Pubers (2)

Het puberdom blijft immer inspirerend materiaal om dankbaar uit te putten voor het schrijven van o-zo-herkenbare columns.

Na ommekomst van een negen weken lange zomervakantie is de school weer begonnen. En dat wordt tijd ook. Zelfs mijn zoon vindt dat kennelijk. Want hij verrast mij aan tafel door pardoes, bijna letterlijk tussen de soep en de aardappels door, mede te delen dat hij “wel weer zin heeft om nieuwe dingen te leren” (let daarbij vooral op het woordje “weer”, dat volledig onterecht impliceert dat hij eerder ook al zin daarin had). Ik word acuut bevangen door de drang om hem ter plekke te omhelzen voor zoveel enthousiasme maar weet me nog net in te houden. Ik kondig aan dat de vlag uit moet, hij ziet het eindelijk in. Hallelujah!

Maar dat is natuurlijk een ontboezeming ingegeven door weken van relatieve ledigheid. Want nu de school is gestart, hoor ik hem niet meer over de nieuwe dingen die hij leert. Integendeel.

Gelukkig werken mijn beide pubers ook naast school. Het is begonnen als vakantiewerk maar ze mogen ook na de vakantie blijven. En dat werken in de vakantie is een echt godsgeschenk gebleken. Met het zogenaamde zomerweer van 2011 zouden ze zich doodverveeld hebben als ze geen werk hadden gehad. Om nog maar te zwijgen over het geld dat ze hebben verdiend met al hun gezwoeg in de supermarkt.

Het is aardig om te zien hoe verschillend ze met de zuurverdiende centen omspringen. Zo brandt het geld bij zoonlief zowat meteen de portemonnee uit, terwijl mijn dochter wikt en weegt alvorens iets met zorg uit te kiezen.

Als gevolg van de (digitale) kooplust van zoonlief komt tegenwoordig wel zéér geregeld de koeriersdienst aan de deur met diverse pakjes. Nu zijn we niet altijd thuis en dan hebben we gelukkig een lieve en behulpzame buurvrouw die ze voor ons aanneemt.

Zo heeft hij inmiddels zijn hele kamer vol staan met allerhande coole apparaten waarvan ik niet eens de functie kan doorgronden. Het heeft wel allemaal met het maken van chille beats van doen.  Het is een ware wirwar van kabels, stekkers, verlengsnoeren, cd’s, lp’s, microfoons, platenspelers, boxen en mixpanelen. Mijn suggestie om in deze chaos wat orde te scheppen door eindelijk eens zijn speciaal daarvoor aangeschafte lades en kasten te gaan gebruiken wordt weggehoond. Hij legt uit dat hij het niet kan opruimen want alles moet voortdurend gebruikt worden.

Datzelfde adagium geldt ook voor zijn kleren, die met de regelmaat van de klok overal opduiken behalve in de daarvoor bestemde kledingkast. Zo vind ik t-shirts en joggingbroek over de trapreling, sokken in schoenen midden in de kamer en de kleren gedragen in een hele week verfrommeld op een stoel. Alles met het idee dat hij die toch op enig moment weer aandoet. Ook zijn kamer eenmaal per week opruimen en poetsen vindt hij als rechtgeaarde man grote onzin omdat toch “alles weer vies wordt”. Laten we het er op houden dat zijn vuildrempel beduidend hoger is dan de mijne.

Het lijkt wel alsof de kortsluiting die (hopelijk tijdelijk) plaatsvindt in de puberhersenen er voor zorgt dat ze alles maar half doen. Als er pannen moeten worden afgewassen zijn die maar half schoon. Degene die moet drogen laat overal nog water achter. De wc-rol wordt leeggetrokken tot het voorlaatste (gescheurde) velletje maar een nieuwe ophangen, ho maar. Melkpakken en flessen frisdrank worden opgedronken tot er nog maar een paar druppels resten en dan schielijks weer in de ijskast terug gezet, totdat een ander gezinslid dit luid verontwaardigd opmerkt. Alles liever dan dat ze zelf een nieuw pak of andere fles moeten gaan halen.

