Slakken en zagen

In de tijd dat mijn pubers nog moeten gaan blokken voor hun eindexamen, is dochter een keer opmerkelijk spraakzaam bij het avondeten. Het gespreksonderwerp?  De slaag/zakregeling.

De normen zijn behoorlijk aangescherpt. Tijdens de ouder-informatieavond zagen we dan ook wit om de neus toen ons op dreigende toon werd voorgehouden dat het écht véél moeilijker zou worden om dat felbegeerde diploma te bemachtigen. Wat nog ten overvloede werd gestaafd met het naast elkaar leggen van twee exact dezelfde puntenlijsten. Waar de kandidaat eerder nog geslaagd zou zijn, zou deze volgens de nieuwe normering zakken als de spreekwoordelijke baksteen. Het was genoeg informatie om me zowat te verslikken in de slappe koffie (hoe kon ik toen ook weten dat wonderen nog echt bestaan en ze het beiden zouden halen?).

Dochter meldt al etende terloops dat ze een tegenvallend punt heeft gehaald voor een Kleine Praktische Opdracht. En dat uitgerekend bij biologie, waar ze toch al niet een kei in is.

“Goh, wat jammer”,  zeg ik, “want daar kun je zelfs ieder tiende punt extra goed gebruiken”.

“Nou, een tiende punt zal echt niks uitmaken, hoor”, spreekt ze tegen, terwijl ze de spaghetti geroutineerd om haar vork draait.

Nu is het mijn beurt om te sputteren tegen zoveel eigenwijsheid.

“Tuurlijk wel”, antwoord ik, “één tiende punt kan straks het verschil maken tussen slakken en zagen”. Of het nou aan de spaghetti ligt die ik net op dat moment mijn keel in laat glijden of dat er een kortsluiting in mijn hersenpan optreedt, de woorden komen er in ieder geval verkeerd uit.

Dochter schatert het uit. “Slakken en zagen! Slakken en zagen, ha ha ha!”. Haar lach werkt aanstekelijk, want ook ik kom niet meer bij als ik me realiseer dat mijn verspreking een nogal merkwaardig beeld oproept.

“Zie je het al voor je”, breng ik met moeite uit tussen de gierende lachbuien door, “zo’n slijmerige beestjes die druk aan het zagen zijn?” Van de weeromstuit heb ik ook nog de hik gekregen, hetgeen dochterlief zó hard doet lachen dat ik even vrees dat ze stikt in haar spaghettislierten.

Maar ze herpakt zich en begint doodleuk over doorligwonden.

“Doorligwonden? Hoe kom je daar nu weer bij? Lekker, we zijn aan het eten hoor. Kun je het daar niet een ander keertje over hebben?”

Maar ze heeft het net op school gehad en moet haar ei kwijt. Terwijl ze gloedvol feitjes opdist over decubitus, zoals deze nogal onsmakelijke aandoening in medisch jargon heet, kijkt haar broer haar met stijgende verbazing en – zie ik het goed? – iets van stiekeme bewondering aan. Maar zo snel als de blik komt opzetten, is die ook weer verdwenen.

“Als jij ’s morgens nóg langer in bed blijft liggen, krijg jij straks ook decubitus!”, roept hij over de tafel heen, onderwijl zijn bord nog eens rijkelijk opscheppend. Haar uitslaapgewoonten komen zo ineens in een heel ander daglicht te staan.

Dochterlief laat zich echter voor één keer niet provoceren en stapt alweer moeiteloos op het volgende onderwerp over.

“Weet je trouwens dat hier geesten in huis zitten? Ik weet het zeker!”, zegt ze schijnbaar onbezorgd als ze de parmezaanse kaas voor de tweede keer boven haar bord raspt.

Geamuseerd kijk ik haar aan.

“Geesten? Hoe dat zo?”, vraag ik grinnikend.

“Nou, laatst was ik alleen thuis en toen hoorde ik ineens dat de TomTom vanzelf begon te praten. “Rechtsaf slaan!”, riep dat ding zomaar. Er was niemand in de buurt, hoor!”, voegt ze er enigszins gepikeerd aan toe als ze mijn opgetrokken wenkbrauwen ziet.

“Oh, dát. Dat gebeurt als wij de TomTom insteken om op te laden. Als die de satellieten gevonden heeft, kan het wel eens zijn dat hij alvast begint met de route uit te kramen. Dus als jij dacht dat dit geesten waren die alvast de weg wilden uitstippelen, moet ik je helaas teleurstellen”. Ik hou m’n gezicht nog net in de plooi.

“Oh. Ok dan. Was lekker. Doei!”. En weg is ze, naar boven toe. Het onderwerp heeft zijn aantrekkingskracht al weer verloren.

Een korte aandachtsspanne kan soms zo z’n voordelen hebben.

© Pascale Bruinen

slakken

zaag

Bij gebrek aan plaatjes van zagende slakken, dit keer twee aparte foto’s.

