Handleiding Man met Hoge Vuildrempel

Inleiding

Deze handleiding is speciaal ontwikkeld voor vrouwen die samenwonen met mannen met een zogenaamde “`Hoge Vuildrempel”. Dat is een meestal structurele en soms zelfs permanente stoornis in de waarneming van rommel- en viesheidsrealiteit en behoort tot het spectrum van de As V stoornissen: de categorie van de Makkelijke Mannen Malligheden. Deze diagnose is relatief eenvoudig vast te stellen en moet gebeuren aan de hand van onderstaande checklist. Deze dient bij voorkeur te worden uitgevoerd door de reeds langere tijd inwonende echtgenote/partner.

Checklist diagnose Hoge Vuildrempel.

Deze checklist bestaat uit multiple choice vragen.

1 . Hoe vaak komt het voor dat je man/partner zijn sleutels niet kan vinden?

a. Nooit

b. Af en toe

c. Minstens vijf keer per week

d. Minstens vijf keer per dag

2. Welke zin hoor jij je man/partner tot vervelends toe uitspreken?

a. Waar is mijn…?

b. Hoe kan het dat ik …niet kan vinden?

c. Ik had het hier toch echt neergelegd!

d. Alle antwoorden van a tot en met c

3.  Als jij je man/partner weer eens ziet rommelen in de sokkenla dan denk jij meteen

a. Ach, wat lief, hij is eens voor mij aan het opruimen!

b. De wasmachine heeft weer eens de andere helft van het

sokkenpaar opgevreten

c. Laat dat!

d. Waarom ben ik met deze chaoot getrouwd/gaan

samenwonen?

4. Je hebt, voordat je vertrekt naar je loeidrukke en verantwoordelijke baan, heel duidelijke poetsinstructies achtergelaten voor manlief. Als je om 20.00 u bekaf thuiskomt tref je hem…

a. met de schrobborstel nog in zijn hand slapend aan op de net geboende vloer;

b. hulpeloos met de zuiger aan in precies dezelfde klerezooi als toen je vertrokken bent;

c. net op het moment dat hij voor de vorm nog snel een stofdoek ter hand wil gaan nemen;

d. onbekommerd met een pilsje aan op de bank in één doffe huishoudellende waarbij het lijkt alsof er een bom is ontploft;

5.  Welk antwoord hoor jij het vaakst als je zegt “wat is het hier één grote bende!”

a. “Oh.”

b. “Dat valt toch wel mee?”

c. “Ik wilde net hetzelfde zeggen!”

d. “Waar? Wat bedoel je?”, vergezeld van een blik zo blanco als de cheque voor Cruijff die Ajax en een Mexicaanse dwergvoetbalclub hem bieden om hen van de ondergang te redden.

6. Wat is de reactie van je man/partner als hij een pan met rode spaghettisaus op je prachtige witmarmeren vloer laat vallen?

a. “Ha ha, het lijkt hier wel “Nightmare on Elmstreet!”

b. “Ik heb je ook steeds gezegd die pan niet zo vol te doen”, waarbij hij een priemende wijsvinger jouw kant op steekt.

c. “Het is toch zeker niet op mijn call of duty spel terecht gekomen?”

d. Hij loopt er zonder iets te zien gewoon dwars doorheen.

Uitslag

Het meeste antwoord “d” = positief op Hoge Vuildrempel.

Ga met de grootst mogelijke spoed over op plan B.

Plan B

Behandeling van een Hoge Vuildrempel is moeilijk maar niet onmogelijk. Meestal zal een ambulante behandeling niet voldoende zijn, maar dient er een langdurige klinische opname aan te pas te komen. Deze kan gelukkig wel plaatsvinden binnen het eigen huis, waardoor betrokkene dagelijks geconfronteerd zal worden met de dramatische huishoudelijke gevolgen van zijn stoornis.

Daarnaast zal de behandeling bestaan uit groepssessies met medepatiënten, die gewoonlijk probleemloos binnen vijf minuten in de onmiddellijke nabijheid geronseld kunnen worden. Denk aan buren en bekenden. De enige voorwaarde is dat ze van het mannelijk geslacht zijn. Deze groepssessies vinden beurtelings plaats onder leiding van een vrouwelijk slachtoffer van de patiënt, die immers als ervaringsdeskundige bij uitstek geschikt is om de bijzondere problematiek te belichten.

Een groepssessie kan er als volgt uit zien:

Groepsleidster: “Welkom, allen, laten we eerst een voorstelrondje doen. Ik begin hier links van me. Vertel eens wie je bent en waarom je hier zit?”

Patiënt: “Ik ben John en…(zwijgt aarzelend)..en ik lijd aan een Hoge Vuildrempel”. Er klinkt een bemoedigend applaus vanuit de kring. Instemmend gemompel vult de doorzonkamer.

Groepsleidster: “Geweldig! Fijn dat je er bent John. Voel je de warmte van ons allemaal, van je medepatiënten? Ik in ieder geval wel!”

Patiënt: “Nou, warm heb ik het niet echt. Maar ik..euh..ik, ik…” (patiënt grijpt met beide handen zijn hoofd en lijkt de wanhoop nabij).

Groepsleidster: (buigt zich naar hem toe en houdt haar hoofd schuin en brengt zo les 7 – “Toon Empathie” – in praktijk en vraagt met fluweelzachte stem): “Ja? Zeg het maar John, we zitten hier voor jou, met jou, door jou”.

Patiënt (het huilen nabij): “Ik..ik heb…, ik heb het gedáán!”

Groepsleidster (kijkt nu ietwat benauwd en bladert gejaagd door het opengeslagen lesboek op schoot, koortsachtig op zoek naar les 13: “Wat te doen in crisissituatie?”) : “Hoe, hoe bedoel je, John?”

Patiënt (gooit ineens alle schroom van zich af, staat op en klopt zich als een volwaardige Bokito roffelend op de borst): “Ik heb gepoeoeoeoeoeoeoeoeoeoetst!!!”

Na een fractie van een seconde waarin je een speld kunt horen vallen, breekt erna de hel los. Patiënten vallen huilend in elkaars armen, John wordt op de schouders genomen, een staande ovatie breekt los, de groepsleidster breekt en valt dankend op haar knieën.

Conclusie

Dit is dus waar je het voor doet! Het kan dus wel. Het enige dat je daarvoor nodig hebt is liefdevolle volharding, een onuitputtelijke dosis geduld en de niet aflatende steun van medeslachtoffers. Waarbij het overigens zeker geen kwaad kan om sereen glimlachend alle vier zijn afstandsbedieningen te verstoppen.

Dat krijgt zelfs de A plus categorie in no time aan het werk.

© Pascale Bruinen blond

Zo, het hoge woord is er uit. Wie wil hier publiekelijk bekennen ook een Hoge Vuildrempel te hebben? En zijn daar eventueel ook vrouwen tussen? Want hoewel de column er natuurlijk niet over gaat, is het zeker ook iets dat (sporadisch?) voorkomt bij dames. Nou, wie durft? Of heb je soortgelijke ervaringen als op de foto en wil je je hart erover luchten? Doe het hier, dan heb je al een gratis groepssessie! Succes gegarandeerd!

Viva la comida!

Als ik één rode draad zou moeten noemen die door al mijn vakanties heen loopt is het wel: eten. Bij voorkeur zo lekker en authentiek mogelijk. Op elke bestemming is het steeds een uitdaging om zo veel mogelijk plaatselijke gerechten te proeven.

Ik verbaas me dan ook over hele volksstammen die zelfs op vakantie niet blijken open te staan voor andere smaaksensaties.

Het ontgaat mij volledig waarom je, na 1500 kilometer met je sleurhut die ellendige autoroutes, autostrade of autopistas te hebben doorstaan, wéér je toevlucht zou willen nemen tot pindakaas of hagelslag. Laat staan dat ik de diepere betekenis heb begrepen achter het meeslepen van kilo’s echt Hollandse piepers.

Wij Nederlanders kunnen er wat van, maar zijn waarschijnlijk nog niks vergeleken bij de gemiddelde Britse toerist die op iedere buitenlandse straathoek persé fish and chips of een full English breakfast cooked by British chef wil eten. Let vooral op die laatste toevoeging. Daarmee wordt een Spaanse kok die zich aan dit hoogstandje van spek, ei en bonen waagt al op voorhand gediskwalificeerd. Waarlijk een voorbeeld van culinaire discriminatie.

Is het de angst voor het onbekende? De vrees dat het locale eten te pittig is, dat je nietsvermoedend varkenshart naar binnen werkt of aan de schijterij raakt van de olijfolie? Een combinatie van dit alles? Wat het ook is, het krampachtig vasthouden aan de eigen vertrouwde eetgewoonten in het buitenland is wijdverbreid. De horeca ter plaatse speelt gretig in op deze zielige toeristenbehoefte en zorgt zo voor een rampzalige eenheidsworst aan eetgelegenheden.

Ik heb het zelf meegemaakt op het prachtige Mallorca. Idyllisch plaatsje, kristalheldere zee, heerlijk weer. Wie doet je wat? Op de eerste dag gaan we vol goede moed op zoek naar een restaurant dat echt Spaanse gerechten serveert. Maar het enige dat we overal zien is de ene na de andere Britse pub. Stuk voor stuk met precies dezelfde menukaart. Je weet wel, met van die groezelige, door de zon gebleekte foto’s van gerechten die er zo smerig uit zien dat ik ze thuis nog niet zou willen eten als ik compleet uitgehongerd zou zijn. Laat staan op vakantie.

Na een paar uur vruchteloos zoeken zijn we ten einde raad. Uiteindelijk vragen we een Spaanse ober waar we moeten zijn om iets van de plaatselijke keuken te kunnen proberen. Hij is aangenaam verrast en verwijst ons meteen naar een piepklein restaurantje dat uitsluitend bevolkt wordt door de locals. Precies wat we willen. Geweldig eten, echte Spaanse sfeer en een fijne bediening. Maar vooral: nergens ook maar een giri (minder aardige aanduiding voor toeristen) te bekennen. Behalve wij dan.

Terwijl we zitten te smullen van een zalige en heerlijk koele gazpacho loopt buiten een roodverbrande Britse familie, na slechts één snelle blik op de kaart, ons goddelijke tentje met opgetrokken neus en waggelende gang voorbij. Gelet op hun gemiddelde omvang schat ik in dat ze op weg zijn naar de zoveelste dertien in een dozijn hamburger.

Vanaf ons gekoesterde plekje tussen de Mallorcaanse loodgieters, postbezorgers en gasflessen-bezorgeraars smikkelen wij ondertussen van pebrots al padró (gegrilde groene zoete pepertjes met grof zeezout), bocquerons fregits (gebakken sardientjes) en tortilla española (dikke omelet met aardappels), geserveerd met grote hompen vers brood en olijfolie die ook echt naar olijven smaakt.

Spaanse families komen binnen voor de almuerzo  (lunch), compleet met opa en oma en een trits (klein)kinderen. Zo te zien allemaal vaste klanten. Wij nemen alles als een spons in ons op en genieten in stilte. De Britten schuifelen stapje voor stapje uit ons blikveld.