Zo stapelen de kleine ergernisjes zich op dagelijkse basis op. Maar desondanks zijn en blijven het schatten op weg naar volwassenheid. En op die weg gaan ze, soms irritant maar vaak aandoenlijk, voort.

Met vallen en opstaan.

© Pascale Bruinen

Hier ligt je kans om je ongetwijfeld super-herkenbare puberervaringen met ons te delen. Als je het kwijt wilt of moet, reageer dan!

Pubers (1)

Of je haat ze of je houdt van ze, een tussenweg lijkt niet mogelijk. Je kunt immers onmogelijk onverschillig staan tegenover dit menstype. In het boek van David Bainbridge, van huis uit dierenarts, worden ze zelfs een “bijzondere diersoort” genoemd. Hij vindt de puberteit een “positieve en begrijpelijke ervaring” en komt daartoe na een beschouwing vanuit de “ontwikkelingsbiologie, de paleoantropologie, de neurologie, de fysiologie, de psychologie, de therapie en de politiek”(!) Zijn uiteindelijke conclusie: “De puber is geen plaag, maar een hoogtepunt van natuurlijk vernuft”.

Mag ik, als praktizerend moeder van twee hevig puberende “apen” (als je dan toch een diersoort moet kieze; ze zijn namelijk even lief en aandoenlijk maar ook ondeugend, koppig en eigengereid), daarover met de geachte schrijver enigszins van mening verschillen? Ik meen namelijk dat ik, als ervaringsdeskundige die inmiddels al jaren de geheimen van het puberdom met gevaar voor eigen welzijn en geestelijke gezondheid probeert te ontrafelen, enig recht van spreken heb in deze heikele kwestie.

Pubers zijn namelijk wel degelijk soms een plaag, althans in ieder geval de twee exemplaren die bij mij thuis rondlopen. Vooropgesteld: ik hou werkelijk zielsveel en geheel onvoorwaardelijk van ze allebei, zou ze nooit meer willen en kunnen missen en heb (vrijwel) alles voor ze over, maar dat betekent nog niet dat ik hun gedrag altijd zo fijn vind. En dat is dan nog een gigantisch understatement. Ik erger me met de regelmaat van de klok aan hun gedragingen of, beter gezegd, hun nalaten. Ze laten na zo goed mogelijk te leren (de een wat meer dan de ander), afspraken na te komen, hun rotzooi achter zich op te ruimen (de ander wat meer dan de een), op tijd op te staan (allebei even erg) en enige interesse te hebben in actualiteiten, cultuur, natuur en in hun opvoeders (allebei in het kwadraat).

Ze lijken te leven in een wereld die (in volgorde van belangrijkheid) bestaat uit: 1. Zichzelf 2. Zichzelf 3. Zichzelf 4. Medepubers (van het andere geslacht). 5.Computer/gsm.

Hou mij ten goede, het zou ook zomaar kunnen dat nummer 4 en 5 omgeruild zouden moeten worden danwel gezamenlijk een 4e plek innemen.

De consequenties van deze volgorde leveren een medemens op die weliswaar onder één dak leeft met zijn of haar opvoeder(s), maar die alleen maar naar beneden komt om gespijsd en gelaafd te worden. ’s Ochtends wordt al standaard de vraag gesteld wat we ’s avonds eten. En eten kunnen ze.

Net als “Rupsje Nooitgenoeg” eten ze giga-hoeveelheden in recordtijd. Als boodschappen gedaan zijn en de ((bescheiden) snoepdoos net gevuld is, lijkt het vijf minuten later alsof er een Bijbelse sprinkhanenplaag overheen is gegaan. Alleen de wikkels en papiertjes zijn de overgebleven stille getuigen van het schaamteloze gesnaai van mijn pubers.