Watskeburt?

Met het bereiken van respectievelijk de achttien plus en negentieneneenhalf-jarige leeftijd zijn mijn kids, in ieder geval toch officieel, eindelijk gearriveerd bij de jaren des verstands. Althans, dat hoop ik.

In hun pubertijd die – nipt – achter me ligt, waren ze altijd zo met zich zelf bezig dat het vaker leek alsof ik een hotel runde in plaats van een gezin. Wel ultra platinum all-inclusive, natuurlijk. Dus met drie voedzame maaltijden per dag, schier ongelimiteerde snacks en allerhande activiteiten (gratis wifi!!!) bij de prijs inbegrepen.

De pubergast kwam doorgaans alleen naar beneden als hij of zij gelaafd en gespijsd wenste te worden, maar daarbuiten liep ik – soms letterlijk – tegen een gesloten kamerdeur aan.

Nu had ik wel altijd gedacht dat ze me zeker te hulp zouden schieten als er een keertje iets vervelends in huis met me zou gebeuren. Zoals laatst.

Ik ben me boven aan het haasten om op tijd op een afspraak te komen. Ik probeer mijn horloge om te doen terwijl ik met twee treden tegelijk de trap af wil rennen. Nou kan ik inderdaad vaak twee of soms wel drie dingen tegelijkertijd doen, maar dit huzarenstukje lukt me niet. Want ik struikel prompt over mijn eigen voeten, zodat ik met een daverend “boem-boem-boem” vanaf ongeveer halverwege de resterende traptreden af dónder in plaats van loop.

Ik maak een flinke smak maar heb gelukkig niks gebroken of anderszins beschadigd. Wel ben ik me kapot geschrokken en sta ik onder in de hal nog wat onwennig na te trillen.

Verwachtingsvol bedenk ik wie van beiden, mijn zoon of dochter die gelukkig allebei thuis zijn, nu ieder moment gek van bezorgdheid to the rescue komt. Maar al wat ik zie, er komt geen nageslacht met gezwinde spoed naar beneden.

Vanaf een afstandje hoor ik mijn dochter iets vaags roepen dat klinkt als “Watskeburt?” Oh niks, hoor, ik heb alleen zojuist bijna mijn nek gebroken. Maar ga gerust verder met je haren in model te brengen.

Als ik uiteindelijk met nauwelijks verholen sarcasme bozig terugroep dat ik alleen maar van de trap ben gevallen, valt er even een hoopvolle stilte. Ik ga er van uit dat ze na deze schokkende mededeling haar deur opengooit en naar beneden snelt, vol als ze is van liefdevolle ongerustheid. Maar even later hoor ik enkel een vrolijk: “Oké!”. Ja, jij ook bedankt.

Van mijn zoon hoef ik ook al niks te verwachten. Die is zo druk en luidruchtig bezig met het maken van het ultieme muzieknummer dat hij helemaal niks kán hebben gehoord van mijn  potentieel fatale valpartij, al zou hij het willen.

Ik zou úren gewond onderaan de trap hebben kunnen liggen.

Of in ieder geval toch tot het moment dat mijn hotelgasten tevergeefs zouden hebben gebeld voor roomservice.

© Pascale Bruinen

watskeburt

Ook zo’n pubers in huis (gehad)? Deel dan hier je lief en/of leed!

Achtste Wereldwonder

We lopen de aula in, samen met al die andere ouders, broers, zussen, opa’s en oma’s van de geslaagden. De sfeer is uitgelaten en verwachtingsvol. Ongeduldig wachten we op de entree van al die jong-volwassenen die hun eindexamendiploma atheneum of gymnasium hebben behaald.

Op het grote podium recht voor ons zitten zo’n twaalf leerkrachten van de bovenbouw gebroederlijk naast elkaar. Vooraan staan drie tafels met links en rechts een stoel. Hier zitten de mentoren van de eindexamenklassen. De bedoeling is dat iedere geslaagde daar straks plaatsneemt om het diploma in ontvangst te nemen.

Opeens wordt het volume van de muziek open gezet, gaan de dubbele deuren open en lopen alle geslaagden achter elkaar aan naar de voorste rijen. Net zoals de rest van het publiek applaudisseer ik luid. Er klinkt gejoel en gejuich.

De meisjes lopen voorop. De een is nog mooier en slanker dan de ander en het lijkt wel alsof ze allemaal naar dezelfde kapper gaan. Vrijwel zonder uitzondering hebben ze heel lang en superglad haar. Vergeleken met de outfit die ik droeg tijdens mijn diploma-uitreiking in de vorige eeuw hebben deze jongedames allemaal ultrakorte jurkjes aan en dragen ze torenhoge hakken. En ze kunnen het hebben.