Nippend aan een lekker hete cafe con leche kijken we ze na met een mengeling van berusting en medelijden. Arme, kortzichtige zielen. Ze weten niet wat ze missen.

© Pascale Bruinen

Viva la comida betekent ‘Lang leve de maaltijd’!

En tot welke categorie behoor jij? Durf je op culinair avontuur als je in het buitenland bent, of hou je toch liever vast aan het aloude bekende?

Glamour in de OK

Het is koud. Het is saai. Hier valt werkelijk he-le-maal niks te beleven. Grijze muren. Her en der een bed op wielen, al dan niet verscholen achter een stuk flinterdun gordijn in een nietszeggende kleur op zo’n lelijke rail. In mijn directe omgeving  is niemand te bekennen.

Omdat ik niet in de slachtofferrol wil, heb ik geen zin om plat te blijven liggen. In een opstandige bui ga ik dus fier rechtop zitten. Of toch in ieder geval zo recht als maar enigszins mogelijk is met mijn hemelsblauwe operatiegewaad dat van achteren wijd openhangt.

God wat voel ik me machteloos. Ik wil dit niet en moet het toch. Dat is niks voor mij. Geef je over, fluistert een stemmetje. Oh. Da’s mijn betere ik, realiseer ik me. Mijn Zen-ik, die controleverlies helemaal niet erg vindt. IK WIL DIT NIET, reageert mijn controlfreakerig ikje prompt als door een wesp gestoken. Heerlijk, dit. Ik moet zometeen geopereerd worden en kies juist dit moment uit om acuut een meervoudige persoonlijkheidsstoornis te ontwikkelen.

Ik probeer de kibbelende stemmetjes te negeren en er en passant bij te zitten alsof ik hier puur toevallig ben. Alsof ik ieder moment kan worden weggeroepen om belangrijkere dingen te gaan doen. Hoewel, dan zou ik zéker niet mijn dierbare haren onder dit papieren mutsje hebben gefrommeld. Mijn kapper zou een beroerte krijgen als hij me nu kon zien. En ik zelf ook, nu ik erover nadenk. Met mijn operatiejurkje aan, kapje op, dikke sokken op blote benen, make-uploos gezicht, nagels zonder een spoortje van lak. Een toonbeeld van elegantie. Voor één keer ben ik blij dat er geen spiegels zijn.

Deze hele godvergeten ruimte zou hier wel een make-over kunnen gebruiken. Pimp my hospital. Ik denk dan aan een fris en opwekkend fuchsiaroze kleurtje op de muren. Met het effect dat je helemaal happy de OK inrolt. Daarbij uiteraard een strakke witte vloer. Bijpassende dekentjes voor ieder bed, misschien zelfs wel met wat leuke extra kussentjes. Meteen een knus en huiselijk sfeertje.

In plaats van die afzichtelijke gordijnen komen er verrijdbare design kamerschermen met een prachtige levensgrote Boeddha afbeelding erop. Zó rustgevend dat je misschien niet eens meer een verdoving nodig hebt. Aan ieder bed een minimalistisch wit tafeltje met daarop een orchidee (vooruit, voor deze ene keer mag dat dan een nepper zijn, gelet op het infectierisico). En natuurlijk mag een geurkaars van Diptyque niet ontbreken. Voor de broodnodige ontspanning.

Net als ik in gedachten gekomen ben bij het stuk dat de chirurg ook verdacht veel weg krijgt van McDreamy uit Grey’s Anatomy komt een verpleegster binnen. Ze stopt bij een bed achterin de zaal. Zelfs op deze afstand kan ik het gesprek letterlijk volgen. Hoezo privacy?

“Nou laten we eens even kijken, u bent goed gezond?”

Jaahaaa, denk ik, túúrlijk. Daarom ligt die nu hier, toch?

Ik haal mijn verveelde oortjes onder het kapje uit zodat ze zich kunnen spitsen.

“En zegt u eens, rookt u?”

“Ja”, hoor ik een bedremmelde mannenstem antwoorden. Eén strenge vraag van een verpleegster en ze worden zó klein. Ach gut.

“Hoeveel sigaretten per dag?”

“Veer…”. Hij spreekt zo zacht dat ik de rest niet kan verstaan.

“Véértien?”, vraagt de verpleegster duidelijk verschrikt.

“Nee, veertig”, antwoordt de man noodgedwongen iets luider. Ik hoor nu duidelijk iets van angst in zijn stem.

“Véér-tíg!!”, echoot de verpleegster, waarbij ze er in slaagt de nadruk zowel op het eerste als op het tweede deel van het woord te leggen. “Dat is wel héél erg veel”, klinkt het snibbig.

Helaas kan ik het gesprek niet verder afluisteren omdat er ineens iemand naast mijn bed staat die mij komt halen. Snel trek ik mijn mutsje omlaag. Die haren eronder is nog tot daaraan toe, maar die haren eronder én twee oren die er links en rechts parmantig onderuit steken is teveel van het goede. Ik heb het donkerbruine vermoeden dat ik zo namelijk verdacht veel weg heb van een Gremlin. Dat risico kan ik natuurlijk niet lopen voor het geval ik zometeen een McSteamy tegenkom in de OK.

Ik word streng gesommeerd te gaan liggen en word de OK in gereden. Met een gezamenlijk gezongen ene-tweeje-drie! word ik overgeheveld op een supersmal operatiebed.

De operateur vraagt me welke knie het is. “Rechts”, antwoord ik in wat ik denk dat toch duidelijk Nederlands is. “Ok, rechts”, herhaalt hij. Hij maakt aanstalten een teken te zetten. Maar dan kijkt hij op en vraagt: “Wélke knie is het?”

Ongerust dat ík nou net weer het geluk heb een chirurg met Alzheimers te treffen zoek ik, lichtelijk in paniek, oogcontact met mijn dokterlijke hoop in bange dagen. En dat valt nog niet mee, verscholen als ze zijn tussen het groene mond/neuskapje en het kekke veelkleurige piratendoekje op zijn hoofd.

“R E C H T S”, zeg ik terwijl ik hem indringend in zijn ogen kijk. Ik articuleer iedere letter zo scherp mogelijk en wijs zelfs voor alle zekerheid het juiste been aan. Ik krijg de neiging om er in doventaal ook nog gebaren bij te gaan maken, ware het niet dat ik niet weet hoe dat moet.

“Ik moet dat weer aan u vragen, dat is protocol”, mompelt hij vanachter zijn groene spuugdoekje. Ik voel me op slag een idioot. Ik zeg niks meer.

Ineens verrast de anesthesist mij met de nogal aparte mededeling dat hij bij de ruggenprik maar één been gaat verdoven in plaats van twee. Ik kijk even om me heen om te zien of ik Frans Bauer ergens onder de mondkapjes ontwaar want dit lijkt langzamerhand meer op Bananasplit. Als ik vraag of dit serieus bedoeld is, knikt hij ernstig. “Maar de rekening is niet de helft van normaal hoor, ha ha!!”, schatert hij om zijn eigen grapje. Ik lach maar mee, per slot van rekening moet hij nog zijn enorme naald tussen mijn ruggenwervels in gaan mikken. Na een tijdje voel ik mijn ene been afschakelen, een wonderlijke ervaring. Het hoort niet meer bij mij.

“Voelt u dit?”, vraagt de chirurg. “Bent u dan nu al in mijn been aan het snijden?”, reageer ik met een wedervraag. Je ziet hem gewoon denken dat het oh zo jammer is dat juist deze betweterige patiënt niet voor een algehele narcose heeft gekozen. “Nee hoor, ik gaf alleen maar een klein prikje”. Maar nee, ik voelde helemaal niets. Noppes. Nada.

Prompt krijg ik een groen laken recht voor mijn snuit gespannen en kan ik niks interessants meer zien. Dat wil zeggen, totdat ik na een minuut of twintig ineens pal voor mijn neus een bloot been loodrecht omhoog zie staan. Ik frons mijn wenkbrauwen en vraag me verontwaardigd af hoe dat in godsnaam mogelijk is. Van wie is dat been? Ik zie dat dit been helemaal oranje is van de jodium. Ik zie tenen die mij ergens vaag bekend van voorkomen. Ik zie dat het been in kwestie ingezwachteld wordt met een drukverband. En dan realiseer ik me met een schok dat het mijn eígen been is. Nu weet ik eindelijk wat mensen bedoelen als ze zeggen dat ze een out of body experience hebben.

En daar lig ik dan in al mijn natuurlijke schoonheid, met één been dat zo dik is ingepakt dat het meer wegheeft van de poot van een olifant die dringend aan de vochtafdrijvers moet.

Als dat geen glamour is in de OK dan weet ik het niet meer.

© Pascale Bruinen

Ok, zó’n onnatuurlijke houding had mijn been nou ook weer niet. Maar ok, je begrijpt wat ik bedoel. Heb je zelf soortgelijke OK-ervaringen opgedaan? Laat dan hier een reactie achter!

Liefdesverklaring (herpublicatie)

Carnaval. Het feest van meedoen. Van aanstekelijke uitgelatenheid. Schateren van het lachen, ongegeneerd flauwekul maken, je weer voor even kind voelen, oude bekenden zien, helemaal uit je dak gaan, je onderdompelen in de vrolijke mensenmassa’s buiten en binnen. Café’s binnen gaan waar je anders nooit komt, met wildvreemden de grootste lol hebben, met iedereen overal een praatje aanknopen. De zon die het licht weerkaatst van duizenden pailletten, de kakelbonte mengeling van kleuren, de vaandels en de vlaggen. Je als een vogel zo vrij voelen, de zalige zorgeloosheid, even nergens aan hoeven denken.

De vertrouwde muffe geur van de carnavalskleren in de koffer, de nostalgische reuk van schmink, de optochten uitlopen of er al halverwege uitgaan omdat het café lonkt, spontaan meegaan met een voorbijkomende polonaise, dansen en springen, inhaken met degene die toevallig net naast je staat, de ongelooflijke saamhorigheid, de ongekende humor. Altijd een warm bad, ongeacht de buitentemperatuur.

Muziek maken. Achter de muziek aan gaan. Swingen op de hypnotiserende schelle en doffe dreunen van een sambaband, allemaal samen hetzelfde liedje woord voor woord meeblèren aan de bar. De blije opwinding voelen als je het geschal van de trompetten hoort echoën tegen de eeuwenoude muren van de smalle sfeervolle straatjes, de overgave waarmee zelfs de slechtste muzikant de laatste noot uit zijn instrument perst. De bastonen van de grote trom die tot in je buik trillen. Muziek beleven in elke vezel van je lijf maar vooral in je ziel.

Kindertjes die het met de paplepel ingegoten krijgen, baby’s die te midden van de kakofonie van geluiden slapen als een roos in een tot mini-kasteel omgebouwde bolderkar. De heerlijk ouderwetse geur van knakkers uit een speelgoedpistooltje, de onvoorstelbaar mooie zelfgemaakte creaties, de ingewikkelde en soms loodzware constructies die mensen al die dagen meesjouwen, barbecuen midden op straat, de giechelende gezelligheid als je met z’n allen in de rij staat voor de wc, de boel op stelten zetten bij de Chinees, goedwillende “Hollanders” en buitenlanders liefdevol inwijden in de geheimen van onze allermooiste traditie.