Maar zelfs eten is een noodzakelijke maar daarom niet minder ergerlijke onderbreking van hun vrije tijd. Yep, mijn kinderen vinden dat ze primair recht hebben op vrije tijd en alles wat daaraan afbreuk doet is op zijn zachtst gezegd uitermate hinderlijk. En dat plaatst mij met stip op een zeer hoge notering in de lijst van hinderlijkheden.

Toch is het mijn taak om ze te begeleiden en te helpen om zelfstandige, verantwoordelijke en verstandige jong-volwassen mensen te worden. Maar dat neemt niet weg dat ik, als ze om 8.00 u met de fiets naar school zijn vertrokken, soms het gevoel heb dat ik al een hele dag achter de rug heb. En dan moet mijn werkdag nog beginnen.

De discussies over wel/niet het regenpak aandoen op de fiets en het meenemen van twee stuks fruit naar school zijn allang verstomd. Na ettelijke twisten over nut en noodzaak van beide heb ik het onderspit gedolven en laat ze nu gewoon natregenen. Fruit gooi ik er via smoothies in, dat telt ook.

Als ik het ergens in de brugklas waag voor te stellen dat ze hun brood in het onverwoestbare Tupperware trommeltje kunnen blijven meenemen, word ik meewarig aangekeken. Nee, dat kan écht niet, het moet en zal in zilverfolie ingepakt worden. Ze kijken me recht aan als ze tegen me zeggen: “Tupperware? Dat is meer iets….” (betekenisvolle stilte waarin ik van kop tot teen opgenomen word), “iets voor jou!”. Een goed verstaander begrijpt meteen dat dit de pubervertaling is van: “dat is meer iets voor ouden van dagen”. Ok, ik snap het.

Het is dan ook met een zucht van verlichting dat ik ’s morgens de deur achter beiden dichttrek en de broodnodige ontspanning op mijn werk mag gaan opzoeken. En raad eens waarin ik mijn lunch meeneem? Juist ja. In het verstoten Tupperwaredoosje.

© Pascale Bruinen

Zijn jullie ook ouders van dit (tijdelijk) egocentrische en permanent hongerige menstype? Dan vind je hier de plek om daar ongestraft over te kunnen klagen of misschien wel net de loftrompet over af te steken!

Jaloers

“Waarom moet jij zo lang met je zus de stad in om te shoppen?” vraagt mijn dochter nogal kribbig.  Eén blik op haar gezicht en het is me duidelijk. Ze is jaloers. Jalóérs. Op mij. Haar moeder. Omdat ik op mijn vrije dag ook eens een paar uurtjes de stad in ga.

En dat terwijl zij het juist is die een luizenleventje heeft vol met plezierige dingen. Die als het even kan zelf iedere gelegenheid te baat neemt om de stad in te gaan met haar vriendinnen. Zoveel lesuitval heeft dat ze tussen de vrije uren door ook nog even naar school moet. Die nu eens een schoolreisje en dan weer een museumbezoek op het programma heeft staan. En om de haverklap vakantie heeft, in de zomer zelfs ein-de-loos lang.

Zij ook die nog nergens verantwoordelijkheid voor hoeft te dragen, geen zorgen heeft over hypotheekrente-aftrek, eigen bijdrages voor ziektekosten of de hoogte van het pensioen om maar wat dwarsstraten te noemen. Niks van dat al.

Achteraf vallen de puzzelstukjes op hun plaats want ik realiseer me dat ze al vaker dit soort opmerkingen heeft gemaakt. Ze kan het kennelijk ergens gewoon niet uitstaan dat ik inmiddels – door schade en schande wijs geworden – niet meer altijd lijdzaam thuis op haar zit te wachten met thee en koekjes.

