Nakend Najaar

Het is onmiskenbaar. Hoewel de planten er zo op het oog nog hetzelfde uitzien, de bloemen dapper verder bloeien en het een prachtige warme nazomerdag belooft te worden, ruik ik op een ochtend die typische, vochtige, aardse geur. De zintuiglijke voorbode van de herfst, het seizoen dat symbool staat voor verrotting, verval en vergankelijkheid.

Deze tijd van het jaar valt samen met steeds korter wordende dagen, kouder wordende nachten en onstuimiger weer. Ik ben er nog niet klaar voor. Daarom probeer ik, met een aan fanatisme grenzende gretigheid, alle uiterlijke tekenen van het nakend najaar uit te wissen.

Angstvallig knip ik telkens weer nieuwe bruin wordende bladeren van de varens weg om zo voor even de illusie te behouden dat ze nog frisgroen zijn. Geïrriteerd ruk ik de spinnenwebben kapot die ik in mijn gezicht krijg als ik door de tuin loop. De steeds dorrer wordende petunia’s blijf ik stug water geven. Tegen beter weten in. Want ik realiseer me maar al te goed dat het onvermijdelijk is dat mijn gekoesterde tuin steeds mistroostiger zal gaan uitzien.

Ja, ja. Ik weet wel dat de herfst ook zijn mooie kanten heeft. Zeker. De ragfijn geweven spinnenwebben hebben een geheel eigen schoonheid als ze met dauwdruppels behangen zijn. Het waterige herfstzonnetje geeft er een zacht zilveren glans aan. Natuurlijke kunstwerkjes. Net als de van kleur verschietende bomen, die prachtig gladde, bruinrode wilde kastanjes en de schijnbaar uit het niets opkomende paddestoelen. In deze tijd van het jaar gaat de trukendoos van Moeder Natuur helemaal open.

Toch overvalt me een gevoel van weemoed. Weemoed dat de zomer definitief voorbij is. Geen zwoele, eindeloos lijkende avonden meer buiten op het terras. Niet meer spontaan barbecueën met vrienden. Gedaan zijn de ontspannende fietstochtjes na afloop van zomaar een doordeweekse werkdag. Het zonnescherm kan weer worden opgerold en de tuinaccessoires kunnen naar binnen, net als de parasol. Nog even en de klok wordt weer teruggezet. Opstaan met duisternis, thuiskomen met duisternis. Het trotseren van kou, regen en gierende wind. Van buiten leven naar binnen zitten.

Nee, ik ben er nog niet klaar voor. Maar het is onontkoombaar. Ook ik zal er binnenkort aan moeten geloven. Aan dikke truien, gewatteerde jassen en mutsen in plaats van topjes, t-shirts en niemendalletjes. Aan hoge, dichte laarzen in plaats van teenslippers. Aan wollen maillots in plaats van blote benen.

Het is het seizoen dat ik mijn blik noodgedwongen naar binnen keer. Ik voel de behoefte om het binnen knusser, gezelliger en warmer te gaan maken. Het is weer tijd voor plaids, een hoogpolig vloerkleed en donkerdere tinten in het interieur.

Maar vooral voor gedimd licht, kaarsen en waxinelichtjes. Zodat ik, ondanks de duisternis, toch baad in een warme, flakkerende en hoogst flatterende gloed.

Zo zie ik er de hele herfst en winter op mijn voordeligst uit. Binnenshuis tenminste.

Laat dat najaar dan toch maar komen.

© Pascale Bruinen

Aaah, dit is toch prachtig?  Binnenkort weer gratis te zien in het theater van de natuur in jullie woonplaats.

Diva’s in de Dop

“Ik heb een supergoed idee!”, roept dochterlief opeens triomfantelijk uit. Ik zit op dat moment rustig in de woonkamer te lezen en schrik me kapot bij deze plotselinge doorbreking van de zalige stilte.

Ik ben meteen op mijn hoede. Als zij een goed idee heeft, kost het mij altijd geld. Of minimaal meerdere taxiritten van en naar vriendin X ,Y of Z of de stad. Als ik zie dat ze zelfs haar heilige Blackberry heeft neergelegd, word ik ronduit achterdochtig. Met dat ding is ze zo’n beetje als een Siamees vergroeid.

“En wat mag dat supergoede idee dan wel niet zijn?”, vraag ik. De voorzichtigheid druipt er van af.

“Jij hebt straks toch afgesproken met de moeder van G? Om samen koffie te gaan drinken? Nou, als jullie in plaats daarvan nou eens met G. en mij zouden gaan shoppen?”, stelt ze poeslief voor. G. is haar goede vriendin. Ze kijkt me daarbij overdreven indringend aan, haar hoofd een tikje schuin. Ik ken die blik maar al te goed. Die hoort bij het ingezette charme-offensief. “Dan kunnen jullie tóch koffie gaan drinken, alleen nóg gezelliger!”, maakt ze het af.

Tegen zoveel logica kan ik niet op en na een kort telefonisch overleg met J., de moeder van G., is alles geregeld. Een uurtje later zitten we met zijn vieren in de auto: twee giechelende, non-stop kletsende en what’s appende puberdochters op de achterbank en wij, de twee softies, voorin.

We gaan op weg naar een mega winkelcentrum waar er in ieder geval één winkel is die (vrouwelijke) pubers doet watertanden: heel groot, erg goedkoop en propvol lelijke en iets minder lelijke kleren, schoenen en prullaria die ze helemaal niet nodig hebben. En juist dáár moeten we kennelijk met spoed naar binnen, getuige het feit dat de twee dames – die zich normaliter tergend langzaam voortbewegen – nu ineens voor ons uit snellen.

Ze zien er allebei hetzelfde uit: donkere jegging, mooi topje met kek jasje erover, ballerina’s en een enorme handtas die ze elegant over hun gebogen arm laten bengelen. En niet te vergeten het ultieme mode-accessoire: de Blackberry, inclusief bling bling hoesje en daarom dus volop on display. Diva’s in de dop.

Ik wil net een opmerking maken tegen J. over hoezeer ze op elkaar lijken, als de dames vanaf een afstandje in koor naar ons roepen dat wij “net zusters zijn”. J. en ik kijken elkaar aan en schieten in de lach. Want inderdaad, ook wij lijken verdacht veel op elkaar met onze donkere jeans met nauwe pijpen, witte blouse en …ballerina’s.

Even later moeten we er aan geloven en betreden we het aardse puberparadijs. Binnen is het nog redelijk rustig maar dat zal niet lang meer duren. Zelden zo veel kleding zo dicht op elkaar gezien. De H&M is er niks tegen. Overal staan, liggen en hangen t-shirts, topjes, jeans, jasjes, truien en wat dies meer zij. In alle kleuren, prints en maten. Het duizelt me voor de ogen.

De dames zijn in no time nergens meer te bekennen. Wel horen we ze nog af en toe verrukte kreetjes uitstoten bij het een of andere rek. J. en ik lopen systematisch de rijen langs, snel scannend of er iets tussen hangt dat voor ons de moeite waard is. De meeste spullen zou ik nog niet voor niks willen. Ik ben benieuwd waar onze dochters zo meteen mee komen aanzetten.

Lang hoef ik daarop niet te wachten want als bij toverslag staan ze voor ons, ieder met een oversized winkeltas die nog het meest lijkt op een groot visnet. En dat zit overvol. In de gauwigheid zie ik dat mijn dochter een goudkleurige bikini, een kaftan, twee paar slippers, een zonnebril, een spijkerbroek die zo smal is dat het lijkt alsof die maar uit één pijp bestaat, twee precies dezelfde zwarte leggings, een topje, zeker drie t-shirts, twee shorts, een colbertje, een pyama, een badjas en een massa lange kettingen heeft binnen gehengeld.

Ik ben met stomheid geslagen want ze is nog geen kwartier weggeweest. Bovendien heeft ze me bezworen dat ze maximaal 50 euro zou uitgeven. Ja, dank je de koekoek, méér heeft ze ook niet op haar rekening staan. En nou is het hier weliswaar niet duur, maar deze hele oogst bij elkaar gaat ver over dit bedrag heen.

Bij een nadere inspectie zie ik tot mijn verbazing en hun hilariteit dat de verzamelde spullen in hun twee visnetten nagenoeg identiek zijn. En dan maar klagen over hoe individualistisch de jeugd is.

Inmiddels is het veel later én drukker geworden, maar het fijnste van deze shopping expeditie moet dan nog komen. De dames moeten nog effe gaan passen. Dat lijkt mij nu hét moment om lekker met J. te gaan koffieleuten, maar helaas. De dames hebben meer dan het toegestane aantal stuks dus moeten J. en ik verplicht in de ellenlange rij aanschuiven, bedolven onder minuscule leggings en topjes. Die cappuccino zal nog even moeten wachten.

Het pascircus kan beginnen. J. en ik doen de ren-je-rot-show van en naar de paskamers om uiteindelijk bijna alles om te ruilen voor toch maar een maatje meer of nog minder. Waarna alsnog zeker de helft door de dametjes wordt afgekeurd.

Op naar de kassa dan, waar wij respectievelijk nummer 15 en 16 zijn van de menselijke slang die zich naar het betaalpunt kronkelt. Onderweg is dochterlief nog hard aan het hoofdrekenen, maar hoe ze ook optelt, het komt altijd ruim boven de 50 euro uit. Met iedere stap richting kassa gooit ze weer iets anders uit haar visnet. Hup, daar gaan de kettingen (“ik vind ze eigenlijk iets té”), de badjas (“doe ik toch nooit aan”), de pyama (“veel te kinderachtig”), de goudkleurige bikini (“je hebt gelijk, mam, die was wat aan de kleine kant”), de kaftan (“is niks zonder die bikini”), een t-shirt (“dat rood staat me afschuwelijk”) en een paar slippers (“G. vindt ze ook niks”).

Per saldo zijn we ongeveer tweeëneenhalf uur binnen geweest, heeft zij inderdaad precies 50 euro uitgegeven (waarbij ik gemakshalve die 19,50 euro niet meetel die zij te kort kwam en ik toch maar heb meegesponsord) en hebben J. en ik nog steeds geen druppel koffie gehad.

Op de terugweg is het stil achterin. De divaatjes zijn uitgeshopt, uitgekletst en uitgewhat’s apped. Ze zijn moe maar voldaan. De buit is binnen.

Wij daarentegen zijn alleen maar moe. Moegesjokt, moegesjouwd en moegesjeesd.

Cappuccino? Doe mij maar een dubbele espresso.

© Pascale Bruinen

En, hebben jullie ook zo’n divaatje thuis? Deel jouw verhaal hier met anderen!

Computer Crash (2)

Onze vaste computer is gecrasht. En dat is een groot probleem, want daarop staan al onze foto’s, documenten en niet te vergeten: al mijn nog niet gepubliceerde columns. En nee, een back-up hadden we als rechtgeaarde digibeten natuurlijk niet gemaakt.