De grappen en de grollen, straattheater op iedere hoek, spontaan met zijn allen touwtje springen in een steeg. Publiek wordt entertainer, de entertainer wordt publiek.

Maar ook het feest van kapot moe zijn, niet meer vooruit kunnen, het ijskoud hebben, door en door nat zijn, je gebroken voelen, pijn aan je voeten van het vele lopen, last van je rug van het staan en het gewicht van je carnavalspak, een keel als schuurpapier hebben, de gloeiende hitte als je met al je kledinglagen ergens naar binnen gaat, de doffe ellende als je in een veel te klein wc hokje al die lagen één voor één moet zien uit te doen waarbij je tamboerijn en andere toebehoren in de weg hangen.

De vette happen aan de kraam, de onvoorstelbare hoeveelheden rotzooi op straat, toch nog veel te veel glazen die kapot gaan (per ongeluk of expres), mensen die het nog altijd niet begrepen hebben en menen dat het “leuk” is een hoedje van iemand af te trekken of in iemands billen te knijpen. Sommigen, jong of oud, die ten onrechte denken dat in recordtijd dronken worden hier ook maar iets mee van doen heeft.

De pruik die al na vijf minuten jeukt als de ziekte, je portemonnee verliezen, de rest van de groep kwijt zijn (en dat soms niet eens erg vinden), de schmink en glitters er ’s nachts niet meer af krijgen, je huis bezaaid met afgevallen pailletten, plakkerige veren van boa’s, stukjes glas die uit je schoenzolen zijn gevallen, natte confetti-stukjes, modderige sneeuw. Overal kleren die ruiken naar de bekende mengeling van rook, bier en zweet.

Het feest van beschouwen. Zelf toeschouwer zijn. Je verwonderen. Bewonderen. Relativeren, filosoferen, diepe en serieuze gesprekken hebben terwijl je een kanariekooi op je kop hebt staan. Een duivel die kust met een bisschop. Rangen en standen die wegvallen. De verlegene toont zich extravert, de poetshulp is koningin. Mannen worden vrouwen, vrouwen worden mannen. Ongestoord zijn wie of wat je maar wilt. Het belangrijke wordt onbelangrijk en andersom. De ontroering als je kijkt naar al die lachende gezichten, naar mensen die onbekommerd plezier hebben.

Het is het allemaal en tegelijk is het zo veel meer dan de som der delen.

Een sentiment van chauvinisme, van oneindige liefde voor je stad, voor waar je vandaan komt. Een heel sterk gevoel van verbondenheid. En van trots. Trots op dit prachtige feest. Het gevoel van: dit is van en voor ons, voor iedereen die wil meedoen, dit pakt niemand ons meer af. Het gevoel van extase dat zich puur natuur van je meester maakt als duizenden kelen tegelijk uitbarsten in samenzang op een sprookjesachtig verlicht plein, het overweldigende gevoel ergens echt bij te horen.

Het surrealistische van de stilzwijgende afspraak om deze dagen uit alle windstreken verkleed samen te komen op een paar vierkante kilometer heilige grond. Net een suikerspin: zo hap je er in en zo is het weer weg. De vurige hoop er volgend jaar weer bij te mogen zijn. Telkens een paar stapjes vóór proberen te blijven op je eigen onontkoombare vergankelijkheid. Een gevoel van urgentie want alles kan zomaar ineens voorbij zijn. De tranen die onwillekeurig komen als je weer voor een jaar afscheid moet nemen van dit “feest der feesten”. Moegestreden van de vijfdaagse uitputtingsslag die je samen met al die andere gelijkgestemden onder alle denkbare weersomstandigheden hebt volbracht. Het doet pijn tot in het diepst van je wezen maar in je hart weet je: het is goed geweest. Je hebt je accu opgeladen, je hebt weer intens mogen beleven hoe het is om hiervan deel te mogen uitmaken. Je bent er weer bij geweest.

Het is een voorrecht. Elk jaar opnieuw. Geniet ervan.

© Pascale Bruinen

Ik zal ongetwijfeld nog vele andere ervaringen niet genoemd hebben die jullie hebben opgedaan met carnaval. Het is eigenlijk sowieso bijna onmogelijk om de geest van carnaval in woorden te vatten. Het is een cliché maar je moet het inderdaad zelf beleven om het te kunnen voelen. Toch kunnen jullie ook een poging wagen om je persoonlijke carnavalservaring te beschrijven. Geïnspireerd geraakt? Laat hier dan je reactie achter!

Retro-tutten met Tupperware

Wie kent ze niet, die pastelkleurige duizend-en-een-dingen doosjes van vroeger, gemaakt van dat fijne, speciale plastic dat altijd een beetje meeveert en zo lekker buigzaam is? Die niet kapot te krijgen o zo handige kommen, vleesdozen, wasemmertjes en opbergboxen? En het beste van alles: die perfect passende deksels waardoor alles ook echt vers blijft en er niks uitloopt? Juist ja, Tupperware is de naam.

Oh, ik heb het wel geprobeerd. Ander goedkoper merk gekocht met het idee dat het “toch allemaal wel hetzelfde is”. Not so. Goed voorbeeld zijn de lunchdoosjes en drinkbekers die ik destijds voor mijn kleuters heb gekocht. In een paar maanden tijd hadden ze maar liefst drie sets versleten. Eén keer de schooltas op de grond gooien en het doosje bleek gescheurd. En nog erger: de dekseltjes van de bekers sloten nooit lekdicht af waardoor de melk telkens in hun rugzakjes liep. Ieuww! Toen vond ik het welletjes en heb ik op een heuse Tupperware party voor allebei een lunchbox en afsluitbare beker gekocht.

Jaar na jaar van trouwe dienst voor mijn opgroeiende kids hebben ze met glans doorstaan. En dat waren tropenjaren, mag ik wel stellen. Die doosjes en bekers hebben alles meegemaakt, van basisschool tot in de brugklas. Niet dat ze toen kapot gingen, ben je gek. Nee, het was gewoon niet langer “vet” of “chill” om de boterhammen nog in zo’n “stom” doosje te stoppen. Dus nemen mijn man en ik ze nu maar dagelijks mee naar het werk. Als levend voorbeeld van omgekeerd doorgeven van generatie op generatie.

Tupperware. Een instituut. Vaste prik in de keukenkastjes van onze moeders en oma’s, die er vaak tot en met de dag van vandaag nog gebruik van maken. Zo zweert de moeder van een goede vriendin na dik vijfendertig jaar (!) nog steeds bij haar zelfde wonderemmertje. Want, zo zegt zij stellig, zelfs de vieste vlekken verdwijnen als bij toverslag zodra het vuile kledingstuk enige tijd in het speciale plastic emmertje heeft doorgebracht. Een collega van mijn man heeft zijn twee boterhamdoosjes zelfs non-stop in gebruik sinds 1975, als een tijdloos baken van stabiliteit en houvast in deze roerige tijden van verandering. Een vleugje nostalgie.

Het ijzersterke merk, in 1944 begonnen in de Verenigde Staten, heeft de tand des tijds met vlag en wimpel doorstaan. De plasticfabrikant zit ook vandaag de dag nog rotsvast in het zadel en viert dit jaar in Nederland zelfs het 50-jarig jubileum. En wat je waarschijnlijk net als ik niet wist, is dat Tupperware in de loop der jaren diverse designprijzen heeft gewonnen en zelfs te bewonderen valt in belangrijke musea, waaronder het Metropolitan Museum of Art in New York.

Was het vroeger vooral een toonbeeld van degelijke en duurzame kwaliteit, anno 2012 is het ook nog hartstikke trendy geworden. Wat te denken van CheeSmart, Click N Shake of een Micropop?Of misschien toch liever een Sporty, Quickshaker of een Snack Pack? Tupperware blijft zichzelf voortdurend opnieuw uitvinden maar zonder daarbij concessies te doen aan die kenmerken die het merk gemaakt hebben tot wat het is.

Ook de bekende Tupperware parties en de nieuwe Tupperware Kookstudio passen helemaal in het “retro-tutten”. De nieuwe trend van huiselijkheid en gezelligheid, van lekker samen fröbelen. Die zie je momenteel overal terug maar dan zonder het oubollige imago dat daar vroeger nog wel eens aan kleefde.

Denk daarbij anno 2012 bijvoorbeeld maar aan de doorstart van breien als hobby, vergeten groenten telen of de workshops waar je rijkelijk versierde cupcakes leert maken. Het grote verschil met vroeger is dat nu ook hoog opgeleide vrouwen en zelfs mannen deze bezigheden met graagte inpassen in hun überdrukke schema’s en daaraan naar het schijnt een soort van therapeutisch welbevinden ontlenen. Het zou hetzelfde effect hebben als mediteren maar dan zonder de “uuuhhhhmmmmmmmm” klanken eindeloos te moeten uitstoten. Mediteren light, zeg maar. Minimale inspanning, maximaal effect.

Na al deze nieuw verworven inzichten kijk ik ineens heel anders aan tegen mijn onverwoestbare plastic kaasstolp, sapkan en magnetronbakje. En als ik in de nabije toekomst mijn stressniveau voel oplopen tot ongekende hoogten weet ik wat me doen staat. Dan meld ik me meteen aan voor de eerste de beste Tupperware party waarna ik dankzij een megaportie zien-kopen-doet-kopen endorfines de hele wereld weer aankan.

© Pascale Bruinen

En wie van jullie heeft ze ook in de kast staan, misschien zelfs ook al járen….??? Vermeld sinds wanneer jij hetzelfde Tupperware-doosje gebruikt en dan kijken we eens wie de absolute recordhoud(st)er is. Laat het me weten!

Giet it oan?

Tiisdei 7 febrewaris 2012

Giet it oan?

“Mei Oostenbrug”

“Goeie Jan, moarn, mei Wiebe. Der bin we wer. Wêr binsto?”

“Moarn, Wiebe. Ik bin krekt yn Snits. Hoe giet it mei dy?”

“It giet net sa goed Jan. De druk nimt ta oer de Alvestêdentocht. Ik wurd hielendal gúk skille troch krantemannen en televyzje, somtiden grif fjirtig keer op in dei. En no mei dy snie…Skytmerakels!’.

“En oars ik wol, Wiebe, en oars ik wol.

“Lit de lju mar rabje. Wy hoopje op noch better waar”.

“Pyt en Gerrit sizze oer it waarberjocht dat de froast wol goed is, it is noch goed kâld. Mar der binne no ferskate waarkaarten, sizze Gerrit en Pyt. It is noch net te sizzen hoe’t it komt. Giet it oan? Giet it net oan? It kin alle kanten noch út”.

“Ja, ik kom krekt út Ljouwert en dêr is it iis mar seis sintimeter. Mar juster leine de marren by Sleat noch iepen. As it tsien graden friest dan groeit it iis mei twa sintimeter de nacht oan, Wiebe”.

