Ontmoeting in ziekenhuis

Flashback naar midden jaren negentig. Ik báál. Van mijn dikke zwangere buik die me in de weg zit, van het stil moeten liggen, van de grenzeloze verveling die hoort bij een ziekenhuisopname die al ruim anderhalve week duurt.

In die tien dagen heb ik al verschillende kamergenotes de revue zien passeren. Die gelukkigen zijn inmiddels al weer terug thuis, met hun pasgeboren baby. Ik ben voorlopig nog niet zo ver.

De routine van het ziekenhuis-leven is slaapverwekkend, het gevoel geleefd te worden gigantisch en het gebrek aan privacy stuitend. Om de zoveel tijd komt een dokter je even aan een lichamelijk onderzoek onderwerpen, met in zijn kielzog een hele reeks studenten. Tja, dat zijn nu eenmaal de geneugten van een academisch ziekenhuis. Of hij of zij effe “mag voelen”? Nou nee, liever niet. Zeker niet met al die kwijlende studjes in witte jassen ernaast, die gretig meekijken als ze mijn voeten (die ik inmiddels overigens nog maar zelden kan zien) in ijskoude beugels hijsen. En spreiden maar! Lekker. Zou wel eens muisje willen spelen als ze straks in hun inspiratieloze koffiekamer zitten te ouwebeppen over wat ze nu weer allemaal aan fraais van baarmoedermonden hebben gezien, die van mij incluis.

Denk je ’s nachts van het eindeloze gecontroleer, gefrunnik en gevraag af te zijn, think again. Zelfs mijn nachtrust is niet heilig in het ziekenhuis, getuige het feit dat de verpleegsters op kousenvoeten mijn kamer op komen geslopen om met een mini zaklampje te checken of ik soms niet uit het raam geklommen ben. Toegegeven, ik heb er wel vaker aan gedacht, maar de ramen kunnen helaas niet open. Frisse lucht is inmiddels alleen nog een verre herinnering. Life is boring.

Maar dan. De dag begint eerst nog als alle andere. Ik word gewekt om zeven uur (waarom in godsnaam? Ik ga toch nergens heen de hele dag), getemperatuurd (ook zoiets, je voelt toch zo dat ik niet verhit ben?) en aan de bloeddrukmeter – dezer dagen mijn allerbeste vriend – gelegd. Ook goedemorgen.

Na deze plichtplegingen mag ik mijn gisteren bestelde ontbijtje nuttigen. Ja, ik heb hier élke dag ontbijt op bed. De keuze is of ik een bruin gekleurde kleffe snee brood wil of een witte. Of ik een fletsgeel plastic plakje wat door moet gaan voor kaas wens of een fabrieksmatig gefabriceerd stukje worst. En tot slot, vermag ik lauwe, slappe koffie of heet water met een kleurtje? Hmmm, mag ik daar nog even over nadenken? Nee, het formulier moet met militaire precisie worden ingevuld en tijdig worden ingeleverd, anders krijg ik niks. Hoewel de verleiding soms groot is om dan maar acuut in hongerstaking te gaan, bestel ik iedere keer toch maar braaf. Eten kost immers tijd en zo krijg ik weer twintig héle minuten om.

Na het ontbijt komt de vrijwilligster met de lokale krant, het enige prettige moment van de ochtend. Ik gris hem gretig uit haar handen. Zo, dit neemt me niemand meer af. Hiermee kan ik, als ik maar langzaam genoeg lees, maar liefst 45 minuten doorkomen. Ik ben midden in een artikel over vrouwen boven de 50 die in de kliniek van dr. Severino Antinori via kunstmatige inseminatie toch nog zwanger kunnen worden (ieeeuww, effe niet aan denken!) als ik op de gang het bekende gestommel hoor van een bed op wielen dat wordt voortgeduwd. Het rammelende geluid komt dichterbij. Ik kijk snel op van mijn krant en zie dat het bed míjn kamer komt ingereden.

Oh God, daar zul je De Nieuwe weer hebben, denk ik geërgerd. De Nieuwe is vaak vervelend nieuwsgierig. Ik zal voor de zoveelste keer gevraagd krijgen waarom ik hier lig, wanneer ik ben uitgerekend en of ik soms ook zoveel vocht vasthoud? De Nieuwe betekent ook dat die paar beschikbare stoeltjes voor bezoek weer gedeeld moeten worden, ellenlange stompzinnige telefoongesprekken moeten worden aangehoord en onsmakelijke geluiden vanachter het inderhaast dichtgetrokken gordijn moeten worden ondergaan.

Ik besluit De Nieuwe vanachter mijn krant eerst eens onopvallend gade te slaan. Eerste indruk: ze heeft ongeveer mijn leeftijd, heeft zwart lang haar en ligt niet in het bed maar zit fier rechtop en heeft het hoogste woord. Oh oh. Red Alert. Een druktemaker.

“Hoi, ik ben M. en ben in verwachting van een tweeling. Bij mij zijn de weeën te vroeg begonnen dus ik moet me nu rustig houden”, roept ze lachend bij wijze van begroeting terwijl de verpleegsters haar bed naast dat van mij posteren. “Ha, dat komt mooi uit”, zeg ik, “want ik mag me ook niet inspannen of opwinden anders gaat mijn bloeddruk door het plafond!”. Dit vinden we beiden zo grappig dat we meteen in een deuk liggen.

Binnen een mum van tijd zijn we in een geanimeerd gesprek verzeild geraakt en kletsen we honderduit. En waar denk je dat het over gaat? Juist ja, over onze zwangerschapskwaaltjes, wanneer we uitgerekend zijn en de ellende van een ziekenhuisopname.

Als kamergenoten klikt het zo goed tussen ons dat onze drukke gesprekken, geregeld onderbroken door gierende lachbuien, bij de dokters en verpleegsters al snel tot gefronste wenkbrauwen leiden. “Ze vinden het geloof ik toch niet zo’n goed idee dat ze ons samen hebben gelegd”, fluister ik haar giechelig toe. “Nee, zeker niet. Moet je háár zien kijken!”, antwoordt M. terwijl ze met haar hoofd quasi onopvallend knikt richting de hoofdzuster. En inderdaad, die kijkt allesbehalve happy. Hetgeen weer genoeg is om de slappe lach te krijgen.