Achter hen komen de jongens. Een aantal ondanks hun leeftijd nog steeds wat klein van stuk, maar het overgrote deel is in die zes jaar tijd flink de hoogte in gegaan. De haren zijn fris kortgeknipt of juist bewust een stuk langer. Er zijn er bij die echt werk hebben gemaakt van hun verschijning; strak in het pak met nauwsluitende pijpen en mooi gepoetste schoenen. De anderen, zo ook mijn zoon, veelal in spijkerbroek met een net hemd. Een enkele durfal komt gewoon in een schreeuwerig t-shirt, een driekwart skaterbroek en met van die dikke, zwarte werkschoenen. Ook anno 2013 zijn er gelukkig nog steeds jongeren die op een leuke manier schijt hebben aan conventies. Een hele geruststelling.

Als ik zoonlief langs zie lopen tussen zijn leeftijdsgenoten, voel ik een rilling van ontroering door me heen gaan. Hij heeft het toch maar mooi geflikt. Niet dat het daar naar uitzag, een tijd geleden. Hij heeft het, laten we zeggen, tot het laatst toe nogal spannend gehouden of hij wel of niet zou slagen. Als ik afgelopen jaar had geweten dat hij het zou redden, zou me dat heel wat spreekwoordelijke grijze haren hebben gescheeld. Maar ach, dat hoort ook bij de geneugten van het ouderschap.

Als ze eindelijk allemaal zitten, het is inmiddels een kwartiertje later dan gepland, legt de ceremoniemeester uit dat er telkens drie namen van geslaagden zullen worden genoemd. Deze moeten dan gaan staan, waarna hij of zij om de beurt zal worden toegesproken.

Even later schallen de eerste namen door de aula. Twee meisjes en een jongen gaan wat onwennig staan. Dan wordt de eerste besproken. Op een groot scherm boven het podium wordt eerst een foto vanuit de brugklas geprojecteerd. “Oooohhh” en “aaaahhhh” doet de zaal bij het zien van het kind met beugelbekkie en brilletje dat in zes jaar tijd, net als het lelijke eendje, is veranderd in een sierlijke zwaan. De arme meid kleurt rood bij het zien van die foto. Gelukkig voor haar wordt daarna snel een recente, zeer charmante, foto in beeld gebracht en steekt de ceremoniemeester van wal met haar toespraak.

De ene na de andere scholier wordt bewierookt, bewonderd en een enkeling ook een heel klein beetje liefdevol bespot. Uit de besprekingen blijkt mij al snel dat zoonlief bepaald niet de enige is die het erop aan heeft laten komen. Vele anderen, allemaal jongens valt me op, waren kennelijk eveneens heel druk bezig met alles behalve hun schoolprestaties.  Ze kwamen vaker te laat, zaten omgedraaid aan hun tafeltje en waren voor de derde keer op rij hun boeken “vergeten”. De ouders hoor ik kreetjes van herkenning slaken, de rest van de zaal lacht goedmoedig mee.

Voor de meiden daarentegen niks dan lof. Maar al te vaak hoor ik als commentaar van de mentor de verzuchting “Had ik maar meer scholieren zoals…(vul meisjesnaam in) in mijn klas.  Beleefd, sociaal betrokken en vriendelijk. Een keiharde werkster die altijd haar huiswerk af had. Het zonnetje in huis.” Die gaan het vast nog heel ver schoppen.

Een keur aan gekozen studierichtingen komt voorbij. Hogere hotelschool, Business Administration, Economie, Nederlands, Engels, Psychologie (waar ook mijn nazaat voor heeft gekozen), Rechten. Een enkeling heeft het helemaal voor elkaar en vertrekt met een prestigieuze beurs naar de Verenigde Staten of Engeland voor de vervolgstudie. Één bolleboos gaat zelfs twee studies tegelijk doen.

Dan is het eindelijk de beurt aan zoonlief om te gaan staan. Snel laat ik mijn camera lopen, om vooral maar niks van de speech te missen. Zijn foto als kleine brugpieper herinner ik me nog goed. Het kinderlijke gezichtje met een grijns van oor tot oor onder een lichtblonde haardos die met gel rechtop is gezet, roept vertederde glimlachjes op van het publiek. Even later zie ik zijn foto van nu. Zijn gezicht is langer en smaller, zijn haren een stuk korter en donkerder. Het gezicht van een jongeman.

Even voel ik een pijnlijke steek om wat is geweest en nooit meer terug komt. Ik knipper een paar keer extra met mijn ogen om de opkomende waterlanders in toom te houden. Een hoofdstuk van zijn levensboek wordt definitief afgesloten, het volgende ligt – nog blanco – opengeklapt klaar. Door me heen flitsen alle herinneringen die hem tot dit moment hebben gebracht. De peuterzaal, de lagere school, al die jaren als middelbare scholier.

Hoeveel proefwerken, toetsen en mondelingen heeft hij wel niet gehad om tot hier te komen? Hoeveel spreekbeurten, boekbesprekingen en praktische opdrachten? Hoeveel werkstukken, examens en schriftelijke overhoringen?