“Moai sa Jan, hiel moai. Do makkest my bliid hjoed. Mar by Boalsert binne noch in protte wynwekken. It bûteniis is tusken de nul en fiif sintimeter dik. Dat is lang net dik genôch.”

“Ja mar it bliuwt nije wike noch friezen. En er komt lokkich net mear snie. Mar no is it benammen gefaarlik op plakken dêr’t wynwekken krekt tichtfêzen binne. Dan is it iis faak net iens ien sintimeter dik, wylst jo dat net sjen kinne”.

“Mar Jan, witsto, as ’t net kin sa ’t moat, dan moat it mar sa ’t it kin. Spitigernoch. Mar ik sil myn bêst dwaan mei dy krantemannen en televyzje”.

“As it net sile wol, moat men lavearje. Sa is ‘t en net oars, want as ’t oars wie, wie ’t net sa”.

“Moarn is alwer in nije dei, Jan. Oant moarn”.

“Oant moarn, Wiebe”.

© Pascale Bruinen

Deze deelnemers aan de carnavalsoptocht melden dat het “toch nog oan giet”, zij het dat het dan geen elfstedentocht wordt, maar de tocht dan voert door slechts één stad.

Wie vindt het, net als ik, doodzonde voor Nederland maar natuurlijk vooral voor de trotse Friezen zelf dat de Alvestedentocht is afgeblazen? Of ben je net blij dat het niet doorgaat? Je kunt het ons hier laten weten.

Paarse regenbui

Ik heb de gewoonte om luidkeels te zingen in de auto. Onlangs nog Purple Rain van Prince in de cd-speler en op volle sterkte meekwelen met His Royal Badness. Een moment helemaal voor mezelf. Volledige vrijheid om me vocaal uit te leven in de knusse privacy van mijn micro-wereld op wielen. Niemand die tegen me klaagt, niemand die me vraagt om het volume zachter te zetten. Alleen Prince en ik, samen in een intieme paarse regenbui.

Bij ieder gitaarakkoord en elke lyric waan ik me meer in de jaren tachtig. In mijn gedachten zie ik alle beelden van de videoclip, afkomstig uit de gelijknamige film, weer voorbij komen. Prince met zijn witte gitaar op het podium in die donkere en ietwat louche nachtclub, omgeven door sigarettenrook. Een klein en frêle mannetje in een potsierlijke prinselijke outfit op schoenen met plateauzolen. Ogen aangezet met eyeliner, vlassig snorretje, glitterspray in zijn krullenkapsel. Op enig moment tijdens het optreden geeft hij Wendy, vaste gitariste van zijn band The Revolution, een broederlijke kus op de wang. Ze blijft er onbewogen onder. Gek hoe je je dit soort details jaren later nog exact weet te herinneren.

Ik vind het pas echt leuk worden als deze geniale compositie bijna ten einde loopt. Eerst komt nog die magistrale elektrische gitaarsolo, dat klaaglijke maar tegelijk prachtige gejank. Hoewel het onnavolgbaar is, probeer ik tegen beter weten in zelfs dat mee te blèren.

Maar dan. Eindelijk, eindelijk komt het moment waarop ik 5 minuten en 19 seconden heb gewacht. Prince gaat nu over op hartverscheurende uithalen met zijn falsettostemmetje. Het klinkt bijna pijnlijk, alsof hij zojuist met zijn koninklijk klokkenspel klem is komen te zitten tussen de gitaarsnaren. Maar tegelijkertijd is het zó mooi dat ik er kippenvel van krijg. In mijn ontroering heb ik geen andere keus dan zo hard mogelijk met hem mee te janken.

Ik neem een enorme ademteug, sper mijn mond wagenwijd open en geef vanuit mijn middenrif ongenegeerd alles wat ik in me heb, als ware het voor de finale van The Voice of Holland. Mijn volume en toonhoogte zorgen er in mijn compacte middenklasser bijna voor dat ik acuut die engerd van Carglass moet bellen. Op exact hetzelfde moment gaat het stoplicht op rood.

Voor één keer kijk ik maar niet links of rechts naast me.

© Pascale Bruinen

Heb jij ook een favoriet liedje dat je graag luidkeels meezingt in de auto? Laat het mij en de lezers van deze blog dan weten!

Vakantieherinneringen (2)

“Weet je nog die keer dat M. haar eendenzwemband al omdeed in de auto toen we amper een kwartier aan het rijden waren”? vraagt mijn moeder aan pap zonder een antwoord te verwachten.

Het grijze winterse weer buiten nodigt binnen uit tot mijmeren over zonniger momenten. Mijn ouders putten moeiteloos uit hun rijke reishistorie en halen het ene na het andere grappige verhaal naar boven. Hun ogen lichten op als ze in gedachten terug gaan naar die allang vervlogen tijden. Toen ze nog jong en fit waren.

“Of toen jij de caravan aan het inladen was en M. had weggestuurd toen ze met al haar poppen aan kwam zetten? Omdat we al te veel bij ons hadden? Het arme kind was kapot van verdriet! Ik heb haar toen ingefluisterd gewoon alles in een kussensloop te stoppen en tegen jou te zeggen dat ik dat kussen mee wilde nemen. Daar ben jij toen mooi ingetrapt”! Mijn vader lacht, maar na al die jaren nog steeds een beetje als een boer met kiespijn.

“Jij had sowieso een nogal aparte manier om ervoor te zorgen dat de caravan aan iedere kant even zwaar was”, vervolgt mam terwijl ze voor ons allemaal een kopje thee inschenkt. “Met de jeu de boules ballen als contragewicht, totdat de caravan overal hetzelfde enorme overgewicht had”, beschuldigt ze pap goedmoedig. Hij bekent grif schuld maar voegt daar zelfgenoegzaam aan toe dat dit vooral op het conto kwam van háár tassen, sieraden en veel te veel kleding die persé mee moesten.

Ze beheersen het spel perfect. Na 63 jaar huwelijk wil je wel op elkaar ingespeeld zijn. Mam geeft de voorzet en pap kopt in. En dus moeten we allemaal lachen, ook al horen we het voor de zoveelste keer.

Ineens proest mam het uit als haar het verhaal van de zwempartij met haar beste vriendin W. te binnen schiet. Ze zijn in Spanje op vakantie en hebben allebei precies dezelfde badmuts gekocht. Felgekleurd met van die opgeplakte bloemen erop. Heel erg seventies. Een vreemde eigenschap is dat de badmuts zó langgerekt was dat zelfs Wiske’s eiervormig hoofd er met gemak twee keer in zou passen. Wel handig met dat hoog getoupeerde haar. “Ja”, zegt pap, “toen zij met hun tweeën met die torenhoge badmutsen te water gingen, weken schepen af van hun koers omdat ze dachten dat het boeien waren”! Hilariteit alom. We drinken nog een kopje thee.

In rap tempo volgt nog het verhaal van de afgeknipte pyamabroekspijp die pap in een noodgeval gebruikt had als sjaal; de sage over de opvouwbare brandladder van 9 meter lengte die van pap altijd mee moest op vakantie als we in een hotel gingen en die keer dat ze naarstig gezocht hadden naar een Italiaans restaurant. In Italië.

Zonovergoten herinneringen aan zorgeloze zomers aan zee. De typische geur van Ambre Solaire zonneolie; het hypnotiserende geluid van de branding; het feestelijke “kling-klang” als met nieuw gevonden vrienden bij de zoveelste barbecue getoost werd met een fris glas rosé. Definitief afgesloten, verzegeld in het verleden.

Mijn ogen dwalen naar het raam. Buiten regent het.

© Pascale Bruinen

Welke vakantieherinneringen komen bij jou naar boven nadat je dit gelezen hebt? Ik ben benieuwd naar andermans ervaringen, positief of negatief.

Het geheim van Victoria

Heb jij je ook, happend naar adem van afgunst en frustratie, zitten vergapen aan de Victoria’s Secret Fashion Show 2011? Aan de afgetrainde, ingeoliede, perfecte en nagenoeg naakte lijven van de uitverkoren supermodels? Ik wel. Ik heb nog nooit van mijn leven zoveel jonge, ultraslanke en megastrakke lijven met zeer vrouwelijke sixpacks bij elkaar gezien. Voeg daar nog de engelachtige gezichtjes met die geprononceerde jukbeenderen, jaloersmakende kuiltjes in wangen, überzwoele lippen en lang glanzend haar aan toe en het is duidelijk. Als je je hiermee wilt meten als afgematte veertig-plus ploetermoeder ben je bij voorbaat kansloos verloren, al zie je er naar verhouding nog zo patent uit.

Dat zou je dus niet moeten doen maar zoveel verstandig inzicht is aan mij niet besteed. En dus besluit ik in een vlaag van masochisme dat ik er ab-so-luut ook zo uit wil zien.

Om het geheim van Victoria te ontrafelen zoek ik op internet naar haar beroemdste en wellicht ook mooiste boegboeld, Doutzen Kroes. Na het lezen van diverse interviews heb ik al een fraaie en voor ons zelfbeeld zeer opwekkende oneliner gevonden. Zo zegt onze Doutzen over haar figuurtje en ik citeer: “Vroeger vond ik dat ik fors was maar nu niet meer”. Tja, dank je wel Doutzen voor deze oppepper, dat doet vrouwelijk Nederland met een gemiddeld confectiemaatje 42 erg goed.

In een recent tv-interview vertelt ze hoe ze zich voorbereidt op de Victoria’s Secret show. Ik hang aan haar volle lippen. Het geheim is dat ze sowieso altijd “met mate” eet (yes, dat doe ik ook!), veel groenten en fruit consumeert (check!), sloten water drinkt (helemaal goed!), vrijwel niet snoept en de laatste paar weken voor de show helemaal géén vet of zoet meer tot zich neemt (hmmm, dat doe ik niet) en zich onder de bezielende leiding van haar personal trainer 24/7 helemaal suf sport.

Bij dat laatste ben ik meteen alert, want ja, sporten doe ik óók!!! Misschien alleen niet in die mate en helaas ook moederziel alleen, maar een kniesoor die daar op let. Eigenlijk, zo denk ik overmoedig, heb ik nú al zo goed als hetzelfde fitness- en schoonheidsregime als Doutzen. Ienie mienie detailtje is alleen dat ik er niet ook zo uit zie.

Dus worstel ik me door de obligate fitnessvideo heen waar te zien is wat Doutzen zoal doet om, nou ja, Doutzen te blijven. Eerste scene: Doutzen in nauwsluitende zwarte legging en kek lichtblauw (geen-toeval-want-matcht-zo-leuk-met-haar-ogen-) topje dat haar absurd platte buikje onthult. Tweede scene: Doutzen die beeldig en transpiratieloos 120 keer per minuut touwtje springt. Derde scene: Doutzen die als een volleerde bokser in een rottempo rechtse en linkse directe uitdeelt aan haar welwillende sparringpartner en daarna – zucht – niet eens buiten adem is, laat staan dat ze ook maar één gestylede lok verkeerd heeft zitten.