“Dames, dames, denken jullie nog aan jullie rust? Misschien moeten jullie eens even een lekker dutje doen”, zegt de hoofdzuster alsof ze het tegen een stelletje onmondige kleuters heeft. Ik proest het bijna uit. Een dutje is zo ongeveer het allerláátste waar M. en ik op zitten te wachten. We liggen goddorie al de hele dag verplicht op bed! Ik voel een bijna puberale rebelsheid opkomen. “Ach, lachen is gezond, nietwaar?”, kan ik niet nalaten nogal provocerend uit te roepen. Zo, daar heeft ze mooi niet van terug. Ze glimlacht minzaam en loopt de kamer uit. “Die heb je mooi weggejaagd!”, schatert M. het uit.

Het mooiste moment van de dag is als onze bloeddruk moet worden gemeten. Niet vanwege deze stomvervelende medische handeling, maar vanwege de jonge, aantrekkelijke verpleger – door ons meteen tot Lekker Ding gedoopt – die dat komt doen. Hee, we mogen dan wel zwanger zijn maar daarom zijn we nog niet blind! Probleem is alleen dat die verdomde bloeddruk flink de hoogte in gaat als we zo liggen te ginnegappen. Dat Lekker Ding vervolgens grapjes met ons maakt, helpt ook al niet want mijn bloeddruk gaat skyhigh. Zelfs zodanig dat het apparaat op tilt slaat en er een of ander alarm af gaat. Tuu-doe-die, tuu-doe-die, tuu-doe-die, loeit het ding door de kamer.

In plaats van dat ik daarvan in de stress schiet, barst ik op dat moment in een onbedaarlijke lachbui uit. Ja, ik weet het, hoogst ongepast en niet echt getuigend van verantwoordelijkheidsbesef. Maar ik kan er niks aan doen, het is ook zó’n komisch gezicht. Lekker Ding komt aangerénd, kijkt ernstig en probeert me vriendelijk doch beslist tot de orde te roepen. En onderwijl gaat dat ding maar tekeer. M. ligt, voor zover ze het nog kan met twee baby’s in haar buik, dubbelgevouwen van het lachen. De tranen lopen haar over de wangen, wat weer tot verdere hilariteit leidt.

Als blijkt dat ik ondanks het krijsende alarm nog leef en hoogstwaarschijnlijk blijf leven, wordt Lekker Ding wat rustiger. Het apparaat wordt gereset en even later is mijn bloeddruk weer tot aanvaardbare proporties gedaald. Qua gezondheid is het dus waarschijnlijk inderdaad geen goed idee dat M. en ik een kamer delen. Heeft die stomme hoofdzuster nog gelijk.

Een paar dagen later komen de weeën bij M. weer opzetten en dit keer laten ze zich niet meer tegenhouden. De tweeling, twee jongetjes, wordt veel te vroeg geboren. Ze liggen in een couveuse en wegen ieder nog geen kilo, maar maken het gelukkig goed. Ze heten J. en D. Verdorie, denk ik, J. had ik ook als naam voor mijn baby op staan, mocht het een jongetje worden.

Zes dagen later beval ik van een gezonde zoon. We besluiten hem toch zoals gepland ook J. te noemen. M. zie ik hierna toch nooit meer, denk ik, dus wat maakt het uit? Al heb ik puur uit fatsoen wel nog even aan haar gevraagd of ze daar bezwaar tegen had, maar nee. Zij zal wel hetzelfde denken.

Wist ik veel dat we niet al te lang hierna beste vriendinnen zouden worden, vlakbij elkaar zouden komen te wonen en dat onze kinderen samen zouden opgroeien?

Waar een ziekenhuisopname toch nog goed voor kan zijn.

© Pascale Bruinen

En wat zijn jouw zwangerschaps- en bevallingservaringen? Lekker thuis bevallen bij romantisch kaarslicht? Een kekke onderwaterbevalling gehad? 27 Uur moeten persen? Deel hier jouw bijzondere verhaal.

Survivalkit voor de flexwerker

Net terug van vakantie, hoor ik dat we gaan flexwerken. We mogen nagenoeg niks meer aan persoonlijke spullen op de werkplek hebben. Het devies luidt dus: opruimen! Mijn relaxte post-vakantie staat is in één klap weggevaagd want ik hang nogal aan mijn ditjes en datjes. Sommige nuttig, andere alleen maar leuk en een enkele een combinatie van beide. Ik kijk vertwijfeld naar mijn bureau, kast en de onmiddellijke omgeving daarvan. Dit is wat ik zie aan privé-prullaria:

Twee ingelijste pentekeningen; diverse fotolijstjes met afbeeldingen van mijn kroost toen het nog tanden aan het wisselen was; een imposante verzameling thee- en cup a soupzakjes, mokken, glazen, lepeltjes en een eenpersoons theepot; knutselwerkjes (onder andere een té schattig nep frambozengebakje) en tekeningen van de kids uit het pré-puber tijdperk; een paraplu; een stel hangers; verschillende plastic zakken en stoffen tassen voor als ik boodschappen ga doen; een paar gemakkelijke (platte!) schoenen om in de pauze – verlost van knellende hakken – snel een blokje om te gaan; zo’n bol met nepsneeuw (afdankertje van dochterlief); een stel verjaardagskaarten van drie jaar geleden; een wekkerradio (niet om wakker te blijven maar om eventueel naar de radio te luisteren, wat ik overigens nooit doe); een (plak)spiegel; een gelukspoppetje (cadeau van lieve vriendin); een felgroene verzwaarde zak die fungeert als deurstop; een plant (eentje van het type dat overleeft no matter what); een prent van een Buddhahoofd (bedoeld om zen te blijven wat overigens meer niet dan wel lukt) en een afbeelding van een lachende vrouw en man die onder het genot van een glas rode wijn gezellig in de openlucht aan het tafelen zijn (gevisualiseerd levensmotto van een dierbare vriendin die het werkje passend heeft betiteld als “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij”. Nu dit toevallig ook mijn levensmotto zou kunnen zijn, kijk ik daar altijd naar als ik een mental boost nodig heb. Zoals, euh, nu).

Mijn brein doet een heldhaftige poging om te gaan werken maar raakt al snel overbelast, gewend als het de laatste drie weken is geraakt aan dolce far niente. Eerst maar eens koffie, denk ik, dan opruimen. De massa e-mails in mijn in-box en stapels door te ploegen dossiers moeten dan nog maar even wachten.