De jongen van de helpdesk geeft ons het ene na het andere commando via de telefoon. Sommige zijn ronduit bizar. Zoals:: “Probeer eens die ene en die andere knop tegelijk ingedrukt te houden. Zodra je dit of dat op het scherm in beeld krijgt, moet je die knoppen meteen loslaten. Maar echt metéén”. H. doet precies wat hem gevraagd is. Wel drie keer achter mekaar. Maar er gebeurt niets. Het scherm blijft even blauw en vooral leeg. Heel erg leeg.

“Ik heb nog wel een andere methode, denk ik”, zegt de hulp-knul. Hij klinkt zowaar nog steeds redelijk opgewekt. De positivo. “Ik stuur u nu via de mail een hele lange code, die moet u dan precies zo typen op de plek die ik aangeef”. Via de mail?!  Goh, da’s grappig, vooral omdat we net gebeld hebben dat we een computercrash hebben. Maar kennelijk gaat de digi-nerd er voetstoots van uit dat we nog wel wat computers in huis hebben.

Onze oude laptop, die we gelukkig nog nipt aan de praat hebben gekregen, kan geen mails meer ontvangen. Maar geen nood, want God/Steve Jobs (afhankelijk van welk geloof je al dan niet aanhangt) schiep de i-pad!

En daar rollen ze een voor een binnen. Ellenlange codes van onbegrijpelijke, onsamenhangende en onleesbare letters, cijfers en leestekens. H. neemt ze nauwkeurig over. In eerste instantie lijken ze de computer zowaar aan de gang te krijgen. Maar al snel gaat het scherm weer op blauw. Ik kan die kleur inmiddels niet meer luchten of zien.

“Tja”, zegt de jongen, waarna hij een veelbetekenende stilte laat vallen. Oh God, dat klinkt niet goed, denk ik. Waar is zijn positieve grondhouding gebleven?

“Dan zit er helaas niks anders op dan dat u de computer naar de winkel terugbrengt. U moet ermee rekening houden dat u de computer minstens een week kwijt bent”.

Néé hè, denk ik. Dat klinkt redelijk dramatisch. Maar het wordt nog erger.

“Waarschijnlijk zal de harde schijf moeten worden vervangen”.

OK, nu is het officieel een internationale ramp.

Maar life goes on en mijn blog ook. Morgen is het vrijdag en moet hoe dan ook een nieuwe column geplaatst worden. Omdat ik gisteren al een eerste stukje ervan heb prijs gegeven op sneak peek, zit er niks anders op dan de column helemaal opnieuw te schrijven. En wel uit mijn hoofd.

Gek genoeg zit de tekst nog onder mentaal handbereik. Sterker nog. Als de column af is  vind ik hem beter dan de oorspronkelijke versie.

Maar of de duivel ermee speelt. Net op het moment dat ik mijn herschreven column op mijn blog wil zetten, besluit onze internetverbinding er de brui aan te geven. Ook dat nog. Ik moet namelijk, zoals gebruikelijk, nog een foto en mijn commentaar onder de foto erbij zetten.

Vastbesloten om gewoon zoals iedere vrijdag het hele pakketje te publiceren, snel ik naar mijn overbuurvrouw. Gelukkig is ze thuis en na wat gepiel lukt het om de foto die ik in gedachten had, erbij te plaatsen. Mét commentaar. Het is inmiddels ver in de namiddag maar het is nog steeds vrijdag. Ik ben dus “gewoon” op tijd. Al zullen mijn lezers niet geweten hebben hoeveel bloed, zweet en tranen het heeft gekost.

De door de helpdesk voorspelde week wachttijd gaat voorbij. En nog een dag. En nog een. Uiteindelijk krijgen we het verlossende telefoontje bijna elf dagen nadat we onze cyber lifeline met de rest van de wereld noodgedwongen hebben moeten inleveren bij de Eerste Hulp Voor Digibeten.

Met kloppend hart stappen we in de auto. In de winkel is het druk. We moeten aansluiten in de rij. Maar dan zijn wij eindelijk aan de beurt. De jonge verkoper gaat naar achter en keert even later terug, mét onze eigen vertrouwde Mac veilig in zijn armen! Ik betrap me erop dat ik bijna vertederd naar het strak vormgegeven zilveren voorwerp kijk.

Het volgende moment steekt hij de stekker in het stopcontact. H. en ik houden automatisch onze adem even in. Maar dan. Já. Ja! Jahaa!!! Alle bekende icoontjes staan weer op de vertrouwde plekken. “Klikt u eens op de map ‘columns’”, weet ik nog net uit te brengen. De jongen doet braaf wat hem gevraagd wordt. En daar staan ze. Allemaal. Net als al onze foto’s, filmpjes en al onze andere documenten.

Ik voel me ineens net als een ballon die langzaam leeg loopt. Alle spanning vloeit uit me weg. H. kijkt extreem opgelucht, alsof zojuist een doodvonnis herroepen is (en feitelijk zit hij er dan niet eens zo heel erg ver naast).

Ik prevel allerlei dankwoorden. Ondertussen zou ik de computer wizz kid die alles van onze oude gecrashte schijf heeft weten te redden wel kunnen omhelzen van blijdschap.

Deze hele affaire heeft onomstotelijk bewezen dat ik totaal afhankelijk ben van onze computer. Op het ongezonde af.

Ik – tot voor kort zelfbenoemde anti-computer activist – geef het toe.

Ik kan niet meer zonder.

© Pascale Bruinen

Ik zal vast niet de enige zijn. Wie heeft ook een totale crash meegemaakt en wil dit met ons delen?

Computer Crash (1)

Ik voel onmiddellijk dat er iets mis is als ik thuis kom. H. kijkt zo ongelukkig en schuldbewust dat ik meteen wil, nee móet weten wat loos is. “Wat is er gebeurd?”, vraag ik hem daarom op de man af. Ik heb mijn jas nog aan.

“Ik was bezig om al onze foto’s op de externe harde schijf te zetten als back-up en tijdens het slepen stootte mijn arm even tegen het bureau. Toen is het helemaal fout gegaan want de computer is vervolgens alle foto’s over gaan zetten naar het bureaublad. En dan bedoel ik ook álle. Hij is compleet vastgelopen. Nu doet hij helemaal niks meer”.

Ik voel alle kleur uit mijn gezicht wegtrekken. “Niks? Hoe bedoel je? Krijg je hem niet meer opgestart?” Nog voordat hij antwoord kan geven, ren ik de trap al op met twee treden tegelijk. Vlak voordat ik de computer in het oog krijg, hoop ik nog tegen beter weten in dat alles nog steeds bij het oude is gebleven, dat het nog precies is zoals toen ik vanochtend weg ging.

Maar als ik naar het scherm kijk, zie ik alleen maar effen blauw. Alle vertrouwde icoontjes zijn verdwenen. Ik voel een vreemd gevoel opkomen, dat ik even later herken als niks minder dan paniek. “Oh God, wat betekent dit voor onze foto’s, al onze herinneringen? En mijn documenten? Mijn columns? Wat als alles weg is, voorgoed? En hoe moet dat morgen? Morgen is het vrijdag en moet ik mijn nieuwe column plaatsen!” Zodra ik deze woordenbrij uitspreek, lijkt het nog erger. Eenmaal uitgesproken wordt het immers ook werkelijkheid.

Het volgende moment ben ik al als een dolle griet aan het graaien in verschillende lades, op zoek naar de usb-stick waarop ik nog niet zo lang geleden, naar ik me meen te herinneren, mijn wel al geschreven maar nog niet gepubliceerde columns heb opgeslagen. “Hebbes!”, kraai ik triomfantelijk victorie als ik het oh zo belangrijke kleinood heb gevonden. Natuurlijk in de allerlaatste la die ik getergd opentrek.

“Hoe wil je kunnen zien wat erop staat?”, vraagt H. op irritant rustige en rationele toon.

Oeps. Effe niet aan gedacht. Mijn pubers zijn niet thuis en hebben, vanzelfsprekend, hun laptops bij zich. Net als ik denk dat ik op het punt sta te ontploffen van hysterische frustratie, realiseer ik me ineens iets. Iets ongelofelijks belangrijks. “We hebben de oude laptop nog!”, roep ik in mijn opwinding. Kennelijk iets te hard.

“Tjonge, ik ben niet doof hoor!”, mompelt H. maar hij is al – ongetwijfeld uit schuldgevoel, denk ik vals – aan het zoeken geslagen. Even later is onze digitale reddingsboei uit het stof gevist en probeert H. er weer enig leven in terug te brengen. Vooralsnog zonder succes. Het zweet begint me nu uit te breken. Letterlijk.

“Waarom doet hij het nou niet?”, vraag ik ongeduldig. En zo’n beetje om de minuut, terwijl ik H. op zijn vingers kijk. Super-mega-irritant gedrag, ik weet het, maar ik kan het niet laten. En dan gebeurt het. Ik zie ineens van alles in beeld komen. Maar nog belangrijker: ik hoor het allermooiste geluid dat ik me kan voorstellen. Het duurt maar enkele seconden en het is een deuntje van niks, maar voor mij klinkt het op dat moment mooier dan het mooiste en geniaalste muziekstuk van Mozart. Het Windows Opstartgeluid.

Yes!“, schreeuw ik, alsof ik zojuist een hele belangrijke ontdekking heb gedaan die de wereld zal veranderen. Zo’n beetje in de categorie van “Eureka!” van Archimedes. “Vlug, geef me de stick”, commandeer ik.

“Je hebt hem zelf nog in je hand”, wijst H. mij droog op het onomstotelijke feit dat ik de usb-stick zelf vasthoud. Ik weet niet hoe snel ik het ding in de computer moet duwen. Verwachtingsvol scroll ik door de lijst met opgeslagen columns. Methodisch ga ik het hele rijtje langs. En nog eens. Eek! Ze staan er niet tussen. Op deze stick staan alleen maar oude versies die allang op mijn blog staan.

Terwijl ik nu de staat van hardop jammeren nabij ben, gaat H. bellen met de helpdesk. De eerste best wel logische vraag luidt of we geen back-ups maken. Euh….nee dus. Hebben we dan misschien iets dat Time Machine heet? Hoe zegt u? Nou, helaas niet nee.

Wáárom oh waarom denk je pas aan het maken van een back-up als het al echt helemaal mis is? Ik kan me wel voor de kop slaan.

De stem aan de andere kant van de lijn blijft ondanks onze oerdomme antwoorden opmerkelijk rustig. Moet ook wel, want zijn klanten zijn al haast in een staat van manische ongerustheid.

“Dan lossen we het anders op”, zegt hij stellig. Ha! Dát wil ik graag horen. Dat klinkt vol zelfvertrouwen.

Dit gaat goed komen. Toch?

© Pascale Bruinen

Oh, paniek!!! Volgende week het vervolg, dan weten jullie hoe dit afloopt.

Virtueel Eten

Ik hou van lekker eten. Zo kun je mij ’s nachts wakker maken voor een goed bord pasta, laat ik alles uit mijn handen vallen voor versgebakken speltbrood met extra vergine olijfolie en gemalen grof zeezout en zou ik een moord kunnen plegen voor de klassieke maar goddelijke combi van een lekkere malse steak met verse, zelfgemaakte knapperige frites (met schil) en Belgische mayonaise. Als ik het alleen al opschrijf, loopt het water me in de mond.