Ik heb genoeg gezien en ga meteen als een gek met een springtouw van de kids, dat al sinds de pré-puberjaren ligt te verstoffen in de garage, aan de slag. Verdorie, dat valt nog niet mee. De bedoeling is dat je er in gelijkmatig hoog tempo soepeltjes overheen springt, maar ik raak om de haverklap verstrikt in het touw. Bovendien zweet ik ondanks mijn deodorant wél als een otter en heb ik ineens een acute bad hair day. Ja, zo wordt het natuurlijk nooit wat met mijn Doutzen look-a-like projectje.

Gedesillusioneerd smijt ik het springtouw terug de vergetelheid in en graai meteen naar een extra grote chocoladereep (mét pralinévulling). En terwijl ik in een halve minuut het calorie-equivalent van een half jaar eten én drinken van Doutzen verorber troost ik me met de gedachte dat dit toch een onbereikbaar ideaalbeeld is.

Het geheim van Victoria? Griezelig goede genen. Maar ook één langgerekt chocoladeloos bestaan in combinatie met – pak hem beet – 12 uur sporten per dag. En bijna, bijna, voel ik zowaar iets van medelijden voor haar. Want bij nader inzien vind ik dit toch niet zo aanlokkelijk als het lijkt.

© Pascale Bruinen

En hier is het dan, het vermaledijde springtouw. Kom op, laat me alsjeblieft weten dat ik er niet alleen voor sta met mijn goedbedoelde maar weinig succesvolle pogingen ons aller Doutzen te evenaren…Ik weet zeker dat jullie stiekem ook wel eens een soortgelijke actie hebben geprobeerd. Schrijf het eens aan mij zodat alle lezers hieruit troost kunnen putten!

Zo slank als je dochter

Een beetje nostalgie is het wel, deze slogan van een reclamecampagne voor margarine uit lang vervlogen tijden. Zo lang dat het merk in kwestie niet eens meer bestaat.

In mijn geval is het ook nog waar. En dat kan erg leuk en egostrelend zijn. Maar het heeft ook beduidend mindere kanten. Daar ben ik de laatste tijd wel achter gekomen met een puberdochter in huis.

Het toeval wil namelijk dat ik niet alleen een slanke maar ook een moderne, euh pardon: chille, moeder ben met dito kleren. En een aardige verzameling tassen, schoenen, laarzen en accessoires.  En dat is niet bepaald onopgemerkt gebleven.

Zo is het me geregeld gebeurd dat ik ’s ochtends hele stapels t-shirts tot twee-, driemaal toe doorworstel, op zoek naar dat ene waar ik mijn zinnen op heb gezet.

Inwendig vloekend en zuchtend ga ik na een tijdje aan mezelf twijfelen. Ik meende toch zeker te weten dat het net uit de was kwam. Vertwijfeld besluit ik dan maar mijn hele kledingkeuze om te gooien, om vervolgens stokstijf te blijven staan als ik mijn dochter in de badkamer ontwaar. Juist.  Met míjn t-shirt aan.

Op mijn giftige uitroep waarom ze mij niks heeft gevraagd, antwoordt ze doodleuk dat ze wel aannam dat het mocht. Ze is zich hoegenaamd van geen kwaad bewust. Gelet op de tijd laat ik het erbij, onderwijl wel nog dreigend dat ze me de volgende keer toch echt van tevoren moet vragen of het ok is iets van mij te lenen. Een plichtmatig, onverstaanbaar gemompel valt mij ten deel.

Op de een of andere manier stelt het me niet gerust.

© Pascale Bruinen

Wie oh wie heeft ook zo’n puberdochter in huis??? Schrijf je ellende en stress van je af in een reactie zodat het hele lezerspubliek kan delen in je smart, zodat die gehalveerd wordt!

Vliegangst (2)

Hoewel vliegen beweerdelijk nog steeds de veiligste manier van reizen is, ben ik er niet bepaald fan van. En dan druk ik me nog zacht uit.

Zo kan zelfs de aanwezigheid van de diverse, zeer nadrukkelijk onder de aandacht gebrachte, exits mijn latente ongerustheid in een vliegtuig niet wegnemen. Het woord wekt namelijk de (onterechte) indruk dat je op zo’n 11 kilometer hoogte nog even uit zou kunnen stappen als je daaraan de behoefte zou voelen of de nood aan de man of vrouw zou komen.

Meestal is mijn stressniveau door het gedoe bij check-in en het wachten bij de gate al tot ongekende hoogte gestegen en dan is er nog geen meter gevlogen.

Ingesnoerd in mijn stoel wacht ik angstvallig  op de dreigend klinkende woorden uit de cockpit dat we cleared for take-off zijn. Vanaf het moment dat het enorme gevaarte – met alle bemanning, passagiers, bagage en ongeveer 70.000 liter hoogst brandbare kerosine – daadwerkelijk de lucht in gaat begint het eindeloze luisteren naar alle mogelijke (op gevaar duidende?) geluiden die het vliegtuig produceert.

En dat zijn er nogal wat, zoals de bekende “boink” van het inklappen van het landingsgestel, de steeds wisselende geluidssterkte van de brullende motoren en nog een hele reeks geluiden die een leek als ik helemaal niet thuis kan brengen. Mijn oren zijn dan ook voortdurend op ieder geluid gespitst, hetgeen nogal lastig is nu gedurende de hele vlucht voortdurend “ding-dong’s” weerklinken. Telkens kijk ik dan verschrikt op of het niet een of ander alarm is dat afgaat. De nogal banale werkelijkheid is dat het passagiers zijn die op de knop duwen om een stewardess te lokken.

Op het moment dat de cruising altitude of kruishoogte eindelijk is bereikt en het bordje fasten seatbelts uit gaat, breekt er een periode van semi-ontspanning aan. Hierin houd ik mij verstandig voor dat er over de hele wereld ontelbare vluchten per dag heelhuids aankomen, dat de piloot goed getraind is in allerhande noodsituaties en zelf ook graag weer thuiskomt bij moeder de vrouw en kids.

Uit deze mij milder stemmende overpeinzingen word ik vervolgens wreed weggerukt als een dwingende “ping” door de cabine schalt en streng aankondigt dat wegens turbulentie iedereen meteen moet gaan zitten en de veiligheidsgordels moeten worden vastgemaakt. Nu heb ik de mijne uiteraard nooit los gehad maar voor alle zekerheid trek ik hem dan nog maar wat strakker aan.

De stress is weer in alle hevigheid terug en het soms eindeloos durende heen en weer geschud, getril, geschok en gebonk maken dat ik mij koortsachtig afvraag hoeveel turbulentie een vliegtuig eigenlijk aan kan.  Flashes van tv-programma’s als “Seconds to Disaster” en “Air Crash Investigation” (waar ik met een morbide vorm van zelfkastijding  telkens toch weer naar kijk) schieten door mijn hoofd en maken mijn mentale toestand er niet bepaald beter op.

Ondertussen houd ik de stewardessen nauwlettend in de gaten. Kijken ze ontspannen en glimlachen ze nog naar passagiers, of rennen ze met een bedrukt en zowaar bezorgd gezicht door de aisles, onderwijl druk met hun collega’s fluisterend zodat de passagiers niks mee krijgen van hetgeen werkelijk aan de hand is? Al met al is het een doodvermoeiende situatie om alles continu in de gaten te houden. Dus voor mij allesbehalve het welgemeende sit back, relax and enjoy the flight-verhaal dat bij het begin van iedere vlucht zo enthousiast wordt omgeroepen.

Als je als lezer nu denkt dat ik het ergste wel gehad heb, moet ik je teleurstellen. De echt állervreselijkste periode van een vliegreis vind ik namelijk het stuk vanaf dat de daling wordt ingezet totdat het vliegtuig is uitgeremd en rustig naar de gate taxiet. Het schokken, draaien, rollen, omhoog en weer omlaag gaan, het afremmen, de gierende geluiden van de flaps die uit gaan, het met een hoop lawaai uitkomende landingsgestel en de toenemende turbulentie als het vliegtuig door de wolken gaat. Alles is één brok ellende.

Het moment dat het fasten seatbelts bordje eindelijk uit gaat en je veilig het vliegtuig verlaat is altijd weer het hoogtepunt van de reis. De geluks- en dankbaarheidsgevoelens om wéér een vliegreis te hebben overleefd zijn gigantisch. Een onbeschrijflijke opluchting maakt zich van me meester, al zie ik tegen die tijd dan wel uit als een uitgewrongen dweil.

Een opluchting die zal duren totdat de volgende vliegreis weer is geboekt en alles weer van voren af aan begint.

© Pascale Bruinen

Nou, gelukkig hoef je niet zó te vliegen maar zelfs in je comfortabele stoel is het niet altijd even leuk…Kom op lezers, wie deelt mijn op zijn zachtst gezegd nogal ambivalente gevoelens over vliegen?

Weggoois(ch)e Vrouwen

De alom aanwezige crisis heeft ook positieve bijwerkingen. Door het chronische geldgebrek bij de gemeentelijke overheden worden alle voorzieningen op een laag pitje gezet. Hoogste tijd om dus zelf in actie te komen, indachtig het steeds vaker uitgedragen principe van de zelfredzaamheid. Of, om het met de historische woorden van John F. Kennedy te zeggen: vraag niet wat uw gemeente voor u kan doen, maar wat u voor uw gemeente kunt doen.

Het antwoord op deze retorische vraag dringt zich al meteen op als ik een voet buiten de deur zet. Al joggend en fietsend door onze mooie landelijke wijk valt mijn blik steeds vaker op chipszakken, plastic flessen en zakdoekjes. Schijnbaar achteloos weggeworpen in de berm of  – waarom ook niet? – gewoon midden op het prachtige speelveldje. Als puisten op een wondermooi gezicht. Ze springen in het oog, of je het wilt of niet.

Met ieder hardlooprondje en ritje op mijn stalen ros groeit mijn irritatie. De hele route is vol met de tastbare uitwassen van onze op hol geslagen consumptie-maatschappij. Het wordt niet minder, alleen maar meer. De verhuftering van de samenleving op micro-niveau.

Gesterkt door het Chinese spreekwoord dat zelfs de langste reis begint met de eerste stap besluit ik – inmiddels tot het uiterste getergd – het heft zelf maar in handen te nemen. Of liever de vuilniszak. En gewapend met een paar stevige handschoenen trek ik er op uit. Het idee erachter is verbluffend in zijn eenvoud. Ik wandel toch al vaker door de buurt, dan is het een kleine moeite om de rotzooi van anderen gewoon op te rapen.

De eerste keer dat ik er zo op uit ga ben ik nog optimistisch gestemd. Ik denk dat ik aan een normale plastic zak wel voldoende heb, ik woon toch in een nette wijk? Niets blijkt minder waar. Ja, het is een van de beste woonwijken maar nee, net zou ik het niet willen noemen. Wij zijn een vies volkje. In een mum van tijd is mijn plastic zak overvol met blikjes, glazen flesjes, snoeppapiertjes, sigarettendoosjes, stukken plastic, McDonalds bakjes en kartonnen drinkpakken (de anderhalve liter variant). Ik ben verbijsterd want ik ben pas op een derde van één lange straat. Snel begeef ik me naar het milieuperron waar ik de zooi op verantwoorde wijze gescheiden in de daarvoor bestemde bakken dump.