Gewapend met een cappuccino uit de automaat, die overigens in niets laat denken aan het gelijknamige drankje waarvan ik in Italië heb genoten, keer ik terug op mijn kamer. Ik adem eens diep in, neem een van mijn plastic zakken ter hand (zie je, komt nu toch goed van pas!) en donder daar, met pijn in mijn hart, zoveel als maar kan aan spulletjes in. Met uitzondering van mijn thee- en soepzakjes (dorst en honger is niet goed voor de productie), mijn plakspiegel (ik wil niet rondlopen met lippenstift op mijn tanden en ik krijg hem toch niet meer van de muur af), mijn gelukspoppetje (wie weet wat er gebeurt als ik het weghaal) en afbeelding van “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij” (het oog wil ook wat). Daar moet ik dus nog iets op verzinnen.

Ik kijk, nadat ik drie zakken tjokvol heb gestouwd, tevreden om me heen. Hee, ik kan de vensterbank weer zien! En de ruimte ziet er navenant groter uit nadat ik een onwaarschijnlijke hoeveelheid post-its, briefjes, memo’s en een enkel vergeeld krantenartikel van de muur getrokken heb. Ik voel me verlost, gelouterd, bevrijd.

Maar daarmee ben ik er nog niet. Want in plaats van in totaal anderhalve (hoge) kast in beslag te mogen nemen, krijg ik vanaf nu maximaal twee planken toegewezen. Twee planken. Dat wordt een uitdaging. Ik laat mijn ogen gaan over de onafzienbare rij ordners die ik in de loop der tijden verzameld heb. In het overgrote deel ervan werp ik nooit een blik, laat staan dat ik er iets mee doe. Hoogste tijd dus voor rigoureuze actie. Mijn methode? Ik blader ze vluchtig even door, schrik me kapot van de inhoud die soms terug blijkt te gaan tot rond de millenniumwisseling om vervolgens het hele zwikje met een voldaan gevoel in de papierversnipperaar te gooien. Zó, dat lucht op. Na een uur heb ik zowaar drie kwart van een hele kast weggewerkt. Maar dat komt omdat ik na de eerste tien minuten besluit het vluchtig doorbladeren over te slaan en de inhoud ongezien weg te smijten in de rotsvaste veronderstelling dat ik het toch niet zal missen.

Blijft het probleem dat ik binnenkort geacht word aan eender welk bureau te kunnen werken, terwijl ik toch wat aan eigen spulletjes en gezelligheid wil behouden. Ineens heb ik een ingeving. Ik moet gewoon zo’n zeil hebben met daaraan op iedere hoek een touw, zoals die verkopers van neptassen- en zonnebrillen. Iedere ochtend spreid ik dan dat zeil uit over mijn “bureau van de dag” en arrangeer mijn privé-spulletjes erop. Aan de flexmuur pin ik mijn “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij”, mijn gelukspoppetje hang ik over mijn leeslamp en mijn plant posteer ik naast het computerscherm. All set! Zodra ik uitgewerkt ben, trek ik aan de vier touwtjes zodat mijn spullen in één handige beweging samengepakt worden in een soort van pungel en ik vertrek. Ideaal!

Een survivalkit voor de flexwerker.

© Pascale Bruinen

En dit is ‘m dan, “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij”, die niet mag ontbreken op mijn flexwerkplek. Één blik op deze afbeelding en je weet waarom.

Fotoshoot

Als je column-ambities maar ver genoeg reiken, kom je een heel eind. Zo ben ik er met noeste arbeid, de nodige volharding en een zekere dosis talent in geslaagd een wekelijkse column in de zaterdagbijlage van het AD te bemachtigen. Voorwaar de droom van iedere beginnende columnist. Niets minder dan een mijlpaal in mijn prille schrijversbestaan. Een gebeurtenis die voor mij dezelfde impact heeft als de bevestiging van het bestaan van het God-deeltje voor natuurwetenschappers. Er is alleen maar één minpuntje: dat betekent dat er ook foto’s moeten worden gemaakt.

Een snelle blik op mijn horloge leert dat ik nog een heel uur heb voordat de fotografe komt. Ik ben juist doende mijn blouse te strijken die ik zo aan wil, als ik de deurbel hoor. Wie kan dat nou zijn, vraag ik me af. Als ik de voordeur open, zie ik niemand. Wel brandt er een rood lampje op mijn gsm. Een voicemail. Ik luister hem af en verbleek. De fotografe is al hier, ze staat geparkeerd om de hoek! Er waren geen files dus ze had zo kunnen doorrijden.

Paniek! Stress! Ramp! Nooit eerder heb ik het feit dat er géén files zijn zo verwenst als nu. Daar sta ik dan, nagenoeg make-up loos in mijn spijkerbroek met zwarte t-shirtje dat ik vanochtend zorgeloos uit de kast heb gerukt om naar de kapper te gaan. Ik bel haar terug en even later staat ze, bepakt en bezakt, in de gang.

Ze informeert me dat het haar een mooi plan lijkt om een deel van de fotoshoot op de oprit te doen. “De óprit?”, bauw ik haar na. Moet ik zeker gaan poseren in het volle zicht van die nieuwsgierige postbesteller, de buurman van een paar huizen verderop die zijn hond uitlaat en iedere toevallige passant? Ik vraag nog of het haar geen beter plan lijkt om het in de achtertuin te doen, maar dan wenkt ze me al naar buiten.

Lichtelijk ongerust loop ik achter haar aan de voortuin in. Ik moet twee keer kijken voordat het tafereel, dat zich daar voor mijn ogen ontvouwt, tot mij doordringt. Haar assistent heeft in een paar minuten tijd een onwaarschijnlijke hoeveelheid statieven, daglichtlampen met reflector en paraplu’s opgesteld, compleet met een immens grote witte wand die in vol ornaat tegen de garagepoort is gezet. Het is te veel om te bevatten.

“Maar eerst gaan we binnen foto’s maken”, informeert ze me. Godzijdank! Stiekem hoop ik vurig dat het zo dadelijk gaat plenzen zodat ik me niet buitenshuis hoef te vertonen met allerhande camera’s op mij gericht.

De fotografe is druk in de weer met schermen, lampen, flitsers, filters en lenzen. Snel besluit ik deze gelegenheid aan te grijpen om wat make-up op mijn gezicht te gaan doen. Ik hol naar boven. Waar is Leco als je hem nodig hebt?, denk ik als ik vliegensvlug en geroutineerd in de weer ga met blusher, mascara en ogenpotlood. Ik maak van de gelegenheid gebruik om in mijn geplande outfit te schieten en ren de trap weer af.