Dat is ook meteen het dubbele aan de situatie. Aan de ene kant zet zij zich, zoals het schijnt te horen, steeds meer tegen mij af. Ik bemoei me te veel met haar, zij mag ook nooit wat enzovoort. Ook vertrouwde gewoontes kennen in haar ogen plots geen genade meer omdat ze die, zoals ze zelf zegt, kinderachtig vindt. “Jij denkt dat ik nog steeds 10 ben”, kreeg ik te horen als ik inderdaad – zoals in de goede oude tijd – warme chocomel met een plakje cake aanbood bij thuiskomst. Of samen met haar kleren wou gaan uitzoeken.

Aan de andere kant: o wee als ik het niet meer doe. Dan zet ze evengoed haar stekeltjes op en wil ze ineens weer een beetje kind zijn. Het bekende “tussen tafellaken en servet” verhaal. Dan klaagt ze plots dat ik haar te weinig aandacht schenk en nooit wat met haar onderneem.

Tja, het is moeilijk zo niet onmogelijk om het goed te doen. Toon ik interesse en geef ik haar alle aandacht ben ik een bemoeizuchtige zeurpiet. Laat ik haar meer met rust en haar eigen ding doen, ben ik een ontaarde egotripper.

Gelukkig ben ik na heel wat oefening langzamerhand gevoelloos voor dit soort emotionele chantage.  Dat is maar goed ook want als rechtgeaarde egotripper heb ik mijn reputatie hoog te houden.

En bovendien houd ik niet alleen veel van mijn dochter maar ook van shoppen.

© Pascale Bruinen

Sound familiar? Hoewel al boekenkasten vol zijn geschreven over de vaak complexe moeder-dochter relatie kan daar altijd nog wel wat aan toegevoegd worden. Voel jij de neiging om je hart te luchten, laat dan hier een reactie achter.

Bananenrepubliek

Sinds schrijfster dezes de schone kunst van het columns schrijven met wisselend succes beoefent, hebben mijn kinderen een zesde zintuig ontwikkeld. Namelijk dat van exact en feilloos aan te voelen wanneer ze iets gezegd of gedaan hebben dat wel eens in een van mijn pennenvruchten kan opduiken.

“Opgepast! Elk ding dat je vanaf nu nog zegt kan in een column belanden”, waarschuwt zoonlief zijn zus vanuit een tot dusverre onvermoede beschermingsdrang. Omdat hij (terecht) verre van gerustgesteld is door mijn zo onverstaanbaar mogelijk gemompeld antwoord vraagt hij mij op de man af: “Sta ik daar soms ook met mijn echte naam in?” Ik schiet in de lach en ontken hevig, conform de waarheid.

Dan komt hij opeens met een welgemeend advies aan mijn adres over een heel ander onderwerp. Het wordt ingeluid op een wijze die geënt is op de bekende reclamespot. “Weet je wat jij eens zou moeten doen? Jij zou een boek moeten schrijven over je opvoedtheorieën. Ik weet ook al een mooie, pakkende titel ervoor”.

“Oh ja? Nou, dan ben ik benieuwd”.

“Noem het “Het Regime”. Net als in een bananenrepubliek waar absolute dictatuur heerst. Zo doe jij het hier ook”. Hij kijkt mij doodernstig aan.

Oef, dat is even slikken. Meent hij dat nou? Mijn manier van opvoeden is zeker niet overdreven streng en altijd heel rechtvaardig. In mijn ogen in ieder geval. Zéker niet dictatoriaal. Net als ik hem er verontwaardigd op wil wijzen dat in ons huis wel degelijk democratische vrijheden gelden, zie ik dat hij het uitproest. “Je had je gezicht eens moeten zien, echt te gek!” Als hij enigszins bekomen is, krijg ik een dikke knuffel van hem die voelt als een warm bad.

“Nee hoor, mam”, zegt hij terwijl hij de keuken uitloopt, “het is hier echt geen bananenrepubliek. Denk eerder aan België, compleet stuurloos en met geen idee hoe het verder moet”.

