Idylle in de Achtertuin

Eindelijk. De zon laat zich vandaag eens echt zien. Omdat het de afgelopen tijd nauwelijks  gezomerd heeft, besluit ik onmiddellijk naar buiten te gaan. Profiteren van iedere straal die  tot mij komt onder het motto: pakken wat je pakken kunt!

Gewapend met de krant en een hete kop koffie nestel ik me in mijn achtertuin op het ligbed dat helaas veel te weinig gebruikt wordt. De laatste tijd kon ik er alleen maar naar kijken door een beslagen raam vol met regendruppels. Maar vandaag is het anders. Vandaag begint het Grote Genieten.

De dag is nog jong en de zomer – min of meer – ook. Er is niemand in huis. De tuin én de Catalpa, die glorieus in het midden staat, zijn op hun allermooist. De vlijtige liezen doen hun naam alleszins eer aan. Het muntkruid heeft zich de afgelopen tijd verdrievoudigd. De olijfboompjes maken het ene na het andere nieuwe zilvergroene blaadje; ik zie zelfs al de minuscule olijfjes zitten. Alles groeit, bloeit en geurt op de meest uitbundige wijze. Geen wonder ook, na dat groeizame weer van veel regen met toch ook wel geregeld wat warmte.

Ik zet een klein laag tafeltje, waar een enorme fuchsiaroze bloemenpracht van petunia’s overheen hangt, pal naast mijn ligbed. Daarop leg ik de vaste en mobiele telefoon (want: geen zin om telkens op te staan als een van die twee krengen mocht overgaan), zonnecrème, zonnebril en een bakje donkerrode, bijna zwarte, kersen. Hmmm. Na het obligate insmeren, zet ik mijn zonnebril op, nip aan mijn koffie en sla de krant open. Aaahhh. Gezellig. Ik lig me nog net niet zichtbaar te verkneukelen. En wát een rust. Ik lees ongestoord, onbekommerd en ongehaast.

Een parmantige mannetjesmerel trekt opeens mijn aandacht door zeer dichtbij een prachtig fluitconcert te beginnen. Voorzichtig kijk ik op van de krant en zie hem zitten op de rand van het dak. Ik moet ervan glimlachen. Hij is ook zo schattig. Hij vliegt even weg om een paar meter verder meteen weer neer te strijken op de schutting. Bij de landing veert zijn staart omhoog zodat hij zijn balans houdt. Oh wat enig!, denk ik. Totdat ik zie dat hij meteen van de gelegenheid gebruik maakt om een fijn merelpoepje te laten vallen, midden op mijn mooie bloeiende hosta’s. Da’s nou ook weer niet de bedoeling! Net zomin als dat hij en zijn gevederde soortgenoten mijn zorgvuldig geveegde terrasstenen weer vol gooien met grond omdat ze in de borders naar wormen of ander eetbaar spul hebben gezocht. Maar ik ben gek op merels dus die kunnen bij mij wel een potje breken.

Na dit ornithologische intermezzo concentreer ik me weer op mijn krant. En op De Zon, want voor het eerst in weken voelt mijn huid weer Haar weldadige warmte. Ik word er ontspannen, loom, ja zelfs lui van. Na een tijdje voel ik mijn ogen dichtvallen. En waarom ook niet? De rest van de krant kan nog even wachten. Ik voel een zalig, zijdezacht briesje over me heen gaan. Ik hoor het tsjilpen van verschillende soorten vogels. Ik ruik af en toe een zweem van de geurende lavendel. Het leven is goed. Het leven is mooi. Het is eindelijk zomer.

Met gesloten ogen ben ik me veel bewuster van de geluiden om me heen. Hoewel het naar normale maatstaven zalig stil is (want geen ruziënde buren, ronkende kettingzagen of knetterende brommers), is er auditief nog meer dan genoeg te beleven in mijn idyllische achtertuin. Heel in de verte hoor ik de motoren van een vliegtuig, een stuk dichterbij de zachte stem van de buurvrouw van twee huizen verderop en vlak boven me het fluisteren van de bladeren die bewegen in de warme wind.

Ik steek een kers in mijn mond. De typische zoete smaak ervan doet me aan vroegere, lange, warme zomers denken. Zo’n zomer waarvan je dacht, die gaat niet meer voorbij (vrij naar Gerard Cox). Sommige dingen veranderen gelukkig nooit. Ik zucht eens diep en hef mijn gezicht op naar de koperen ploert, die hoog aan de hemel staat. Veel beter dan dit wordt het niet.

Ergens ben ik verbaasd over hoe gelukkig ik word van dit simpele buiten-zijn-in-de-zon met iets te lezen, wat vers fruit en een bakkie leut. Maar ergens ook juist niet. Geluk zit immers vaak juist in de eenvoudigste en puurste dingen.

Soms is het letterlijk onder handbereik.

© Pascale Bruinen

Hier kun je toch alleen maar blij, vrolijk en tevreden van worden of niet soms? En dan ook nog in combinatie met een stralende zomerzon, wat wil een mens nog meer?  Wat zijn jullie zomerse herinneringen of geluksmomenten? Deel ze hier met anderen!

De Wraak van de Eenbenige

Het moet wel haast een vloek zijn. Maar wel een vloek die wijdverbreid is. Wát zeg ik? Ik weet zeker dat er geen straat in Nederland is die er níet door wordt getroffen. Dit onverklaarbare fenomeen komt voor in alle lagen van de bevolking; jong en oud, rijk en arm, autochtoon en allochtoon.

Het is iets wat in gaat tegen alle wetten van de logica, van het normale, ja zelfs van de elementaire natuurkunde.

Als het mij de eerste keer gebeurt, denk ik eerst nog dat ik mij vergist moet hebben. Want dit kan toch niet? De tweede keer vind ik het opmerkelijk en begin ik aan mezelf te twijfelen. Een stemmetje fluistert in mijn oor of ik echt zeker weet dat het er eerst twéé waren. Antwoord: ik weet het niet meer want ik ben een beetje de kluts kwijt. De derde keer vraag ik me vertwijfeld af of ik aan een beginnende vorm van Alzheimers lijd en kan ik alleen maar dankbaar zijn dat niemand hiervan getuige is.

Want ik draai de trommel van de wasmachine rond en rond maar niks. Niks te vinden. Vervolgens steek ik mijn hoofd naar binnen om te kijken of er nergens toevallig iets binnenin is blijven plakken. Het enige dat ik daaraan over houd is echter een pijnlijk verdraaide nek. Tenslotte kijk ik zelfs als het toppunt van irrationaliteit áchter de wasmachine, alsof de sok op miraculeuze wijze dankzij de middelpuntvliedende kracht door de trommel heen naar buiten is gekatapulteerd.

Maar ik ben bang dat zelfs professor Higgs hier niet het ontbrekende deeltje van zou kunnen terugvinden, ook al zouden ze bij CERN in Zwitserland de sokken nog zo snel door een ellenlange wasmachine heen jassen.

Mijn logische linker hersenhelft weigert ondertussen deze onwelgevallige uitkomst te accepteren. Uit pure frustratie gooi ik de deur van de wasmachine met een klap dicht.  Maar het mag niet baten. De tweede sok is en blijft verschwunden, gone, desaparecido.

Je weet dat dit eigenlijk niet mogelijk is. Dingen verdwijnen immers niet zomaar. En toch is het een realiteit. En het gebeurt niet één keer, maar zeer geregeld. Om te zien dat dit klopt hoef je alleen maar in je sokkenla te kijken. Daar liggen al die enkelingen moederziel alleen soms al jaren vergeefs te wachten op hun spoorloos verdwenen wederhelften.

Dit gegeven zou in ons meldzieke landje zomaar een reden kunnen zijn om maar meteen “Sorry Socks” op te richten, oftewel een meldpunt waar je zowel de vermissing van die ene sok kunt doorgeven (wel eerst even 48 uur wachten of ‘ie niet vanzelf weer komt opdagen!) als waar je lotgenoten vindt met wie je gezamenlijk kunt treuren om de zielige achterblijvers.

De volgende stappen zijn dan snel gezet. In “Vermist” komt een steeds terugkerend item met trieste filmpjes van snikkende huismoeders die in de huiskamer een altaartje compleet met waxinelichtjes hebben ingericht met daarbij een ingelijste foto van de “Vermiste Sok van de Week”, Derk Bolt reist de hele wereld af om te kunnen aantonen dat het probleem van spoorloze sokken niet ophoudt bij de Nederlandse grens en in Amerika verschijnen de eerste foto’s van vermiste sokken op melkpakken, compleet met vermelding van het nieuwe alarmnummer “dial 911 F*** Where Is My Sock?” (waarbij de sterretjes bij tv- en radiospotjes vervangen worden door bliebjes).

Ondertussen blijft natuurlijk wel de prangende vraag wát er gebeurd kan zijn tussen het moment dat twee sokken in de wastrommel gelegd worden en drie kwartier later, als de wasmachine uitgecentrifugeerd is.

Gelet op het feit dat de wastrommel rondom toch écht dicht is, kan er maar één antwoord mogelijk zijn: het is de Wraak van de Eenbenige. Alleen de Eenbenige heeft immers baat bij het telkens op laffe wijze stelen van slechts één sok van brave burgers. Een soort van draaitrommelcrimineel op sokken. Excuseer, op sok.

In mijn geval moet hij lurken achter de schotten van de zolderkamer, wachtend op dat éne moment dat hij kan toeslaan: als de wasmachine net is aangezet en ik nietsvermoedend de trap af loop. Dan komt hij tevoorschijn van onder de krochten van het dak. Waar hij trouwens, nu ik erover nadenk, niet al te veel quality space zal hebben aangezien hij deze noodgedwongen moet delen met zo’n zeven koffers, twee beautycases (beide nooit gebruikt), een hele reeks sporttassen en rugzakken, een opvouwbaar logeerbed, een rendier (namaak), lampenkappen, karpetten, kerstballen, extra dekens en kussens, schilderijen, souvenirs en stapels ordners.

Als hij zich daar, hompelend op zijn ene been, eindelijk met veel pijn en moeite tussen uit gewurmd heeft – waarvoor hulde! – zet hij het wasprogramma stop, haalt die éne sok van zijn gading eruit (want ja, de tweede heeft hij nu eenmaal niet nodig) en zet de machine weer aan. Klus geklaard zonder dat er zelfs maar water gemorst is.

Zo doolt de Eenbenige in de nachtelijke uren van huis tot huis om daar steeds hetzelfde trucje uit te halen opdat hij nimmer de pijn hoeft te doorstaan van het in de winkel moeten kopen van een páár sokken. En na iedere diefstal weet hij dat zijn slachtoffers zich daarna voor héél even zullen realiseren wat hij al zijn hele eenbenige leven met zich meedraagt.

Het schrijnende gevoel dat het sokkenpaar nooit meer compleet zal worden.

© Pascale Bruinen

Jeetje, je schrikt je helemaal wild als je op internet “enkele sokken” intikt. Ik wist dat het veel voorkwam maar zó vaak? Je struikelt gewoon over de verhalen van mensen die met een hele la of mand vol met enkele sokken zitten. Wat weer de vraag opwerpt waarom die niet gewoon weggegooid worden. Antwoord: we blijven hopen op een happy end. Tegen beter weten in, dat wel. En jullie gaan me toch niet vertellen dat jullie er geen last van hebben, hè?

Italo Idolen (2)

Vanaf het wereldkampioenschap voetbal in 1978 heb ik een zwak voor het Italiaans elftal. Ik verzamel posters, artikelen en plaatjes uit voetbaltijdschriften waarvoor ik met mijn drie vriendinnen de boekhandels plunder. Ik ga in Italië op vakantie. Met behulp van twee woordenboeken en een werkwoordenboekje leer ik mezelf een aardig mondje Italiaans.

Omdat mijn interesse verder reikt dan alleen voetbal, duurt het niet lang voordat de Italo Manie zich vrolijk voortzet in de vorm van het kopen en beluisteren van Italiaanse popmuziek. Ongetwijfeld toen en nu errug fout, maar daarom juist weer leuk.

In die tijd wordt Ti Amo van ene Umberto Tozzi een behoorlijke hit in Nederland. Ik val bij het horen van de eerste paar noten als een blok voor die aparte, sexy stem en stel me onmiddellijk een Italiaanse adonis als eigenaar ervan voor. Want als je gezegend bent met zo’n opwindend vocaal geluid kán het bijna niet anders of je moet een ongelofelijk stuk zijn.

Daarom stokt later, in de platenzaak, mijn adem dan ook in mijn keel als ik met open mond van afgrijzen en verbijstering naar het hoesje staar. Hij is niet alleen geen Italiaanse adonis, hij is ronduit lelijk en heeft rossig haar. Rossig! Ik wist überhaupt niet dat er rossige Italianen bestonden dus ja, die klap moet ik even verwerken. Maar zijn muziek weet deze visuele ontgoocheling gelukkig meer dan voldoende te compenseren.

Voortaan struin ik met mijn drie beste vriendinnen dus ook alle platenzaken af, op zoek naar de nieuwste lp van Ricardo Cocciante, Lucio Battisti of iemand met de welluidende naam van Dario Baldan Bembo. Het mooiste van alles is dat de songteksten meestal op de begeleidende hoes staan, zodat ik die kan ontleden. Want ik weet graag waar ik over meeblèr.

Ik kan wel stellen dat ik zo’n beetje met Umberto Tozzi ben opgegroeid. Mijn hele middelbare schooltijd heb ik zijn platen zowat grijsgedraaid. Er is bijna geen proefwerk dat ik niet geleerd heb met zijn muziek als achtergrond. Met als toppunt van idioterie dat ik zijn lp’s soms dubbel kocht, voor het geval eentje te veel krassen zou oplopen. En die lp’s kregen zelfs, in tegenstelling tot de anderen, een speciale plastic beschermhoes. Hoe gek kun je zijn?

Gedenkwaardig is die keer dat we met zijn allen naar Brussel gaan waar een concert is van diverse Italiaanse artiesten die op dat moment op het toppunt van hun roem zijn. Helaas is Umberto er die avond niet bij. De hele zaal is stampvol en het is er bloedheet.