Ik tref de fotografe beneden aan terwijl ze moeilijk kijkt naar mijn bank in de woonkamer. Of het schilderij daarboven weg kan? En, oh ja, alle kussens. En kan die bank misschien verder van de muur? Zó ja. Nu de toga aan de muur hangen, als achtergrond. Ik doe wat ze vraagt. En dan moet ik er aan geloven. Eerst komt ze met zo’n lichtmeter tot viermaal toe vlak bij mijn gezicht. Ze draait aan wat knoppen, zet een enorme lens op haar toestel en komt daarmee naar mijn smaak véél te dichtbij.

Als ik op commando in die grote zwarte cirkel kijk, voel ik me geïntimideerd. Ik merk dat mijn mond in de bekende blokkadestand gaat. Het lijkt wel of ik bevries. Wat ik eerst alleen vreesde, wordt nu werkelijkheid. Mijn fotogezicht neemt mijn eigen gezicht over. Als een vraatzuchtige alien slokt het fotogezicht iedere uitdrukking van spontaniteit op, totdat alleen een blik van “konijn gevangen in koplampen” overblijft.

“Je mag best neutraal glimlachen, hoor!”, zegt de fotografe bij wijze van aansporing. Mijn hersens begrijpen de boodschap, alleen komt die dankzij die alien nooit aan bij mijn gezichtsspieren. Verder dan wat ik denk dat een grimas is à la Jack Nicholson in The Shining net voor hij Shelley Duvall in de badkamer wil gaan afslachten kom ik echter niet. “Ik zoek een echte glimlach, eentje met je ogen”, hoor ik haar vanachter haar gigantische lens roepen. Ja, dat zou ik zelf ook wel willen, maar hoe dóe ik dat?

Ik krijg ineens diep respect voor de Doutzens, Alessandra’s en Adriana’s van deze wereld die er in slagen om volkomen ontspannen voor een camera te staan. De fotografe ziet me worstelen en besluit het over een andere boeg te gooien. “Vertel eens over je laatste vakantie”, zegt ze bemoedigend. Dat helpt. Ik praat en praat. Zij klikt en klikt. Mijn mond voelt zowaar wat losser aan. Omdat het inmiddels hard is gaan regenen (ja, echt!) gaat het oprit-circus niet door. De weergoden zijden geprezen.

“Zou je nog eens dat zwarte t-shirt aan kunnen trekken?”, vraagt de fotografe ineens. Wat? Dat doodgewone t-shirt dat ik lukraak had aangetrokken? “Ik denk dat zwart beter contrasteert”. Ik ben de beroerdste niet, dus ga ik me omkleden.

Of ik mijn kin lager kan houden? Ja, zo. En kan ik mijn gezicht wat schuiner houden? Nee, niet naar links, naar rechts. Prima. Mijn rug moet wat rechter. Kan ik meer naar voren leunen? Denk aan iets leuks zodat je ogen sprankelen! Kan ik eens wat donkere oogschaduw opdoen? Wil ik misschien toch maar even een bruine blouse aantrekken? Nee, dat is het toch niet helemaal, heb ik ook een bruin truitje?

Ik probeer alle aanwijzingen braaf op te volgen maar langzaam aan bekruipt me het idee dat ik een hopeloos geval ben. Totdat ik haar tussen het eindeloze klikken door steeds vaker hoor roepen: “Veel beter!”, “Mooi!”, “Dát bedoel ik”. Voor een nanoseconde voel ik me een supermodel dat bewierookt wordt in de fotostudio van een wereldberoemde fotograaf.

Mijn mini-dagdroom spat uiteen als ik haar hoor zeggen: “Ik heb alles. Daar zal zeker wel een foto tussen zitten”. Één foto? Ze heeft het laatste anderhalf uur bijna volcontinu opnames gemaakt. Als ze mijn gezicht ziet, haast ze zich te zeggen dat dit bij iedereen zo is.

Ik wil het o zo graag geloven.

© Pascale Bruinen

Dit is natuurlijk maar een super eenvoudig digitaal cameraatje. Het echt werk ziet er heel anders uit. Bovendien moet je daar nog wat statieven, lenzen, flitsers, filters, kabels, reflectieschermen en fotolampen bij denken en dan weet je ongeveer wat er bij een professionele fotoshoot komt kijken. Maar het is niet voor niets geweest want er zaten inderdaad een aantal mooie foto’s bij. En dat lag overigens meer aan de kwaliteit van de fotografe dan aan het model.

Nakend Najaar

Het is onmiskenbaar. Hoewel de planten er zo op het oog nog hetzelfde uitzien, de bloemen dapper verder bloeien en het een prachtige warme nazomerdag belooft te worden, ruik ik op een ochtend die typische, vochtige, aardse geur. De zintuiglijke voorbode van de herfst, het seizoen dat symbool staat voor verrotting, verval en vergankelijkheid.

Deze tijd van het jaar valt samen met steeds korter wordende dagen, kouder wordende nachten en onstuimiger weer. Ik ben er nog niet klaar voor. Daarom probeer ik, met een aan fanatisme grenzende gretigheid, alle uiterlijke tekenen van het nakend najaar uit te wissen.

Angstvallig knip ik telkens weer nieuwe bruin wordende bladeren van de varens weg om zo voor even de illusie te behouden dat ze nog frisgroen zijn. Geïrriteerd ruk ik de spinnenwebben kapot die ik in mijn gezicht krijg als ik door de tuin loop. De steeds dorrer wordende petunia’s blijf ik stug water geven. Tegen beter weten in. Want ik realiseer me maar al te goed dat het onvermijdelijk is dat mijn gekoesterde tuin steeds mistroostiger zal gaan uitzien.

Ja, ja. Ik weet wel dat de herfst ook zijn mooie kanten heeft. Zeker. De ragfijn geweven spinnenwebben hebben een geheel eigen schoonheid als ze met dauwdruppels behangen zijn. Het waterige herfstzonnetje geeft er een zacht zilveren glans aan. Natuurlijke kunstwerkjes. Net als de van kleur verschietende bomen, die prachtig gladde, bruinrode wilde kastanjes en de schijnbaar uit het niets opkomende paddestoelen. In deze tijd van het jaar gaat de trukendoos van Moeder Natuur helemaal open.

Toch overvalt me een gevoel van weemoed. Weemoed dat de zomer definitief voorbij is. Geen zwoele, eindeloos lijkende avonden meer buiten op het terras. Niet meer spontaan barbecueën met vrienden. Gedaan zijn de ontspannende fietstochtjes na afloop van zomaar een doordeweekse werkdag. Het zonnescherm kan weer worden opgerold en de tuinaccessoires kunnen naar binnen, net als de parasol. Nog even en de klok wordt weer teruggezet. Opstaan met duisternis, thuiskomen met duisternis. Het trotseren van kou, regen en gierende wind. Van buiten leven naar binnen zitten.

