimpje was, zou het groene spoor dat ik achterlaat eenvoudig gevolgd kunnen worden.  Gelukkig is H. zo welwillend om alles bij elkaar te vegen en in de daarvoor bestemde bak te kieperen. Zo werken we een tijdje eensgezind zwijgend in perfectie harmonie door.

Maar het gaat mij niet gauw genoeg. Ik besluit daarom dat er zwaarder geschut aan te pas moet komen en ga de elektrische heggenschaar halen. H. is hier duidelijk niet blij mee. Zijn bezorgde gezicht spreekt boekdelen. Als rechtgeaarde man wil hij dit uiterst viriele werkje natuurlijk liever zelf doen, maar ik ben hem dit keer lekker voor.

Zodra het enorme apparaat met veel kabaal tot leven komt, word ik een ander mens. Of eigenlijk een beetje man. Ik noem het mijn near gender transforming experience. Eindelijk weet ik hoe die echte mannen van Hornbach zich moeten voelen als ze dit soort zware klussen doen. Heldhaftig, stoer en sexy. Met grote destructieve bewegingen ga ik van links naar rechts en van beneden naar boven langs de nietsvermoedende klimop. De groene bladeren en stelen vallen bij de bosjes. Wow, what a feeling! Niet voor niets is het bijbehorende liedje uit de reclame dat van Jippiejajajippiejippiejééééééé. Ik krijg bijna zelfs de neiging om een flesje ijskoud pils met mijn tanden te openen en in één lange slok weg te klokken, ware het niet dat ik geen alcohol drink.

Als ik uiteindelijk tevreden naar de netjes bijgewerkte klimop kijk, valt me op dat de sneeuwbalstruik – die inmiddels meer op een boom lijkt – een wel erg lelijke vorm heeft gekregen. Dus haal ik de mega kniptang met lange armen uit de schuur en snij met kinderlijk gemak de ene na de andere dikke tak door. Als ik na een tijdje het resultaat bekijk, heb ik zoveel weggehaald dat er bijna niks meer over is. In een opwelling besluit ik dat de sneeuwbalstruik er dan maar helemaal uit moet. En wel nu meteen.

H., die inmiddels binnen met het avondeten bezig is, heeft mijn geknip en gesnoei aan de struik met lede ogen aangekeken door het keukenraam. Maar als hij me uit de schuur ziet komen met een spade, is hij in een oogwenk buiten.

“Wat ga je daarmee doen?”, vraagt hij gealarmeerd. “Je wilt toch niet dat hele ding weghalen, hè?”. Zucht. Hij kent me helaas als geen ander.

“Zeker wel”, antwoord ik onverstoorbaar terwijl ik de schep in de grond zet en er bovenop ga staan. Vervolgens zwiep ik wat heen en weer zodat ‘ie dieper de grond in zakt.

“Hou daar mee op want dat gaat jou toch nooit lukken zo. Dit is een boom en die heeft flink diepe wortels. Bovendien heb je nu alle takken eraf geknipt zodat je er niet meer goed aan kunt trekken. Ik doe dat wel een andere keer dus laat het alsjeblieft!”, waarschuwt hij me nog voordat hij weer terug naar binnen gaat.

Als er nu één ding is wat je niet tegen mij moet zeggen, dan is het wel dat ik iets niet kan of dat ik iets moet laten. Vastbesloten H. ongelijk te geven, verdubbel ik mijn schepbewegingen. Dan verzin ik toch gewoon een andere manier om dat rot ding eruit te krijgen, neem ik me in stilte voor terwijl ik steeds meer aarde wegschep rondom de kluit van het boompje.

Als ik een tijdje later ondanks niet aflatend graafwerk nog steeds geen millimeter beweging in het ding krijg, heb ik een tikkeltje spijt van mijn stoere voornemen. Inmiddels is het ook nog flink beginnen te regenen. Maar ik kan nu niet meer terug. Ik moet en ik zal de stronk op eigen kracht eruit krijgen dus ga ik onverdroten door. Graven, spitten, trekken. Er gebeurt weinig tot niks. Ondertussen kijk ik af en toe slinks naar binnen om te controleren of H. ziet dat ik nog steeds niet veel ben opgeschoten. En ja hoor, hij slaat me vanuit de keuken geamuseerd gade.

“Ik dacht dat jij moest koken!”, roep ik zo hard mogelijk vanaf mijn druilerige, modderige plek in de border. H. heeft mijn sarcastische uitroep inderdaad gehoord want hij trekt een gezicht. In reactie steek ik balorig mijn tong uit om me daarna met nog meer overgave op het uitgraven van de onwillige wortelkluit te storten.

Letterlijk, want nu steek ik de schep langs de kluit in de grond en spring er vervolgens woest met twee voeten tegelijk bovenop. Ik hou me vast aan de steel en huppel wild op en neer om dieper te komen. Het volgende moment voel ik dat de steel achterover slaat en lig ik languit op mijn rug tussen de opkomende hosta’s. Zo snel als dat kan met een schep die bovenop me ligt, krabbel ik overeind. Ik ben drijfnat. Ik hoop vurig dat H. deze circusact niet meegekregen heeft, maar no such luck. Hij staat nu dubbel geklapt van het lachen achter het raam. Als hij eindelijk weer recht komt, grijnst hij van oor tot oor. Hij doet de deur open en hikt “Bedankt, dat was onbetaalbaar!” Ja, jij ook bedankt.

In een allerlaatste poging zet ik alles op alles op mijn eer te redden. Keer op keer steek ik de spade langs de stronk, zet mijn volle gewicht er op en beweeg hem van links naar rechts. Uit alle macht trek ik aan de overgebleven stompjes van takken en…jaaaaaaaa, ik voel dat de kluit nu echt in beweging komt! Dankzij een verse adrenalinestoot trek ik in één krachtige beweging de helft van de stronk uit de grond.

In de flow van dit moment hak ik met de scherpe kant van de spade met een welhaast satanisch genoegen net zolang in op de rest van de wortels totdat hij helemaal los zit. Dat ik op dat moment waarschijnlijk uit zie als een door waanzin gedreven lustmoordenaar kan me niet echt meer boeien.

Met moeite neem ik de hele stronk in mijn armen en ga vervolgens pal voor het keukenraam staan, doorweekt en besmeurd met modderige vegen. Triomfantelijk til ik hem tot boven mijn hoofd als ware het een trofee. H. kijkt me eerst hoofdschuddend aan. Maar dan zie ik een bewonderende glimlach doorbreken en knipoogt hij naar mij. Ondanks de kou krijg ik het ineens warm. Ik knipoog schalks terug. Ik voel de laatste restjes stoere mannelijkheid in rap tempo van me afglijden.

Niets zo leuk als flirten met je eigen man nadat je hoogstpersoonlijk een boom hebt geveld.

© Pascale Bruinen

tuindrang2

Zo was het ongeveer, maar dan alleen met een véél dikkere kluit!