Het wordt één groot feest der herkenning als de ene na de andere act het podium bestijgt.

Het trio Ricchi e Poveri trapt af. Je weet wel, dat kleine donkerharige vrouwtje dat als een harlekijn over het podium springt en twee mannen. Nou ja, mannen. Eentje heeft net zo’n verwijfde geblondeerde haardos als George Michael voordat deze uit de kast kwam en de ander is een klein onooglijk opdondertje met een wijkende haarlijn en lelijk snorretje. Ze zingen gedrieën over Mama Maria, waarbij de tekstschrijver een onvoorstelbare mate van creativiteit kan worden toegedicht. Want hoe verzin je anders dit literair hoogst ingewikkelde refrein: “Mama má, mama María, ma, mama má, mama Maria, ma, mama má, mama Maria”? Niet dat wij er ook maar een seconde mee zitten.

Dan komt Al Bano, dat bebrilde lulletje rozenwater van middelbare leeftijd die meer op een saaie bankemployé dan op een popster lijkt. Hij vormt een zeer onwaarschijnlijk duo met de veel jongere, prachtige Romina Power, dochter van de beroemde acteur Tyrone met dezelfde achternaam. Ze kwelen zielsgelukkig hun grootste hit Felicità waarbij ze elkaar tot vervelends toe diep in de ogen kijken. Wat weer de vraag opwerpt of Romina zelf eigenlijk niet nodig naar de opticien moet omdat zoveel adoratie voor Al Bano alleen maar kan betekenen dat ze stekeblind is.

Na hun zoetsappige duetje komt Pupo (spreek uit Poepoo) ten tonele, zo’n klein Italiaantje zonder enige uitstraling met een babyface en dito stem. Het is zo iemand die je op straat straal voorbij loopt, nog minder opvallend dan de boy next door. Hij zingt de melodramatische tranentrekker Forse. Natuurlijk een liefdesliedje van dertien in een dozijn dat verhaalt over een liefde die misschien (forse!) wel of misschien niet stand zal houden. Ideaal voor smachtende pubers die zelf ook niet wars zijn van enige hang naar overdreven sentimentaliteit. Zoals, euh, ik.

En naturalmente Toto Cotugno. Die lange, donkere, super fatterige Italiaan met gitzwarte, tot in perfectie gecoiffeerde haren tot ver in zijn nek en met een stem van schuurpapier, vooral bekend van Soli en L’Italiano. Hij vindt zichzelf een eigentijdse casanova en laat dat overduidelijk merken. Hij is volgens mij zó weg van zijn eigen ik dat hij het liefst het hele optreden voor een manshoge spiegel zou doen. Maar hij moet het doen met een uitzinnig publiek.

Uiteraard staan wij bijna vooraan dus kan ik uitstekend zien hoe de zweetdruppels witte vlekken maken in zijn zorgvuldig aangebrachte gezichtsmake-up. Én hoe de zwarte druppels haarverf uit de fraai geföhnde haardos op zijn hagelwitte jasje vallen. Ik had het kunnen weten. Die haren waren altijd al té verdacht zwart om echt te kunnen zijn.

Maar ook deze minieme tegenslag mag de pret niet drukken. We klappen, joelen en galmen met ieder mierzoet liedje luidkeels mee en hebben een super puber avond. In een geluksroes zweven we naar huis.

En als de encores en bis bis kreten allang zijn uitgestorven, echoën de vrolijke, zomerse en aanstekelijke melodieën nog na in onze hoofden.

© Pascale Bruinen

Dankzij onder andere de muziek van Umberto Tozzi heb ik menig gezellig uurtje in mijn kamer bij de pick-up doorgebracht en ook nog Italiaans geleerd. Dus Italo Idolen: grazie mille! 

Italo Idolen (1)

Het Italiaans elftal is weer hot. Na jaren van dat stomvervelende catenaccio en uitblijvende successen heeft het land van de laars op het EK van Polen en Oekraïne weer eens goed van zich doen spreken met fris, aanvallend en creatief voetbal. Alles wat wij, euh, niet hadden.

Maar de Italiaanse koppies die de zwenkende camera tijdens het fanatiek meegezongen volkslied in beeld brengt, zijn on-Italiaans gewoon. Niet knap. Niet echt uitgesproken (balorige Balotelli daargelaten). Op de een of andere wijze niet Italiááns. Het zou bij wijze van spreken je onopvallende buurjongen kunnen zijn.

Dat was eind jaren zeventig van de vorige eeuw wel even anders. Ik ben een voetbalfanaat en volg het Nederlands elftal op de voet. Maar van wie ik pas echt gecharmeerd ben, zijn de voetballers van La Squadra Azzurra. En omdat daarin heel wat spelers van Juventus vertegenwoordigd zijn, mag ook die club zich in mijn toenemende bakvis-belangstelling verheugen.

En dat komt niet zozeer door hun voetbalprestaties (die zeer behoorlijk zijn) als wel door de aardige bijkomstigheid dat een aantal van die heren in mijn puberogen een bepaalde mate van woeste aantrekkelijkheid bezitten. Mooie lijven in – toen nog – korte voetbalbroekjes en strakke hemelsblauwe truitjes die als gegoten zitten. Tja, het oog wil nu eenmaal ook wat.

Ik memoreer een Antonio Cabrini, niet voor niets ook wel Bell’ Antonio genoemd. Of een Marco Tardelli, ook niet echt lelijk. Of de onvergetelijke goalgetter Paolo Rossi met zijn guitige Pietje Bell uitstraling.

De degelijke Dino Zoff, de trotse Romein Claudio (what’s in a name?) Gentile of de markante kop van Gaetano Scirea (helaas veel te vroeg overleden bij een auto-ongeluk in 1989). Stuk voor stuk interessant om naar te kijken. Over die lelijke Franco Causio (compleet met Magnum, P.I. – snor) wil ik het dan maar niet hebben.

Mijn persoonlijke favoriet is echter Roberto Bettega. Die grijsharige (ja, toen al!), lange Italiaan die fantastisch kan koppen. Vandaar zijn bijnaam: testa d’oro. Gouden hoofd. Gelet op zijn haarkleur hadden ze hem beter testa d’argento (zilveren hoofd) kunnen noemen, maar alla. Hij is niet echt knap in de klassieke zin van het woord, maar heeft iets heel aparts en authentieks.

Op 21 juni 1978 bevind ik me in tweestrijd als mijn helden in de tweede ronde van het wereldkampioenschap voetbal in Buenos Aires uitgerekend moeten aantreden tegen het Nederlands elftal. Door die onvergetelijke pegel van Arie Haan wordt Italië veroordeeld tot een uiteindelijk vierde plaats en gaan wij de later zo smartelijk verloren finale in. Ik ben blij voor Nederland, maar mijn jonge meisjeshart huilt stiekem voor Italië. Maar bovenal voor Roberto.

Mijn vriendinnen M., N. en R. zijn inmiddels ook met het Italië-virus besmet geraakt. Het gaat op een gegeven moment zelfs zo ver, dat we van onze gespaarde zakcenten heuse witte sportbroeken, azuurblauwe voetbalshirts- en kousen én echte voetbalschoenen kopen en ieder vrij moment buiten een balletje gaan trappen.

En al zeg ik het zelf: we spelen niet onverdienstelijk. Een-tweetjes, met binnen- of buitenkant voet schieten, ja zelfs koppen doen we goed. Met zo’n zware leren bal. Soms mogen we met de jongens meedoen en worden we zowaar aangespeeld. Een teken van respect. Wij zijn, zonder het te weten, onze tijd ver vooruit.

Dus in de fase dat mijn puber-leeftijdsgenoten allemaal posters hebben van pop- en filmsterren, is mijn kamertje van boven tot beneden behangen met voetbalposters.

Mijn vriendinnen zijn plotseling ook keiharde concurrenten als we met zijn vieren die ene kiosk plunderen, op zoek naar die paar Italiaanse voetbaltijdschriften die nogal verloren tussen de rest van de sportbladen liggen. Naarmate we dichterbij komen, versnellen we onze pas en onderdrukken de neiging om echt te gaan rennen. Ieder van ons hoopt vurig het eerst bij het rek te zijn, want de ongeschreven regel is: wie het eerst komt, mag hem kopen.

Maar oh! Het gevoel van pure triomf als je dan het boekje te pakken hebt en er blijkt weer een echte poster in te zitten! Ik kom nog net niet zwevend van geluk naar buiten, het felbegeerde tijdschrift als een trofee veilig opgeborgen in een plastic zak. En de voorpret als ik bedenk waar ik deze nu weer eens kan gaan ophangen.

Natuurlijk wil ik ook heel graag begrijpen wat er zoal over mijn idolen geschreven wordt. Reden waarom ik zelfs zo ver ga dat ik een Italiaans-Nederlands woordenboek (en vice versa) aanschaf, samen met een eenvoudig boekje over de meest voorkomende Italiaanse werkwoorden en hoe je die moet vervoegen. Ik heb ze, beduimeld, vol met ezelsoren en eentje inmiddels zonder kaft, nog steeds.

Zo word ik autodidact en begin ik langzaam maar zeker de zinnen te ontcijferen.

Wat een kick!

Dat smaakt naar meer.

© Pascale Bruinen

En hier zijn ze dan. Ik moet toegeven dat ik ze nu wel een stuk minder interessant vind uitzien dan toen, maar dat zal wel aan de leeftijd liggen. Bettega staat op de bovenste rij, tweede van rechts. Het is de tijd dat ze nog allemaal normale voetbalschoenen dragen, niet van die verwijfde roze of gele exemplaren. Zoveel jaren later roept deze foto nog steeds zoete herinneringen op aan mijn heerlijk onbezorgde jeugd. En aan eindeloze gesprekken en giechelbuien met mijn vriendinnen. Jullie zullen ongetwijfeld zelf ook dierbare momenten hebben gekend dankzij de idolen die jullie aanbaden in lang vervlogen tijden. Laat het ons weten door een reactie achter te laten!

Foto: Brabants Dagblad.

Berlijn

De meivakantie zit er voor mijn pubers net op en wat denk je? Staat er al wéér een vakantie van vijf dagen voor de deur. “Ik heb helemaal geen zin om naar Berlijn te gaan. Berlijn! New York of Londen, dáár gebeurt het. Zelfs Parijs zou nog kunnen. Maar Berlijn? Gewoon stom!” Zoonlief loopt mokkend naar boven. Vandaag moet hij toch echt zijn tas gaan inpakken voor de schoolreis die hem tegen zijn zin naar de Duitse hoofdstad zal voeren.

Laat me denken aan mijn eigen uitstapje op de middelbare school, een eeuwigheid geleden. Wij mochten een kleine week naar Zuid-Frankrijk. Geloof het of niet, maar mijn vriendinnen en ik hadden daar toen om mij nu volstrekt onduidelijke redenen ook weinig zin in. Nodeloos te zeggen dat we, misschien juist daardoor, een fantastische tijd hebben gehad die me altijd is bijgebleven. Met als enige minpuntje een roemrucht incidentje waarbij de plaatselijke dorpsgek – gewapend met een roestige schaar – een van onze vrouwelijke medescholieren van haar lange haar af wilde helpen.

Inwendig moet ik grinniken als ik daar aan terug denk, maar ook vooruit kijk naar wat hem de komende vijf dagen te wachten staat. Zijn reisschema is werkelijk overvol, zelfs naar mijn maatstaven. Het credo is bezichtigen en nog eens bezichtigen, letterlijk van ’s morgens vroeg (reveille om 06.30 uur!) tot ’s avonds laat.

“Dit is geen reis meer maar eerder een strafexpeditie!”, roept hij uit na een eerste snelle blik op het lijvige programmaboekje. Zijn gezicht krijgt een steeds ongeloviger uitdrukking als hij de dagelijks ingeplande activiteiten voor het eerst echt doorneemt. “WTF! We hebben in al die dagen in totaal amper vier uurtjes vrije tijd!”.

“Het is ook bedoeld als educatieve trip”, werp ik plichtmatig tegen. “En een bezoek aan de discotheek is toch ook vrije tijd?”, voeg ik er nog aan toe, terwijl ik op mijn onderlip moet bijten om mijn lach in te houden.

“Disco is óók een verplichte activiteit. Dat noem ik geen vrije tijd. Bovendien is het maar van 22.00 u tot 24.00 u. Twee lullige uurtjes. Wat heb je daar nou aan?”

Ja, dat heb ik ook al gezien. Gelukkig is zijn oog nog niet gevallen op de passage die daarná komt. Het programma voorziet na afloop van de turbodisco namelijk in een maar liefst anderhalf uur durende nachtelijke wandeling terug naar hun studentenhotel. Ongetwijfeld met het idee dat de scholieren bij aankomst in hun uiterst bescheiden onderkomen weer allemaal broodnuchter zijn. Als ze al überhaupt de kans hebben gekregen om alcoholische versnaperingen tot zich te nemen. Want ook daarvoor zijn de regels, althans op papier, erg streng.

Volgens het programma gaan ze elke avond bij dezelfde eenvoudige tent eten. Dankzij internet weet ik dat je daar héél veel krijgt voor weinig geld en het menu allesbehalve volgens de schijf van vijf is. Ideaal dus voor alle tienerslungels om onverantwoord veel foute vetten en zout te bikken na een ellenlange vermoeiende dag.

Tuut-tuut-tuut. Mijn wekker gaat. Het is half zes, over drie kwartier moet zoonlief in de bus zitten. Als ik de auto start, gooit hij zijn rugzak en tas nog gauw met een ferme zwaai achterin en geeft mij en passant een vluchtige kus. “Je bent nog niet weg hoor!”, zeg ik terwijl ik de auto in zijn achteruit zet. “Nee, maar dan hoef ik dit bij het uitstappen niet meer te doen”.

Ik kan dit niet meteen plaatsen. Mijn ietwat door slaap beneveld brein moet nog op gang komen. Maar dan valt toch het kwartje. Aah. Juist ja, de medereizigers mogen dit ultieme teken van zwakte natuurlijk niet zien.