Nee, ik ben er nog niet klaar voor. Maar het is onontkoombaar. Ook ik zal er binnenkort aan moeten geloven. Aan dikke truien, gewatteerde jassen en mutsen in plaats van topjes, t-shirts en niemendalletjes. Aan hoge, dichte laarzen in plaats van teenslippers. Aan wollen maillots in plaats van blote benen.

Het is het seizoen dat ik mijn blik noodgedwongen naar binnen keer. Ik voel de behoefte om het binnen knusser, gezelliger en warmer te gaan maken. Het is weer tijd voor plaids, een hoogpolig vloerkleed en donkerdere tinten in het interieur.

Maar vooral voor gedimd licht, kaarsen en waxinelichtjes. Zodat ik, ondanks de duisternis, toch baad in een warme, flakkerende en hoogst flatterende gloed.

Zo zie ik er de hele herfst en winter op mijn voordeligst uit. Binnenshuis tenminste.

Laat dat najaar dan toch maar komen.

© Pascale Bruinen

Aaah, dit is toch prachtig?  Binnenkort weer gratis te zien in het theater van de natuur in jullie woonplaats.

Catalonië

Catalonië. Hele kaaskopse volksstammen kiezen ’s zomers deze bestemming om er coma te zuipen of tweedegraads brandwonden op te lopen bij het uitslapen van hun roes op het strand (de jeugd) of lekker op de camping te staan (al de rest).

Veel verder dan Blanes, Rosas en Lloret de Mar komen ze meestal niet. Vooruit, misschien nog even een dagtochtje met de bus naar Barcelona, waarbij ze dan ook nog de meeste tijd  doorbrengen in het stadion van Barça. Dan heb je het ook wel gehad. Maar wat weet de gemiddelde Nederlander nu eigenlijk van dit misschien wel bekendste onbekende deel van Spanje?

Als je de volksaard van de Catalanen wilt doorgronden is het goed je te realiseren dat ze zich niet Spaans voelen. Of zoals een sticker op de deur van een kinderkamer bij dierbare vrienden daar al verraadt: “Catalonia is not Spain”.

De Catalanen zijn in hun onafhankelijkheidsdrift dan wel niet zo fanatiek als de Basken en al helemaal niet gewelddadig, ze beschouwen hun Catalonië wel degelijk als een eigen entiteit. Met hun eigen geschiedenis, taal, tradities en gewoontes. Catalonië is de moeite waard om eens op andere manieren te ontdekken.

Waar in de rest van Spanje de corrida (stierengevecht) en de grote zwarte stier de trotse machoziel van de Iberiërs verbeelden, vind je deze kenmerken in Catalonië nergens terug. De Catalanen hebben er zelf gewoon niks mee. Het werd hen opgedrongen. Het is dan ook geen toeval dat Barcelona een van de eerste steden is waar het stierenvechten werd verboden.

De scherpte en het machismo van de Spanjaarden komt ook letterlijk tot uiting in hun taal. Die klinkt hard en weinig melodieus. Daarmee vergeleken is het Catalaans, internationaal erkend als aparte taal, veel gemoedelijker en zachter. Al zal de rest van Spanje daar wellicht de kwalificatie “boers” aan toevoegen.

Als je je nader verdiept in de Catalaanse mentaliteit vind je, gek genoeg, ook opvallende overeenkomsten met die van ons. Zo staan de Catalanen in eigen land bekend als harde werkers, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Andalusiërs. Het is niet voor niets dat laatstgenoemden graag en veel de spot drijven met de Catalanen door ze weg te zetten als mensen die leven om te werken en niet weten te genieten van de goede dingen des levens.

Ze hebben ook lak aan schone schijn of veel uiterlijk vertoon. Vinden het eenvoudigweg niet belangrijk. Ze vallen niet graag op. Zijn geen schreeuwers maar juist heel bescheiden. Net als in Nederland zijn ze hier aanhangers van het adagium: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.

Wat ook erg Nederlands aan de Catalanen is: de reputatie om gierig te zijn. In Catalonië is het daarom niet de gewoonte om een fooi achter te laten. Alleen als je echt exceptionele service hebt gekregen of out of this world hebt gegeten, wijken ze hier wel eens van af. Maar liever niet.

Ze houden van eerlijke, simpele dingen. Als die dan ook nog mooi of lekker zijn, is dat meegenomen. Dat wordt ook weerspiegeld in de Catalaanse keuken. Je kunt een Catalaan dan ook niet harder treffen dan hem zijn dagelijkse pa amb tomàquet te onthouden. Een stuk vers afgesneden brood, een ultrasappige tomaat eroverheen wrijven zodat de tomaat als het ware over het brood wordt uitgesmeerd, afgemaakt met een scheut geurige olijfolie. Heerlijk, gezond en zonder poespas.

Catalanen zijn verzot op het sportieve buitenleven en hebben een nogal apart gevoel voor humor. Rondom Kerst, tijdens de feesten van de Fires de Santa Llúçia verkopen ze overal de caganers, letterlijk kakfiguurtjes. Dat zijn beeldjes in een poephouding en dan nog liefst met het hoofd van een beroemd iemand er op. De Catalanen kopen ze massaal en zetten ze vervolgens onder de kerstboom. Niet in plaats van de kerststal, maar ernaast.

Op die kerststallen oftewel pesebres zijn ze ook dol. Op een kerstmarkt zag ik ze in alle soorten en maten, vaak ongelooflijk gedetailleerd uitgewerkt. Grappig weetje is overigens dat in Catalonië – in tegenstelling tot de rest van Spanje – net als in Nederland Tweede Kerstdag wordt gevierd.

Ze zijn ook het enige volk dat het klaarspeelt om de catastrofale dag waarop ze hun onafhankelijkheid hebben verloren tot nationale feestdag uit te roepen. Zo kunnen ze dit pijnlijke gegeven ieder jaar opnieuw beleven. Misschien welbewust, in een masochistisch verlangen om de nationalistische smart van weleer ook nu nog tot in de diepste vezels van hun ziel te kunnen voelen?