En voordat ik de (vuile) vaatdoek in zijn grijnzende gezicht kan duwen, trekt hij de glazen deur snel achter zich dicht en kan ik alleen maar toezien hoe hij door het raam zijn tong uitsteekt en zich rap uit de voeten maakt.

Ach, ik hou van België en beschouw het dus maar als een compliment. Bovendien is er nog een lichtpuntje.

Mijn geliefde zoon houdt in ieder geval de politieke actualiteit goed bij.

Pascale Bruinen

Heb jij ook zo’n moment meegemaakt waarin je kind of puber je eventjes een spiegel voorhoudt? Vertel hier jouw persoonlijke ervaringen. Schroom niet, we komen vroeg of laat allemaal aan de beurt…

Het Grote Moment

“Denk maar niet dat ik het zelf ga betalen als ik ergens tegenop rijd. Dan kan ik net zo goed geen bijbaantje meer hebben”. Puberzoon is ongerust want hij heeft vanmiddag zijn allereerste rijles. Het Grote Moment is daar.

Hoewel ik het uit alle macht probeer te onderdrukken, barst ik toch in lachen uit. “Welnee, maak je niet druk, de instructeur wordt beschouwd als de echte bestuurder. Jij bent zelf niet aansprakelijk als er iets gebeurt”.

Er ontsnapt een zucht van verlichting. “Oh. Nou, ik wil dan wel eerst naar een parkeerterrein of zo. Ik kan toch niet meteen de weg op?”

“Tuurlijk wel. Ik zal zekerheidshalve aan de verkeersdienst in Driebergen vragen een waarschuwing uit te laten gaan rond een uur of 16.00 u vanmiddag”. Tegen wil en dank moet hij nu zelf ook lachen. Ik kijk eens goed naar zijn lange, nog wat slungelige gestalte, die ineens heel kwetsbaar oogt. Mijn moederhart smelt. De anders zo stoere, onverschillige houding is van hem afgevallen. Even zie ik een glimp van wat daar onder zit. Een goede, ietwat onzekere, aandoenlijke jongeman die nog veel moet leren op weg naar volwassenheid.

Ik besluit hem nog gauw een hart onder de riem te steken door een genante anekdote te vertellen over mijn eigen rij-examen. “Ik ging kapot van de zenuwen maar viel nog liever dood neer dan dat ik dit liet blijken. Dus ging ik zwierig achter het stuur zitten en reed soepeltjes weg. Helaas kwam ik niet ver want de examinator stond meteen vol op de rem. Ik vloog zowat met mijn hoofd door de voorruit en keek hem verbijsterd aan. “Zijn wij niet iets vergeten?”, vroeg hij op die typisch pedante examinatortoon. Ik wist het bij God niet, totdat hij op de veiligheidsgordel wees. Ik werd vuurrood. Uitgerekend ik, die anderen altijd attent maakte op de noodzaak de gordel te dragen, had hem zelf niet aan bij het examen! Ik stamelde iets in de trant van dat ik dit anders altijd wel deed. Zijn pokerface verried niet dat hij waarschijnlijk dacht dat het een rotsmoes was. Erg hè?”

Puberzoon grinnikt en zegt dat hij dát wel eens had willen zien. En zorgeloos fluitend loopt hij naar boven. Straks zijn eerste rijles.

Een mijlpaal in zijn jonge leven.

© Pascale Bruinen

De eerste rijles. Of, nog erger, het rij-examen…Het woord alleen al is zelfs voor veel volwassenen die al lang en breed het roze papiertje/plastic kaartje hebben voldoende om weer acuut in angstzweet uit te breken. Wil jij je eigen ervaringen delen en lotgenoten vinden? Laat dan hier een reactie achter.

Gehavende fietsen

Met twee pubers in huis is het lot van de fietsen die hen moeten vervoeren zo goed als bezegeld. Het stramien is als volgt: óf ze worden gestolen, óf er is om de haverklap iets kapot óf de banden zijn lek. En als het dat een keer niet is, zijn ze wel de sleutels ervan kwijt.