Bij school is het een gekrioel van onuitgeslapen tieners, montere en minder montere ouders die met tassen zeulen en leraren die druk bezig zijn allerlei paperassen te controleren. Arme docenten en chauffeur, denk ik, als ik zelfs vanaf een behoorlijke afstand de oorverdovende herrie al hoor. En ze zijn de stad nog niet eens uit.

Zoonlief heeft me in de auto nogmaals ten strengste verboden hem uit te zwaaien dus sjouwt hij zelf met zijn bagage naar de gereedstaande bus. Hij heeft zijn weekendtas zo vol gepropt dat hij wat scheef loopt onder het gewicht. Zijn rugzak slingert achter hem aan. “Laat nog eens wat van je horen!”, kan ik niet nalaten hem na te roepen. Zonder om te kijken steekt hij zijn duim omhoog.

Tot mijn verbazing krijg ik meteen al de eerste avond inderdaad een sms-je: “Hoi mam. Ga zo eten. Vandaag wel veel gewandeld maar toch best wel leuk”.

Best wel leuk? Mijn zoon die wandelen háát omdat dit “supersaai” is? Als hïj dat schrijft betekent dit – vrij vertaald vanuit pubertaal – dat het dus wel heel erg gaaf was. Goed dat ik dat weet. Na thuiskomst heeft hij dus in ieder geval nooit meer een excuus om niet mee te gaan op een van ónze wandeltochten.

Ik voel dat het wel goed komt met die schoolreis naar Berlijn. Hij zal er een geweldige tijd hebben.

Iedere dag is voor hem een mooie herinnering in wording.

© Pascale Bruinen

Dit zullen ze wel vaker naar binnen hebben gewerkt tijdens de schoolreis. Mijn puber kwam thuis zoals het een middelbare scholier betaamt na een vijfdaagse uitputtingsslag: kapot moe, bleekjes en met megawallen onder zijn ogen. Maar wel met een rugzak vol prachtige verhalen.

LA Law (2)

Ik werk inmiddels twee weken als litigation paralegal, een soort advocaat-assistent, op een advocatenkantoor in Los Angeles dat wemelt van de wereldberoemde cliënten en mijn prachtige droom is al uitgedraaid op een nachtmerrie.

Het begon al op dag één. Ik word door een nurks kijkende secretaresse begeleid naar wat mijn onderkomen voor de komende maanden zal worden: een raamloze kamer met iets grotere afmetingen dan een gemiddeld toilet op het einde van een lange gang. Het kille tl-licht zorgt ervoor dat het hok baadt in een rare blauwige gloed. In de verste verte is er geen spoor van daglicht te zien, laat staan de Stille Oceaan.

Ook krijg ik al op dag vier ongenadig op mijn falie van een van de secretaresses omdat ik het in mijn provinciale onschuld heb gewaagd om – nota bene in opdracht van een advocaat – een vergaderruimte te boeken zonder dit in Het Belangrijke Grote Boek te noteren. Dat niemand mij verteld heeft dat dit moet, doet niet terzake.

Ga ik de eerste dagen nog op en top gekleed en hooggehakt naar mijn cubicle (je weet immers maar nooit of je niet op een onbewaakt ogenblik Harrison Ford tegen het robuuste lijf loopt), nadat ik mijn tijd voornamelijk in het schemerduister op mijn knieën grasduinend in stoffige dossiers heb doorgebracht doe ik al snel geen enkele moeite meer. En zou ik al toevallig een film- of popster tegenkomen, dan is het mij volgens de bedrijfsregels ten strengste verboden Zijne of Hare Heiligheid alleen al aan te kijken of – stel je voor! – aan te spreken. Nodeloos te zeggen dat een handtekening vragen gelijk staat aan ontslag op staande voet.

De middaglunch blijk ik ook al niet te nuttigen in een chique restaurant, maar snel snel aan een mobiele vette happen-kraam die tijdens de lunchpauze staat geparkeerd om de hoek en waar je je kostbare vrije minuten vooral doorbrengt met in de rij staan.

Het droomscenario van de ideale collega’s of begripvolle baas ligt meteen in de eerste week al in duigen. Ik blijk niet één, maar zelfs twee bazen te hebben. Eentje die wel echt aardig is maar met wie ik helaas maar weinig te maken heb en eentje die zich ontpopt tot een narcistische psychopaat (wellicht een pleonasme). En nog dik en lelijk bovendien, dus bepaald géén filmsterrenmateriaal.

Deze man gelooft niet in normale omgangsvormen zoals goedemorgen of dank je wel zeggen. In plaats daarvan gromt, bromt en schreeuwt hij zijn bevelen in het rond, eist bij voorkeur het onmogelijke en drijft daarbij iedereen in zijn directe nabijheid tot wanhoop. Iets netjes aan iemand vragen of opdragen is hem volkomen vreemd. Verwend als ik ben door de geweldige verstandhouding met mijn vorige baas, die gezellig en gemoedelijk was, ben ik de eerste keren in een soort van shock als ik volwassen mensen met de regelmaat van de klok totaal overstuur uit zijn kamer zie komen.

Dat mijn baas een kwaadaardige gek is, blijkt al ras als hij zijn twee secretaresses – van wie er eentje ook nog hoogzwanger is – in mijn bijzijn om een uur of vijf ’s middags toebijt dat hij perse morgenvroeg om zes uur (!!!) een lijvig document kant en klaar uitgetypt op zijn bureau moet hebben liggen. En dat niet alleen, hij eist dat ze zelf ook allebei op dat vroege tijdstip op kantoor aanwezig zijn, mocht hij nog last minute wijzigingen willen aanbrengen. De arme meiden schieten in een enorme stress want ze zullen hierdoor tot laat in de avond keihard moeten doorwerken. Eentje (de zwangere) vlucht even weg naar het toilet, het huilen nader dan het lachen.

De ochtend erna staan de twee dames, inmiddels op de rand van een nervous breakdown, stipt om zes uur in zijn enorme corneroffice met het uitgetypte document. Maar van de botte bruut  (BB) zelf geen enkel teken van leven. Pas tegen de lunch komt hij binnenzeilen alsof niks aan de hand is en kijkt vervolgens zelfs niet op of om naar het stuk.

Diep verontwaardigd over zoveel machtsmisbruik en onbeschoftheid besluit ik op dat moment officieel om ook de knop om te zetten. Vanaf nu no more miss nice girl! Wat BB kan, kan ik ook. Zo neem ik me voor om hem ook geen blik meer waardig te keuren, hem niet te groeten en alleen nog bij uiterste noodzaak in staccato-termen te converseren. Als me dat mijn baan kost, dan moet dat maar. Mijn kookpunt is bereikt.

Los van dit soort akkefietjes moet er ook nog, je zou het bijna vergeten, gewerkt worden. Het hoogtepunt van mijn werkdag is niet zozeer juridisch, maar literair van aard. Het oersaaie bestaan van het maken van taaie juridische vertalingen in mijn daglichtloze hok wordt namelijk voor een paar minuten draaglijk als ik het dagelijkse kantoorkrantje op mijn bureau krijg. Het leest bijna als een mini-glossy waarin steevast met veel trompetgeschal vermeld wordt welke nieuwe supersterren nu weer cliënt zijn geworden, wie jarig is, welke procedures er zoal lopen en diverse andere wetenswaardigheden. Zowel juridische (die ik meestal oversla omdat daar alleen maar te pas en te onpas veren in de kont van de hot shot lawyers worden gestoken) als  personeelsgerelateerd.

Ademloos lees ik de namen van cliënten die mijn kantoor vertegenwoordigt in contractbesprekingen voor speelfilms en mega-popconcerten, high profile vechtscheidingen (in de trant van Ivana Trump’s welgemeend advies: “Don’t get mad, get it all!”) en zakelijke conflicten waarbij je de miljoenenclaims om de oren vliegen.

Alleen zo jammer dat mijn persoontje daaraan nul en generlei bijdrage mag leveren. Eén keertje dreigde ik zowaar tot in de rechtszaal te komen met een slepende zaak waar ik heel veel tijd in had gestoken. En wat denk je? Wordt uitgerekend die zaak echt op het állerlaatste moment geschikt. Wég kans om ook eens uit mijn hok te komen.

Ik ben dus gedoemd tot een bestaan in de marge waar ik af en toe een vertaling van een wer-ke-lijk oersaai bankcontract mag afleveren en me voor het overige mag buigen over de banale juridische conflicten van de nobodies. Het meest memorabele is nog de zaak van een jaloerse minnares die erin geslaagd was om bij haar rivale ontharingsmiddel in de shampoofles te doen. Kun je nagaan.

De enige reden waarom ik na een dikke maand nog niet gillend gek ben geworden, is de aanwezigheid van een groepje leeftijdsgenoten die op de postkamer werken. Samen hebben we in de pauzes altijd de grootste lol. Zeker als we volop roddelen over de baas (de psychopaat, niet die leuke) of soms stiekem tussen de bedrijven door een extra pauzetje inlassen in de vergaderruimte, the warroom. In die ruimte gebeurt het, daar komen de hoge pieven samen als er ineens met spoed iets moet gebeuren of als er koortsachtig overlegd moet worden. Maar wij tappen er moppen, delen ruimhartig hele zakken Dorito’s en gniffelen over de laatste nieuwtjes uit het krantje.

Carolyn, een donker meisje met van die mooie kroesharen, heeft een geweldig gevoel voor humor en een hele reeks typische uitdrukkingen in haar dagelijkse repertoire. Een daarvan, “Devil be gone!” is verreweg favoriet. Liefst nog vergezeld van zo wijd mogelijk opengesperde ogen en wilde armgebaren, als een soort van voodoo-imitatie. Hilarisch. En erg handig want inmiddels zou ik de psychopaat best met alle sadistische plezier een speld door zijn alter ego poppetjeslijfje willen rammen.

Maar zie! Sinds ik de rotzak nu al enige tijd met dezelfde munt terugbetaal en hem zelfs één keer recht in zijn gezicht heb durven te zeggen wat ik ervan vond dat hij wéér iemand tot huilens aan toe had afgebekt, bekijkt hij me met andere ogen.

Ik zal nooit vergeten hoe hij opeens naar me keek alsof hij me voor het eerst echt zag en mij op bewonderende toon toevoegde: “You’re a tough one!” Ik heb daarna nooit meer last van hem gehad.

Los Angeles. City of Angels. Maar ook de stad waar de nodige duiveltjes rondwaren.

Al dan niet gestoken in een net kostuum en met de uiterlijke verschijningsvorm van een dure advocaat.

© Pascale Bruinen

Komt jullie vast en zeker bekend voor. Iedereen kent immers wel iemand in zijn of haar directe omgeving die er ongeveer zo uit ziet (in ieder geval in jouw gedachten) en zich ook zo gedraagt. Misschien heb je in mijn column de inspiratie gevonden die je nodig hebt om met deze duiveltjes om te gaan. Meer tips? Deel ze gerust door een reactie achter te laten!

LA Law(1)

In de tijd dat het nog cool is om cool te zeggen, ik schoudervullingen draag waardoor ik op een American Footballplayer lijk en Duran Duran (wier kapsels trouwens verdacht veel op het mijne lijken) hoog in de hitlijsten staat, woont en werkt yours truly een tijd in het mekka van Hollywoodsterren, afslankgoeroes en fotomodellen. Jawel. In Los Angeles, stad der engelen.

Na mijn rechtenstudie en aansluitend een baan bij de universiteit lonkt al snel het buitenland. Meer in het bijzonder the US of A. Geïnspireerd door de dan razend populaire serie LA Law (veertigplussers – met name van het vrouwelijk geslacht – herinneren zich die ongetwijfeld nog, met lekker ding Harry Hamlin als onwaarschijnlijk knappe advocaat) ben ik vastbesloten het recht te gaan dienen aan de westkust van de VS. Bijna altijd lekker weer, de oceaan onder handbereik en steeds de gerede kans een superster tegen te komen op iedere hoek van de straat. Nou ja, in sommige wijken dan.

Ter voorbereiding op mijn Amerikaanse avontuur heb ik uitgezocht welke advocatenkantoren dringend verlegen zouden kunnen zitten om mijn juridische diensten. Aangezien dit het pre-internettijdperk is, kan dit helaas nog niet met behulp van een paar muisklikken. Uiteindelijk heb ik een lijstje met een stuk of vijf grote advocatenkantoren die een Nederlandse juriste zouden kunnen gebruiken. Ik besluit er een oriënterende trip op te wagen.

Tijdens mijn vakantie annex sollicitatieronde blijkt er in LA al snel één kantoor dat zeer geïnteresseerd is in mijn Nederlandse afkomst omdat het veel zaken doet met Crédit Lyonnais, in die tijd een van dé banken die flink investeert in de entertainment business. Daardoor heeft het veel contracten die juridisch vertaald moeten worden van het Nederlands naar het Engels en vice versa. Ze willen me daarom graag in dienst nemen. Ieniemienie detail is alleen dat ik nog een tijdelijke werkvergunning moet zien te krijgen.

Dus moet ik mijn vakantie ook nog besteden aan het scoren van een heuse immigration lawyer. Die moet de procedure in gang zetten waarbij ik moet aantonen dat ik deze baan niet afsnoep van een willekeurige Amerikaanse onderdaan. Dankzij mijn perfecte beheersing van het Nederlands – iets dat natuurlijk geen enkele rechtgeaarde United States citizen mij nadoet – hoor ik enige tijd na terugkomst in Nederland dat de werkvergunning is verleend.

Yes!!! Niets staat nu nog in de weg aan een glansrijke juridische carrière in de ultieme glitter -en glamourstad. Nota bene heeft het kantoor als specialiteit entertainment law en een onuitputtelijke voorraad wereldberoemde cliënten. Wow! 

’s Nachts droom ik van een super elegant kantoor waarin ik als stralend Europees middelpunt in een oversized corneroffice, vanzelfsprekend met ramen van de echt houten vloer tot het strak witte plafond, dag in dag uit geniet van het overweldigende uitzicht over Beverly Hills met in de verte de Stille Oceaan.