Catalanen zijn niet een-twee-drie te doorgronden. Beschouwen iemand niet snel als vriend en laten iemand niet gauw toe in hun privésfeer. Maar als je volhardt, met oprechte interesse en open blik kijkt en een beetje je best doet ze te begrijpen, breek je door die barrières heen. Dan zie je wat er nog meer is behalve de mooie kuststreken, prachtige steden en een fabelachtige voetbalclub. Hoor je hun echte verhalen. Voel je de warme hartslag van een eeuwenoud volk dat op een ingetogen manier trots is.

Onvergetelijke ervaringen, hondstrouwe vriendschap en ongekende gastvrijheid zullen je ten deel vallen. Want uit eigen ervaring weet ik dat áls je eenmaal de status van vriend hebt bereikt, je ook écht bij ze binnen bent. Niet alleen in hun huis, maar bovenal in hun hart.

Voor altijd.

© Pascale Bruinen

Simba(2)

We zijn met een bevriend stel en vijf kinderen op vakantie in Spanje en hebben tijdelijk een adoptiehond, Simba genaamd. Hij is van de overbuurvrouw, Montse, die hem liever kwijt dan rijk is. Of eigenlijk is hij van haar man, die hem enkel een paar keer per jaar gebruikt om te gaan jagen. Typische macho Spanjaard, denk ik boosaardig. Alleen daar vindt hij de hond goed genoeg voor, voor de rest bekommert hij zich niet om hem.

De kids zijn helemaal weg van hem. En om eerlijk te zijn, de volwassenen ook. We hebben hem pas een paar dagen over de vloer van onze gehuurde villa, maar ik begin al de eerste tekenen van hechting te merken. Het dier smacht overduidelijk naar een beetje aandacht en liefde. Beide krijgt hij van ons in overvloed. Een grote, lieve en super aanhankelijke hond went heel snel, kan ik je zeggen.

Gevolg hiervan is dat Simba ons, overal waar we gaan of staan, volgt. Daarbij laat hij zich geduldig aaien en borstelen, speelt hij als een jong en dartel veulen en is hij niet van plan eigener beweging terug te gaan naar zijn baasje. Zijn eerst zo stugge en harde vacht is dankzij al ons geborstel zacht en glanzend. Tijdens onze regelmatige trips naar de supermarkt nemen we speciale hondenbrokken, botten om op te kauwen en hondenspeeltjes mee terug. Simba vindt het allemaal prima en heeft de tijd van zijn leven.

Op een avond gaan we uit eten in een aangrenzend stadje. Omdat we een tijdje weg zullen zijn, besluiten we om Simba ’s avonds terug naar Montse te brengen. We leggen haar uit dat hij morgenvroeg weer welkom is. Zij neemt de hond van ons over en duwt hem – veel te hardhandig naar onze smaak – achter het hek van de tuin. Simba jankt hartverscheurend als we wegrijden. De kinderen houden de handen op hun oren. We voelen ons allemaal niet erg happy hierbij, maar kunnen hem moeilijk meenemen naar het restaurant.

Als we een aantal minuten gereden hebben, hoor ik ineens opgewonden geschreeuw vanaf de achterbank. “Daar is ‘ie…Simba! Hij rent achter de auto aan, mama, stoppen, stóp!!!” Als ik me omdraai, weet ik niet wat ik zie. Hij ligt nog een heel end achter maar inderdaad, hij rent met platliggende oren achter onze auto’s aan zoals ik hem nog nooit heb zien rennen. En we zijn al de nodige kilometers verwijderd van huis. Het lijkt wel of ik midden in een tearjerkerige Disneyfilmzit, zo ontroerend is het.

We maken een noodstop (gelukkig zitten we nog op een redelijk verlaten binnenweggetje) en weten niet hoe snel we allemaal uit de auto moeten klimmen. Het weerzien is zo hartstochtelijk alsof het niet net vijf minuten geleden is dat we hem noodgedwongen hebben achtergelaten. Simba heeft zijn tong uit zijn bek hangen en springt in één vloeiende beweging in onze auto. Er zit niks anders op dan om hem weer terug te brengen.

Montse is not amused over dit openlijke verraad van hun hond en sleept hem dit keer het huis in. Nodeloos te zeggen dat ons gezellig bedoelde etentje allesbehalve gezellig is.

De dagen verstrijken in zomerse zaligheid. Nog een paar dagen vakantie en we moeten vertrekken. Het is me al opgevallen dat dochterlief soms wat stilletjes is. Dan komt het hoge woord er uit. “Kunnen we hem alsjeblieft mee naar huis nemen, mama? Alsjeblieft?” Hier was ik al bang voor. Ik kijk naar haar verdrietige gezichtje en voel zelf waterlanders opkomen. Zelf speelde ik ook al met deze gedachte. Maar ja, het is andermans hond.

Ik knipper snel een paar keer met mijn ogen en antwoord gemaakt opgewekt dat we dat niet kunnen maken voor Montse en haar man. “Ze zullen hem erg missen, schatje, dat wil je toch ook niet?”, lieg ik met gekruiste vingers. Een leugentje om bestwil moet kunnen, zeker nu. “Helemáál niet!”, roept ze ongekend fel uit. “Ze houden niet eens van hem en hij ook niet van hen, dat weet ik zeker.  Dat zie je toch zo? Alsjeblieft?”, smeekt ze. “Ik zal het eens met H. bespreken”, hoor ik mezelf tot mijn eigen ongeloof aan haar beloven.

H. blijkt ook al aangestoken met het Simba virus. “Ik zou hem het liefst meenemen”, vertrouwt hij me toe buiten gehoorsafstand van de kinderen. “Het is zo’n lief beest. Ik ben helemaal verknocht aan hem”. “We kunnen ze aanbieden de hond van hun te kopen”, stel ik voor, “ze doen toch bijna niks met hem. Hij wordt min of meer verwaarloosd en het lijkt eerder alsof hij een blok aan hun been is”. “Ja”, antwoordt H, “doe dat. Vraag of ze hem aan ons willen verkopen! Dan zoeken we een mooie halsband uit en nemen hem lekker mee naar huis”. Hij ziet het al helemaal voor zich.

Ik besluit de daad meteen bij het woord te voegen voordat ik de moed verlies. En zo klamp ik even later Montse aan en leg haar uit dat we Simba graag willen kopen. Aanvankelijk denkt ze dat het een misplaatste grap is, maar als ze doorkrijgt dat het bloedserieus bedoeld is, zie ik twijfel in haar ogen. “Dat moet ik aan mijn man vragen”, zegt ze. Even later komt ze terug en hoor ik dat wat ik niet wil horen. “Hij wil de hond niet verkopen, het spijt me”, zegt ze. Ik dring nog aan om zelf met haar man te mogen praten, vraag haar hoeveel geld ze willen hebben voor de hond (noem maar een prijs!) en zeg als wanhoopsdaad zelfs schaamteloos dat het geluk van mijn kinderen hiervan afhangt. Maar ze laat zich niet vermurwen. Het is en blijft nee.