Ik ben dus een lekkerbek maar óók een zoetekauw. Mijn eigengemaakte walnut brownies met vanille-ijs en toffee-chocoladesaus zijn to die for! Bovendien associeer ik eten doorgaans met gezelligheid,  met urenlang tafelen met vrienden. En tenslotte is er maar weinig dat ik niet lust (schelpdieren en ingewanden). Met deze drie fijne randvoorwaarden ligt het risico op de loer dat ik in no time tonnetje-rond word. En laat ik daar nu iets op gevonden hebben! Ik doe namelijk aan virtueel eten.

Avond na avond verslind ik, veilig gescheiden door de flatscreen, het ene na het andere zalige gerecht bij 24 Kitchen. Zo kan ik me calorieloos vergapen aan cajun gumbosizzling beef with salsa of bastilla met kip; beleef ik een puur visuele indigestie met achtereenvolgens asperge-spinazie risotto met citroen, geroosterde vis met rozemarijnaardappeltjes uit de oven en als toetje frambozensoufflé; of kan ik zonder ook maar één gram bij te komen heerlijk uitbuiken na het fictief nuttigen van een warme Griekse lamssalade, zalm op aziatische wijze met wasabimayonaise en de ultieme chocoladecake.

En het moet gezegd worden, het zijn héle smakelijke beelden die tot mij komen. Het enige dat nog ontbreekt, is de bijbehorende geurbeleving. Dan zou het helemaal 3-D zijn.

Het kookkanaal heeft sinds de start in oktober 2011 een vaste plek verworven in mijn tv-routine. En terecht, want Rudolph van Veen heeft hiermee misschien wel zijn allerbeste en succesvolste recept ooit gemaakt. Een onverslaanbare mix van goed (na)maakbare gerechten (“En denk eraan: koken is echt voor iederéén!”), close-ups van frisse groenten, sappig vlees en rijpe vruchten en prachtige beelden van de natuur waaruit al dat fraais afkomstig is. Dit alles gelardeerd met een saus van enthousiasme, vrolijkheid en positivisme die van het scherm spat en afgeblust met veel superhandige en vooral praktische kooktips.

Leuk is ook het eigen culi-taaltje dat gebruikt wordt. Zo gaat het gemaakte eten standaard “op bord” en bevat de vocabulaire opvallend veel verkleinwoorden zoals “groentjes” of “een zoetje en een zuurtje” toevoegen.

Het enige wat we niet te zien krijgen, zijn de vuile pannen, bakjes, bordjes, lepels, zeefjes, vergieten, spuitzakken, schotels en kommen. Iets zegt me dat Rudolph dit hoogstwaarschijnlijk niet zelf hoeft af te wassen.

Van Veen heeft ook goed nagedacht over de ideale combinatie van eigengemaakte items en aangekochte series uit het buitenland. Van eigen makelij zijn bijvoorbeeld “Rudolphs Bakery“, waarin overheerlijke zoete en hartige baksels worden gemaakt door the man himself , “De Makkelijke Maaltijd” voor als het snel en simpel moet of “Grenzeloos Koken” waar telkens de keuken van een ander land centraal staat (met die Italiaanse-bij-Marco-Borsato-gitaarspelende-stoethaspel als toppunt van culi-entertainment).

Maar hoe leuk, leerzaam en interessant ook, bij mij zijn de buitenlanders van 24 Kitchen toch verreweg favoriet. Onder het motto van “wat je van ver haalt, is lekker(der)”, zit ik vastgenageld voor de buis zodra Nieuw Zeelandse Annabel Langbein, Australische Donna Hay of mede-Aussie Bill Granger in beeld komen. En dat heeft maar deels met het overheerlijke eten zelf te maken. Het zit hem zeker ook in het bombardement met zonnige, fantastische en jaloersmakende vergezichten.

Denk aan een rustiek houten huis gelegen in een parkachtige (moes)tuin met zo ongeveer alle kruiden, noten, groenten en vruchten die je kunt bedenken, gelegen aan een eindeloos meer met zicht op besneeuwde bergtoppen: Annabel. Of aan een smetteloos witte keuken met witte (!) pannen, voorzien van een zeer ruim balkon waarop je in stralend zonlicht kunt barbecueën en van waaruit je zo uitkijkt over de onmetelijke oceaan: Donna. Danwel aan een eveneens witte keuken met pastelkleurig servies, behorend bij een geweldig huis met megagroot zwembad met als achtergrond diezelfde oceaan en een paar schatten van kindertjes: Bill.

Onze Annabel is in de gelukkige omstandigheid dat ze haar dagen mag vullen met het zelf vissen naar verse zalm in een schoner dan schoon meer, het hoogstpersoonlijk ophalen van honing bij de plaatselijke imker en het zelf uitgraven van reuze knoflookbollen bij een bevriende boer. Zo zien we haar tevreden genietend vele kilometers rondtoeren in haar gele pick-up truck met haar pas verworven culi-schatten, rijdend door dat onwaarschijnlijk ongerepte Nieuw Zeelandse landschap. En ik geniet vanaf de bank volop met haar mee.

Bij thuiskomst gaat ze natuurlijk ermee koken en komen er de heerlijkste gerechten op tafel, zonder uitzondering genuttigd in het bijzijn van gelukkige en immer vrolijk lachende vrienden én de visser, imker of boer in kwestie. Feel good tv in optima forma.

Donna – wier motto fast, fresh and simple is – Hay verstaat de kunst om inderdaad op slimme wijze een nieuwe, originele twist te geven aan bekende gerechten. En ze houdt woord want haar gerechten zijn altijd snel te maken, gebaseerd op verse ingrediënten en eenvoudig van aard. Maar ze zien er ook uit als een pláátje en tegen de achtergrond van die blauwe oceaan is het eindresultaat op de een of andere manier altijd nóg smakelijker.

En dan Bill. Hij is het prototype van de ideale schoonzoon; clean, stralende glimlach en immer aardig. Hij geeft toe dat hij niet een geschoold kok is. Dat is geen probleem maar juist heel ontwapenend. Hij verhaalt over hoe hij sommige dingen van zijn moeder geleerd heeft (ach, wat schattig!), vertelt af en toe wat persoonlijke dingen en komt soms al kokkerellend samen met zijn kinderen in beeld (à la Jaimy Oliver). Een misschien doordachte keuze, maar wel een die werkt omdat het integer overkomt en hem erg menselijk en benaderbaar maakt.

Al dat geschrijf over eten heeft me intussen hongerig gemaakt.

Ik denk dat ik nog maar eens een heerlijke beeldbuis-maaltijd ga nuttigen. Gelukkig is deze afhaalservice 24 uur per dag geopend.

© Pascale Bruinen

Idylle in de Achtertuin

Eindelijk. De zon laat zich vandaag eens echt zien. Omdat het de afgelopen tijd nauwelijks  gezomerd heeft, besluit ik onmiddellijk naar buiten te gaan. Profiteren van iedere straal die  tot mij komt onder het motto: pakken wat je pakken kunt!

Gewapend met de krant en een hete kop koffie nestel ik me in mijn achtertuin op het ligbed dat helaas veel te weinig gebruikt wordt. De laatste tijd kon ik er alleen maar naar kijken door een beslagen raam vol met regendruppels. Maar vandaag is het anders. Vandaag begint het Grote Genieten.

De dag is nog jong en de zomer – min of meer – ook. Er is niemand in huis. De tuin én de Catalpa, die glorieus in het midden staat, zijn op hun allermooist. De vlijtige liezen doen hun naam alleszins eer aan. Het muntkruid heeft zich de afgelopen tijd verdrievoudigd. De olijfboompjes maken het ene na het andere nieuwe zilvergroene blaadje; ik zie zelfs al de minuscule olijfjes zitten. Alles groeit, bloeit en geurt op de meest uitbundige wijze. Geen wonder ook, na dat groeizame weer van veel regen met toch ook wel geregeld wat warmte.

Ik zet een klein laag tafeltje, waar een enorme fuchsiaroze bloemenpracht van petunia’s overheen hangt, pal naast mijn ligbed. Daarop leg ik de vaste en mobiele telefoon (want: geen zin om telkens op te staan als een van die twee krengen mocht overgaan), zonnecrème, zonnebril en een bakje donkerrode, bijna zwarte, kersen. Hmmm. Na het obligate insmeren, zet ik mijn zonnebril op, nip aan mijn koffie en sla de krant open. Aaahhh. Gezellig. Ik lig me nog net niet zichtbaar te verkneukelen. En wát een rust. Ik lees ongestoord, onbekommerd en ongehaast.

Een parmantige mannetjesmerel trekt opeens mijn aandacht door zeer dichtbij een prachtig fluitconcert te beginnen. Voorzichtig kijk ik op van de krant en zie hem zitten op de rand van het dak. Ik moet ervan glimlachen. Hij is ook zo schattig. Hij vliegt even weg om een paar meter verder meteen weer neer te strijken op de schutting. Bij de landing veert zijn staart omhoog zodat hij zijn balans houdt. Oh wat enig!, denk ik. Totdat ik zie dat hij meteen van de gelegenheid gebruik maakt om een fijn merelpoepje te laten vallen, midden op mijn mooie bloeiende hosta’s. Da’s nou ook weer niet de bedoeling! Net zomin als dat hij en zijn gevederde soortgenoten mijn zorgvuldig geveegde terrasstenen weer vol gooien met grond omdat ze in de borders naar wormen of ander eetbaar spul hebben gezocht. Maar ik ben gek op merels dus die kunnen bij mij wel een potje breken.

Na dit ornithologische intermezzo concentreer ik me weer op mijn krant. En op De Zon, want voor het eerst in weken voelt mijn huid weer Haar weldadige warmte. Ik word er ontspannen, loom, ja zelfs lui van. Na een tijdje voel ik mijn ogen dichtvallen. En waarom ook niet? De rest van de krant kan nog even wachten. Ik voel een zalig, zijdezacht briesje over me heen gaan. Ik hoor het tsjilpen van verschillende soorten vogels. Ik ruik af en toe een zweem van de geurende lavendel. Het leven is goed. Het leven is mooi. Het is eindelijk zomer.

Met gesloten ogen ben ik me veel bewuster van de geluiden om me heen. Hoewel het naar normale maatstaven zalig stil is (want geen ruziënde buren, ronkende kettingzagen of knetterende brommers), is er auditief nog meer dan genoeg te beleven in mijn idyllische achtertuin. Heel in de verte hoor ik de motoren van een vliegtuig, een stuk dichterbij de zachte stem van de buurvrouw van twee huizen verderop en vlak boven me het fluisteren van de bladeren die bewegen in de warme wind.

Ik steek een kers in mijn mond. De typische zoete smaak ervan doet me aan vroegere, lange, warme zomers denken. Zo’n zomer waarvan je dacht, die gaat niet meer voorbij (vrij naar Gerard Cox). Sommige dingen veranderen gelukkig nooit. Ik zucht eens diep en hef mijn gezicht op naar de koperen ploert, die hoog aan de hemel staat. Veel beter dan dit wordt het niet.