Tijdens mijn welverdiende pauzes ga ik naar de hairdresser for the stars, pik een mani- en pedicuurtje mee bij de Thaise dames om de hoek en shop ik op Rodeo Drive bij Louis Vuitton voor dat fijne tasje. Aansluitend verpoos ik op een zonovergoten terras waar ik me vergaap aan het voor de deur geparkeerde wagenpark van Bentleys, Ferrari’s en Porsches.

Tussen het genieten door werk ik vanuit mijn design fauteuil aan het roestvrijstalen bureau af en toe totaal relaxed een vertalinkje weg, ga als onmisbare en super efficiënte juridische assistente mee naar high profile OJ Simpson-achtige rechtszaken en word in mijn eerste half jaar zeker eenmaal gekroond tot medewerker van de maand, waarbij ik op levensgrote billboards overal in en buiten kantoor te bewonderen ben als lichtend voorbeeld.

Tijdens de toch broodnodige lunchbreak vertoef ik uiteraard in het speciale bedrijfsrestaurant voor de happy few waar ik mijn tafeltje welwillend deel met Prinses Stéphanie van Monaco, gier van het lachen om de zoveelste grap van Steve Martin en nonchalant zwaai naar Jack Nicholson.

Mijn kantoorgenoten, inclusief de bazen, lijken zelf wel filmsterren en zijn gevat, voorkomend en zeer collegiaal. En uiteraard – waar het de mannen betreft – ook allemaal vrijgezel (en hetero).

s Ochtends word ik wakker met een enorme grijns op mijn gezicht als ik me de zoete droom herinner.

Oh, ik kan niet wachten!

LA here I come!

© Pascale Bruinen

Ja, sweet memories. Benieuwd naar het vervolg? Lees dan volgende week deel 2!

Freestylen

Zoonlief heeft morgen een spreekbeurt. Omdat hij, zoals gewoonlijk, alles tot het laatste moment uitstelt heeft hij niks meer te kiezen. Hij krijgt dus het onderwerp dat als laatste nog over is. Ritueel slachten.

“Ik moet een betoog houden en stel me op het standpunt dat ik voorstander ben”, zegt hij als hij even beneden in de keuken is om te graaien en te snaaien.

“En bén je voorstander ervan?”, vraag ik, terwijl ik verbaasd toekijk hoe hij er binnen een halve minuut in slaagt een banaan, een handvol walnoten en een groot glas melk weg te werken.

“Kuhwejnie”, komt er al kauwend uit. Hij slikt de laatste hap door en zegt: “Gewoon slachten is ook geen feest voor die dieren, hoor. Krijgen ze een pin in hun kop”.

“Ja, dat is waar maar dat weerhoudt je er niet van vlees te eten, toch?”, vraag ik naar de bekende weg. Als er namelijk eentje binnen ons gezin een echte carnivoor is, is het zoonlief wel.

“Nee, zeker niet. Maar ik moet toch iets zeggen en dit lijkt me wel chill. Vrijheid van godsdienst en zo”. Hij schenkt een tweede glas melk in.

Vrijheid van godsdienst en zo? Ik mag toch hopen dat zijn spreekbeurt, die hij binnen vierentwintig uur vanaf nu moet houden, ietsje dieper gaat dan dit soort nikszeggende puberkreten.

“En ga je het helemaal uit je hoofd leren?”, floep ik er uit. Oh oh. Helemaal fout natuurlijk. Aaaaahhh. Waarom leer ik sommige dingen nooit af? Mentaal zet ik me schrap voor wat komen gaat.

Hij zet zijn glas net ietsje te hard neer en roept: “Ben je gék?! Tuurlijk niet. Dat is ook juist niet de bedoeling, hoor! Het moet uit de losse pols. Ik schrijf wat steekwoorden op en dan zal het wel goed komen. En in het uiterste geval kan ik altijd nog freestylen”, besluit hij, terwijl hij een ferme greep doet naar de blauwe bessen.

“”Freestylen?”, vraag ik in opperste verbazing, “wat is dat nu weer”?

“Dat betekent dat als je het niet meer weet, je gewoon wat verzint”, antwoordt hij alsof het de normaalste zaak van de wereld is. “Of je vertelt gewoon weer hetzelfde maar dan in een andere context”, voegt hij er op zijn Cruijffieaans aan toe. Om daarna met enige gepaste trots af te sluiten met: “Ik heb dat zelf bedacht, de term komt uit de hip hop”.

Geweldig. Mijn zoon knoopt zonodig al freestylend zijn spreekbeurt met verzinsels en herhalingen aan elkaar. Super. Ápetrots voel ik me. Al moet ik tegen mijn zin bekennen dat de term leuk gevonden is. “Ik voel een nieuwe column opkomen. Ik zie de kop al voor me”, grinnik ik, terwijl ik in één vloeiende beweging de bak met aardbeien net op tijd buiten zijn bereik zet.

Hij verslikt zich prompt in een van de bessen, die meteen zijn keel inglijdt. “Gast, ik moet echt oppassen met wat ik hier zeg”, roept hij als hij uitgehoest is. “Maar ik ben de beroerdste niet. Je mag het gebruiken voor je column, hoor”.

Ach, dat is dan toch weer lief van hem, denk ik bij mezelf. En zo onzelfzuchtig! In een vlaag van affectie schuif ik de bak aardbeien weer naar hem toe.

“Maar dan heb ik wel recht op een percentage van wat jij ermee verdient!”, roept hij uit. En weg is hij.

Mét de aardbeien.

© Pascale Bruinen

Ik gok dat er meer ouders zijn met freestylende pubers in huis. Mocht je die onvergetelijke ervaringen willen delen, dan vind je hier je forum!

Stormy Weather (2)

Ik zit op een cruiseschip midden op de Caribische zee met een storm in aantocht. Afgelopen nacht waaide het al flink en voelde ik meer deining dan anders, maar ik heb er nog geen last van gehad.

Inmiddels is het ochtend. Een blik door onze patrijspoort leert dat het, zoals voorspeld,  bewolkt is en dat het hard regent. Op zee zijn schuimkoppen en behoorlijke golven te zien, opgestuwd door de harde wind.

Ik ben onrustig want vandaag vaart onze cruiseboot de storm, die door het Caribisch gebied raast, tegemoet. Voor alle zekerheid doe ik alvast twee polsbandjes om die geacht worden mijn evenwichtsorgaan in bedwang te houden door acupressuur. Omdat we door de jetlag toch al vroeg wakker zijn, besluiten we – nu we nog honger hebben – snel te gaan ontbijten. Niks zo slecht voor zeeziekte als een lege maag.

Een paar uur later begint het schip echt flink te bewegen. Als ik loop, lijkt het alsof ik stomdronken ben. Ik wankel meer dan dat ik wandel. Het ene moment loop ik ineens een stukje bergop, om het volgende weer snel bergafwaarts te gaan. Behalve de rolbeweging trilt het schip om de zoveel tijd ook even hevig, alsof ze een koude rilling krijgt.  Het is een gek gevoel, maar niet akelig. So far so good. Uit preventief oogpunt slikken we gembercapsules, door een bevriende apotheker aangeraden als het beste middel tegen misselijkheid. De bemanning raadt aan groene appels en crackers te eten.

Als ik tegen de middag nog steeds niet doodziek ben, besluit ik samen met H. aan dek te gaan op de 12e verdieping om eens te kijken hoe hard het nu eigenlijk echt waait. Meteen nadat ik een voet buiten heb gezet, word ik bijna omver geblazen. De wind rukt woest aan mijn kleren en blaast mijn haren alle kanten uit. Het gierende geluid overstemt alles zodat ik moet schreeuwen om verstaanbaar te zijn.

Als ik over de reling kijk, zie ik dat het schip eerst behoorlijk daalt om daarna weer flink te stijgen ten opzichte van de horizon. Het water in het zwembad wordt zo hoog opgezwiept dat het bij tijd en wijle aan alle kanten over de rand slaat. De regen geselt het dek. Af en toe is er zo’n felle rukwind dat ik, zonder iets te doen, een stukje vooruit geblazen word. Tegen de wind in lopen, kost me echt moeite. Ondanks al dit geweld is het aangenaam warm buiten. Een vreemde gewaarwording.

Vanaf het hooggelegen dek is niet goed te zien hoe hoog de golven nu zijn. Vanuit onze hut op dek 2, toch nog zo’n zes meter boven het zee-oppervlak, is dat veel beter te beoordelen. Daar zie ik dat er in zee telkens overal grote “gaten” ontstaan waarlangs zich steile wanden van water vormen. Die wanden zijn de golven en die zijn hoog. In verhouding tot de sterkte van de wind en de hoogte van de golven beweegt het schip niet eens zo veel als je zou verwachten. Weliswaar rolt ze af en toe behoorlijk, maar het is goed te doen want ik heb nog steeds geen toevlucht hoeven nemen tot echte medicatie waarvan je zo suf wordt als een garnaal. Ik betrap me erop dat ik het zelfs best wel leuk begin te vinden, die storm. Ik voel me net een stoere zeebonk, maar dan zonder de plakplaatjes. Ik kan een échte storm trotseren en ben weer een spannende ervaring rijker.

En een illusie armer, zo blijkt als we de dag erna – als het schip in rustiger vaarwater is gekomen – met een groepje van vijftien man een excursie doen langs de gebieden van het schip die normaliter off limits zijn voor de passagiers. Op de brug legt de kapitein uit dat het schip beschikt over stabilisatoren die het schip beschermen tegen de rolbeweging. Laat ik me die nu altijd voorgesteld hebben als een soort van super-ultra-megaroeispanen die aan weerskanten van het enorme schip met tientallen tegelijk naar buiten komen. De ontluisterende werkelijkheid is dat het er maar twee zijn (twéé, nu vraag ik je) die elk, en nu komt het, vijf hele meters lang zijn. Víjf meter. Ik voel een hysterische lachbui opkomen als ik me afvraag hoe twee van zo’n lullige minispaantjes in hemelsnaam zo’n enorme joekel recht moeten houden in een storm. Maar goed, ik ben niet zeeziek geworden dus zal het toch wel voldoende zijn. Zal wel aan mijn ontstellend gebrek aan technisch vernuft liggen dat ik dat niet snap. “Nog bedankt dat u ze gebruikt heeft gisteren in die storm”, zeg ik daarom goedgemutst tegen de kapitein, “dat heeft wel geholpen”.

“We hebben ze helemaal niet gebruikt”, antwoordt hij terwijl hij enigszins geamuseerd naar me kijkt. Ik krijg een hoofd als een boei (hoe toepasselijk). Ik hoor gegrinnik opstijgen uit de rest van het groepje. Inclusief H. Ik werp hem een dodelijke blik toe. Mooie boel is dat, denk ik bozig, hebben ze van die dingen en dan gebruiken ze die niet eens. En dan te bedenken dat die pief van de bemanning me dat vooraf wel had wijsgemaakt.

“Dit was wel een storm, maar in verhouding nog maar een kleintje. Het kan natuurlijk nog veel erger”, doet die verdraaide kapitein nog een extra duit in mijn vernederingszakje. “Als het echt loos gaat, helt het schip zodanig dat de golven over de hoogste dekken komen en stuur ik iedereen verplicht naar zijn hut”. Oh. Dat wist ik niet. Sommige dingen kun je, als cruiseverslaafde, beter niet weten.

Dit is er een van.

© Pascale Bruinen

Tja, stabilisatoren zijn ongetwijfeld heel handig maar dan moet je ze natuurlijk wél gebruiken. Ik hoop dat ik mensen die nog van plan waren ooit eens te gaan cruisen niet heb afgeschrikt met mijn nautische stormavontuur. Maar zoals gezegd: dit waren heel hoge golven en het viel echt wel mee. Dit soort schepen zijn gewoon niet te vergelijken met bijvoorbeeld de veerboten naar Engeland. Ik heb de volgende cruise alweer geboekt. Wie volgt? Overigens kun je voor meer informatie over cruisen terecht op mijn andere blog, www.cruisecraver.com

Stormy Weather(1)

Nee!!! Nee, dat zal toch niet waar zijn! Dit moet een vergissing zijn. Mijn ogen zijn gefixeerd op de weerkaart van het westelijk Caribisch Gebied, waar een flinke depressie met stormachtige winden te zien is. Onheilspellende oranje en rode vlekken voeren de boventoon en gaan de komende vierentwintig uur precies daar naar toe, waar ons cruiseschip ook heen moet.

De Amerikaanse Helga van Leur zet haar ernstigste gezicht op en strooit met termen als severe weather warning, floodings, dangerously high winds en het ergste van al: rough seas with 12 to 18 foot waves. Snel reken ik om naar meters. Golven van 4 tot 6 meter. Of tot wel twee etages hoog. Oh. Mijn. God.

Onmiddellijk roepen mijn hersenen de bijbehorende beelden op van een boot, aan wal nog enorm, maar op een woeste zee nog slechts een nietig stipje. Willoze speelbal van  gierende wind en van immense golven die eindeloos beuken tegen het machteloos rollende en deinende schip.

Met het zweet in mijn handen bel ik de cruisemaatschappij met de vraag of ze de route veranderen. Maar nee, het schip gaat gewoon de geplande koers varen, luidt het antwoord. Hoezo “gewoon”? Er is verdorie een enorme storm op komst!

Het volgende uur breng ik surfend door op internet. Ik zoek alle mogelijke weersites op in de hoop dat er eentje tussen zit die aangeeft dat het – zoals al die andere keren – windstil en heerlijk zonnig wordt. No such luck. Ze voorspellen allemaal dezelfde ellende. Dus twijfel ik ernstig of ik wel wil inschepen. Het grootste probleem is immers dat ik, eenmaal aan boord, er niet meer af kan als het echt tegenvalt. En onze route voorziet de eerste 36 uur non-stop varen voordat niet-schommelend land in zicht is. Ik ben weliswaar gek op cruisen maar liefst wel op een spiegelgladde zee.

Na koortsachtig overleg besluiten we naar de cruiseterminal te rijden en ter plekke te kijken of we meer informatie kunnen krijgen van de bemanning. Het liefst van de kapitein zelf uiteraard, maar een van zijn officieren kan er zonodig ook mee door.