Ik trek nogal de aandacht. Een fietser kijkt om als hij me tussen de struiken plastic frietbakjes ziet plukken. Er zijn automobilisten die remmen als ze mij met gehandschoende handen zien zeulen met een zware vuilniszak. Zelfs kinderen staren me aan. Maar ik ga onverstoorbaar door.

Mensen die ik tegenkom reageren uiterst positief. Een jong koppel met kindertjes prijst mijn onbezoldigde arbeid en zegt dat ze dit zelf ook moeten gaan doen in hun wijk. Een mevrouw die ik tref bij het milieupark schrikt zichtbaar van de hoeveelheid afval die ik op een kort stukje heb ingezameld en zegt dat mijn voorbeeld navolging verdient.

Dat vind ik zelf eigenlijk ook en dus besluit ik op de eerste de beste meidenavond mijn “pick ’n walk” principe te delen met mijn vriendinnen. Nadat ze bekomen zijn van hun eerste verbazing vinden ze het een geweldig idee en besluiten ook mee te gaan doen.

En dus trekken we, inmiddels vier man sterk (nou ja: drie vrouwen en een puber van 12), op een herfstige zondagochtend om 9.00 u de wijk in en rapen ons in anderhalf uur helemaal suf. Bij het aantreffen van een midden op een veldje weggegooide megafles champagne vraagt onze adolescent zich hardop af waarom iemand dat doet. Goeie vraag, te meer nu de vuilnisbak op nog geen tien meter afstand staat.

Moe maar voldaan gooien we de laatste rotzooi in de bakken. Volgende week weer? Jazeker. Het zaadje is geplant. Mijn vriendin heeft inmiddels ook een mooie naam voor ons meiden bedacht: Weggoois(ch)e Vrouwen. Het zou zomaar de nieuwste real life soap kunnen zijn.

© Pascale Bruinen

Het is zo’n simpele maar effectieve methode! Bovendien is het leuk, goed voor de gemeenschapszin, het kost niks en het is nog gezond ook (lekker buiten bewegen). Inmiddels heeft de gemeente zelfs prikstokken, handschoenen en vuilniszakken geleverd en is er ook een Weggoois(ch)e Man bij gekomen, die met zijn kindertjes meedoet.

Heb jij ook plannen voor een leuk burgerinitiatief? Laat het me weten en reageer!

Vrije dag

De race tegen de klok is begonnen. Het is mijn vrije dag.

Ik ben het prototype van een duizendpoot. Schijnbaar moeiteloos combineer ik de lange werkdagen en bijbehorende stress met de huishoudelijke, relationele en opvoedkundige beslommeringen.

Op de dagen dat ik zogenaamd vrij heb werk ik nog langer en harder dan op mijn reguliere werkdagen. En dat terwijl ik telkens van plan ben eens te relaxen en onder het genot van een kop thee een flink stuk te gaan lezen in dat mooie, dikke boek. Per slot van rekening heb ik vrij. Toch?

In werkelijkheid raas ik zo’n dag aan één stuk door. Wat ik dan zoal doe? Heb je even?

Om 6.30 uur opstaan, bed opmaken, wassen, kammen, make-uppen, aankleden, half uur hardlopen, krant uit brievenbus halen (geen tijd om te lezen), planten water geven, alle vuilnisbakken legen, afwasmachine leegruimen (verdorie, was die nu al weer schoon?), fornuis schoonboenen, eten, brood alvast uit diepvries leggen, rotzooi opruimen die ik her en der tegenkom, alles afstoffen, afsoppen en weer afdrogen, chloor in twee wc’s donderen, badkamer afsponzen, twee trappen en alle kamers stofzuigen (behalve die van de kids, die moeten ze zelf doen. Yeah right!), dweilen, rekeningen betalen, mails beantwoorden, sms-berichten terugsturen, papieren in juiste klappers stoppen, Oprah toch maar weer opnemen, even naar de supermarkt, spullen thuis weer uitladen, formulieren van schoolreisje invullen, Duitse grammatica doornemen met zoon, alvast beginnen met koken en tussendoor nog voor- en achtertuin schoffelen en aanvegen.

En dit alles prop ik vóór een uur of vijf ’s middags als mijn man thuiskomt. Niet omdat ik bang ben dat hij boos wordt omdat ik niet alles op tijd af zou hebben, welnee! Ik ben juist bang dat hij merkt dat ik wéér niks voor mezelf gedaan heb. Vandaar dat ik vlak voor 17.00 uur, als ik een paar minuten eerder (ja, met dat dikke boek!) op de bank ben geploft, uit alle macht de schijn probeer op te houden dat ik daar al úren heb doorgebracht. Helaas hoeft hij maar één onderzoekende blik op mijn uitgeputte gezicht te werpen om de naakte waarheid meteen te doorgronden. “Het is weer zover want je zit net, is het niet?” Het valt niet te ontkennen want ik kom bijna niet meer op.

Kun je je dan voorstellen dat ik werkelijk niet wist wat ik hoorde toen mijn dochter zich onlangs beklaagde over het corvee-regime. “Wij moeten de tafel dekken en afruimen en onze eigen kamers poetsen. En wat doe jíj dan eigenlijk nog?”

© Pascale Bruinen

Wie ervaart zijn (spaarzame) vrije dag(en) op dezelfde manier? Laat wat van je horen via een reactie op deze column!

Voorjaar

Elk jaar blijft het toch een wonderlijke belevenis. Na maanden van duisternis, kilte, storm, sneeuw, regen, ijzel en een kou die je tot in je botten voelt, is dan ineens dat magistrale moment aangebroken.

Het gebeurt meestal plotseling. Op een dag kom je buiten en voel je meteen aan:  er is iets veranderd. Er zit iets in de lucht, in het licht. Het ruikt ook anders. Er hangt een verwachtingsvolle sfeer buiten, alsof er iets te gebeuren staat. En dat is ook zo.

De vogels hebben dat meestal als eersten in de gaten. Zo viel het mij halverwege maart op dat ik, na maanden van stilte, ineens al heel vroeg in de ochtend weer wakker werd van het gefluit en getsjilp van vogels. Saillant detail: het was nog aardedonker. Vogels voelen kennelijk gewoon aan dat het voorjaar wordt.

Terwijl ik dit schrijf zit ik buiten in de tuin. Het is 21 graden op een prachtige lentedag in april 2011. In de verte hoor ik het vertrouwde belletje van de ijsco-man. Daar kan ik zó blij van worden. Noem het jeugdsentiment maar in deze woelige tijden biedt het troost te weten dat sommige dingen nog net als vroeger zijn.

Als ik mijn ogen sluit hoor ik heldere kinderstemmen die opgetogen roepen, het geluid van een stuiterende bal, een buurman die iets aan het timmeren is, een blaffende hond. Mensen zijn weer buiten bezig en dat is heerlijk, zeker na zo’n lange periode van gedwongen binnen zitten. Ik durf zelfs te beweren dat het voorjaar zo’n extatisch gevoel oproept omdat we zo lang onder ons herfstig en winters kluizenaarschap hebben moeten lijden. Zeker weten dat we de seizoenen, ja zelfs de regen, zouden gaan missen als we altijd mooi weer zouden hebben. Afwisseling tussen warme en iets warmere dagen wordt namelijk al snel stomvervelend.

Het ontluikende groen in onze tuin doet pijn aan mijn ogen, de hosta’s groeien zienderogen en af en toe zorgt een zacht briesje ervoor dat de zoete bedwelmende geur van de sneeuwbalstruik mijn neusgaten bereikt en verwent.

De nucleaire ellende in Japan, de Nederlandse missie naar Afghanistan, het kabinet met gedoogsteun, het gesteggel over de pensioenen, ja zelfs de bemoeizucht van Cruijff bij Ajax. Alles maar dan ook alles lijkt ineens volstrekt onbelangrijk.

Het is voorjaar!

© Pascale Bruinen

Roept het voorjaar bij jou ook dit soort gevoelens op? Deel ze met mij en de lezers van deze blog door te reageren op deze column!

Vliegangst (3)

Ik vlieg niet graag. Desondanks stap ik toch telkens weer in.

Door de Ijslandse vulkaanuitbarsting moeten we in 2010 een flinke omweg maken tijdens onze non-stop vlucht van Miami naar Düsseldorf. Bij de gate zie ik bij  onze piloot koortsachtig met zijn crew overleggen. Voor hem liggen allerhande niets goeds voorspellende tekeningen die met gefronste wenkbrauwen worden geraadpleegd. Omdat ik daar meer van wil weten ga ik zo dichtbij mogelijk staan, de waarschuwende opmerkingen van H. om vooral te blijven zitten (hij kent me helaas door en door) ten spijt.  Hij blijft eerst ongelovig en vervolgens met het schaamrood op de kaken achter bij de overige wachtenden.

Ik ben niet de enige want een Duitse medepassagier – type controlfreak net als ik – doet precies hetzelfde. Een onderlinge blik van herkenning bevestigt dit meteen. Hij en ik doen ons best zo nonchalant mogelijk vlak in de buurt van de piloot te komen. Aldaar luistervinkend vangen wij flarden op van het gesprek. Ze zijn – in klad! – aan het uitrekenen of ze het ondanks de omweg met de beschikbare kerosine tot in Düsseldorf redden (!!). Net nadat de Duitser en ik elkaar onthutst over zoveel amateurisme hebben aangekeken, kijkt de gezagvoerder mij recht in het gezicht en vraagt mij in alle ernst of ik een collega ben. Nu moet je weten dat ik daar sta in mijn donkerblauwe joggingpak, dus ja, túúrlijk, ik bestuur die Airbus 330 iedere week.

Nu is het mijn beurt om een hoofd als een biet te krijgen. Ik mompel dat ik gewoon een passagier ben en maak meteen van die unieke gelegenheid gebruik om hem te vragen of we nog steeds non-stop terugvliegen. Het weinig bevredigende antwoord is dat ze het daar nog over moeten hebben. Dit ontlokt mijn Duitse partner-in-crime de woorden: “Gooi die kist dan eerst maar eens helemaal vol”. Gelukkig kan de gezagvoerder er mee lachen, H. iets minder.

Door mijn vliegangst ben ik altijd alert als de stem van de piloot over de intercom komt. Tijdens een non-stop vlucht van Amsterdam naar Los Angeles zit iedereen in de tijdelijk verduisterde cabine rustig naar de film te kijken als die plots wordt afgebroken. Alle lichten gaan aan en ineens hoor ik de onheilspellende woorden: “This is your captain speaking”. Ik zit helemaal stijf in mijn stoel want dit kan alleen maar betekenen dat er een onoplosbaar technisch probleem is en dat het toestel ieder moment gaat neerstorten.

Terwijl ik mijn leven al voorbij zie flitsen blijkt dat de gezagvoerder de passagiers alleen maar wil attenderen op het fraaie plaatje van besneeuwd Groenland. Ik ben op slag zo’n tien jaar ouder geworden maar mooi is Groenland wel.