Ergens ben ik verbaasd over hoe gelukkig ik word van dit simpele buiten-zijn-in-de-zon met iets te lezen, wat vers fruit en een bakkie leut. Maar ergens ook juist niet. Geluk zit immers vaak juist in de eenvoudigste en puurste dingen.

Soms is het letterlijk onder handbereik.

© Pascale Bruinen

Hier kun je toch alleen maar blij, vrolijk en tevreden van worden of niet soms? En dan ook nog in combinatie met een stralende zomerzon, wat wil een mens nog meer?  Wat zijn jullie zomerse herinneringen of geluksmomenten? Deel ze hier met anderen!

De Wraak van de Eenbenige

Het moet wel haast een vloek zijn. Maar wel een vloek die wijdverbreid is. Wát zeg ik? Ik weet zeker dat er geen straat in Nederland is die er níet door wordt getroffen. Dit onverklaarbare fenomeen komt voor in alle lagen van de bevolking; jong en oud, rijk en arm, autochtoon en allochtoon.

Het is iets wat in gaat tegen alle wetten van de logica, van het normale, ja zelfs van de elementaire natuurkunde.

Als het mij de eerste keer gebeurt, denk ik eerst nog dat ik mij vergist moet hebben. Want dit kan toch niet? De tweede keer vind ik het opmerkelijk en begin ik aan mezelf te twijfelen. Een stemmetje fluistert in mijn oor of ik echt zeker weet dat het er eerst twéé waren. Antwoord: ik weet het niet meer want ik ben een beetje de kluts kwijt. De derde keer vraag ik me vertwijfeld af of ik aan een beginnende vorm van Alzheimers lijd en kan ik alleen maar dankbaar zijn dat niemand hiervan getuige is.

Want ik draai de trommel van de wasmachine rond en rond maar niks. Niks te vinden. Vervolgens steek ik mijn hoofd naar binnen om te kijken of er nergens toevallig iets binnenin is blijven plakken. Het enige dat ik daaraan over houd is echter een pijnlijk verdraaide nek. Tenslotte kijk ik zelfs als het toppunt van irrationaliteit áchter de wasmachine, alsof de sok op miraculeuze wijze dankzij de middelpuntvliedende kracht door de trommel heen naar buiten is gekatapulteerd.

Maar ik ben bang dat zelfs professor Higgs hier niet het ontbrekende deeltje van zou kunnen terugvinden, ook al zouden ze bij CERN in Zwitserland de sokken nog zo snel door een ellenlange wasmachine heen jassen.

Mijn logische linker hersenhelft weigert ondertussen deze onwelgevallige uitkomst te accepteren. Uit pure frustratie gooi ik de deur van de wasmachine met een klap dicht.  Maar het mag niet baten. De tweede sok is en blijft verschwunden, gone, desaparecido.

Je weet dat dit eigenlijk niet mogelijk is. Dingen verdwijnen immers niet zomaar. En toch is het een realiteit. En het gebeurt niet één keer, maar zeer geregeld. Om te zien dat dit klopt hoef je alleen maar in je sokkenla te kijken. Daar liggen al die enkelingen moederziel alleen soms al jaren vergeefs te wachten op hun spoorloos verdwenen wederhelften.

Dit gegeven zou in ons meldzieke landje zomaar een reden kunnen zijn om maar meteen “Sorry Socks” op te richten, oftewel een meldpunt waar je zowel de vermissing van die ene sok kunt doorgeven (wel eerst even 48 uur wachten of ‘ie niet vanzelf weer komt opdagen!) als waar je lotgenoten vindt met wie je gezamenlijk kunt treuren om de zielige achterblijvers.

De volgende stappen zijn dan snel gezet. In “Vermist” komt een steeds terugkerend item met trieste filmpjes van snikkende huismoeders die in de huiskamer een altaartje compleet met waxinelichtjes hebben ingericht met daarbij een ingelijste foto van de “Vermiste Sok van de Week”, Derk Bolt reist de hele wereld af om te kunnen aantonen dat het probleem van spoorloze sokken niet ophoudt bij de Nederlandse grens en in Amerika verschijnen de eerste foto’s van vermiste sokken op melkpakken, compleet met vermelding van het nieuwe alarmnummer “dial 911 F*** Where Is My Sock?” (waarbij de sterretjes bij tv- en radiospotjes vervangen worden door bliebjes).

Ondertussen blijft natuurlijk wel de prangende vraag wát er gebeurd kan zijn tussen het moment dat twee sokken in de wastrommel gelegd worden en drie kwartier later, als de wasmachine uitgecentrifugeerd is.

Gelet op het feit dat de wastrommel rondom toch écht dicht is, kan er maar één antwoord mogelijk zijn: het is de Wraak van de Eenbenige. Alleen de Eenbenige heeft immers baat bij het telkens op laffe wijze stelen van slechts één sok van brave burgers. Een soort van draaitrommelcrimineel op sokken. Excuseer, op sok.

In mijn geval moet hij lurken achter de schotten van de zolderkamer, wachtend op dat éne moment dat hij kan toeslaan: als de wasmachine net is aangezet en ik nietsvermoedend de trap af loop. Dan komt hij tevoorschijn van onder de krochten van het dak. Waar hij trouwens, nu ik erover nadenk, niet al te veel quality space zal hebben aangezien hij deze noodgedwongen moet delen met zo’n zeven koffers, twee beautycases (beide nooit gebruikt), een hele reeks sporttassen en rugzakken, een opvouwbaar logeerbed, een rendier (namaak), lampenkappen, karpetten, kerstballen, extra dekens en kussens, schilderijen, souvenirs en stapels ordners.

Als hij zich daar, hompelend op zijn ene been, eindelijk met veel pijn en moeite tussen uit gewurmd heeft – waarvoor hulde! – zet hij het wasprogramma stop, haalt die éne sok van zijn gading eruit (want ja, de tweede heeft hij nu eenmaal niet nodig) en zet de machine weer aan. Klus geklaard zonder dat er zelfs maar water gemorst is.

Zo doolt de Eenbenige in de nachtelijke uren van huis tot huis om daar steeds hetzelfde trucje uit te halen opdat hij nimmer de pijn hoeft te doorstaan van het in de winkel moeten kopen van een páár sokken. En na iedere diefstal weet hij dat zijn slachtoffers zich daarna voor héél even zullen realiseren wat hij al zijn hele eenbenige leven met zich meedraagt.

Het schrijnende gevoel dat het sokkenpaar nooit meer compleet zal worden.

© Pascale Bruinen

Jeetje, je schrikt je helemaal wild als je op internet “enkele sokken” intikt. Ik wist dat het veel voorkwam maar zó vaak? Je struikelt gewoon over de verhalen van mensen die met een hele la of mand vol met enkele sokken zitten. Wat weer de vraag opwerpt waarom die niet gewoon weggegooid worden. Antwoord: we blijven hopen op een happy end. Tegen beter weten in, dat wel. En jullie gaan me toch niet vertellen dat jullie er geen last van hebben, hè?

Italo Idolen (2)

Vanaf het wereldkampioenschap voetbal in 1978 heb ik een zwak voor het Italiaans elftal. Ik verzamel posters, artikelen en plaatjes uit voetbaltijdschriften waarvoor ik met mijn drie vriendinnen de boekhandels plunder. Ik ga in Italië op vakantie. Met behulp van twee woordenboeken en een werkwoordenboekje leer ik mezelf een aardig mondje Italiaans.

Omdat mijn interesse verder reikt dan alleen voetbal, duurt het niet lang voordat de Italo Manie zich vrolijk voortzet in de vorm van het kopen en beluisteren van Italiaanse popmuziek. Ongetwijfeld toen en nu errug fout, maar daarom juist weer leuk.

In die tijd wordt Ti Amo van ene Umberto Tozzi een behoorlijke hit in Nederland. Ik val bij het horen van de eerste paar noten als een blok voor die aparte, sexy stem en stel me onmiddellijk een Italiaanse adonis als eigenaar ervan voor. Want als je gezegend bent met zo’n opwindend vocaal geluid kán het bijna niet anders of je moet een ongelofelijk stuk zijn.

Daarom stokt later, in de platenzaak, mijn adem dan ook in mijn keel als ik met open mond van afgrijzen en verbijstering naar het hoesje staar. Hij is niet alleen geen Italiaanse adonis, hij is ronduit lelijk en heeft rossig haar. Rossig! Ik wist überhaupt niet dat er rossige Italianen bestonden dus ja, die klap moet ik even verwerken. Maar zijn muziek weet deze visuele ontgoocheling gelukkig meer dan voldoende te compenseren.

Voortaan struin ik met mijn drie beste vriendinnen dus ook alle platenzaken af, op zoek naar de nieuwste lp van Ricardo Cocciante, Lucio Battisti of iemand met de welluidende naam van Dario Baldan Bembo. Het mooiste van alles is dat de songteksten meestal op de begeleidende hoes staan, zodat ik die kan ontleden. Want ik weet graag waar ik over meeblèr.

Ik kan wel stellen dat ik zo’n beetje met Umberto Tozzi ben opgegroeid. Mijn hele middelbare schooltijd heb ik zijn platen zowat grijsgedraaid. Er is bijna geen proefwerk dat ik niet geleerd heb met zijn muziek als achtergrond. Met als toppunt van idioterie dat ik zijn lp’s soms dubbel kocht, voor het geval eentje te veel krassen zou oplopen. En die lp’s kregen zelfs, in tegenstelling tot de anderen, een speciale plastic beschermhoes. Hoe gek kun je zijn?

Gedenkwaardig is die keer dat we met zijn allen naar Brussel gaan waar een concert is van diverse Italiaanse artiesten die op dat moment op het toppunt van hun roem zijn. Helaas is Umberto er die avond niet bij. De hele zaal is stampvol en het is er bloedheet.

Het wordt één groot feest der herkenning als de ene na de andere act het podium bestijgt.

Het trio Ricchi e Poveri trapt af. Je weet wel, dat kleine donkerharige vrouwtje dat als een harlekijn over het podium springt en twee mannen. Nou ja, mannen. Eentje heeft net zo’n verwijfde geblondeerde haardos als George Michael voordat deze uit de kast kwam en de ander is een klein onooglijk opdondertje met een wijkende haarlijn en lelijk snorretje. Ze zingen gedrieën over Mama Maria, waarbij de tekstschrijver een onvoorstelbare mate van creativiteit kan worden toegedicht. Want hoe verzin je anders dit literair hoogst ingewikkelde refrein: “Mama má, mama María, ma, mama má, mama Maria, ma, mama má, mama Maria”? Niet dat wij er ook maar een seconde mee zitten.

Dan komt Al Bano, dat bebrilde lulletje rozenwater van middelbare leeftijd die meer op een saaie bankemployé dan op een popster lijkt. Hij vormt een zeer onwaarschijnlijk duo met de veel jongere, prachtige Romina Power, dochter van de beroemde acteur Tyrone met dezelfde achternaam. Ze kwelen zielsgelukkig hun grootste hit Felicità waarbij ze elkaar tot vervelends toe diep in de ogen kijken. Wat weer de vraag opwerpt of Romina zelf eigenlijk niet nodig naar de opticien moet omdat zoveel adoratie voor Al Bano alleen maar kan betekenen dat ze stekeblind is.