Mijn gemijmer eindigt abrupt als zoonlief wordt toegesproken. Hij staat verlegen te draaien en weet zich geen raad met die lange armen. Hij plukt een denkbeeldig pluisje van zijn hemd en kijkt afwisselend naar de vloer en naar de spreekster. Vanaf een afstandje voel ik met hem mee. De ceremoniemeester opent haar speech door hem te benoemen tot het achtste wereldwonder. De zaal lacht. H., zijn zus, oma en ik grinniken.

“Jij hebt een enorme eindspurt ingezet en bent nog net op tijd gearriveerd aan de diploma-streep! Dat verdient heel veel respect. Gelukkig voor jou was het jaar niet drie maanden korter”, zo vat de spreekster zijn laatste jaar bondig samen. Hij moet zelf erom grijnzen.

Als hij even later het podium beklimt om bij zijn mentor het diploma in ontvangst te nemen, moet ik even slikken. Ik kijk naar de leerkrachten, sommige nog jong, andere al flink op leeftijd. Maar allemaal kijken ze vandaag trots en blij. Het moet ook voor hen vreemd zijn om deze lichting, na alles wat ze samen hebben meegemaakt, nu los te moeten laten. Hun scholieren kwamen binnen als rupsjes en hebben zich onder hun vleugels ontpopt tot wonderschone vlinders.

Deze enthousiaste en betrokken docenten zijn niet alleen belangrijk voor de maatschappij, maar hebben ook voor mijn zoon veel betekend. Al zal hij dat – uiteraard – niet snel toegeven. In stilte bewonder ik ze voor het klaarstomen van al deze slimme en prachtige jonge mensen. Geluidloos bedank ik ze voor alle kennisoverdracht, voor het luisterend oor, voor de passie die ze bij menigeen hebben weten over te brengen voor hun vak. Voor al die mooie, relatief zorgeloze schooljaren en de bijpassende herinneringen die een leven lang meegaan. Leerkrachten zijn helden.

Zoonlief is nu toegekomen aan zijn rondje handen schudden. De vrouwelijke leerkrachten krijgen – o wonder! – drie pakkerds. Iedereen lacht, hij wordt op de schouders geslagen, moederlijk en vaderlijk toegesproken. En dan gaat hij het podium af, het felbegeerde papier schijnbaar achteloos in zijn hand geklemd.

De wijde wereld lonkt.

© Pascale Bruinen

diploma uitreiking2

diploma uitreiking

Wat zijn jouw herinneringen aan je diploma-uitreiking? Deel ze hier met anderen!

GSM

Met de gsm’s van mijn zoon en dochter is iets vreemds aan de hand. Die blijken namelijk frequent niet bereikbaar te zijn. Maar alleen als ík ze wil bellen of sms-en.

Vroeger, in hun pré-abonnemententijd, stond GSM bij mijn kroost normaliter voor “Geen Saldo Meer”. Als ultieme smoes om me niet te woord te hoeven staan. Nu ze ieder een abonnement hebben betekent GSM zoiets als “Ga Snel Moven”. Alles om maar zo gauw mogelijk van me af te zijn.

Dit gaat als volgt. Ik (in mijn rol als bezorgde moeder die op punt van vertrek staande puber nog snel naroept): “Op tijd thuis komen en zorg dat je bereikbaar bent als ik je wil spreken!”

Puber (zoon of dochter, dat maakt in dit voorbeeld niks uit) is al zo goed als buiten en mompelt in het gunstigste geval “Hmm”, meestal expres gevolgd door iets onverstaanbaars om zich daarna met versnelde pas uit de voeten te maken.

Die keren dat ik ze dan wel eens bel, hoor ik geregeld het irritante “toe-doe-die”-geluidje, gevolgd door de dito vrouwenstem die vergenoegd meldt dat het nummer dat ik probeer te bellen op dit moment niet bereikbaar is en uitgeschakeld kan zijn. Uitgeschakeld! Há! Dát kan het nooit zijn, althans niet uit vrije wil.

Een tijdje geleden. Ik ben mijn oplader kwijt. Ik weet zeker dat ik hem op de gebruikelijke plaats heb neergelegd maar daar ligt hij niet meer. Omdat zoonlief zich onlangs nog heeft laten ontvallen dat zijn oplader stuk is (en nee, hij heeft geen idee waardoor), krijg ik ineens het donkerbruine vermoeden dat hij die wel eens “geleend” kan hebben. Uiteraard zonder eerst even aan mij te vragen. En inderdaad, tussen de schriften, boeken, pennen en cd-roms die kris kras door elkaar op zijn bureau liggen, ligt ook mijn oplader. Desondanks weet hij het klaar te spelen dat zijn gsm – en dan bij voorkeur op cruciale momenten – zo leeg is als de Griekse staatskas.

Zoiets doet me knarsetanden.