Tot mijn verbazing heerst bij de terminal de gewoonlijke blije en opgewonden sfeer van mensen die denken een heerlijke onbezorgde cruisevakantie tegemoet te gaan. Het is wel duidelijk dat niemand van deze nitwits de laatste uren naar het nieuws heeft gekeken. Zalig de onwetenden.

H. gooit het hoge woord er maar meteen bij de incheckbalie uit. Hij zegt dat ík graag een gesprek wil met iemand van de bemanning omdat er een storm op komst is en ík daar bang voor ben. Ha! Nou wordt ‘ie mooi. Nou ben ik het ineens alléén die een storm op zee niet zit zitten. En dat wordt gezegd door iemand die het zelfs nog presteert om zeeziek te worden op een luchtmatras. Maar goed, ik zou inderdaad wel wat informatie willen, bevestig ik desgevraagd. En kan het dan niet laten er nog snel aan toe te voegen dat ik me realiseer dat ik misschien wat lastig ben (dûh).

De mevrouw aan de balie verzekert me in alle ernst dat dit geen enkel probleem is. En welnee, ik ben helemaal niet lastig! Tuurlijk haalt ze er effe iemand van de officieren bij die mij te woord zal staan. Saillant detail bij dit alles is overigens dat onze koffers ondertussen al lang en breed onderweg zijn richting schip. Dus mochten we besluiten niet mee te gaan, dan zullen we die ruim een week niet meer terugzien.

Oh jee. Daar komt echt een officieel uitziend iemand aanlopen. Recht op mij af. Zwarte broek, helderwit hemd met korte mouwen, allerhande versierselen op de schouders. Officierstype. Opeens vind ik het een belachelijke situatie en voel ik me beschaamd dat ik hem lastig wil vallen met mijn onnozele vragen. Het zal vast wel loslopen. Storm? Een beetje wind zullen ze wel bedoeld hebben, stel ik mezelf gerust.

Ik voel de neiging opkomen om me snel om te draaien en weg te lopen, maar het is al te laat. “You’re worried about the weatherforecast and wanted to ask me some questions?”, vraagt hij vriendelijk met naar mijn smaak veel te luide stem. Hoofden draaien nieuwsgierig in onze richting. Ook dat nog. “Well, yes“, antwoord ik met tegenzin en met beduidend minder volume. Hij kijkt me zonder een spoortje van spot aan en zegt: “Yes, It’s going to be a little rough and there’s going to be some rain, but that’s it. You’ll be just fine“.

A, a little … rough?”, stamel ik. “What do you mean?” Per slot van rekening is hij een doorgewinterd zeeman. God weet wat hij daaronder verstaat. Maar hij houdt overtuigend vol dat ik me geen zorgen hoef te maken. Iets wat hij nog ondersteunt door te zeggen dat het schip stabilisatoren heeft waardoor ik weliswaar wat schommelingen zal voelen, maar dat het echt zal meevallen. We hakken ter plekke de knoop door en besluiten het er op te wagen.

’s Avonds, als de boot net een paar uurtjes aan het varen is, klinkt de bekende ding-dong die aankondigt dat de kapitein zijn praatje gaat houden. Snel zet ik de volumeknop in de hut iets harder en luister gespannen naar wat komen gaat. De goede man zegt dat hij graag beter nieuws wil brengen, maar dat het jammer genoeg heel slecht weer wordt. Ik krijg een kurkdroge mond en probeer te slikken. Komende nacht, zo vervolgt hij, is het nog redelijk maar morgen wordt het “bumpy and noisy“, omdat het schip op volle snelheid tegen windsnelheden tot honderd kilometer per uur in moet varen. Honderd kilometer per uur. Mijn slikspieren weigeren nu elke dienst. Ik voel misselijkheid opkomen die nog niks met enige deining te maken heeft. De kapitein besluit zijn peptalk met het welgemeende advies om alvast met eventuele medicatie tegen zeeziekte te beginnen, mocht je daar gevoelig voor zijn.

Het worst-case scenario, vooraf nog ietwat lacherig bedacht, wordt nu werkelijkheid. Ik zit midden op zee op een schip dat met volle kracht een razende storm tegemoet vaart.

© Pascale Bruinen

Je zou het zo te zien misschien niet zeggen maar toen ik deze foto maakte ging het ongelooflijk tekeer buiten. Van bovenaf is het moeilijker te zien maar dit zijn golven van minstens vier meter hoogte. Hoe het me verging kun je de volgende week lezen in de vervolgcolumn…Wil je ondanks deze column toch meer lezen over cruisen, ga dan naar mijn andere blog www.cruisecraver.com

De Tien

In een tijd die geteisterd wordt door allerhande lijstjes, zowel in boekvorm als op tv, voeg ik er toch nog eentje aan toe. In vakantietijd stuit je overal op juichverhalen over glamourbestemmingen, heerlijk buitenlands eten, ontstressen en het opsnuiven van geweldige andere culturen.

Maar er is ook een keerzijde. Over de beduidend mindere dingen die je kunt meemaken als je op vakantie bent, gaat dit lijstje

In willekeurige volgorde volgt hier een (niet uitputtend) overzicht van tien gruwelen die je op vakantie kunnen overkomen:

Wegregenen op die fijne camping; opdringerige landgenoten; arrogant en onbeschoft personeel; er pas op de plaats van bestemming achter komen dat je reisgenoten toch minder leuk zijn dan gedacht; eindeloos onderhandelen over spullen die je eigenlijk helemaal niet wilt kopen; een collega op 1.200 km van huis tegenkomen net als je topless aan het zonnen bent; de portable dvd-speler die het op weg naar Zuid-Frankrijk begeeft als je met je kroost (dat elkaar naar het leven staat) nog maar net ter hoogte van Luik bent; de luxe villa die bij nader inzien meer op een kippenhok lijkt; kip à la salmonella op die gezellige barbecue en je stiekem doodvervelen omdat je geen RTL-4 kunt ontvangen.

Wegregenen op die fijne camping heb ik zelf meegemaakt. Na een lange reis met de sleurhut komen we eindelijk aan op een terrassencamping in the middle of nowhere van de Dordogne. Alles uitgepakt, voortent vastgemaakt, hele reutemeteut op de plaats gezet en op naar het zwembad met de kinderen. Het is lekker warm en we hebben daarvan ook maar liefst drie héle kwartieren kunnen genieten. Ineens lijkt het wel nacht te worden. Zwarte wolken pakken zich dreigend samen om daarna in een hels onweer los te barsten.

Het regent en onweert zó hard dat we in de caravan moeten schreeuwen om ons verstaanbaar te maken. Buiten heerst zo’n duisternis dat we binnen het licht moeten aanmaken. Behalve dan op de momenten dat het bliksemt en alles even in een felle zilveren gloed baadt. Met lede ogen kijken we toe hoe het water over de terrassen naar beneden loopt, dwars door onze voortent. Alles verandert in één klap in een modderbad.

Na afloop bekijken we de schade. Op dat moment komt onze Nederlandse buurvrouw (er zijn overigens alleen maar landgenoten op deze camping, een Fransman is nergens te bekennen) die zegt dat het al de hele week zo’n weer is. Ze adviseert ons hier maar alvast aan te wennen. Nou, ik dacht het niet. Dus na weer een dag met exact hetzelfde scenario donderen we alle natte spullen zo de caravan in en vertrekken naar de Costa Brava. En of de duvel ermee speelt, bij het passeren van de Spaanse grens begint de zon te schijnen om de rest van de vakantie er niet meer mee op te houden.

Arrogant en onbeschoft personeel ben ik vaker tegengekomen, maar die op een camping in de Provence spannen de kroon. De camping is ouderwets gezellig, het weer is fabuleus. Maar een érgernis telkens als je iets wilt vragen aan de receptie. Nu wil het toeval dat ik aardig Frans spreek, maar zelfs dat is niet genoeg om dit verveelde zootje ongeregeld gunstig te stemmen. Ze zijn alleen met de grootst mogelijke moeite uit hun semi-permanente staat van lethargie te halen en de afstand van maar liefst 1,5 meter van hun stoel naar de balie af te leggen. Eenmaal daar aangekomen wordt letterlijk uit de hoogte op de klant neergekeken met een blik alsof er zojuist een lading rotte vis is afgeleverd. Uiteindelijk weet men zich te verwaardigen tot een zo verveeld mogelijk uitgesproken “Oui?”. Het maakt vervolgens niet uit wát er gevraagd wordt, want het blijkt geen van alle mogelijk te zijn of men weet het niet. Klantvriendelijkheid, servicegerichtheid, dienstbaarheid staan duidelijk niet in hun vocabulaire.

De “luxe villa” die bij nader inzien meer op een kippenhok lijkt hebben we gehad op een camping aan de Spaanse Costa Dorada. De kinderen zijn nog klein en tripadvisor, zo’n internetsite waar je vooraf waarschuwende foto’s kunt zien, bestaat nog niet. Mijn beste vriendin, die er zelf geweest is, heeft me al een paar maal in nogal cryptische bewoordingen proberen te waarschuwen dat de accommodatie “echt heel eenvoudig” is. In mijn enthousiasme had ik daar geen boodschap aan. Less is more, nietwaar? Bovendien: wat is er mis met back to basics? Precies!

Eenmaal aangekomen kijken we raar op als we iets ontwaren wat je het beste als een miniscule houten hut kunt omschrijven. Ook na checken en dubbelchecken blijkt het inderdaad te gaan om de gehuurde “villa”. Het hok heeft twee piepkleine slaapkamertjes. Alles, maar dan ook alles, is van binnen bekleed met ruw kistjeshout waaraan je je roodverbrande huidje openhaalt als je je langs elkaar door moet persen. En dat moet voortdurend.

Bij nadere inspectie van onze master bedroom blijkt dat ons bed niet meer inhoudt dan een in elkaar geflanst houten geraamte waarvan één poot helemaal scheef hangt. Er op gaan liggen met twee volwassenen is dan ook geen optie. Aangezien mijn smeekbede voor iets beters bij de receptie in het hoogseizoen voorspelbaar is mislukt, moet er een andere oplossing gevonden worden. In een vlaag van geniale creativiteit binden we het geraamte met drie stukken waslijn tegen de muur en slapen we zelf op twee flinterdunne matrasjes op de grond van de hut. Tel bij deze luxe omstandigheid nog de vochtige hitte, de ontelbare muggen en de nachttrein op die zeker vier maal per uur op nog geen 75 meter van ons onderkomen langsraast, en het wordt duidelijk dat we deze vakantie ons chronisch slaapgebrek niet hebben kunnen verminderen.

Het speciale recept van kip à la salmonella is klaargemaakt op een barbecue in Spanje. De koks doen wedstrijdje om zo veel mogelijk gevogelte in zo kort mogelijke tijd te roosteren want hele volksstammen hongerige toeristen willen eten en snel. In het schemerdonker is helaas niet te zien dat het tokkelende beestje nog felroze is van binnen. Mijn moeder is de gelukkige die zich enkele uren later, terwijl ze uit alle mogelijke lichaamsopeningen leegloopt, onder medische behandeling moet stellen. De dokter heeft maar op het nippertje kunnen voorkomen dat ze voor de allereerste keer in haar leven slanker terugkeert van vakantie dan dat ze gegaan is.

© Pascale Bruinen

Ook wel eens zo’n vakantie gehad? Vast wel. Mochten jullie deze ellendige ervaringen willen delen, grijp dan nu je kans!

Coral by the Sea

Coral by the sea is wel een eenvoudige accomodatie. Maar het is goedkoop en jullie hoeven er toch maar één nachtje te slapen voordat jullie op cruise gaan”. O. is erg overtuigend. Een eigenschap die hem goed van pas komt als directeur van zijn eigen reisbureau. “Doe die dan maar”, besluiten we. Ik hoop dat we er geen spijt van krijgen.

Paar weken later. We zijn net vanuit New York in San Juan, Puerto Rico, aangekomen en zijn bekaf. Zodra we een voet buiten de airconditioned aankomsthal van het vliegveld zetten, valt de klamme hitte als een dikke deken op ons. In no time staat het zweet ons op het voorhoofd.

Als we tegen de taxichauffeur zeggen waar we heen willen, kijkt hij ons net iets langer dan gebruikelijk aan maar zegt niks en rijdt weg. Zwoele salsamuziek uit zijn autoradio waait door de vier geopende ramen naar buiten, de nacht tegemoet. Hij verrekt het de airco aan te zetten.

Voordat we de kans krijgen hier iets over te zeggen, brengt hij abrupt de taxi tot stilstand. We zijn er al. Wat ik vooraf vreesde, wordt bewaarheid. Er is geen koraal of zee te bekennen. In plaats daarvan staat de luxe uitstraling van de naam van het hotel in schril contrast met de afgebladderde vermoeidheid van het gebouw dat ik in het duister ontwaar.

Bij gebrek aan portiers sjouwen we onze vier megakoffers, inmiddels zwetend als otters en met vuurrode hoofden, uit arren moede zelf maar naar binnen. Eenmaal in de hal lijkt het alsof we in een tijdmachine zijn gestapt en rechtstreeks het Cuba van de jaren vijftig in zijn gekatapulteerd.

Achter iets dat moet doorgaan voor balie zit een Puertoricaanse meneer van een jaar of zestig. Hij kan zo figureren als dubbelganger van Fidel Castro in ietwat jongere jaren. De sigaar achter zijn oor vervolmaakt het clichéplaatje.

Ik kijk eens rond. Nergens een computer te bekennen. Wel een oude typemachine. Op een krukje staat een zieltogende plant. De bladeren, in betere tijden frisgroen, nu grijs van het stof. Boven onze hoofden doet een wiekklappende ventilator vruchteloos pogingen ons enige koelte toe te wuiven.

We vertellen dat we een kamer geboekt hebben. Als enige reactie hierop steekt hij een leerachtige hand uit. Eerst denken we nog dat hij ons de hand wil schudden, maar uit zijn slissende gemompel blijkt dat hij alleen onze paspoorten wil. Snel geef ik ze hem, in de ijdele hoop dat het hem ook zal aansporen tot enige voortvarendheid. Maar hij heeft hoegenaamd geen enkele haast. Ik wel, want het zweet druppelt inmiddels in straaltjes langs mijn rug.