Na hun zoetsappige duetje komt Pupo (spreek uit Poepoo) ten tonele, zo’n klein Italiaantje zonder enige uitstraling met een babyface en dito stem. Het is zo iemand die je op straat straal voorbij loopt, nog minder opvallend dan de boy next door. Hij zingt de melodramatische tranentrekker Forse. Natuurlijk een liefdesliedje van dertien in een dozijn dat verhaalt over een liefde die misschien (forse!) wel of misschien niet stand zal houden. Ideaal voor smachtende pubers die zelf ook niet wars zijn van enige hang naar overdreven sentimentaliteit. Zoals, euh, ik.

En naturalmente Toto Cotugno. Die lange, donkere, super fatterige Italiaan met gitzwarte, tot in perfectie gecoiffeerde haren tot ver in zijn nek en met een stem van schuurpapier, vooral bekend van Soli en L’Italiano. Hij vindt zichzelf een eigentijdse casanova en laat dat overduidelijk merken. Hij is volgens mij zó weg van zijn eigen ik dat hij het liefst het hele optreden voor een manshoge spiegel zou doen. Maar hij moet het doen met een uitzinnig publiek.

Uiteraard staan wij bijna vooraan dus kan ik uitstekend zien hoe de zweetdruppels witte vlekken maken in zijn zorgvuldig aangebrachte gezichtsmake-up. Én hoe de zwarte druppels haarverf uit de fraai geföhnde haardos op zijn hagelwitte jasje vallen. Ik had het kunnen weten. Die haren waren altijd al té verdacht zwart om echt te kunnen zijn.

Maar ook deze minieme tegenslag mag de pret niet drukken. We klappen, joelen en galmen met ieder mierzoet liedje luidkeels mee en hebben een super puber avond. In een geluksroes zweven we naar huis.

En als de encores en bis bis kreten allang zijn uitgestorven, echoën de vrolijke, zomerse en aanstekelijke melodieën nog na in onze hoofden.

© Pascale Bruinen

Dankzij onder andere de muziek van Umberto Tozzi heb ik menig gezellig uurtje in mijn kamer bij de pick-up doorgebracht en ook nog Italiaans geleerd. Dus Italo Idolen: grazie mille! 

Italo Idolen (1)

Het Italiaans elftal is weer hot. Na jaren van dat stomvervelende catenaccio en uitblijvende successen heeft het land van de laars op het EK van Polen en Oekraïne weer eens goed van zich doen spreken met fris, aanvallend en creatief voetbal. Alles wat wij, euh, niet hadden.

Maar de Italiaanse koppies die de zwenkende camera tijdens het fanatiek meegezongen volkslied in beeld brengt, zijn on-Italiaans gewoon. Niet knap. Niet echt uitgesproken (balorige Balotelli daargelaten). Op de een of andere wijze niet Italiááns. Het zou bij wijze van spreken je onopvallende buurjongen kunnen zijn.

Dat was eind jaren zeventig van de vorige eeuw wel even anders. Ik ben een voetbalfanaat en volg het Nederlands elftal op de voet. Maar van wie ik pas echt gecharmeerd ben, zijn de voetballers van La Squadra Azzurra. En omdat daarin heel wat spelers van Juventus vertegenwoordigd zijn, mag ook die club zich in mijn toenemende bakvis-belangstelling verheugen.

En dat komt niet zozeer door hun voetbalprestaties (die zeer behoorlijk zijn) als wel door de aardige bijkomstigheid dat een aantal van die heren in mijn puberogen een bepaalde mate van woeste aantrekkelijkheid bezitten. Mooie lijven in – toen nog – korte voetbalbroekjes en strakke hemelsblauwe truitjes die als gegoten zitten. Tja, het oog wil nu eenmaal ook wat.

Ik memoreer een Antonio Cabrini, niet voor niets ook wel Bell’ Antonio genoemd. Of een Marco Tardelli, ook niet echt lelijk. Of de onvergetelijke goalgetter Paolo Rossi met zijn guitige Pietje Bell uitstraling.

De degelijke Dino Zoff, de trotse Romein Claudio (what’s in a name?) Gentile of de markante kop van Gaetano Scirea (helaas veel te vroeg overleden bij een auto-ongeluk in 1989). Stuk voor stuk interessant om naar te kijken. Over die lelijke Franco Causio (compleet met Magnum, P.I. – snor) wil ik het dan maar niet hebben.

Mijn persoonlijke favoriet is echter Roberto Bettega. Die grijsharige (ja, toen al!), lange Italiaan die fantastisch kan koppen. Vandaar zijn bijnaam: testa d’oro. Gouden hoofd. Gelet op zijn haarkleur hadden ze hem beter testa d’argento (zilveren hoofd) kunnen noemen, maar alla. Hij is niet echt knap in de klassieke zin van het woord, maar heeft iets heel aparts en authentieks.

Op 21 juni 1978 bevind ik me in tweestrijd als mijn helden in de tweede ronde van het wereldkampioenschap voetbal in Buenos Aires uitgerekend moeten aantreden tegen het Nederlands elftal. Door die onvergetelijke pegel van Arie Haan wordt Italië veroordeeld tot een uiteindelijk vierde plaats en gaan wij de later zo smartelijk verloren finale in. Ik ben blij voor Nederland, maar mijn jonge meisjeshart huilt stiekem voor Italië. Maar bovenal voor Roberto.

Mijn vriendinnen M., N. en R. zijn inmiddels ook met het Italië-virus besmet geraakt. Het gaat op een gegeven moment zelfs zo ver, dat we van onze gespaarde zakcenten heuse witte sportbroeken, azuurblauwe voetbalshirts- en kousen én echte voetbalschoenen kopen en ieder vrij moment buiten een balletje gaan trappen.

En al zeg ik het zelf: we spelen niet onverdienstelijk. Een-tweetjes, met binnen- of buitenkant voet schieten, ja zelfs koppen doen we goed. Met zo’n zware leren bal. Soms mogen we met de jongens meedoen en worden we zowaar aangespeeld. Een teken van respect. Wij zijn, zonder het te weten, onze tijd ver vooruit.

Dus in de fase dat mijn puber-leeftijdsgenoten allemaal posters hebben van pop- en filmsterren, is mijn kamertje van boven tot beneden behangen met voetbalposters.

Mijn vriendinnen zijn plotseling ook keiharde concurrenten als we met zijn vieren die ene kiosk plunderen, op zoek naar die paar Italiaanse voetbaltijdschriften die nogal verloren tussen de rest van de sportbladen liggen. Naarmate we dichterbij komen, versnellen we onze pas en onderdrukken de neiging om echt te gaan rennen. Ieder van ons hoopt vurig het eerst bij het rek te zijn, want de ongeschreven regel is: wie het eerst komt, mag hem kopen.

Maar oh! Het gevoel van pure triomf als je dan het boekje te pakken hebt en er blijkt weer een echte poster in te zitten! Ik kom nog net niet zwevend van geluk naar buiten, het felbegeerde tijdschrift als een trofee veilig opgeborgen in een plastic zak. En de voorpret als ik bedenk waar ik deze nu weer eens kan gaan ophangen.

Natuurlijk wil ik ook heel graag begrijpen wat er zoal over mijn idolen geschreven wordt. Reden waarom ik zelfs zo ver ga dat ik een Italiaans-Nederlands woordenboek (en vice versa) aanschaf, samen met een eenvoudig boekje over de meest voorkomende Italiaanse werkwoorden en hoe je die moet vervoegen. Ik heb ze, beduimeld, vol met ezelsoren en eentje inmiddels zonder kaft, nog steeds.

Zo word ik autodidact en begin ik langzaam maar zeker de zinnen te ontcijferen.

Wat een kick!

Dat smaakt naar meer.

© Pascale Bruinen

En hier zijn ze dan. Ik moet toegeven dat ik ze nu wel een stuk minder interessant vind uitzien dan toen, maar dat zal wel aan de leeftijd liggen. Bettega staat op de bovenste rij, tweede van rechts. Het is de tijd dat ze nog allemaal normale voetbalschoenen dragen, niet van die verwijfde roze of gele exemplaren. Zoveel jaren later roept deze foto nog steeds zoete herinneringen op aan mijn heerlijk onbezorgde jeugd. En aan eindeloze gesprekken en giechelbuien met mijn vriendinnen. Jullie zullen ongetwijfeld zelf ook dierbare momenten hebben gekend dankzij de idolen die jullie aanbaden in lang vervlogen tijden. Laat het ons weten door een reactie achter te laten!

Foto: Brabants Dagblad.

Reis door mijn kledingkast in drie dagen

Als het voorjaar nadert, vrees ik het moment waarop ik mijn kledingkasten moet gaan tackelen. Ja, kast in meervoud. In een heuse kastenkamer. Hoezo? Omdat ik een nogal, euh, uitgebreide garderobe heb. Die dus niet helemaal in mijn deel van de kasten past. Bovendien slorpt de kleding van H. ook nog een aanzienlijk deel op. Vandaar dat mijn zomerkleren ’s winters verhuizen naar de zolder en andersom.

En het blijft niet bij gewone kleren zoals broeken, rokken, jurken en truien alleen. Wat te denken van schoenen, laarzen en tassen. Sjaal(tje)s, handschoenen en jassen. Mutsen, bikini’s en pareo’s. Om maar te zwijgen van de beenwarmers, maillots en leggings. Allemaal wachtend om omgeruild te worden. Dit kan niet in een verloren uurtje. Nee, hier is een heus driedaags event voor nodig.

Planning driedaags event:

Ik hou van een strakke planning. Toevallig ben ik daar ook nog heel goed in, dus die is zo gemaakt (zie beneden).

Planning Dag 1:

Ik begin met alle zomerkleren van zolder te halen. Die leg en hang ik vervolgens tijdelijk netjes op een andere plek bij elkaar in afwachting van de ruimte die in mijn kasten moet komen doordat ik alle winterkleren eruit haal.

Gelet op de schier eindeloze hoeveelheden kledingstukken dunkt mij dat dit al een dagvullende aangelegenheid is.

Planning Dag 2:

Keurig volgens schema zijn alle winterkleren er nu uit. Alles is in nette stapels afgevoerd naar de zolder, waar ik ze in de vrijgekomen dozen en kasten leg en hang. Vandaag is het verder alleen nog een kwestie van wat planken afsoppen en even de zomerkleren inruimen.

Planning Dag 3: 

Vandaag is laarzen/schoenen/accessoires dag. Dat wordt een eitje. Ik hoef alleen maar mijn laarzen om te ruilen met de zomerschoenen, een paar tassen en maillots om te wisselen en voilà, de missie is volbracht. Zuchtend van voldoening en nog steeds fris en fruitig bekijk ik het optimale resultaat. Ik ga een heel seizoen lang genieten van fijne, op kleur gerangschikte zomerkleren- en schoenen. Wat een feest!

Omdat de temperaturen stijgen moet ik sneller dan verwacht echt aan de bak. Ik werp een snelle blik op mijn planning en besluit dat ik morgen zal beginnen.