Puberdochter maakt het op een andere manier te bont. Zij let doorgaans juist als een havik erop dat haar gsm altijd opgeladen is. Het probleem is alleen dat zij een van de enige personen in Nederland moet zijn die om de haverklap geen bereik heeft. Maar uitsluitend daar waar het contact met het thuisfront betreft. Want met haar vriendinnen heeft ze daar hoegenaamd nooit last van. Maar die stellen dan ook geen vervelende vragen en zeuren haar evenmin aan de kop met bemoeizuchtige opvoeddingetjes.

Als ik haar zeg dat ik een column over dit heikele onderwerp in voorbereiding heb, haast ze zich te benadrukken dat zij míj nu juist nóóit aan de telefoon krijgt als ze me nodig heeft.  Die nood van haar moet overigens niet met een korrel maar met een heel pak zout genomen worden want die keren dat ik word gebeld gaat het slechts over twee dingen: haar geld is op en/of ze wil een lift van van A naar B. Liefst pronto.

Soms bekruipt me ook wel eens het aan paranoia grenzend gevoel dat ze mij gewoon wegdrukt als ik inbel. Met name als ik dan een staccato-sms verstuur die qua tekst niks te raden over laat (“neem NU op!!!”) en haar meteen erna wel aan de telefoon krijg. Ra ra hoe kan dat?

Haar verklaringen zijn even onwaarschijnlijk als uiteenlopend. Zoals daar zijn: “Ik had de telefoon even ergens anders neergelegd” (yeah right, ze zou nog liever een arm of een been missen dan haar mobiel); “Ik heb de telefoon niet gehoord” (onmogelijk daar ze zowat fysiek vergroeid is met het ding) of (wat mij betreft de allermooiste): “Ik zag wel een nummer in het display maar het was anoniem dus ik dacht, neem maar niet op” (de enige die met een anoniem nummer bij haar inbelt, nee correctie, de enige die haar überhaupt belt, ben ik!).

Want iemand bellen is iets voor fossielen uit het stenen tijdperk.

Zoals ik.

© Pascale Bruinen

Je herkent dit vast wel als je zelf pubers in huis hebt. Maar misschien dat volwassenen er ook wat van kunnen. Dus laat je reacties de vrije loop!

Tijdelijk gesloten wegens verbouwing

Wie pubers thuis heeft, zal beamen dat zij vaak in een omgedraaide wereld lijken te leven. Logica is ver te zoeken; wat vroeger heel gewoon was, is nu off limits en de enigen die hun onsamenhangende verhalen begrijpelijk vinden, zijn zij zelf. Ik betrap me erop dat ik een paar keer per dag zo’n moment heb dat ik niet weet wie er nu gek is, mijn puber of ik. We zitten niet op verschillende planeten maar in compleet andere melkwegstelsels.

De reden voor al dit fraais? Hun brein is tijdelijk gesloten wegens verbouwing en wel eentje die in het ergste geval zo’n dikke zes, zeven jaar kan duren. Zo creëer je meteen een nieuw programma. Wat te denken van “Help, mijn puber is klusser!”, “Van probleemgeval tot droompuber” of “Red mijn puberverbouwing”? Aan inspiratie geen gebrek. Ik hoef alleen maar om me heen te kijken, goed te luisteren en iedere puberale oprisping meteen op te schrijven om zo een paar scènes te hebben.

Scène 1: dochterlief werkt als vakkenvuller en vertelt over de man die de baas is over de vulploeg.

Ik: “Is dat een jonge man?”

Dochter: “Nee”.

Ik: “Hoe oud is hij dan?”

Dochter: “In de twintig”.

En bedankt.

Scène 2: ik heb een discussie met dochterlief over hoe lang je ballerina’s door kunt  dragen.

Ik: “Dan doe je als het kouder wordt toch een pantykousje in je ballerina’s?”

Dochter: “Nee, dat wil ik niet, die zijn glanzend”.

Ik: “Niet altijd, die zijn er ook in mat”.

Dochter: “Mat is ook glanzend”.

Tja.

Scène 3: zoon reageert op opmerking dochter die meldt dat ze blokuren heeft waarbij ze hetzelfde vak twee uur achter elkaar in hetzelfde lokaal heeft.

Zoon: “Het is veel chiller om verschillende vakken achter mekaar te hebben”.

Ik: “Hoezo?”

Zoon: “Als je van les wisselt, wissel je tenminste van lokaal en zijn zo al tien minuten om!”

Ik: “Dan zijn er nog steeds 40 minuten over”.

Zoon: “Maar niet als je tegen het einde ook nog even naar de WC gaat!”.

Tegen zoveel naakte ambitie kan ik niet op.