Het gegraai in en schuiven met bergen paperassen lijkt eindeloos lang te duren. Verveeld draai ik me intussen om richting hal. Ineens zie ik een donkere vrouw bij het gammele liftje staan. Ze draagt een ultrakort rokje, een tijgertopje dat haar blubberbuik in volle uitpuilende glorie onthult en zeker twaalf centimeter hoge stiletto’s. Ik stoot H. aan. “Dat is er een van de betaalde liefde!”, fluister ik gealarmeerd in zijn oor. “Wat is dat hier in hemelsnaam voor ballentent?” Juist op dat moment reikt Fidel ons de sleutel aan.

We passen met al onze bagage maar amper in het kippenhok dat als lift bijbeunt. De fijne combinatie van extreme vermoeidheid, verzengende hitte, een vohtigheidsgraad van 150% en de walm van weeïge parfum achtergelaten door mejuffrouw tijgerprint is genoeg om bijna van tegen de vlakte te gaan.

H. loopt voorop over de galerij. Bij de juiste deur aangekomen, blijkt dat we de lang verbeide sleutel nauwelijks nodig hebben. Het slot blijkt namelijk al eens geforceerd te zijn. Enige interessante vraag is door wie. Geflipte drugsdealers? Moordlustige pooiers? Zwaarbewapende swatteams van de politie? Mijn gevoelens van onveiligheid, eerst nog sluimerend, komen plots in alle hevigheid opzetten. Als je alleen al tegen deze deur bláást, sta je meteen binnen.

“Laten we de deur barricaderen met onze koffers!”, roep ik paniekerig tegen H. Zeker weten dat een potentiële indringer zich geen weg naar binnen kan vechten als er alleen al één propvolle koffer voor de deur staat (in ieder geval toch een van de mijne), laat staan alle vier. En mocht de onverlaat het onverhoopt toch proberen, loopt hij op zijn minst een dubbele liesbreuk op. Ha! Net goed!

Omdat het inmiddels in de kamer zo’n 45 graden is, zet ik snel de airco aan. Meteen breekt er een hels kabaal los waarbij het lijkt alsof een Boeing 747 opstijgt. Midden in onze kamer wel te verstaan. Da’s mooi. Nu hebben we de keuze: óf we kunnen niet slapen van de herrie óf van de hitte. Omdat niet eens een normaal  gesprek mogelijk is, kiezen we voor het laatste en zet ik de airco weer uit. Het gekke is alleen dat ik nu nog steeds die Boeing hoor. Een blik door het vuile, enkele glas van het enige raam leert dat dit wel kan kloppen. We zitten namelijk zo’n beetje recht onder de start- en landingsbaan van het internationale vliegveld. Het taxiritje was inderdaad verdacht kort.

We zijn inmiddels de uitputting nabij en willen nog maar één ding: slapen en wel zo gauw mogelijk. Een snelle blik op:

1. dat wat door moet gaan voor badkamer en

2. de lakens

maakt dat ik besluit ongewassen en geheel gekleed te bed te gaan. Mét oordoppen in en slaapmasker op.

’s Ochtends vier ik dat ik – hoewel gebroken, vies en met megawallen onder mijn ogen – niet verkracht of vermoord ben. Of misschien wel juist dankzij deze fysieke staat? Hoe het ook zij, ik heb een hele, hete en helse nacht in dit smerige rovershol overleefd.

Nooit eerder ben ik zo snel klaar geweest met mijn persoonlijke verzorging. Deootje, kam door piekharen, wolkje parfum en hup. Op naar het cruiseschip!

© Pascale Bruinen

https://i0.wp.com/media-cdn.tripadvisor.com/media/photo-s/01/1b/cd/1b/carolina.jpg

Dit is wel al ruim vijf jaar geleden dus misschien is het nu wat verbeterd. Hoewel, Coral by the Sea krijgt slechts tweeëneenhalve bol bij Tripadvisor. Mochten jullie in de buurt komen, laat mij dan eens weten wat jullie ervaringen zijn! Zoals jullie konden lezen gingen we hierna een cruise maken. Als jullie meer willen weten van cruisen, kijk dan ook eens op mijn andere blog, www.cruisecraver.com

Junkie XXL

Ik ben verslaafd. Verslaafd aan columns schrijven. Andere bezigheden zijn enkel nog een hinderlijke onderbreking van het schrijfproces. Als een echte junk ben ik alleen maar er op uit om te scoren.

Ik word dagelijks verteerd door een alles overheersend verlangen om ongestoord achter mijn i-Mac te zitten en met een maagdelijk wit blad te beginnen. De eindeloze mogelijkheden van de column in wording qua onderwerp, stijlmiddel en lengte maken me bijna duizelig van opwinding.

In mijn hoofd strijden talloze ideeën om voorrang. De kunst is om al die geniale invallen niet alleen te onthouden, maar ook zo op te schrijven dat ze een logisch en ritmisch geheel worden. Van een perfect geschreven column word ik dronken van vreugde.

Letters die op zich zelf niks betekenen zet ik met een paar aanslagen op het toetsenbord om in woorden. Woorden die de magische macht hebben meteen krachtige beelden op te roepen. Beelden die je doen lachen, die ontroeren, die je raken. Woorden rijgen zich, in een volgorde die alleen ik bepaal, aaneen tot zinnen. Zinnen die de belofte van een onontgonnen wereld in zich dragen, enkel nog wachtend op ontdekking door toekomstige lezers.

Verslaving kent geen tijd. Een tijdje geleden. Het is nacht. De creatieve flitsen die de rechterhelft van mijn brein produceert zijn zo veeltallig dat er ineens een mentale kettingbotsing optreedt. In mijn onrust kan ik nog maar één ding doen: mijn zielenroerselen meteen aan het papier toevertrouwen, koortsachtig en in het pikkedonker.

Als ik klaar ben voel ik een ongekende rust over me neerdalen. Mijn ogen vallen dicht. Hypnos, de god van de slaap, is zich langzaam maar zeker weer over mij aan het ontfermen. Ik geef me over. Het is goed zo.

Alles voor altijd veilig in inkt gevangen.

© Pascale Bruinen

En zo is het maar net. Altijd handig om op het nachtkastje pen en papier onder handbereik te hebben want je weet immers maar nooit wanneer dat briljante idee opkomt!

Reis door mijn kledingkast in drie dagen

Als het voorjaar nadert, vrees ik het moment waarop ik mijn kledingkasten moet gaan tackelen. Ja, kast in meervoud. In een heuse kastenkamer. Hoezo? Omdat ik een nogal, euh, uitgebreide garderobe heb. Die dus niet helemaal in mijn deel van de kasten past. Bovendien slorpt de kleding van H. ook nog een aanzienlijk deel op. Vandaar dat mijn zomerkleren ’s winters verhuizen naar de zolder en andersom.

En het blijft niet bij gewone kleren zoals broeken, rokken, jurken en truien alleen. Wat te denken van schoenen, laarzen en tassen. Sjaal(tje)s, handschoenen en jassen. Mutsen, bikini’s en pareo’s. Om maar te zwijgen van de beenwarmers, maillots en leggings. Allemaal wachtend om omgeruild te worden. Dit kan niet in een verloren uurtje. Nee, hier is een heus driedaags event voor nodig.

Planning driedaags event:

Ik hou van een strakke planning. Toevallig ben ik daar ook nog heel goed in, dus die is zo gemaakt (zie beneden).

Planning Dag 1:

Ik begin met alle zomerkleren van zolder te halen. Die leg en hang ik vervolgens tijdelijk netjes op een andere plek bij elkaar in afwachting van de ruimte die in mijn kasten moet komen doordat ik alle winterkleren eruit haal.

Gelet op de schier eindeloze hoeveelheden kledingstukken dunkt mij dat dit al een dagvullende aangelegenheid is.

Planning Dag 2:

Keurig volgens schema zijn alle winterkleren er nu uit. Alles is in nette stapels afgevoerd naar de zolder, waar ik ze in de vrijgekomen dozen en kasten leg en hang. Vandaag is het verder alleen nog een kwestie van wat planken afsoppen en even de zomerkleren inruimen.

Planning Dag 3: 

Vandaag is laarzen/schoenen/accessoires dag. Dat wordt een eitje. Ik hoef alleen maar mijn laarzen om te ruilen met de zomerschoenen, een paar tassen en maillots om te wisselen en voilà, de missie is volbracht. Zuchtend van voldoening en nog steeds fris en fruitig bekijk ik het optimale resultaat. Ik ga een heel seizoen lang genieten van fijne, op kleur gerangschikte zomerkleren- en schoenen. Wat een feest!

Omdat de temperaturen stijgen moet ik sneller dan verwacht echt aan de bak. Ik werp een snelle blik op mijn planning en besluit dat ik morgen zal beginnen.

Dag 1.

Omdat ik alleen al bij de gedachte aan het werk dat me te wachten staat doodmoe word, breng ik dag 1 uiteindelijk door met louter dénken over de kledingmigratie. Niet echt conform mijn strakke planning, maar ik troost me met de gedachte dat er morgen weer een dag is en ga tijdens het denkwerk ook nog wat leuks doen. Ik ben per slot van rekening een vrouw en die kan minstens twee dingen tegelijk.

Dag 2.

Hoewel ik nog lang niet uitgedacht ben, moet ik vandaag toch echt een begin maken. Om moed te verzamelen adem ik eerst tien maal diep in door de neus en uit door de mond. Ik voel dat ik rustiger word. Dat geeft me de kracht om de kamer op te gaan. Ik kom zelfs zo ver dat ik één kastdeur echt opentrek. Bij het zien van al dat moois en vooral héél vééls op hangers, legplanken en bodemplaten, heb ik acuut een hartslag van 200. Om te voorkomen dat ik ter plekke bezwijk aan een hartaanval waardoor ik mijn strakke planning zéker niet meer zou halen, verlaat ik met gezwinde pas de kamer en smijt de deur dicht. Ik maak een mentale aantekening dat ik toch echt zelf de baas ben over mijn driedaags event en dat ik dus gerust zelf de regels mag veranderen. Nou, bij deze. Vandaag gaat het niet door.

Dag 3.

Oh oh. Ik word wakker met de onheilspellende gedachte dat ik zowel dag 1 als dag 2 zwaar verkloot heb. Niks heb ik nog gedaan volgens mijn strakke planning. Met als gevolg dat alle coltruien, kabeltruien, dikke vesten, wollen jurkjes, maillots, superwarme sjaals, winterjassen, handschoenen, nep bontmutsen- en kragen, gevoerde rokjes, colbertjes, body- en beenwarmers, laarzen, moonboots en dikke schoenen nog onaangeroerd op hun plek liggen, hangen en staan.

Werk aan de winkel! Ik veer om 6.30 u uit bed en besluit dat ik vandaag gewoon alles tegelijk aanpak. Het moet mogelijk zijn om drie dagen werk op één dag te doen. Ik begin met de stapels truien en hangers met jurken in een rotvaart uit de kasten te trekken. In no time ziet de kamer er uit als een slagveld. Omdat ik overwhelmed ben door de hoeveelheden weet ik niet waar ik ermee naar toe moet. Ik besluit ze lukraak her en der op de grond van de kastenkamer te dumpen. Al snel is één vloer niet meer genoeg en annexeer ik noodgedwongen ook nog de hele overloop en een deel van de trap. Even later ligt er een tapijt van allemaal losse kledingstukken omdat de nette stapels één voor één zijn omgevallen. Bijgevolg moet ik de gekste capriolen uithalen om nog überhaupt van A naar B te kunnen lopen en breek dus geregeld bijna mijn nek als ik in het koord van een of andere jas of het hengsel van een tas blijf haken.

Als ik zo ongeveer de vijftiende keer, inmiddels hijgend als een opgefokte telefoonstalker, de zoldertrap oploop met mijn armen vol met kledingstukken vraagt een benepen stemmetje in mij zich af of ik niet wel érg veel spullen heb. Té veel. Is dit eigenlijk nog wel normaal? Ben ik koopziek? Gek? Een combinatie van beide?

Welnee, sust mijn geweten onmiddellijk, je bent hartstikke normaal. Je bent toch een vrouw en die heeft gewoon récht op voldoende, gevarieerde en trendy kleding. Sterker nog, dit zou een onvervreemdbaar grondrecht moeten zijn. En je houdt gewoon van afwisseling. Bovendien ben je heel zuinig op je spullen en zijn er genoeg kledingstukken bij die je al járen hebt.

Ik kalmeer wat want, ja, dat is allemaal wáár! Gerustgesteld ruim ik de ravage die zich inmiddels ook tot aan de zolder heeft uitgebreid verder op. Hè hè, er begint licht te komen aan het einde van de tunnel.

Als ik uiteindelijk, het is inmiddels al een uur of 15.30 u, terugkeer op de kastenkamer is de Grote Omwisseling gereed. Althans wat kleren betreft dan. Hoewel ik nu al de uitputting nabij ben moet ik meteen door met de afdeling schoeisel. Alle Uggs, laklaarzen, leren laarzen, suède laarzen, laarzen met bontranden, moonboots en dikke schoenen moeten weg. In plaats daarvan komen dan de muiltjes, bootschoenen, schoenen met sleehakken, ballerina’s, peeptoes, slingbacks, sneakers en slippers.  Voorwaar een klus van formaat want alles aan zomerschoenen moet eerst uit de diverse dozen om vervolgens alle laarzen erin te stoppen. En dan ook nog liefst zodanig dat ik de deuren van de zolderkasten ook nog dicht krijg.

Het is al ruim na zessen als ik de laatste slipper neerzet op de daarvoor bestemde plaats. Ik realiseer me dat ik nog niks heb gegeten. Ik ben nu niet alleen kapot maar ook uitgehongerd. Alle spieren in mijn lichaam doen pijn van het vele bukken en in de meest onhandige standjes trekken aan en schuiven met dozen onder een schuin zolderdak. Ik heb er inmiddels ook nog een bult op mijn hoofd bij gekregen omdat ik me keihard tegen zo’n rotte balk heb gestoten op het moment dat ik de negende winterjas netjes weg wilde leggen.