Met lood in mijn schoenen ga ik terug naar de overkant. H. leest het antwoord al op mijn gezicht. We moeten ons erbij neerleggen. En erger nog, afscheid gaan nemen. “En, wat zei ze?”, vraagt dochterlief die naar binnen komt stormen, natuurlijk met Simba in haar kielzog. “Ze willen het niet, schatje, ik heb het gevraagd. Ik heb echt mijn best gedaan, maar we kunnen hem niet meenemen”. Even blijft ze stokstijf staan, maar dan barst ze in tranen uit en holt, voordat ik nog iets troostends kan zeggen, de kamer uit.

De avond voor ons vertrek brengen we Simba met pijn in het hart terug naar Montse. We moeten ’s ochtends heel vroeg weg en alles nog inladen, dus daarbij zou hij alleen maar in de weg lopen. We huilen allemaal tranen met tuiten, knuffelen hem dat het een lieve lust is en vragen ons in stilte af of we hem ooit nog terugzien. Uitgeput van alle emoties vallen we in een onrustige slaap.

Het is héél vroeg in de morgen, de wekker is nog niet eens gegaan, als ik buiten een rammelend geluid hoor. Als H. gaat kijken, staat Simba aan de poort. Dezelfde waar ik hem twee weken eerder voor het eerst zag staan. Hij duwt ongeduldig met zijn snuit tegen het hekwerk alsof hij wil zeggen: laat me binnen. Alsof hij aanvoelt dat we zo dadelijk weggaan. En dit keer voorgoed.

H. maakt de poort open en even later ligt Simba midden op ons bed. Inmiddels zijn de kinderen ook wakker geworden en hun uitgelaten blijheid hem weer te zien snijdt me door de ziel. Zo goed en zo kwaad als het gaat met een hond die iedere voetstap volgt, laden we de auto in. H. doet de klep van de kofferbak open. Voordat we weten wat er gebeurt, springt Simba achterin tussen de weekendtassen en bordspellen. En wat we ook doen, hij komt er niet meer uit. Lokken met dingen die anders feilloos werken, helpt niet. Hij blijft liggen waar hij ligt. Alsof hij wil zeggen: neem me alsjeblieft mee! Het is hartverscheurend en ik voel een enorme brok in mijn keel.

“Hij wéét het. Hij voelt gewoon dat we gaan vertrekken!”, roept mijn zoon met verstikte stem uit. Ik zie dat hij snel door zijn ogen veegt. Zijn gezicht spreekt boekdelen. “Laten we gewoon wegrijden!”, roept hij, “Als we over de grens zijn, zijn we veilig!”. Tja, het leven is een stuk simpeler als je acht jaar bent. Uiteindelijk vergt het de nodige vereende krachten en zachte dwang om Simba uit de kofferbak te krijgen. We brengen hem, dit keer echt voor het laatst, terug naar Montse die hem wijselijk meteen naar binnen brengt en de deur dicht doet.

Onder begeleiding van door merg en been gaand gejank van Simba én van onze kinderen rijden we de straat uit. Tot aan de Franse grens spreekt niemand ook maar één woord. Het gesnik en gesnuif gaat maar door. Ik heb ook al het zoveelste papieren zakdoekje versleten. Zelfs H. heeft rooddoorlopen ogen.

Dit wordt een lange, lange rit.

© Pascale Bruinen

Hier ligt hij dan. Hij kijkt recht in de camera alsof hij wil zeggen: krijg mij hier maar eens uit! We hebben hem nooit meer gezien maar hij zal altijd een plekje in onze harten houden als “onze” lieve Spaanse hond.

Simba(1)

Een spitse, donkerbruine hondensnuit wringt zich nieuwsgierig door de spijlen van het tuinhek van onze Spaanse vakantievilla, die we samen met een bevriend koppel gehuurd hebben. Grote, donkere ogen kijken me vragend aan. Het lijkt alsof hij niet kan wachten om naar binnen te komen, alsof hij daar alle recht toe heeft. Als ik in eerste instantie niet reageer – het is een grote, onbekende hond en we hebben (onze toen nog) jonge kinderen bij ons – blaft hij een paar keer klagelijk en duwt met zijn neus tegen het hek.

Ik besluit de hond aan het hek te laten staan, maar het is al te laat. Mijn dochter heeft hem gezien. In een vloek en een zucht staat ze bij het hek en steekt haar arm al door de spijlen om hem te aaien. Ik roep nog dat ze van hem af moet blijven, bang als ik ben dat ze gebeten wordt. Maar hij is zo mak als een lammetje en kwispelt er zo enthousiast op los, dat ik voel dat ik smelt. Al komt dat laatste ook door de blik van dochterlief in combinatie met het feit dat ik al een tijdje in de onbarmhartige Spaanse zon sta te treuzelen.

Ik open het hek en de hond stormt naar binnen. Hij rent rond in de tuin, snuffelt aan het zwembad en gaat dan  – alsof het de gewoonste zaak van de wereld is – de openstaande tuindeuren door naar binnen. Uit een aantal verrukte kreten leid ik af dat de andere kinderen hem nu ook ontdekt hebben. Als ik binnen poolshoogte ga nemen, ligt de hond op zijn zij op de grond. Pontificaal in de woonkamer met vijf kinderen en drie volwassenen die om hem heen gehurkt zitten en hem beurtelings aaien. Hij ondergaat deze massages met gesloten ogen en op en neer gaande staart.

“Wat is zijn vacht hard!”, roept J., een van de zonen van onze vrienden. En inderdaad, vergeleken met de Nederlandse huishond lijkt het er op dat dit exemplaar niet al te vaak aangehaald wordt. De korte haren zijn stug en voelen ruw aan. “Nou, het lijkt er op dat we er een bewoner bij hebben gekregen”, zeg ik als de hond na enige tijd hoegenaamd geen aanstalten maakt om te vertrekken. Nee, dank je de koekoek met dit openlijk vertoon van adoratie. Maar hij is dan ook ongelooflijk lief en aanhankelijk.