Los van dit soort hoogstaande dialogen moet er ook nog opgevoed worden. Zodra ik een dappere poging daartoe doe, word ik de laatste tijd door mijn pubers steevast ge-eyeballed.  Oftewel de ogen worden – half geloken – dramatisch ten hemel geslagen als non-verbaal teken dat ik totale bullshit uitkraam. Als ze tenminste niet al schouderophalend de kamer hebben verlaten midden in een van mijn preken. En ja, natúúrlijk laat ik ze onmiddellijk terugkomen en hef ik mijn “Jij-loopt-niet-weg-als-ik-tegen-je-praat”-speech aan. Compleet met priemende wijsvinger. En ja, uiteráárd horen ze dit totaal ongeïnteresseerd aan omdat ze ieder woord zelf al uitspreken nog voordat ík het heb kunnen zeggen.

Bijzonder knap is dat pubers, ondanks hun interne verbouwing, het multi-tasken toch tot kunst hebben weten te verheffen. Zo vindt mijn zoon de ultieme ontspanning door te laptoppen met de muziek aan terwijl achter hem (!) de tv loeit. Of doet mijn dochter met één hand mascara op terwijl ze met de andere hand blind een what’s app bericht typt op haar gsm. Ik doe het ze niet na. Niet dat ik niet weet hoe ik met één hand mascara op moet doen, maar vooral omdat ik nog steeds geen clou heb hoe ik moet what’s appen. Maar dat terzijde.

De verbouwingswerkzaamheden zorgen er ook voor dat mijn pubers niet vooruit te branden zijn. Dit in pijnlijke tegenstelling tot vroeger toen ze altijd lekker buiten aan het rennen en ravotten waren. Het bed is nu hun beste vriend. Daar storten ze zich – mét hun onafscheidelijke smartphone – op zodra ze thuis komen, maken ze huiswerk en zappen ze eindeloos langs alle tv-kanalen terwijl ze de laptop op schoot hebben.  Of om met Fabulous Mama Magazine te spreken: het leven was een stuk gemakkelijker toen apple en blackberry nog alleen maar vruchten waren.

Dat dit soort puber-toestanden niet tot Nederland beperkt blijven, blijkt als we afgelopen zomer bij Catalaanse vrienden logeren. Die hebben een veertienjarige puberzoon die hun met zijn ledigheid af en toe tot wanhoop drijft. Terwijl zij zich iedere dag een slag in de rondte werken, moeten ze bij thuiskomst lijdzaam toezien hoe zoonlief alleen maar op de bank tv ligt te kijken of te playstationen. Wat hem prompt de titel “Koning van de Sofa” oplevert.

Hij is er nog trots op ook.

© Pascale Bruinen

Gelukkig is de verbouwing op een gegeven moment ein-de-lijk achter de rug. En als de stofwolken zijn opgetrokken, zou het zomaar kunnen dat je puber ineens wel aanspreekbaar is en zowaar kan plannen, organiseren en gevaren kan inschatten.  Nu bevestigt de uitzondering altijd de regel, dus ik ben benieuwd wie pubers heeft die hoegenaamd geen last hebben van verbouwingsperikelen?

Home Alone

Yes! Tsjakka! Joehoe! Een aan euforie grenzend gevoel bekruipt me. Ik ben alleen. Alléén. Eindelijk is iedereen weg.

Oh, begrijp me niet verkeerd. Ik ben gek op mijn gezin, hou zielsveel van ze en zou ze voor geen goud willen of kunnen missen. Maar nu heb ik het huis even een paar uurtjes he-le-maal voor mezelf. Wat een luxe.

In gedachten hoor ik een en dezelfde flard van het lied van Ramses Schaffy: “Laat me, laat me, laat mij gewoon m’n gang maar gaan”. Hoe toepasselijk. Eens even niks. Niets hoeven uitleggen, nergens antwoord op hoeven geven, van niks of niemand last hebben.

Ik ben helemaal alleen thuis en vind het heerlijk. Egoïstisch? Absoluut, maar ik voel me er niet schuldig onder. Mijn hele week staat al in het teken van dingen doen, van hot naar her rennen, praten. Van op bezoek gaan, luisteren, meeleven. Van helpen, meedoen, meedenken. Meestal voor, bij en met anderen.

Op een dag als deze ben ík aan de beurt. Even lucht happen. Wat zuurstof is voor je longen, is af en toe alleen zijn voor mij. Noodzakelijk en gezond.

Ik ben alleen met mijn gedachten. Ik voel dat ik langzaam tot mezelf kom. Als ik wil, kan ik alleen maar lanterfanten. Of lezen. Schrijven. Opruimen. Alles doen op mijn eigen tempo. Of niet.

Niemand die er wat van zegt. Niemand die mijn aandacht vraagt. Niemand die me uit mijn ritme haalt.

Ik ervaar de schoonheid van oorverdovende stilte. Geen luid dreunende muziek van puberdochter. Geen eindeloze oefensessies met zelf gemixte deuntjes van puberzoon. Geen dreunende voetstappen op de trappen als zoon of dochter met vier stappen tegelijk naar boven of naar beneden rent.

Alleen maar rust in de tent.