Dag 1.

Omdat ik alleen al bij de gedachte aan het werk dat me te wachten staat doodmoe word, breng ik dag 1 uiteindelijk door met louter dénken over de kledingmigratie. Niet echt conform mijn strakke planning, maar ik troost me met de gedachte dat er morgen weer een dag is en ga tijdens het denkwerk ook nog wat leuks doen. Ik ben per slot van rekening een vrouw en die kan minstens twee dingen tegelijk.

Dag 2.

Hoewel ik nog lang niet uitgedacht ben, moet ik vandaag toch echt een begin maken. Om moed te verzamelen adem ik eerst tien maal diep in door de neus en uit door de mond. Ik voel dat ik rustiger word. Dat geeft me de kracht om de kamer op te gaan. Ik kom zelfs zo ver dat ik één kastdeur echt opentrek. Bij het zien van al dat moois en vooral héél vééls op hangers, legplanken en bodemplaten, heb ik acuut een hartslag van 200. Om te voorkomen dat ik ter plekke bezwijk aan een hartaanval waardoor ik mijn strakke planning zéker niet meer zou halen, verlaat ik met gezwinde pas de kamer en smijt de deur dicht. Ik maak een mentale aantekening dat ik toch echt zelf de baas ben over mijn driedaags event en dat ik dus gerust zelf de regels mag veranderen. Nou, bij deze. Vandaag gaat het niet door.

Dag 3.

Oh oh. Ik word wakker met de onheilspellende gedachte dat ik zowel dag 1 als dag 2 zwaar verkloot heb. Niks heb ik nog gedaan volgens mijn strakke planning. Met als gevolg dat alle coltruien, kabeltruien, dikke vesten, wollen jurkjes, maillots, superwarme sjaals, winterjassen, handschoenen, nep bontmutsen- en kragen, gevoerde rokjes, colbertjes, body- en beenwarmers, laarzen, moonboots en dikke schoenen nog onaangeroerd op hun plek liggen, hangen en staan.

Werk aan de winkel! Ik veer om 6.30 u uit bed en besluit dat ik vandaag gewoon alles tegelijk aanpak. Het moet mogelijk zijn om drie dagen werk op één dag te doen. Ik begin met de stapels truien en hangers met jurken in een rotvaart uit de kasten te trekken. In no time ziet de kamer er uit als een slagveld. Omdat ik overwhelmed ben door de hoeveelheden weet ik niet waar ik ermee naar toe moet. Ik besluit ze lukraak her en der op de grond van de kastenkamer te dumpen. Al snel is één vloer niet meer genoeg en annexeer ik noodgedwongen ook nog de hele overloop en een deel van de trap. Even later ligt er een tapijt van allemaal losse kledingstukken omdat de nette stapels één voor één zijn omgevallen. Bijgevolg moet ik de gekste capriolen uithalen om nog überhaupt van A naar B te kunnen lopen en breek dus geregeld bijna mijn nek als ik in het koord van een of andere jas of het hengsel van een tas blijf haken.

Als ik zo ongeveer de vijftiende keer, inmiddels hijgend als een opgefokte telefoonstalker, de zoldertrap oploop met mijn armen vol met kledingstukken vraagt een benepen stemmetje in mij zich af of ik niet wel érg veel spullen heb. Té veel. Is dit eigenlijk nog wel normaal? Ben ik koopziek? Gek? Een combinatie van beide?

Welnee, sust mijn geweten onmiddellijk, je bent hartstikke normaal. Je bent toch een vrouw en die heeft gewoon récht op voldoende, gevarieerde en trendy kleding. Sterker nog, dit zou een onvervreemdbaar grondrecht moeten zijn. En je houdt gewoon van afwisseling. Bovendien ben je heel zuinig op je spullen en zijn er genoeg kledingstukken bij die je al járen hebt.

Ik kalmeer wat want, ja, dat is allemaal wáár! Gerustgesteld ruim ik de ravage die zich inmiddels ook tot aan de zolder heeft uitgebreid verder op. Hè hè, er begint licht te komen aan het einde van de tunnel.

Als ik uiteindelijk, het is inmiddels al een uur of 15.30 u, terugkeer op de kastenkamer is de Grote Omwisseling gereed. Althans wat kleren betreft dan. Hoewel ik nu al de uitputting nabij ben moet ik meteen door met de afdeling schoeisel. Alle Uggs, laklaarzen, leren laarzen, suède laarzen, laarzen met bontranden, moonboots en dikke schoenen moeten weg. In plaats daarvan komen dan de muiltjes, bootschoenen, schoenen met sleehakken, ballerina’s, peeptoes, slingbacks, sneakers en slippers.  Voorwaar een klus van formaat want alles aan zomerschoenen moet eerst uit de diverse dozen om vervolgens alle laarzen erin te stoppen. En dan ook nog liefst zodanig dat ik de deuren van de zolderkasten ook nog dicht krijg.

Het is al ruim na zessen als ik de laatste slipper neerzet op de daarvoor bestemde plaats. Ik realiseer me dat ik nog niks heb gegeten. Ik ben nu niet alleen kapot maar ook uitgehongerd. Alle spieren in mijn lichaam doen pijn van het vele bukken en in de meest onhandige standjes trekken aan en schuiven met dozen onder een schuin zolderdak. Ik heb er inmiddels ook nog een bult op mijn hoofd bij gekregen omdat ik me keihard tegen zo’n rotte balk heb gestoten op het moment dat ik de negende winterjas netjes weg wilde leggen.

Tegen de tijd dat ook de tassen, bikini’s en badpakken op hun plek liggen en ik als slotstuk van deze bovenmenselijke inspanning overal waar ik huisgehouden heb ook nog eens gestofzuigd heb, is het aardedonker buiten en kom ik niet meer vooruit. Even ben ik bang dat ik gedwongen zal zijn om de nacht met stofzuiger en al op de trap door te brengen. Met de laatste krachten die ik in mij heb, sleep ik me de resterende traptreden naar boven en zet de zuiger weg.

Ik ben zo doodop dat ik niet eens kan genieten van het fantastische resultaat. Maar het is af. Binnen drie dagen. Wát zeg ik? Binnen één dag.

Wat een mission impossible leek is toch nog een mission accomplished geworden. Het grote aftellen tot de volgende keer, maar dan in omgekeerde volgorde, is al begonnen. Nog maar 180 dagen, drie uur en zeventien minuten. Ik kan niet wachten.

© Pascale Bruinen

Hè, hè, het is achter de rug en dat is wat telt. Ik mag er nu een half jaartje van gaan genieten!

Glamp Vamp

Wil je wel graag kamperen maar niet op een plek zo groot als een postzegel in zo’n aftandse caravan of bungalowtent? Lees dan verder want de redding is nabij. De nieuwste trend is glamping. Oftewel glamourous kamperen. Zo heb je “the best of both worlds”. Er is zelfs een heus tijdschrift aan gewijd. “Glamping Magazine”, de nieuwe ANWB kampeerglossy.
Glamping is hot. Dankzij glamping zal zelfs de meest verstokte anti-kampeeractivist nooit meer in een vijfsterrenhotel willen. Zoek de verschillen in onderstaand vergelijkend onderzoek:

Camping (1)
Bij het door de modder op de plek duwen van je sleurhut ga je door je rug.

Glamping
Jij hoeft alleen maar de deur van je superdeluxe chalet te
openen met een vergulde sleutel

Camping (2)
Bij je zoveelste poging om die stomme haringen in de knoerharde rotsgrond te slaan, hamer je vol op je duim.

Glamping
Jij zit al op je loungebank aan de rosé en geniet van je immens grote terras mét vuurkorf.

Camping (3)
Omdat jij alleen nog een plekje in de volle zon kon bemachtigen, drijf je ’s morgens om 7 uur al je sheltertje uit.

Glamping
Jij staat natuurlijk met je airconditioned villa op wielen in de koele schaduw van een prachtige cipres.

Camping (4)
Je moet nodig midden in de nacht naar de WC en verzwikt je enkel op dat aardedonkere weggetje.

Glamping
Je gaat in alle rust op je comfy toilet mét ingebouwde luchtverfrisser.

Camping (5)
Na de lunch begint al die paella op te spelen. Je pakt een rol wc-papier en gaat op weg. Ondertussen bedenk je dat je evengoed een bord om kunt hangen met de tekst: “Ik ga nu poepen” in drie talen.

Glamping
Je gaat weer in alle rust op je comfy toilet mét ingebouwde luchtverfrisser.

Camping (6)
Die gezellige barbecue is achter de rug. Nu alle vette troep nog effe afwassen. Na een halve kilometer sjouwen met teiltje, borstel, afwasmiddel en vieze vaat kom je eindelijk aan bij de wasplek, alleen maar om te ontdekken dat er enkel ijskoud water is. |

Glamping
Die gezellige barbecue is achter de rug. Ontspannen
nagenietend stop je glimlachend het hele zwikje in
je state of the art afwasmachine. Hè hè, nu lekker
zitten met dat fijne boek.

Camping (7)
Er barst een hevig noodweer los. Jij, je man en zelfs je twee kleuters moeten met al hun kracht aan de tentstokken hangen om het vege lijf te redden.

Glamping
Er barst een hevig noodweer los. Jullie kijken elkaar aan in de zalige beschutting van je ruime slaapkamer en zeggen zuchtend: “Wat romántisch”!

Camping (8)
Het is bedtijd. Je bent kapot en wilt niks liever dan slapen in je tweedehands caravan en wel meteen. Alleen zo jammer dat je eerst nog pakweg drie kwartier aan de slag moet om: de tafel – tevens het bed – leeg te maken, dat rot ding in te klappen, je hand tien minuten onder koud stromend water te houden nadat die klem is komen te zitten onder de tafel, de korte poot (die dient om het bed stevigheid te geven) overal te zoeken omdat die weer eens kwijt is, het bed met die ppot vast te zetten, te puzzelen totdat alle kussens zo liggen dat het lijkt op een matras en het hele zooitje vervolgens ook nog te gaan opmaken. En dat allemaal in de wetenschap dat je morgenvroeg deze hele reutemeteut opnieuw mag doen maar dan in omgekeerde volgorde. Nog maar dertien nachten te gaan.

Glamping.
Het is bedtijd. Je slaat vergenoegd je lakens van zwaar Egyptisch katoen open en nestelt je in je trendy boxspring.

Camping (9)
Het is bedtijd. Jullie hebben wel zin in een lucky night. In je eitje dat in de showroom nog “ruime gezinscaravan” werd genoemd liggen je voeten echter halverwege het kinderbed. Hoezo privacy?

Glamping
Het is bedtijd. Jullie hebben wel zin in een lucky night. De koters liggen ver weg in hun separate kindervleugel.
Jullie kijken elkaar schalks aan en verbeteren moeiteloos jullie jaargemiddelde in één lange hete nacht.