Tegen de tijd dat ook de tassen, bikini’s en badpakken op hun plek liggen en ik als slotstuk van deze bovenmenselijke inspanning overal waar ik huisgehouden heb ook nog eens gestofzuigd heb, is het aardedonker buiten en kom ik niet meer vooruit. Even ben ik bang dat ik gedwongen zal zijn om de nacht met stofzuiger en al op de trap door te brengen. Met de laatste krachten die ik in mij heb, sleep ik me de resterende traptreden naar boven en zet de zuiger weg.

Ik ben zo doodop dat ik niet eens kan genieten van het fantastische resultaat. Maar het is af. Binnen drie dagen. Wát zeg ik? Binnen één dag.

Wat een mission impossible leek is toch nog een mission accomplished geworden. Het grote aftellen tot de volgende keer, maar dan in omgekeerde volgorde, is al begonnen. Nog maar 180 dagen, drie uur en zeventien minuten. Ik kan niet wachten.

© Pascale Bruinen

Hè, hè, het is achter de rug en dat is wat telt. Ik mag er nu een half jaartje van gaan genieten!

Family Matters

Wij hebben hele drukke achterburen. Nou ja, hun gedrag grenst nog net niet aan ADHD. Ze zijn weliswaar nogal klein behuisd maar wonen er toch al jarenlang met veel plezier. Althans, dat denk ik.

Het is ook een zeer kinderrijk gezin. Ze letten goed op elkaar en hebben een hechte familieband. Het is er vaak nogal vol. Opa’s en oma’s, vaders en moeders, kinderen en kleinkinderen, ja zelfs bezoek vliegt in en uit en af en aan.

De laatste tijd bereikt de toch al gebruikelijke hectiek achterom het kookpunt. Vader en moeder multitasken dat het een lieve lust is en roven de plaatselijke doe-het-zelf vestiging helemaal leeg. Want er wordt stevig verbouwd in verband met een op handen zijnde gezinsuitbreiding. Er wordt gefluisterd dat het een meerling is.

Vanaf mijn plek aan de eettafel in de woonkamer heb ik goed zicht op de bouwwerkzaamheden. Met intense belangstelling sla ik ze gade als ze terug komen van hun zoveelste spulletjesjacht. Nieuwsgierig naar wat mijn achterburen nu weer allemaal hebben gescoord aan bouwmateriaal. Ok, ok! Het lijkt natuurlijk op gluren maar ik kan het niet laten. Met stijgende verbazing kijk ik hoe eerst vader en even later zelfs moeder zich het licht uit hun ogen sjouwen. Volgens mij hebben ze me op een gegeven moment in de gaten want ze kijken telkens argwanend om zich heen alvorens naar binnen te gaan met de volgende lading.

Heb ik al gezegd dat ze ook zeer milieubewust zijn? Want zo’n beetje alles wat ze gebruiken is recycled materiaal. Maar mooi dat het wordt! Ze maken trouwens ook volop gebruik van de zon om hun nederig stulpje op te warmen. Helemaal zonder enige gemeentelijke subsidie. Knap hè? En, oh ja, ze hebben een privéwatervoorziening, recht voor hun deur. Praktischer kan bijna niet.

Nodeloos te zeggen dat wij er jaloers op zijn. Zeker als we zien hoe harmonieus vader en moeder samenwerken bij zo’n vervelend karwei. Je zou toch denken dat stellen voor minder uit elkaar gaan maar nee. Hún band wordt er alleen maar sterker door.

Nog even zijn ze druk bezig, zowel buiten als binnen, maar dan is het zover. De megaklus is geklaard. De nakomelingen kunnen vanaf nu gerust ter wereld komen. Het liefdesnestje is immers helemaal af.

Vader en moeder spreeuw zijn weer voor één seizoen onder de pannen.

© Pascale Bruinen

Female Parking

Is het iets hormonaals? Heeft die bloedhekel van vrouwen aan (in)parkeren te maken met het XX-chromosoom? Komt ruimtelijk inzicht inderdaad alleen maar voort uit dat lullige – excuseer de onbedoelde woordspeling – Y-chromosoom dat wij niet hebben?

Vrouwen en parkeren. Geen lekkere combi. Het liefst hebben we de hele parking voor ons alleen.

Ik kan het weten. Ik ben zelf namelijk een van die irritante rijders die liever langer rondcrossen om een ruime parkeerplek te vinden, dan dat ik de eerste de beste vrije plaats neem en moet pielen op de vierkante centimeter om mijn middenklasser tussen al het andere blik in te wringen.

Het ergst is het inparkeren. Het scenario dat zich ontrolt is als volgt. Ik ben aan de late kant voor een afspraak. Gevolg: stress-stress-stress. Na het vierde rondje ben ik inmiddels ook de wanhoop nabij omdat ik dat rotding maar niet neer kan zetten. In de wijde omtrek is maar één mogelijkheid en dat is: inparkeren. Eerste gedachte: hoe moet het ook alweer? Flarden van de rijlessen van honderd jaar geleden flitsen door mijn brein. Vaag herinner ik me dat ik eerst tot ongeveer halverwege de auto die ervóór staat, moet rijden. Als ik dan parallel sta, moet ‘ie in de achteruit. En dan indraaien maar. Het klinkt poepiesimpel.

Ik herinner me ineens de sticker, ergens op de achterruit van de lesauto, waarop ik me moest oriënteren om de auto goed uit te laten komen ten opzichte van de stoep. Dat was verrekte handig, reden waarom het me toen wél goed lukte soepeltjes in te parkeren. Maar ja, op mijn eigen achterruit zit helaas niet zo’n ding (mentale aantekening: thuis meteen sticker zoeken en plakken maar).

Bij mijn eerste poging zie ik meteen dat ik te vroeg en te scherp heb ingedraaid zodat de kont van mijn auto al over de stoep gaat. Tweede poging. Ik draai later in. Te laat want nu begint mijn parkeerhulp te piepen als een nest uitgehongerde pasgeboren vogeltjes. Omdat er zich achter mij inmiddels een rij begint te vormen besluit ik de derde poging over te slaan en snel verder te rijden. Einde verhaal is dat ik de auto noodgedwongen twintig straten verderop neer pleur en dan dat hele pokkenend terug moet lopen (mentale aantekening: misschien toch nog eens een enkele rijles nemen met als onderwerp bijzondere verrichtingen). Tegen de tijd dat ik eindelijk op mijn afspraak verschijn, inmiddels in een staat van opgefokte frustratie, ben ik deze goede voornemens alweer vergeten. Tot de volgende keer dat ik in dezelfde situatie beland.

Een tijdje geleden. Locatie: ondergrondse parkeergarage. Bijzondere omstandigheid: die is bijna helemaal vol. Gelukkige bijkomstigheid: ik zit dit keer eens achterin. Vrouwelijke bestuurder van personenauto zucht en steunt bij het zien van zo veel volle vakken en rijdt al bijna een kwartier rondjes. Het CO-gehalte is inmiddels tot alarmerende hoogtes gestegen. Ondanks dat kan ik een glimlach niet onderdrukken. Altijd fijn als het eens een ander treft. En vooral zo herkenbaar en dus troostrijk. Ik ben niet de enige!

Niet dat er her en der geen vrije plekken zijn. Die zijn haar alleen niet vrij genoeg want aan vier kanten omringd door ander staal en aluminium op vier wielen. “Waarom rijden er nu niet ineens een paar tegelijk weg?”, vraagt ze klagend aan niemand in het bijzonder.

Plotseling staat ze vol op de rem. “Ik ga deze proberen”, roept ze. Ze zet een eind achteruit alsof ze een enorme aanloop moet gaan nemen. Dan rijdt ze stapvoets richting parkeerplek en draait in. Remt. Zet in de achteruit. Ze vloekt binnensmonds. Weer vooruit, centimeter voor centimeter. Daarbij hangt ze helemaal naar voren over het stuur. Ze kijkt van links naar rechts alsof ze bij Wimbledon zit. In plaats van helemaal in te rijden zet ze de auto wéér achteruit. “Ik krijg dit kreng niet recht genoeg”, mompelt ze. Van opzij zie ik dat er nu enkele zweetdruppeltjes op haar voorhoofd parelen. Uiteindelijk, ik denk dat we nu in totaal toch zo’n kwartier verder zijn, staat de auto op de plek.

Een parkeerhulp zou hierbij ook al niet hebben geholpen want die waarschuwt alleen voor dreigende botsingen aan de achterzijde. Bovendien vertrouw ik dat vervelende mekkeraartje niet. Bij het eerste bliepje trap ik doorgaans al meteen op de rem en dan ben ik nog zeker vier stadia verwijderd van een echte botsing. Als ik dan toch voorzichtig verder achteruit zet begint ‘ie zó snel achter elkaar te jengelen dat ‘ie me verschrikkelijk op de zenuwen werkt. Wedden dat mannen daar helemaal geen last van hebben en gewoon doorgaan met parkeren tot en met het aller-, állerlaatste bliepje?

Voor ons vrouwen is het dus wachten op de ontwikkeling van een female parking assistant. Die geruststelt door ons met een zachte, begripvolle, vrouwenstem links, rechts, voor én achter te attenderen op obstakels. Of, nog beter, die ons rechtstreeks leidt naar de dichtstbijzijnde, liefst lege, parking.

Dus heren auto-ontwikkelaars, waar wachten jullie nog op?

© Pascale Bruinen

Benieuwd of ik veel reacties krijg van vrouwen die zich hier helemaal niet in herkennen. Er zijn namelijk ook cijfers te vinden waaruit zou blijken dat vrouwen overall veel beter zijn in parkeren dan mannen. Tja, in ieder geval is het voer voor discussie dus: wil jij laten weten dat je je niet aangesproken voelt of dat je juist blij bent dat je het ook eens van een ander hoort, reageer dan!

Glamp Vamp

Wil je wel graag kamperen maar niet op een plek zo groot als een postzegel in zo’n aftandse caravan of bungalowtent? Lees dan verder want de redding is nabij. De nieuwste trend is glamping. Oftewel glamourous kamperen. Zo heb je “the best of both worlds”. Er is zelfs een heus tijdschrift aan gewijd. “Glamping Magazine”, de nieuwe ANWB kampeerglossy.
Glamping is hot. Dankzij glamping zal zelfs de meest verstokte anti-kampeeractivist nooit meer in een vijfsterrenhotel willen. Zoek de verschillen in onderstaand vergelijkend onderzoek:

Camping (1)
Bij het door de modder op de plek duwen van je sleurhut ga je door je rug.

Glamping
Jij hoeft alleen maar de deur van je superdeluxe chalet te
openen met een vergulde sleutel

Camping (2)
Bij je zoveelste poging om die stomme haringen in de knoerharde rotsgrond te slaan, hamer je vol op je duim.

Glamping
Jij zit al op je loungebank aan de rosé en geniet van je immens grote terras mét vuurkorf.

Camping (3)
Omdat jij alleen nog een plekje in de volle zon kon bemachtigen, drijf je ’s morgens om 7 uur al je sheltertje uit.

Glamping
Jij staat natuurlijk met je airconditioned villa op wielen in de koele schaduw van een prachtige cipres.

Camping (4)
Je moet nodig midden in de nacht naar de WC en verzwikt je enkel op dat aardedonkere weggetje.

Glamping
Je gaat in alle rust op je comfy toilet mét ingebouwde luchtverfrisser.

Camping (5)
Na de lunch begint al die paella op te spelen. Je pakt een rol wc-papier en gaat op weg. Ondertussen bedenk je dat je evengoed een bord om kunt hangen met de tekst: “Ik ga nu poepen” in drie talen.

Glamping
Je gaat weer in alle rust op je comfy toilet mét ingebouwde luchtverfrisser.

Camping (6)
Die gezellige barbecue is achter de rug. Nu alle vette troep nog effe afwassen. Na een halve kilometer sjouwen met teiltje, borstel, afwasmiddel en vieze vaat kom je eindelijk aan bij de wasplek, alleen maar om te ontdekken dat er enkel ijskoud water is. |

Glamping
Die gezellige barbecue is achter de rug. Ontspannen
nagenietend stop je glimlachend het hele zwikje in
je state of the art afwasmachine. Hè hè, nu lekker
zitten met dat fijne boek.

Camping (7)
Er barst een hevig noodweer los. Jij, je man en zelfs je twee kleuters moeten met al hun kracht aan de tentstokken hangen om het vege lijf te redden.

Glamping
Er barst een hevig noodweer los. Jullie kijken elkaar aan in de zalige beschutting van je ruime slaapkamer en zeggen zuchtend: “Wat romántisch”!

Camping (8)
Het is bedtijd. Je bent kapot en wilt niks liever dan slapen in je tweedehands caravan en wel meteen. Alleen zo jammer dat je eerst nog pakweg drie kwartier aan de slag moet om: de tafel – tevens het bed – leeg te maken, dat rot ding in te klappen, je hand tien minuten onder koud stromend water te houden nadat die klem is komen te zitten onder de tafel, de korte poot (die dient om het bed stevigheid te geven) overal te zoeken omdat die weer eens kwijt is, het bed met die ppot vast te zetten, te puzzelen totdat alle kussens zo liggen dat het lijkt op een matras en het hele zooitje vervolgens ook nog te gaan opmaken. En dat allemaal in de wetenschap dat je morgenvroeg deze hele reutemeteut opnieuw mag doen maar dan in omgekeerde volgorde. Nog maar dertien nachten te gaan.

Glamping.
Het is bedtijd. Je slaat vergenoegd je lakens van zwaar Egyptisch katoen open en nestelt je in je trendy boxspring.

Camping (9)
Het is bedtijd. Jullie hebben wel zin in een lucky night. In je eitje dat in de showroom nog “ruime gezinscaravan” werd genoemd liggen je voeten echter halverwege het kinderbed. Hoezo privacy?

Glamping
Het is bedtijd. Jullie hebben wel zin in een lucky night. De koters liggen ver weg in hun separate kindervleugel.
Jullie kijken elkaar schalks aan en verbeteren moeiteloos jullie jaargemiddelde in één lange hete nacht.