Nu ben ik zowaar in staat om het tikken van de klok te horen, het aanspringen van de diepvriezer of het zacht neerdalen van de regen buiten. Het leven is mooi.

Veel mensen zijn bang om alleen te zijn en zetten daarom permanent de radio of TV aan om zo de illusie te creëren dat er iemand bij ze is. Ik wil die stilte net bewust ervaren. Het doet me goed. Geeft me energie. Biedt me nieuwe inzichten.

Zo laad ik door mijn alleen-zijn mijn accu tussendoor telkens even op, waarna ik me weer betrokken en oprecht geïnteresseerd op anderen en andere dingen kan richten. Dit is een vorm van egoïsme waar anderen dus alleen maar profijt van hebben. Altru-egoïsme dus. Ik kan het iedereen aanraden.

Ik ben juist bezig de laatste regels van deze column aan het papier toe te vertrouwen, als ik de achterdeur met een ferme klap hoor dichtslaan. Zoonlief is thuis. Even later hoor ik de bassen als vanouds boven mij trillen. Maar in plaats van dat het me irriteert, moet ik er nu van glimlachen.

“Hallo!”, roept kort daarna een heldere stem van beneden. Dochter is binnen. De bassen krijgen nu in rap tempo gezelschap van de bekende kreten van de rappers. En ik erger me dit keer zelfs niet aan de soms ronduit idiote teksten.

Ah, de vertrouwde geluiden van pubers in hun kamers.

De stilte is voorbij maar ik vind het niet erg. Want ik kan er weer vol tegenaan. Ik ga de kamers even langs. Begroet zoon die mij prompt vraagt om te kijken naar het informatieboekje over de op handen zijnde schoolreis. Steek mijn hoofd om de deur van de kamer van dochterlief waar mij meteen wordt verzocht om die laatste bobbel even uit haar haren weg te stijlen.

Na deze klusjes, die ik routineus maar met hervonden enthousiasme afhandel, ga ik naar beneden. Daar komt H. net thuis.

En voordat hij ook maar iets kan zeggen, zeg ik het zelf maar alvast. “Kan ik ergens mee helpen?”

Ik ben net weer ingestapt in de achtbaan van het gewone, vertrouwde, drukke gezinsleven.

Nog zeven rondjes te gaan voordat ik er weer even uit kan.

© Pascale Bruinen

 

Heerlijk, die rollercoaster, maar evengoed erg prettig als je af en toe even kunt uitstappen. Ben benieuwd of meer mensen kunnen genieten van even alleen zijn, van een momentje voor jezelf hebben.

Diva’s in de Dop

“Ik heb een supergoed idee!”, roept dochterlief opeens triomfantelijk uit. Ik zit op dat moment rustig in de woonkamer te lezen en schrik me kapot bij deze plotselinge doorbreking van de zalige stilte.

Ik ben meteen op mijn hoede. Als zij een goed idee heeft, kost het mij altijd geld. Of minimaal meerdere taxiritten van en naar vriendin X ,Y of Z of de stad. Als ik zie dat ze zelfs haar heilige Blackberry heeft neergelegd, word ik ronduit achterdochtig. Met dat ding is ze zo’n beetje als een Siamees vergroeid.

“En wat mag dat supergoede idee dan wel niet zijn?”, vraag ik. De voorzichtigheid druipt er van af.

“Jij hebt straks toch afgesproken met de moeder van G? Om samen koffie te gaan drinken? Nou, als jullie in plaats daarvan nou eens met G. en mij zouden gaan shoppen?”, stelt ze poeslief voor. G. is haar goede vriendin. Ze kijkt me daarbij overdreven indringend aan, haar hoofd een tikje schuin. Ik ken die blik maar al te goed. Die hoort bij het ingezette charme-offensief. “Dan kunnen jullie tóch koffie gaan drinken, alleen nóg gezelliger!”, maakt ze het af.

Tegen zoveel logica kan ik niet op en na een kort telefonisch overleg met J., de moeder van G., is alles geregeld. Een uurtje later zitten we met zijn vieren in de auto: twee giechelende, non-stop kletsende en what’s appende puberdochters op de achterbank en wij, de twee softies, voorin.

We gaan op weg naar een mega winkelcentrum waar er in ieder geval één winkel is die (vrouwelijke) pubers doet watertanden: heel groot, erg goedkoop en propvol lelijke en iets minder lelijke kleren, schoenen en prullaria die ze helemaal niet nodig hebben. En juist dáár moeten we kennelijk met spoed naar binnen, getuige het feit dat de twee dames – die zich normaliter tergend langzaam voortbewegen – nu ineens voor ons uit snellen.

Ze zien er allebei hetzelfde uit: donkere jegging, mooi topje met kek jasje erover, ballerina’s en een enorme handtas die ze elegant over hun gebogen arm laten bengelen. En niet te vergeten het ultieme mode-accessoire: de Blackberry, inclusief bling bling hoesje en daarom dus volop on display. Diva’s in de dop.