Camping (10)
Het is ochtend. Dankzij de niet ergonomisch verantwoorde spaanplaatbodem van je tafelbed word je wakker met het gevoel alsof je door een vrachtwagen bent overreden. Daarbij heb je over je hele lichaam vreselijke jeuk. Één blik
in de spiegel bevestigt dat de plaatselijke muggenkolonie zich de afgelopen nacht vol heeft gezogen met jouw
bloed, zodat je er nu uitziet alsof je een besmettelijke ziekte hebt.

Glamping
Het is ochtend. Je rekt je uit en hebt je nog nooit zo fit en uitgerust gevoeld. Dankzij de horren ziet jouw huidje er
nog even mooi en ongeschonden uit als toen je ging slapen.

Conclusie: na twee weken ontberingen op de camping lijk je nog het meest op een uitgewrongen dweil, terwijl na veertien dagen glamping zelfs de meest gestreste Ma Flodder is gemetamorfoseerd in een toonbeeld van mooie, fitte en relaxte verleidelijkheid.

Kortom, de conclusie moge duidelijk zijn.

Lang leve de Glamp Vamp!

© Pascale Bruinen

glamping2De überverwende vakantiesnobbisten onder ons kunnen hun hartjes ophalen als ze lekker luxe gaan loungen in de vrije natuur. Tot welke categorie behoor jij? Spreekt jou dit plaatje wel aan of slaap jij voor het echte werk toch liever op je leeggelopen luchtbed? Laat hier een reactie achter.

Retro-tutten met Tupperware

Wie kent ze niet, die pastelkleurige duizend-en-een-dingen doosjes van vroeger, gemaakt van dat fijne, speciale plastic dat altijd een beetje meeveert en zo lekker buigzaam is? Die niet kapot te krijgen o zo handige kommen, vleesdozen, wasemmertjes en opbergboxen? En het beste van alles: die perfect passende deksels waardoor alles ook echt vers blijft en er niks uitloopt? Juist ja, Tupperware is de naam.

Oh, ik heb het wel geprobeerd. Ander goedkoper merk gekocht met het idee dat het “toch allemaal wel hetzelfde is”. Not so. Goed voorbeeld zijn de lunchdoosjes en drinkbekers die ik destijds voor mijn kleuters heb gekocht. In een paar maanden tijd hadden ze maar liefst drie sets versleten. Eén keer de schooltas op de grond gooien en het doosje bleek gescheurd. En nog erger: de dekseltjes van de bekers sloten nooit lekdicht af waardoor de melk telkens in hun rugzakjes liep. Ieuww! Toen vond ik het welletjes en heb ik op een heuse Tupperware party voor allebei een lunchbox en afsluitbare beker gekocht.

Jaar na jaar van trouwe dienst voor mijn opgroeiende kids hebben ze met glans doorstaan. En dat waren tropenjaren, mag ik wel stellen. Die doosjes en bekers hebben alles meegemaakt, van basisschool tot in de brugklas. Niet dat ze toen kapot gingen, ben je gek. Nee, het was gewoon niet langer “vet” of “chill” om de boterhammen nog in zo’n “stom” doosje te stoppen. Dus nemen mijn man en ik ze nu maar dagelijks mee naar het werk. Als levend voorbeeld van omgekeerd doorgeven van generatie op generatie.

Tupperware. Een instituut. Vaste prik in de keukenkastjes van onze moeders en oma’s, die er vaak tot en met de dag van vandaag nog gebruik van maken. Zo zweert de moeder van een goede vriendin na dik vijfendertig jaar (!) nog steeds bij haar zelfde wonderemmertje. Want, zo zegt zij stellig, zelfs de vieste vlekken verdwijnen als bij toverslag zodra het vuile kledingstuk enige tijd in het speciale plastic emmertje heeft doorgebracht. Een collega van mijn man heeft zijn twee boterhamdoosjes zelfs non-stop in gebruik sinds 1975, als een tijdloos baken van stabiliteit en houvast in deze roerige tijden van verandering. Een vleugje nostalgie.

Het ijzersterke merk, in 1944 begonnen in de Verenigde Staten, heeft de tand des tijds met vlag en wimpel doorstaan. De plasticfabrikant zit ook vandaag de dag nog rotsvast in het zadel en viert dit jaar in Nederland zelfs het 50-jarig jubileum. En wat je waarschijnlijk net als ik niet wist, is dat Tupperware in de loop der jaren diverse designprijzen heeft gewonnen en zelfs te bewonderen valt in belangrijke musea, waaronder het Metropolitan Museum of Art in New York.

Was het vroeger vooral een toonbeeld van degelijke en duurzame kwaliteit, anno 2012 is het ook nog hartstikke trendy geworden. Wat te denken van CheeSmart, Click N Shake of een Micropop?Of misschien toch liever een Sporty, Quickshaker of een Snack Pack? Tupperware blijft zichzelf voortdurend opnieuw uitvinden maar zonder daarbij concessies te doen aan die kenmerken die het merk gemaakt hebben tot wat het is.

Ook de bekende Tupperware parties en de nieuwe Tupperware Kookstudio passen helemaal in het “retro-tutten”. De nieuwe trend van huiselijkheid en gezelligheid, van lekker samen fröbelen. Die zie je momenteel overal terug maar dan zonder het oubollige imago dat daar vroeger nog wel eens aan kleefde.

Denk daarbij anno 2012 bijvoorbeeld maar aan de doorstart van breien als hobby, vergeten groenten telen of de workshops waar je rijkelijk versierde cupcakes leert maken. Het grote verschil met vroeger is dat nu ook hoog opgeleide vrouwen en zelfs mannen deze bezigheden met graagte inpassen in hun überdrukke schema’s en daaraan naar het schijnt een soort van therapeutisch welbevinden ontlenen. Het zou hetzelfde effect hebben als mediteren maar dan zonder de “uuuhhhhmmmmmmmm” klanken eindeloos te moeten uitstoten. Mediteren light, zeg maar. Minimale inspanning, maximaal effect.

Na al deze nieuw verworven inzichten kijk ik ineens heel anders aan tegen mijn onverwoestbare plastic kaasstolp, sapkan en magnetronbakje. En als ik in de nabije toekomst mijn stressniveau voel oplopen tot ongekende hoogten weet ik wat me doen staat. Dan meld ik me meteen aan voor de eerste de beste Tupperware party waarna ik dankzij een megaportie zien-kopen-doet-kopen endorfines de hele wereld weer aankan.

© Pascale Bruinen

En wie van jullie heeft ze ook in de kast staan, misschien zelfs ook al járen….??? Vermeld sinds wanneer jij hetzelfde Tupperware-doosje gebruikt en dan kijken we eens wie de absolute recordhoud(st)er is. Laat het me weten!

Weggoois(ch)e Vrouwen

De alom aanwezige crisis heeft ook positieve bijwerkingen. Door het chronische geldgebrek bij de gemeentelijke overheden worden alle voorzieningen op een laag pitje gezet. Hoogste tijd om dus zelf in actie te komen, indachtig het steeds vaker uitgedragen principe van de zelfredzaamheid. Of, om het met de historische woorden van John F. Kennedy te zeggen: vraag niet wat uw gemeente voor u kan doen, maar wat u voor uw gemeente kunt doen.

Het antwoord op deze retorische vraag dringt zich al meteen op als ik een voet buiten de deur zet. Al joggend en fietsend door onze mooie landelijke wijk valt mijn blik steeds vaker op chipszakken, plastic flessen en zakdoekjes. Schijnbaar achteloos weggeworpen in de berm of  – waarom ook niet? – gewoon midden op het prachtige speelveldje. Als puisten op een wondermooi gezicht. Ze springen in het oog, of je het wilt of niet.

Met ieder hardlooprondje en ritje op mijn stalen ros groeit mijn irritatie. De hele route is vol met de tastbare uitwassen van onze op hol geslagen consumptie-maatschappij. Het wordt niet minder, alleen maar meer. De verhuftering van de samenleving op micro-niveau.

Gesterkt door het Chinese spreekwoord dat zelfs de langste reis begint met de eerste stap besluit ik – inmiddels tot het uiterste getergd – het heft zelf maar in handen te nemen. Of liever de vuilniszak. En gewapend met een paar stevige handschoenen trek ik er op uit. Het idee erachter is verbluffend in zijn eenvoud. Ik wandel toch al vaker door de buurt, dan is het een kleine moeite om de rotzooi van anderen gewoon op te rapen.

De eerste keer dat ik er zo op uit ga ben ik nog optimistisch gestemd. Ik denk dat ik aan een normale plastic zak wel voldoende heb, ik woon toch in een nette wijk? Niets blijkt minder waar. Ja, het is een van de beste woonwijken maar nee, net zou ik het niet willen noemen. Wij zijn een vies volkje. In een mum van tijd is mijn plastic zak overvol met blikjes, glazen flesjes, snoeppapiertjes, sigarettendoosjes, stukken plastic, McDonalds bakjes en kartonnen drinkpakken (de anderhalve liter variant). Ik ben verbijsterd want ik ben pas op een derde van één lange straat. Snel begeef ik me naar het milieuperron waar ik de zooi op verantwoorde wijze gescheiden in de daarvoor bestemde bakken dump.

Ik trek nogal de aandacht. Een fietser kijkt om als hij me tussen de struiken plastic frietbakjes ziet plukken. Er zijn automobilisten die remmen als ze mij met gehandschoende handen zien zeulen met een zware vuilniszak. Zelfs kinderen staren me aan. Maar ik ga onverstoorbaar door.

Mensen die ik tegenkom reageren uiterst positief. Een jong koppel met kindertjes prijst mijn onbezoldigde arbeid en zegt dat ze dit zelf ook moeten gaan doen in hun wijk. Een mevrouw die ik tref bij het milieupark schrikt zichtbaar van de hoeveelheid afval die ik op een kort stukje heb ingezameld en zegt dat mijn voorbeeld navolging verdient.

Dat vind ik zelf eigenlijk ook en dus besluit ik op de eerste de beste meidenavond mijn “pick ’n walk” principe te delen met mijn vriendinnen. Nadat ze bekomen zijn van hun eerste verbazing vinden ze het een geweldig idee en besluiten ook mee te gaan doen.

En dus trekken we, inmiddels vier man sterk (nou ja: drie vrouwen en een puber van 12), op een herfstige zondagochtend om 9.00 u de wijk in en rapen ons in anderhalf uur helemaal suf. Bij het aantreffen van een midden op een veldje weggegooide megafles champagne vraagt onze adolescent zich hardop af waarom iemand dat doet. Goeie vraag, te meer nu de vuilnisbak op nog geen tien meter afstand staat.

Moe maar voldaan gooien we de laatste rotzooi in de bakken. Volgende week weer? Jazeker. Het zaadje is geplant. Mijn vriendin heeft inmiddels ook een mooie naam voor ons meiden bedacht: Weggoois(ch)e Vrouwen. Het zou zomaar de nieuwste real life soap kunnen zijn.

© Pascale Bruinen

Het is zo’n simpele maar effectieve methode! Bovendien is het leuk, goed voor de gemeenschapszin, het kost niks en het is nog gezond ook (lekker buiten bewegen). Inmiddels heeft de gemeente zelfs prikstokken, handschoenen en vuilniszakken geleverd en is er ook een Weggoois(ch)e Man bij gekomen, die met zijn kindertjes meedoet.