Een andere keer dat de gezagvoerder niets goeds te melden heeft, is tijdens een non-stop vlucht van Amsterdam naar Miami.  Nét als ik  begin aan de smakeloze gecaterde prut die doorgaat voor warme maaltijd, meldt de gezagvoerder dat hij “wegens een vreemde geur in een van de toiletten” de oversteek over de Atlantische Oceaan niet aandurft. Nu heb ik tot dat moment altijd gedacht dat een vreemde geur in een toilet de normaalste zaak van de wereld is, maar kennelijk is dat anders als dit zich voordoet in een vliegtuig. Het fijne aan het defect is overigens dat nota bene een passagier de bemanning hierop attent heeft moeten maken! Enfin, de gezagvoerder vindt het vreemde luchtje voldoende reden voor een heuse “voorzorgslanding” die gemaakt moet worden op Shannon Airport in Ierland.

Mijn vork blijft halverwege de weg naar mijn mond in de lucht steken en ik krijg prompt geen hap meer door mijn keel. Ik voel alle kleur uit mijn gezicht wegtrekken nu in mijn verwrongen geest een vreemde geur wel eens op het begin van een brand kan duiden. Ik ruik uit alle macht om erachter te komen of ergens iets schroeit. De ruim twintig minuten die het nog duurt voordat we  landen, zijn de langste van mijn leven. Het wordt er bij de nadering van de landingsbaan niet echt beter op als ik op de grond een trits brandweerwagens en ambulances klaar zie staan.

Nadat het toestel toch veilig en wel geland is en een aantal jolige (dronken?) Ierse monteurs het toestel hebben gerepareerd, mogen we weer vertrekken. Pas als we allemaal weer ingesnoerd zitten, horen we dat het een probleem met de airconditioning betreft. Mijn opluchting is groot want een airconditioningsprobleem is gelukkig niets gevaarlijks, toch? Wat maakt het immers voor de veiligheid uit of het iets kouder of warmer wordt? Een kniesoor die daar op let.

Mijn mening hierover wordt gelukkig pas enige tijd ná mijn veilige terugkomst ruw bijgesteld als ik lees over het vliegtuig dat door problemen met de airconditioning is verongelukt . Nu het op 12 km hoogte toch al gauw zo’n min 50 graden Celsius is, zijn passagiers en bemanningsleden bevroren.  Whoa! Ik ben met terugwerkende kracht ontsnapt aan een wisse bevriezingsdood.

© Pascale Bruinen

Ik ben heel benieuwd naar de ervaringen van jou als lezer van deze blog. Ook wel eens dit soort toestanden meegemaakt tijdens een van je reizen? Laat het me weten en laat een reactie achter!

Vliegangst (1)

Ik heb vliegangst. En met mij een op de drie passagiers. Ik heb in het vliegtuig gelukkig geen last van hoogtevrees of claustrofobie maar ik voel me niet prettig door het verlies aan controle. Ook ben ik bang voor een terroristische aanslag, kapingen en turbulentie. En natuurlijk heb ik last van de vrees der vrezen:  de angst om neer te storten. Maar deze indrukwekkende opsomming weerhoudt me er niet van om toch een paar keer per jaar opnieuw in te stappen.

In mijn geval begint de vliegangst al weken van te voren en dus ben ik tegen de tijd dat ik moet vertrekken totaal uitgeput door spanning en slaapgebrek en vraag ik me af waarom ik dit ook alweer zo nodig wil.  Oh ja, ik weet het weer, ik wil ontspannen op vakantie.

God mag weten wie ooit verzonnen heeft om de vertrekhal terminal te noemen. Nodeloos te zeggen dat dit woord bij mij hele andere associaties oproept dan het vrolijke en zorgeloze begin van een reis.

Bij de check-in bekijk ik een ieder die met “mijn” vliegtuig mee gaat met meer dan gemiddelde belangstelling. Verdachte types zijn er op een of andere manier altijd genoeg. Zo is er bijvoorbeeld het type “onverzorgde zwerver” bij wie ik me afvraag wat die in hemelsnaam in, pak hem beet, glamourous New York te zoeken heeft. Verder zijn er natuurlijk altijd genoeg mensen die de pech hebben te beschikken over dezelfde boeventronies als de nine eleven kapers. Nors kijkende, bebaarde types worden door mij in al hun doen en laten gevolgd. In mijn verwrongen gedachtenwereld stel ik me al voor dat ze straks hun gesmokkelde bomgordel op hun martelaarsbuik tot ontploffing brengen terwijl ze “Allah is groot” uitroepen.

Uit veiligheidsredenen worden je intelligente vragen gesteld over hoe je je koffers hebt ingepakt. Dat is prachtig, alleen is het grappige natuurlijk dat de gemiddelde terrorist niet echt genegen zal zijn om deze vragen naar waarheid te beantwoorden (“Ja ik heb de semtex inderdaad zelf ingepakt”).

Dan op naar de gate! Het lange, doelloze wachten daar is evenmin bevorderlijk voor mijn innerlijke rust. De eerste blik op het vliegtuig dat me naar de andere kant van de oceaan moet brengen, is altijd weer een uiterst spannende. Ziet het er luchtwaardig uit? Hoewel, ik moet toegeven dat ik daar zelf geen enkel verstand van heb en dus niet weet hoe dit aan de buitenkant te zien zou kunnen zijn. Hoeveel motoren heeft het? Meestal zijn het er “maar” twee, hetgeen mij een onbestemd gevoel geeft want ik had er liever vier gehad, je weet immers maar nooit. Less is in dit geval zeker niet more.

Als dan eindelijk het moment daar is dat de flight crew aan boord gaat, kijk ik met argusogen naar de gehele bemanning en naar de piloot in het bijzonder. Ik speur naar uiterlijke tekenen die erop kunnen wijzen dat hij slaapgebrek of misschien wel een alcohol- of drugsprobleem heeft.

Ronduit onheilspellend wordt het als er geboard moet worden. Met lood in mijn schoenen en een droge mond loop ik de slurf in, me afvragend of ik ooit weer vaste grond onder mijn voeten zal voelen. Zelfs de manisch vriendelijk glimlachende stewardessen en de soothing elevator music in het vliegtuig stellen me geenszins gerust. Het is allemaal nét iets overdone, hetgeen bij mij op zijn minst de suggestie wekt dat het kennelijk dringend noodzakelijk is om iedereen maar zo rustig mogelijk te houden.

Eenmaal binnen moet ik plaatsnemen in mijn halve vierkante meter ruimte. Daar zal ik urenlang doorbrengen op 11 kilometer hoogte om met een gemiddelde snelheid van zo’n slordige 1.000 km per uur over een eindeloze massa water naar het andere eind van de wereld getransporteerd te worden. Dan mag ik me alvast verheugen op het verplichte filmpje en het lezen van de veiligheidskaart (ben ik trouwens de enige die dat echt doet?) met daarin allerhande opwekkende worst case scenarios zoals daar zijn: de noodlanding met bijbehorende “crash-houding”; onverwacht drukverlies met daarbij het welgemeende advies om vervolgens gewoon “rustig door te ademen” (ja hoor) en een landing op het water (!), waarbij men het op de bijbehorende tekening doet voorkomen alsof je relaxt in een zwemparadijs de glijbaan afzoeft.

Ondertussen is dit allemaal natuurlijk slechts bedoeld om een vals gevoel van veiligheid te creëren, want het moge duidelijk zijn: in werkelijkheid is de overlevingskans nagenoeg nihil.  De aardige zwemvesten mét een lichtje om in de duisternis opgemerkt te kunnen worden ten spijt.

© Pascale Bruinen

Oh ik wil het toch zo graag weten. Wie van jullie leest – net als ik – wel de veiligheidskaart? Iedere keer opnieuw? Anyone? Meld je gerust via een reactie, you’re not alone!

Duistere sferen

Mijn puberzoon- en dochter hebben een eigenaardige eigenschap. Zij verkeren het liefst in zo duister mogelijke sferen.

Daar waar wij als verantwoordelijke ouders juist het liefst zo veel mogelijk daglicht binnen willen laten en vooral ook conform alle gezondheidsadviezen optimaal willen ventileren, maken en houden zij alles werkelijk potdicht. Ramen, deuren, gordijnen én (als het even kan) ook nog rolluiken.

Zo heeft mijn zoon een prachtige zolderkamer ter beschikking met maar liefst vier dakramen, voor veel geld net geïnstalleerd met de bedoeling de ruimte te doen baden in licht. Voor zijn nachtrust hebben we wel verduisteringsgordijnen aangebracht, alleen is het jammer dat hij die met name dicht doet op klaarlichte dag. En, om het nog gekker te maken, tegen de tijd dat hij naar bed gaat, doet hij ze net allemaal een beetje omhoog. Zodat hij vooral in de zomertijd veel te vroeg wakker wordt omdat het licht hem recht in zijn ogen schijnt. Logisch, toch?

Mijn dochter, die het doorgaans op werkelijk álle punten faliekant oneens is met haar broer, is hier ineens van een opmerkelijke eensgezindheid want ook zij heeft overdag om de haverklap haar gordijnen dicht.

Dit leidt in ons nederig stulpje geregeld tot blijspel-achtige toestanden. Zij trekken ze dicht, ik doe ze – zodra ze naar school zijn – weer open en wel he-le-maal. Inclusief wagenwijd opengemaakte ramen en deuren teneinde de toch ietwat muffe pubergeur uit hun kamers te doen verdwijnen.

Ze hebben sowieso iets tegen licht, lijkt het wel, omdat ze ook hun huiswerk (in ieder geval op de schaarse momenten dat ze daarmee bezig lijken te zijn) nooit maken aan hun bureau onder het licht van hun speciaal daartoe aangeschafte bureaulamp, maar gelegen op hun bed in het halfdonker.

Geïrriteerd door zoveel duisternis heb ik ze al vaak gevraagd naar het waarom, waarop mijn zoon niet verder komt als “In het donker is het veel chiller en bovendien is het míjn kamer”.  Mijn dochter antwoordt nogal cryptisch dat ze “niet tegen zoveel fel licht kan”. Mijn suggestie om dan ook maar binnenshuis een zonnebril op te zetten, ging haar echter te ver.

Inmiddels is er een soort van wapenstilstand bereikt, licht en lucht worden toegelaten zodra ze de kamer uit zijn en voor de rest heerst er (relatieve) duisternis. En net als ik ervan overtuigd raak dat mijn kinderen (toch in ieder geval op dit gebied) misschien wel abnormaal zijn, vertrouwt mijn beste vriendin mij ineens toe dat ze niet goed wordt van het feit dat haar tweelingzoons van 17 altijd maar alle gordijnen en ramen dicht houden. Om tot mijn groot vermaak er meteen achteraan mede te delen dat ze alles wijd opengooit zodra ze hun kont gekeerd hebben.

Ik kan het niet helpen maar ik word gelijk overspoeld door een golf van intense opluchting. Gelukkig zijn ze niet de enigen die bij voorkeur in een vampierhol wonen en zijn ze – althans voor puberbegrippen – hartstikke normaal!