Ik wil net een opmerking maken tegen J. over hoezeer ze op elkaar lijken, als de dames vanaf een afstandje in koor naar ons roepen dat wij “net zusters zijn”. J. en ik kijken elkaar aan en schieten in de lach. Want inderdaad, ook wij lijken verdacht veel op elkaar met onze donkere jeans met nauwe pijpen, witte blouse en …ballerina’s.

Even later moeten we er aan geloven en betreden we het aardse puberparadijs. Binnen is het nog redelijk rustig maar dat zal niet lang meer duren. Zelden zo veel kleding zo dicht op elkaar gezien. De H&M is er niks tegen. Overal staan, liggen en hangen t-shirts, topjes, jeans, jasjes, truien en wat dies meer zij. In alle kleuren, prints en maten. Het duizelt me voor de ogen.

De dames zijn in no time nergens meer te bekennen. Wel horen we ze nog af en toe verrukte kreetjes uitstoten bij het een of andere rek. J. en ik lopen systematisch de rijen langs, snel scannend of er iets tussen hangt dat voor ons de moeite waard is. De meeste spullen zou ik nog niet voor niks willen. Ik ben benieuwd waar onze dochters zo meteen mee komen aanzetten.

Lang hoef ik daarop niet te wachten want als bij toverslag staan ze voor ons, ieder met een oversized winkeltas die nog het meest lijkt op een groot visnet. En dat zit overvol. In de gauwigheid zie ik dat mijn dochter een goudkleurige bikini, een kaftan, twee paar slippers, een zonnebril, een spijkerbroek die zo smal is dat het lijkt alsof die maar uit één pijp bestaat, twee precies dezelfde zwarte leggings, een topje, zeker drie t-shirts, twee shorts, een colbertje, een pyama, een badjas en een massa lange kettingen heeft binnen gehengeld.

Ik ben met stomheid geslagen want ze is nog geen kwartier weggeweest. Bovendien heeft ze me bezworen dat ze maximaal 50 euro zou uitgeven. Ja, dank je de koekoek, méér heeft ze ook niet op haar rekening staan. En nou is het hier weliswaar niet duur, maar deze hele oogst bij elkaar gaat ver over dit bedrag heen.

Bij een nadere inspectie zie ik tot mijn verbazing en hun hilariteit dat de verzamelde spullen in hun twee visnetten nagenoeg identiek zijn. En dan maar klagen over hoe individualistisch de jeugd is.

Inmiddels is het veel later én drukker geworden, maar het fijnste van deze shopping expeditie moet dan nog komen. De dames moeten nog effe gaan passen. Dat lijkt mij nu hét moment om lekker met J. te gaan koffieleuten, maar helaas. De dames hebben meer dan het toegestane aantal stuks dus moeten J. en ik verplicht in de ellenlange rij aanschuiven, bedolven onder minuscule leggings en topjes. Die cappuccino zal nog even moeten wachten.

Het pascircus kan beginnen. J. en ik doen de ren-je-rot-show van en naar de paskamers om uiteindelijk bijna alles om te ruilen voor toch maar een maatje meer of nog minder. Waarna alsnog zeker de helft door de dametjes wordt afgekeurd.

Op naar de kassa dan, waar wij respectievelijk nummer 15 en 16 zijn van de menselijke slang die zich naar het betaalpunt kronkelt. Onderweg is dochterlief nog hard aan het hoofdrekenen, maar hoe ze ook optelt, het komt altijd ruim boven de 50 euro uit. Met iedere stap richting kassa gooit ze weer iets anders uit haar visnet. Hup, daar gaan de kettingen (“ik vind ze eigenlijk iets té”), de badjas (“doe ik toch nooit aan”), de pyama (“veel te kinderachtig”), de goudkleurige bikini (“je hebt gelijk, mam, die was wat aan de kleine kant”), de kaftan (“is niks zonder die bikini”), een t-shirt (“dat rood staat me afschuwelijk”) en een paar slippers (“G. vindt ze ook niks”).

Per saldo zijn we ongeveer tweeëneenhalf uur binnen geweest, heeft zij inderdaad precies 50 euro uitgegeven (waarbij ik gemakshalve die 19,50 euro niet meetel die zij te kort kwam en ik toch maar heb meegesponsord) en hebben J. en ik nog steeds geen druppel koffie gehad.

Op de terugweg is het stil achterin. De divaatjes zijn uitgeshopt, uitgekletst en uitgewhat’s apped. Ze zijn moe maar voldaan. De buit is binnen.

Wij daarentegen zijn alleen maar moe. Moegesjokt, moegesjouwd en moegesjeesd.

Cappuccino? Doe mij maar een dubbele espresso.

© Pascale Bruinen

En, hebben jullie ook zo’n divaatje thuis? Deel jouw verhaal hier met anderen!