Mijn zoon heeft het gepresteerd om tot twee maal toe zijn fiets gestolen te laten worden bij Appie de grootgrutter. Daar had hij een bijbaantje voor het lieve sommetje van bijna 4 euro per uur. Je begrijpt dat Appie ons nog veel moet nabetalen want op deze manier schiet het natuurlijk niet op. Een van de eerste keren dat hij daar ging werken is zijn fiets meteen gestolen. Wij vonden dit heel vervelend, mijn puber kon het daarentegen ogenschijnlijk weinig schelen.

Gelukkig hadden we nog een extra fiets maar helaas niet voor lang. Een paar weken later werd deze fiets, nota bene op precies dezelfde plaats, ook gejat. Saillant detail was dat zoonlief dit keer over een heavy duty kettingslot beschikte en het dringende advies had gekregen de fiets hiermee vast te maken.

Toen we hem dit keer ophaalden zagen we dat het hem wel nogal aangreep. “Meer dan afsluiten en vastleggen met je ketting kon je toch niet doen”, zeiden we troostend. Dit hielp niet echt want hij begon ongemakkelijk om zich heen te kijken en op en neer te wiebelen. Één blik op zijn schuldbewuste gezicht en ik wist het: hij had de fiets helemaal niet met het kettingsslot vastgemaakt. Reden: hij had er geen tijd voor gehad. Tja, het kost ook tien hele seconden extra om die ketting om een lantaarnpaal te leggen.

Als de fietsen al niet gestolen worden zijn ze met de nodige regelmaat kapot. Zoon en dochter wisselen zich daarin keurig af. Nu eens is er een trapper vanaf, dan weer is er een stuk van de dynamo afgebroken. Als het dat niet is loopt de ketting wel uit de kast, valt de bel er van af, zijn de remkabels half gesloopt of staat de lamp helemaal scheef. Als wij ongelovig vragen hoe dit heeft kunnen gebeuren krijg je alleen het standaard puber-antwoord: “Weet ik ook niet, kan ik toch niks aan doen?”, vergezeld van het totaal ongeïnteresseerd ophalen van de schouders en gevolgd door het zo snel mogelijk verlaten van de plek der ondervraging.

Een ander steeds terugkerend chapiter is de continuing story van de lekke band(en). Bij voorkeur wordt dit feest der herkenning zo’n twee minuten voor vertrek naar school/werk/sportclub schijnbaar achteloos gemeld. Waarop H. zich weer zuchtend en inwendig vloekend naar het schuurtje begeeft om ze te plakken. En ja, er is diverse malen geprobeerd het ze zelf bij te brengen maar tot dusverre houden ze zich nog met enige mate van succes van de domme.

Tenslotte wil ik je niet de logica van mijn puberdochter onthouden toen zij onlangs, voor de zoveelste keer, haar fietsensleutel kwijt was. Toen ik haar vroeg of ze bij gevonden voorwerpen op school had gekeken zei ze (ongelogen): ”Nee, zéker niet!”. De verbijstering moet op mijn gezicht te lezen zijn geweest want ze voegde er als nadere uitleg aan toe dat “toch niemand zo’n sleutel opraapt, laat staan naar gevonden voorwerpen brengt!”. Ik vroeg me onwillekeurig af waar het toch heen moest met onze jeugd, want zoveel onverschilligheid is te veel van het goede voor mijn generatie.

Terwijl ik al dreigde dat ze de reservesleutel zelf van haar zakgeld zou moeten gaan betalen, sms-te ze me de volgende dag dat ze hem gevonden had. Ik sms-te meteen terug: “Waar???”.

Antwoord: ”Bij gevonden voorwerpen”. Inclusief een breed grijnzende smiley.

© Pascale Bruinen

Tja, hier kun je wel een boom over opzetten…Laten we dat dan ook doen op deze blog zodat we elkaars leed kunnen verzachten. Reactie, anyone?