© Pascale Bruinen

Ouders aller pubers, verenig jullie! Doe ook je beklag over donkere kamers via deze blog en zo kunnen we misschien samen een actiegroep vormen om zo meer licht en lucht in de duisternis te krijgen!

Vakantieherinneringen (1)

Ik kom uit een gezin waar men, ook als ik nog heel klein ben, ieder jaar op vakantie gaat naar het buitenland. Als ik een half jaar ben, nemen mijn trotse ouders mij en mijn twee oudere zussen mee naar Zuid-Frankrijk, aan de Côte d’Azur. We slapen met zijn vijven in zo’n “eitje”, een piepkleine caravan die eigenlijk geen naam mag hebben. Door gebrek aan ruimte slaap ik in een reiswiegje op het gascomfort.

De toon is dan al gezet want sindsdien reis ik veel en graag. Ik herinner me de opgewonden nieuwsgierigheid voor ieder vertrek, de aparte sfeer als de auto wordt ingepakt voor weer een verre bestemming. Vliegen doen wij in die tijd niet, we zijn een echt auto/camping gezin.

Op een gegeven moment zijn mijn ouders in de gelukkige omstandigheid dat ze niet één- maar tweemaal per jaar op vakantie kunnen gaan. Als enige nog thuiswonende telg profiteer ik daar maximaal van, een feit dat mijn twee inmiddels al lang en breed getrouwde zussen bij tijd en wijle groen en geel doet zien van jaloezie.

Meestal gaan mijn ouders in de Paasvakantie naar Zuid-Spanje, Portugal of zelfs Griekenland. Met de auto. Het is in de tijd dat er nog geen portable dvd-spelers, gsm’s, i-pods of i-pads bestaan. Mijn vertier op de achterbank op trajecten van soms een dikke 2.500 kilometer bestaat uit een klein tellertje, een grijs eivormig voorwerp waarop zich aan de bovenkant een knopje bevindt dat je kunt indrukken. Bij elke druk op de knop verschuift het tellertje een nummer. Onderweg geef ik mezelf opdrachten, bijvoorbeeld vanaf nu tel ik alle rode auto’s die ons aan de overkant tegemoet rijden of het aantal vrachtwagens dat wij inhalen.

In die tijd is de airco nog niet uitgevonden. Aan het autoraampje waarop de zon onbarmhartig schijnt, hangt een oranje handdoek (het zijn per slot van rekening the seventies) die betere tijden gekend heeft en onsuccesvol dienst doet om de zon buiten te houden.

Maar op de een of andere manier vind ik nu – al terugkijkend – dat de ontberingen van een hete auto en de oersimpele spelletjes (ik zie ik zie wat jij niet ziet) het reizen in die tijd net dat beetje je ne sais quoi geven. Zelfs het moment dat de volbepakte auto met dito caravan het op een steile bergpas begeeft door een oververhitte motor en wij genoodzaakt zijn om bij 30 graden Celsius de verwarming in de auto aan te zetten (!), lijkt in retrospect nog een zoete herinnering.

Grote vraag blijft of vakanties toen echt leuker waren dan nu of dat met het verstrijken van de tijd alleen nog maar de beste herinneringen overblijven. Waarschijnlijk heeft het ook met ouder worden te maken. Terugkijken als volwassene transporteert je immers weer voor even naar een fijne jeugd die nooit meer terugkomt. Dat zorgt er vanzelf voor dat alles uit die tijd door een roze bril wordt bekeken.

Ik hoop dat de nu bestaande welvaart ondanks de crisis uiteindelijk ook voor de generatie van mijn kinderen (en die erna) behouden mag blijven. Zodat ze ook de gelegenheid krijgen om hun eigen mooie vakantieherinneringen te kweken, waarop ze later hopelijk met een even goed gevoel als ik kunnen terugkijken. Het is ze gegund.

© Pascale Bruinen

Wil je ook je leukste of ontroerendste vakantieherinneringen delen? Laat dan een reactie achter op deze column.

Tv-polygamist

Ik biecht het meteen op. Ik heb een liefdesverhouding met verschillende televisieprogramma’s.

Echte trouwe liefde is er tussen mij en het acht uur journaal én Louis Theroux, nieuwsprogramma’s en onthullende documentaires. Ik ben opgegroeid in een gezin waar steevast naar alle actualiteitenprogramma’s werd gekeken. Achter het nieuws, Brandpunt, Hier & Nu, Tros Aktua. Als een spons absorbeerde ik alles van nieuws dat uit het magische kastje tot mij kwam, als ware het een soort van evangelie. Het is nooit meer over gegaan.

In vroeger tijden heb ik een kortdurende maar hevige kalverliefde voor de serie Floris. Of is het toch meer voor Rutger Hauer? Wat later heb ik flings  met Pippi Langkous, Black Beauty en het überspannende Q&Q.  De hand van die dooie die uit dat bladerdek omhoog steekt, heeft zich nog járen gemanifesteerd in menige nachtmerrie. Daarna komen LA Law en Ally Macbeal. Ik studeer rechten, vandaar. Vervolgens word ik verliefd ik op ER en Friends. Maar voor een polygame tv-kijker is dat natuurlijk geen probleem.

In een nieuwe periode vind ik het geluk bij Sex and the City, gevolgd door CSI. Eerst de oorspronkelijke Las Vegas-versie en daarna met name CSI Miami. De overduidelijke gele filter die gebruikt wordt voor al het camerawerk in laatstgenoemde serie maakt dat ieder shot altijd zonnig en gezellig uitziet, niettegenstaande de ene gruwelijke lijkvinding na de andere. Ik verheug me altijd het meest op het moment dat de sexy en immer in designkleding gestoken lijkschouwster ter plaatse komt en met open decolleté boven de onfortuinlijke dode hangt, onderwijl diens met bloed besmeurde haren teder strelend. Fantastisch! Veel verder van de werkelijkheid van het werk van de doorsnee patholoog-anatoom kun je immers niet komen. Het blijft smullen geblazen.

Ook voel ik me als een magneet aangetrokken tot de uitzending waarin de eerste zwarte president van de Verenigde Staten wordt beëdigd. Ik moet en zal er live getuige van zijn. Om er maar geen minuut van te hoeven missen, vertrek ik die dag zelfs eerder van het werk zodat ik de hele ceremonie kan zien. Zo word ik zelf ook een klein beetje deel van deze historische gebeurtenis.

Met de complete serie “Life” van de BBC is het liefde op het eerste gezicht. Onwaarschijnlijk mooie beelden van dieren waarvan ik het bestaan niet eens vermoed. Ontzagwekkende natuur waardoor je je pijnlijk bewust wordt van je menselijke nietigheid. Het camerawerk in slow motion is van ongeëvenaarde schoonheid. Puur genot. Al is het wel jammer dat de waardige opvolger, Frozen Earth, dit idyllische plaatje van ongerepte natuur een ietsie pietsie verstoord heeft. In plaats van beelden van de geboorte van twee ijsbeerjongen in barre omstandigheden op de Noordpool te filmen, hebben ze gemakshalve het filmpje van Ouwehands Dierenpark gebruikt en dit op slinkse en vernuftige wijze tussen de rest van de beelden gemonteerd.  Waarna mijn liefde toch wel enigszins bekoeld is omdat ik me nu telkens blijf afvragen hoe authentiek de rest nog wel is.

Maar ik kijk niet alleen dit soort politiek correcte programma’s. Niks menselijks is mij vreemd en het vlees is zwak, dus ik beken grif schuld aan een al jaren durende verslaving aan Desperate Housewives en Oprah. Nu laatstgenoemde is gestopt, is het afkicken geblazen met The Dr. Oz Show. En zeer recent ben ik gevallen voor 24 Kitchen en Panam. 

Kortom, mijn polygame tv-inborst kan zich blijven uitleven. Dus switch ik naar hartelust en zonder enige gêne tussen mijn diverse lovers, al naar gelang mijn humeur. Ze verrijken mijn leven. De een is een fantastische leermeester. De ander brengt gevaarlijke, mooie of verre oorden op comfortabele wijze binnen handbereik. Een derde entertaint en ontroert me of maakt me aan het lachen.

Ik hou onvoorwaardelijk van ze allemaal. En iedereen mag het weten.

© Pascale Bruinen

En wat zijn jouw favoriete programma’s op tv? Deel je beeldbuis/flatscreen geheimen met ons en reageer op deze column!

Jeugdtrauma

We schrijven november 2011. Onze Vize Weltmeister heeft met 3-0 verloren van aartsrivaal Duitsland. Een vriendschappelijk partijtje, dat wel, maar toch. Wat doet dat met me? Niet heel veel meer, moet ik bekennen. Ik kan het nu beter relativeren.

Dat is vroeger wel anders. Ik ben gek van voetbal, met dank aan mijn vader. Bij gebrek aan een zoon hoopt hij dat een van zijn dochters het heilige vuur voelt. Pas bij de derde heeft hij prijs. Ik ga mee naar het stadion voor het voetbal en niet voor snoep van het “rondloopmannetje”, zoals mijn zussen.

Het hele WK 1974 heb ik ondanks mijn jeugdige leeftijd intens beleefd. Het Nederlands elftal zit natuurlijk in de zwaarste poule. West-Duitsland uiteraard in de zwakste. Mijn grote favoriet is Johan Neeskens, een stoere bikkel die niet kapot te krijgen is. Moet je nu eens om komen met die verwende, overbetaalde snotapen die voor het minste of geringste uitvallen. Of soms niet eens willen invallen.

Oranje knalt zich met het ene totaalvoetbal-hoogstandje na het andere de sportgeschiedenis én de finale in. Waar West-Duitsland wacht, dat de weg naar München strompelend heeft afgelegd maar er toch is gekomen dankzij typisch Duits doelpunt-in-blessuretijd-geluk en thuisfluitersvoordeel.

De finale op 7 juli 1974 zie ik met mijn ouders in een Zwitsers restaurantje in Spanje, nota bene temidden van allemaal Duitsers. Uitgerekend mijn idool mag al na welgeteld twee (!) minuten aanleggen voor een strafschop, die ook nog overgenomen moet worden. Maar hij zit en ondanks dat we zwaar in de minderheid zijn, durven we toch te juichen, overtuigd als we zijn dat Die Mannschaft – met al die provocerende, oerlelijke Neanderthalers – helemaal opgerold zal worden.

De rest is geschiedenis. Ik ben ontroostbaar en heb de 1300 kilometer lange rit naar huis alleen maar gehuild over zoveel onrecht. En mijn ouders én mezelf vanuit Spanje, door Frankrijk via België tot in Nederland gekweld met één en dezelfde, eindeloos herhaalde, vraag.

“Kunnen ze die finale niet overspelen?”

© Pascale Bruinen

Tja, na deze zeer pijnlijke herinnering is het woord aan jullie. Durven jullie nog te grasduinen in die ver weg gestopte herinnering? Of heb je het misschien helemaal verdrongen? Laat het ons weten op deze blog!