Camping (10)
Het is ochtend. Dankzij de niet ergonomisch verantwoorde spaanplaatbodem van je tafelbed word je wakker met het gevoel alsof je door een vrachtwagen bent overreden. Daarbij heb je over je hele lichaam vreselijke jeuk. Één blik
in de spiegel bevestigt dat de plaatselijke muggenkolonie zich de afgelopen nacht vol heeft gezogen met jouw
bloed, zodat je er nu uitziet alsof je een besmettelijke ziekte hebt.

Glamping
Het is ochtend. Je rekt je uit en hebt je nog nooit zo fit en uitgerust gevoeld. Dankzij de horren ziet jouw huidje er
nog even mooi en ongeschonden uit als toen je ging slapen.

Conclusie: na twee weken ontberingen op de camping lijk je nog het meest op een uitgewrongen dweil, terwijl na veertien dagen glamping zelfs de meest gestreste Ma Flodder is gemetamorfoseerd in een toonbeeld van mooie, fitte en relaxte verleidelijkheid.

Kortom, de conclusie moge duidelijk zijn.

Lang leve de Glamp Vamp!

© Pascale Bruinen

glamping2De überverwende vakantiesnobbisten onder ons kunnen hun hartjes ophalen als ze lekker luxe gaan loungen in de vrije natuur. Tot welke categorie behoor jij? Spreekt jou dit plaatje wel aan of slaap jij voor het echte werk toch liever op je leeggelopen luchtbed? Laat hier een reactie achter.

Botox Boom

In onze achtertuin staat Boom, een Catalpa. Een prachtexemplaar. Talloze malen per jaar kijk ik naar hem. Boom heeft de goede eigenschap mij erg gelukkig te maken.

Ik verwonder me elke keer weer over zijn schoonheid door alle jaargetijden heen. Met zijn majestueuze kroon van takken en bladeren is hij het onbetwiste middelpunt van de tuin. Letterlijk en figuurlijk.

Boom is ook nuttig. Hij verschaft ruimhartig plek aan vogels om op zijn takken uit te rusten of zich in het dichte bladerdek te verstoppen. Geeft frisse schaduw als het ’s zomers te warm wordt. Zorgt voor een betere luchtkwaliteit.

In zijn winterse kaalheid biedt hij een indrukwekkende aanblik als hij zijn symmetrische takkenpatroon prijsgeeft. In het voorjaar is het een feest om Boom te zien ontwaken. Uit de slapende knopjes ontvouwen zich perfecte blaadjes. Hun frisgroene kleur een teken van een nieuwe levenscyclus. Een nieuw begin.

Iets verder in de lente staat Boom in bloei. Hij draagt dan, schijnbaar moeiteloos, een veelheid aan kleine witte bloemetjes in lange trossen. Boom lijkt zo wel een gigantisch bruidsboeket. Met de zomer in aantocht wordt het lichte groen in de bladeren allengs donkerder.

Tegen het einde van het seizoen hou ik Boom scherp in de gaten. En plotseling is het daar. Het is nog niet eens dat de bladeren een andere kleur krijgen. Nee, ik zou kunnen zweren dat ze er vermoeid uit zien. De bladeren, eerst fier, vol en sappig, gaan nu krullen door vochtverlies. Nu hangen ze echt. Dat luidt het begin van de gele verkleuring in. De opmaat voor het verlies van alle bladeren tegen het einde van de herfst.

Afgelopen najaar. Het moment dat ik al zo lang heb gevreesd is daar. Boom moet gesnoeid worden. Ik ga akkoord maar alleen onder de voorwaarde dat ik er persoonlijk bij aanwezig ben.

Ik bekijk de man die de klus komt doen met argusogen. Gelukkig weet hij precies wat ik bedoel als ik zeg dat Boom het model van zijn brede vorm moet behouden. Hij heeft het begrepen en gaat aan de slag.

Ik heb vertrouwen maar hou toch onwillekeurig mijn adem in als hij de eerste tak afknipt. Het is wel een erg groot stuk, denk ik als ik het geamputeerde deel van Boom op de grond zie vallen. Al snel volgen vele andere takken. In enkele seconden ruw afgedankt na jaren trouwe dienst. Voorgoed de band met Boom verbrekend.

Als het klaar is kijk ik eens goed naar Boom. Ik zie dat hij in de omtrek een flink stuk kleiner is geworden. Maar wat is hij mooi. Zo…strak. Zijn breed uitwaaierende kroon is nog steeds duidelijk zichtbaar. Maar er is nog iets waar ik niet meteen de vinger op kan leggen. Even later weet ik het. Het lijkt alsof Boom een verjongingskuur heeft ondergaan. Hij heeft weer zijn omvang en uitstraling van een jaar of vijf geleden.

Boom is de oude niet meer. Boom is beter dan de oude.

Hij is Botox Boom.

© Pascale Bruinen

Is ‘ie mooi of is ‘ie mooi? Misschien hebben jullie ook wel een speciale band met iets dat groeit en bloeit. Dan herken je vast wel een en ander uit deze column. Of heb je er net he-le-maal niks mee? Hier is de plek waar je het kunt laten weten.

Cruisen

Mijn taxi nadert de haven van Miami. Ik kijk letterlijk reikhalzend uit naar het moment dat ik voor de allereerste keer in mijn leven het enorme schip met eigen ogen zal zien.

Tuurlijk, de folders, afbeeldingen en filmpjes op internet heb ik allemaal al gezien. Ettelijke keren. Toch ben ik totaal onvoorbereid op het ontzag dat zich van me meester maakt als de chauffeur plots stopt op de kade en ik een allereerste blik werp op Haar. Ik kan alleen maar met open mond kijken. Omhoog, omhoog, nog hoger. Ondanks Haar gigantische afmetingen word ik onmiddellijk getroffen door Haar stralend witte en ranke schoonheid.

Het welhaast verblindende zonlicht weerkaatst in de saffierkleurige golven die op hun beurt weerspiegelen op Haar sierlijke boeg. Aan dek wapperen de vlaggetjes van talloze landen vrolijk in de zwoele bries als teken van warm welkom aan alle verschillende nationaliteiten die weldra aan boord zullen gaan. Het is te veel om te bevatten. Een soort van nautische “Shock and Awe”.

Eenmaal aan boord is het al niet anders. Als in een zoete droom loop ik rond, bijna zwevend van het gelukzalige gevoel dat ik krijg bij het zien van zoveel moois. Een prachtig pooldeck met twee zwembaden, jacuzzi’s en loungehoeken. Een gezellig terras op de achtersteven, waar ik mezelf al zie zitten aan het ontbijt. Een spa waar je je gelijk helemaal Zen voelt.

Ik loop door de winkelstraat, gluur in de bibliotheek en verbaas me over het enorme theater. Mijn honger kan gestild worden in vier restaurants en sportieve neigingen kan ik kwijt op het basketbalveld, aan de klimmuur of op de atletiekbaan. En in de fitnessruimte natuurlijk, die voorzien is van de allernieuwste apparaten.

Al snel voel ik me een nieuwerwetse ontdekkingsreiziger die dan weer hier, dan weer daar stuit op onverwachte hoekjes, gezellige zitjes of een intiem barretje. De adrenaline giert door mijn lichaam van opwinding bij het idee dat ik hier een volle week van mag gaan genieten. En hoewel er in totaal zo’n vierduizend passagiers en bemanningsleden aan boord zijn, is het schip zo groot dat je zonder al te veel inspanning een rustig plekje kunt vinden. Buiten of binnen. Maar de echte luxe van dit majestueuze schip is het onovertroffen zeezicht.

Na de verplichte dril compleet met reddingsvesten ben ik maar net terug aan dek of er klinkt opeens een oorverdovend geluid uit de reusachtige scheepshoorn. De bijbehorende trillingen golven door mijn lichaam alsof iemand in mijn maag een drumsolo ten beste geeft. Tegelijkertijd voel ik een wave van gespannen verwachting gaan door de menigte, die zich als één man haast naar de reling aan de kant van de kade. Ik dring me er tussen en kijk als betoverd toe hoe het enorme schip zich schijnbaar moeiteloos zijwaarts van de kant af beweegt, als ware het een reuzenkrab.

Ik zie meer dat Ze vaart dan dat ik het voel. De streep water tussen de kade en de zijkant van het schip wordt allengs groter. Vanaf mijn vijftiende verdieping zwaai ik, net als mijn medepassagiers, naar onbekende achterblijvers van het formaat Legopoppetje op de kade. Ik voel een zilte bries door mijn haren gaan. De scheepshoorn loeit nogmaals zijn vaarwel. Ondanks de hitte voel ik dat ik kippenvel krijg.

Al mijn zintuigen staan op scherp. Alsof mijn radar, net als die van het schip, helemaal open staat. Klaar om iedere indruk als een spons te absorberen. Ik kijk om me heen. Iedereen lacht, ontdekt en slaakt verrukte kreetjes bij elke nieuwe verrassing. Onder de laatste zonnestralen van de dag speelt de band van rastamannen Bob Marley reggae. De langzaam deinende vrolijkheid van het ritme werkt aanstekelijk. De glimlach om mijn mond is een blijvertje. Ik kan niet anders.

Ik richt mijn blik op de kleine, wendbare boot van de pilot, die Haar begeleidt bij een veilige uittocht uit de haven. Daarginds lonkt de havenmond. Nog even en we zijn buitengaats. De veelbelovende vrijheid van volle zee.

Terwijl de skyline van Miami in de warmroze gloed van de snel ondergaande zon steeds verder uit het zicht verdwijnt, wordt mijn verwachtingsvolle gevoel bijna tastbaar. De belofte van onbekende verten, tropische oorden en uitbundige Caribische vegetatie die pijn doet aan je ogen. Van nieuwe vrienden maken, zwemmen met dolfijnen en het witter dan witte zand tussen je tenen. Van kristalhelder warm water, snorkelen tussen veelkleurige vissen en zorgeloos relaxen in een hangmat.

Ik zucht. Een zucht die uit mijn allerdiepste binnenste lijkt te komen. Het is een zucht van puur geluk. Ik lééf. Ik geniet.

Ik cruise.

© Pascale Bruinen

En jullie? Zelf al eens een cruise gemaakt? Ben heel erg benieuwd naar jullie ervaringen. Het is in ieder geval een bekend misverstand te denken dat je op een cruiseboot alleen maar 90-plussers met paars haar en een zuurstofapparaat tegenkomt. Niets is minder waar. Zie daarvoor mijn andere blog, www.cruisecraver.com. Ik zou zo nog een aantal columns kunnen volschrijven over mijn cruiseverslaving (en wellicht doe ik dat nog wel) maar laat voor nu graag het woord aan jullie.

Horror Hair Day

Krullen wil ik. Een hele kop vol met grote, sexy krullen. We schrijven 1984 en mijn grote voorbeeld is de actrice Jessica Lange. Dus op naar de kapper met een uitgeknipte foto. Zó moet het worden en niet anders.

Kapster Karin gaat een heuse permanent erin zetten. “Het wordt toch wel precies zoals op de foto?”, informeer ik voor alle zekerheid nog maar eens. “Zeker weten”, zegt ze geruststellend, “en ik maak het zo dat het goed blijft zitten”.

Ik ontspan en laat Karin haar goddelijke gang gaan. In gedachten zie ik de reacties van iedereen al voor me. Groen en geel zullen ze zien van jaloezie als ze beseffen dat ik sprekend op Jessica lijk. Nou ja, alleen qua haren dan. Inwendig zit ik me te verkneukelen. Tot aan het moment dat Karin de krullen uitkamt.

IIEEUUWW! Wat is dát? In plaats van de weelderige, los vallende krullen van Jessica kijk ik naar iets dat nog het meest lijkt op de vacht van een bejaarde poedel. Allemaal pietepeuterige, heel strak zittende krulletjes. Zó strak dat mijn haren niet eens meer te berge kunnen rijzen. Zoals ik er nu uit zie zou ik onmiddellijk kunnen intrekken in elk willekeurig bejaardenhuis.

Ik begin acuut te zweten. Ik moet letterlijk naar lucht happen. Nietsvermoedende Karin biedt ondertussen jolig aan een spiegel te gaan halen. Een spiegel?? Ik heb hoegenaamd geen enkele behoefte dit gedrocht ook nog aan de achterkant te aanschouwen. Net op tijd slaag ik er in om “laat maar” uit te kramen. Het komt er piepend uit, alsof zelfs mijn stembanden in shock zijn.

Ik spoed me naar huis, onderwijl biddend dat ik geen bekenden tegen kom. En zoals het een echte masochist betaamt kan ik het onderweg niet laten om telkens een snelle blik in de spiegelende etalages te werpen. Ben ik dat? Oh. Mijn. God. Ik lijk wel een vreemde.

Eenmaal in de veilige beslotenheid van mijn badkamer ga ik woest mijn haren wassen, wel een half uur lang. In de vurige hoop dat de krullen hierdoor op miraculeuze wijze groter worden. Of nog beter: helemaal weg blijven. De hoop blijkt ijdel. Het heet niet voor niks permanent.

Zelfs mijn vader, die nog geen spier vertrekt als ik in een jutezak voor hem zou staan, kijkt nieuwsgierig naar mijn nieuwe kapsel. Nu word ik pas echt ongerust. Wat zeg ik? Dit is alarmfase rood.

“Wat valt er te zien?”, vraag ik kattig.

“Zo ben je net Connie Vandenbos”.

Dat doet de deur dicht. Denk je door een beurt bij de kapper eruit te kunnen zien als een sexy filmster, lijk je op een übertruttige en degelijke zangeres van middelbare leeftijd. Die overigens ook nog loenst.

Geen krullende haar op mijn hoofd die eraan denkt dit zo te laten. Morgenvroeg zit deze Connie bij Karin om het hele zwikje weer er uit te laten halen.

En dat is allemaal de schuld van Jessica.

© Pascale Bruinen

Oh oh, dat zal veel lezeressen misschien wel zéér bekend voorkomen. Een totaal mislukt experiment bij de kapper. Tja, we willen nu eenmaal altijd wat we niet hebben. De dames met prachtig steil haar willen krullen en andersom. Misschien voel jij ook de behoefte om je  wereldschokkende kapperservaringen te delen? Reageer dan hier!