Heb jij ook plannen voor een leuk burgerinitiatief? Laat het me weten en reageer!

Vrije dag

De race tegen de klok is begonnen. Het is mijn vrije dag.

Ik ben het prototype van een duizendpoot. Schijnbaar moeiteloos combineer ik de lange werkdagen en bijbehorende stress met de huishoudelijke, relationele en opvoedkundige beslommeringen.

Op de dagen dat ik zogenaamd vrij heb werk ik nog langer en harder dan op mijn reguliere werkdagen. En dat terwijl ik telkens van plan ben eens te relaxen en onder het genot van een kop thee een flink stuk te gaan lezen in dat mooie, dikke boek. Per slot van rekening heb ik vrij. Toch?

In werkelijkheid raas ik zo’n dag aan één stuk door. Wat ik dan zoal doe? Heb je even?

Om 6.30 uur opstaan, bed opmaken, wassen, kammen, make-uppen, aankleden, half uur hardlopen, krant uit brievenbus halen (geen tijd om te lezen), planten water geven, alle vuilnisbakken legen, afwasmachine leegruimen (verdorie, was die nu al weer schoon?), fornuis schoonboenen, eten, brood alvast uit diepvries leggen, rotzooi opruimen die ik her en der tegenkom, alles afstoffen, afsoppen en weer afdrogen, chloor in twee wc’s donderen, badkamer afsponzen, twee trappen en alle kamers stofzuigen (behalve die van de kids, die moeten ze zelf doen. Yeah right!), dweilen, rekeningen betalen, mails beantwoorden, sms-berichten terugsturen, papieren in juiste klappers stoppen, Oprah toch maar weer opnemen, even naar de supermarkt, spullen thuis weer uitladen, formulieren van schoolreisje invullen, Duitse grammatica doornemen met zoon, alvast beginnen met koken en tussendoor nog voor- en achtertuin schoffelen en aanvegen.

En dit alles prop ik vóór een uur of vijf ’s middags als mijn man thuiskomt. Niet omdat ik bang ben dat hij boos wordt omdat ik niet alles op tijd af zou hebben, welnee! Ik ben juist bang dat hij merkt dat ik wéér niks voor mezelf gedaan heb. Vandaar dat ik vlak voor 17.00 uur, als ik een paar minuten eerder (ja, met dat dikke boek!) op de bank ben geploft, uit alle macht de schijn probeer op te houden dat ik daar al úren heb doorgebracht. Helaas hoeft hij maar één onderzoekende blik op mijn uitgeputte gezicht te werpen om de naakte waarheid meteen te doorgronden. “Het is weer zover want je zit net, is het niet?” Het valt niet te ontkennen want ik kom bijna niet meer op.

Kun je je dan voorstellen dat ik werkelijk niet wist wat ik hoorde toen mijn dochter zich onlangs beklaagde over het corvee-regime. “Wij moeten de tafel dekken en afruimen en onze eigen kamers poetsen. En wat doe jíj dan eigenlijk nog?”

© Pascale Bruinen

Wie ervaart zijn (spaarzame) vrije dag(en) op dezelfde manier? Laat wat van je horen via een reactie op deze column!

Tv-polygamist

Ik biecht het meteen op. Ik heb een liefdesverhouding met verschillende televisieprogramma’s.

Echte trouwe liefde is er tussen mij en het acht uur journaal én Louis Theroux, nieuwsprogramma’s en onthullende documentaires. Ik ben opgegroeid in een gezin waar steevast naar alle actualiteitenprogramma’s werd gekeken. Achter het nieuws, Brandpunt, Hier & Nu, Tros Aktua. Als een spons absorbeerde ik alles van nieuws dat uit het magische kastje tot mij kwam, als ware het een soort van evangelie. Het is nooit meer over gegaan.

In vroeger tijden heb ik een kortdurende maar hevige kalverliefde voor de serie Floris. Of is het toch meer voor Rutger Hauer? Wat later heb ik flings  met Pippi Langkous, Black Beauty en het überspannende Q&Q.  De hand van die dooie die uit dat bladerdek omhoog steekt, heeft zich nog járen gemanifesteerd in menige nachtmerrie. Daarna komen LA Law en Ally Macbeal. Ik studeer rechten, vandaar. Vervolgens word ik verliefd ik op ER en Friends. Maar voor een polygame tv-kijker is dat natuurlijk geen probleem.

In een nieuwe periode vind ik het geluk bij Sex and the City, gevolgd door CSI. Eerst de oorspronkelijke Las Vegas-versie en daarna met name CSI Miami. De overduidelijke gele filter die gebruikt wordt voor al het camerawerk in laatstgenoemde serie maakt dat ieder shot altijd zonnig en gezellig uitziet, niettegenstaande de ene gruwelijke lijkvinding na de andere. Ik verheug me altijd het meest op het moment dat de sexy en immer in designkleding gestoken lijkschouwster ter plaatse komt en met open decolleté boven de onfortuinlijke dode hangt, onderwijl diens met bloed besmeurde haren teder strelend. Fantastisch! Veel verder van de werkelijkheid van het werk van de doorsnee patholoog-anatoom kun je immers niet komen. Het blijft smullen geblazen.

Ook voel ik me als een magneet aangetrokken tot de uitzending waarin de eerste zwarte president van de Verenigde Staten wordt beëdigd. Ik moet en zal er live getuige van zijn. Om er maar geen minuut van te hoeven missen, vertrek ik die dag zelfs eerder van het werk zodat ik de hele ceremonie kan zien. Zo word ik zelf ook een klein beetje deel van deze historische gebeurtenis.

Met de complete serie “Life” van de BBC is het liefde op het eerste gezicht. Onwaarschijnlijk mooie beelden van dieren waarvan ik het bestaan niet eens vermoed. Ontzagwekkende natuur waardoor je je pijnlijk bewust wordt van je menselijke nietigheid. Het camerawerk in slow motion is van ongeëvenaarde schoonheid. Puur genot. Al is het wel jammer dat de waardige opvolger, Frozen Earth, dit idyllische plaatje van ongerepte natuur een ietsie pietsie verstoord heeft. In plaats van beelden van de geboorte van twee ijsbeerjongen in barre omstandigheden op de Noordpool te filmen, hebben ze gemakshalve het filmpje van Ouwehands Dierenpark gebruikt en dit op slinkse en vernuftige wijze tussen de rest van de beelden gemonteerd.  Waarna mijn liefde toch wel enigszins bekoeld is omdat ik me nu telkens blijf afvragen hoe authentiek de rest nog wel is.

Maar ik kijk niet alleen dit soort politiek correcte programma’s. Niks menselijks is mij vreemd en het vlees is zwak, dus ik beken grif schuld aan een al jaren durende verslaving aan Desperate Housewives en Oprah. Nu laatstgenoemde is gestopt, is het afkicken geblazen met The Dr. Oz Show. En zeer recent ben ik gevallen voor 24 Kitchen en Panam. 

Kortom, mijn polygame tv-inborst kan zich blijven uitleven. Dus switch ik naar hartelust en zonder enige gêne tussen mijn diverse lovers, al naar gelang mijn humeur. Ze verrijken mijn leven. De een is een fantastische leermeester. De ander brengt gevaarlijke, mooie of verre oorden op comfortabele wijze binnen handbereik. Een derde entertaint en ontroert me of maakt me aan het lachen.

Ik hou onvoorwaardelijk van ze allemaal. En iedereen mag het weten.

© Pascale Bruinen

En wat zijn jouw favoriete programma’s op tv? Deel je beeldbuis/flatscreen geheimen met ons en reageer op deze column!

Shopping 2.0

Mijn zus ademt scherp in en slaakt een kreet. Hoofden draaien gealarmeerd in haar richting. Mensen stoppen abrupt hun bezigheden. “Oooohhhhh”, gilt ze, niet gehinderd door starende blikken en openvallende monden, “moet je dít zien!”. Ze trekt het kledingstuk zo wild uit het rek dat de hangers door de lucht vliegen. Met een ruk draai ik me om. Over de hoofden van het winkelend publiek ontwaar ik De Perfecte Blouse.

Ik stoot een geluid uit. Als van een vogel die op een lokroep van een soortgenoot reageert. Begeerte? Instinct? Ik kan me nog net beheersen om niet iedereen die tussen mij en De Perfecte Blouse komt, aan de kant te duwen. Ik baan me verrukt en met versnelde pas een weg door de mensenmassa.

“Aahh, wat scháttig, precies de goede kleur. Is het wel mijn maat?” Koortsachtig gaan we nu allebei tegelijk door de rekken heen. Kling-klang-klabaatsj doen de hangers tegen de stang als ze op niet bepaald zachtzinnige wijze door ons tweeën uit elkaar gerukt worden om het label beter te kunnen zien.

Welkom bij shopping 2.0. Wie ons gezamenlijk in actie ziet in een kleding- of schoenenzaak zal geneigd zijn om spoorslags 112 te bellen. Of te denken dat we rijp zijn om afgevoerd te worden door mannen in witte pakken. Wij zouden het voor elkaar krijgen om zelfs op het moment dat we in een dwangbuis de ambulance in zouden worden geschoven nog luidkeels te klagen over de lelijke harde stof en nikszeggende kleur van het tuigje.

Zelfs toepassing van de roemruchte Zweedse band zou bij ons niet helpen, vrees ik. Mijn zus kan, net als ik, nogal druk en enthousiast worden bij het aanschouwen van zoveel mode-moois. Een combinatie van ons tweeën versterkt deze karaktertrekken tot in het kwadraat. Bij het zien van de ultieme laarzen of dat kekke jurkje gaan we dan ook gedrag vertonen dat nog het meest overeenkomt met een ritalinloze ADHD-er on speed. En net als bij de schaal van Richter is de reactie op ieder volgend übercool kledingstuk exponentieel heviger.

Bij onze shoppingtrips ontzien we niks en niemand. Ook onszelf niet. Tijdens de queeste naar the holy must have item van het seizoen razen we als tornado’s van H&M naar Zara, van Esprit naar Mexx, van V&D naar Bijenkorf.

Je zou het misschien niet zeggen maar we weten wel degelijk precies wat we willen. Met de ogen van een getrainde havik scannen we in no time alle rekken. De kledingstukken worden vakkundig ontleed. Juiste kleur? Goede maat? Redelijke prijs? Correcte pasvorm? Bij vier keer ja spoeden we ons naar de dichtstbijzijnde kassa.

Een enkele keer stellen we ons, met de creditcard al in de hand, de retorische vraag of we het eigenlijk wel nodig hebben. Per slot van rekening moeten we soms de schijn van enige schuldbewustheid ophouden. Gelukkig hoeft die vraag uit de aard van het beestje niet beantwoord te worden. Bovendien is het crisis en moet het geld dus net rollen, houden we ons voor. Dat is beter voor iedereen. Niet in de laatste plaats voor onszelf. En dus halen we onze plastic fantastic met een gelukzalige glimlach geroutineerd door de gleuf.

Money makes the world go round.

Toch?

© Pascale Bruinen

Ben reuze benieuwd naar jullie “shop till you drop” avonturen….