“Van wie zou hij zijn?,  vraag ik me hardop af als ik zie dat hij een halsband om heeft. “Wij willen dat hij hier blijft!”, roepen de vijf kids luidkeels in koor. “Als hij van iemand is, moet hij terug naar zijn baasje”, zeg ik, hoewel ik het stiekem eigenlijk ook wel gezellig vindt met deze hond die zich zo snel thuis bij ons lijkt te voelen.

Of het zo moet zijn, hoor ik opeens iemand luidkeels roepen vanuit de tuin. “Sieieieiemba?” De hond spitst zijn oren maar blijft vervolgens, tot mijn verbazing, demonstratief liggen. Ik besluit naar buiten te gaan. In de tuin staat de Spaanse overbuurvrouw, die als beheerster van de villa is aangesteld. En jawel hoor, zij is op zoek naar hem. Het blijkt de hond van haar man te zijn en hij heet Simba. Op haar vraag waar hij is, neem ik haar mee naar binnen. Daar treft ze hem in een staat van extase aan tussen het kindergrut, dat hem inmiddels tot een soort van project heeft gemaakt. Hij wordt geborsteld (hee, is dat míjn haarborstel?!), gekamd en geaaid dat het een lieve lust is.

Zij kijkt verbijsterd naar dit tafereeltje. Ze verexcuseert zich voor het gedrag van de hond, pakt hem aan zijn halsband en trekt hem zo’n beetje mee naar buiten. De kinderen jammeren dat hij toch best mag blijven en porren me met de nodige ellebogen om haar hiervan (in mijn beste Spaans) te overtuigen.

Ik snel haar achterna en roep dat we het leuk vinden als hij mag blijven, mits het van haar mag. De vrouw kijkt nu naar mij of ze water ziet branden. Maar dan laat ze hem los met de belofte dat ze hem komt ophalen zodra we genoeg van hem hebben.

Simba spurt linea recta terug naar binnen. Een fractie van een seconde later hoor ik een luid gejuich losbreken. Ik zucht tevreden.

Deze vakantie wordt anders dan anders.

© Pascale Bruinen

En hier ligt hij dan, onze huisvriend, midden in de woonkamer alsof hij er thuis hoort. En dat was ook zo, hij werd meteen liefdevol opgenomen. Als je wilt weten hoe het verder gaat, lees dan volgende week het vervolg!

Virtueel Eten

Ik hou van lekker eten. Zo kun je mij ’s nachts wakker maken voor een goed bord pasta, laat ik alles uit mijn handen vallen voor versgebakken speltbrood met extra vergine olijfolie en gemalen grof zeezout en zou ik een moord kunnen plegen voor de klassieke maar goddelijke combi van een lekkere malse steak met verse, zelfgemaakte knapperige frites (met schil) en Belgische mayonaise. Als ik het alleen al opschrijf, loopt het water me in de mond.

Ik ben dus een lekkerbek maar óók een zoetekauw. Mijn eigengemaakte walnut brownies met vanille-ijs en toffee-chocoladesaus zijn to die for! Bovendien associeer ik eten doorgaans met gezelligheid,  met urenlang tafelen met vrienden. En tenslotte is er maar weinig dat ik niet lust (schelpdieren en ingewanden). Met deze drie fijne randvoorwaarden ligt het risico op de loer dat ik in no time tonnetje-rond word. En laat ik daar nu iets op gevonden hebben! Ik doe namelijk aan virtueel eten.

Avond na avond verslind ik, veilig gescheiden door de flatscreen, het ene na het andere zalige gerecht bij 24 Kitchen. Zo kan ik me calorieloos vergapen aan cajun gumbosizzling beef with salsa of bastilla met kip; beleef ik een puur visuele indigestie met achtereenvolgens asperge-spinazie risotto met citroen, geroosterde vis met rozemarijnaardappeltjes uit de oven en als toetje frambozensoufflé; of kan ik zonder ook maar één gram bij te komen heerlijk uitbuiken na het fictief nuttigen van een warme Griekse lamssalade, zalm op aziatische wijze met wasabimayonaise en de ultieme chocoladecake.

En het moet gezegd worden, het zijn héle smakelijke beelden die tot mij komen. Het enige dat nog ontbreekt, is de bijbehorende geurbeleving. Dan zou het helemaal 3-D zijn.

Het kookkanaal heeft sinds de start in oktober 2011 een vaste plek verworven in mijn tv-routine. En terecht, want Rudolph van Veen heeft hiermee misschien wel zijn allerbeste en succesvolste recept ooit gemaakt. Een onverslaanbare mix van goed (na)maakbare gerechten (“En denk eraan: koken is echt voor iederéén!”), close-ups van frisse groenten, sappig vlees en rijpe vruchten en prachtige beelden van de natuur waaruit al dat fraais afkomstig is. Dit alles gelardeerd met een saus van enthousiasme, vrolijkheid en positivisme die van het scherm spat en afgeblust met veel superhandige en vooral praktische kooktips.

Leuk is ook het eigen culi-taaltje dat gebruikt wordt. Zo gaat het gemaakte eten standaard “op bord” en bevat de vocabulaire opvallend veel verkleinwoorden zoals “groentjes” of “een zoetje en een zuurtje” toevoegen.

Het enige wat we niet te zien krijgen, zijn de vuile pannen, bakjes, bordjes, lepels, zeefjes, vergieten, spuitzakken, schotels en kommen. Iets zegt me dat Rudolph dit hoogstwaarschijnlijk niet zelf hoeft af te wassen.

Van Veen heeft ook goed nagedacht over de ideale combinatie van eigengemaakte items en aangekochte series uit het buitenland. Van eigen makelij zijn bijvoorbeeld “Rudolphs Bakery“, waarin overheerlijke zoete en hartige baksels worden gemaakt door the man himself , “De Makkelijke Maaltijd” voor als het snel en simpel moet of “Grenzeloos Koken” waar telkens de keuken van een ander land centraal staat (met die Italiaanse-bij-Marco-Borsato-gitaarspelende-stoethaspel als toppunt van culi-entertainment).

Maar hoe leuk, leerzaam en interessant ook, bij mij zijn de buitenlanders van 24 Kitchen toch verreweg favoriet. Onder het motto van “wat je van ver haalt, is lekker(der)”, zit ik vastgenageld voor de buis zodra Nieuw Zeelandse Annabel Langbein, Australische Donna Hay of mede-Aussie Bill Granger in beeld komen. En dat heeft maar deels met het overheerlijke eten zelf te maken. Het zit hem zeker ook in het bombardement met zonnige, fantastische en jaloersmakende vergezichten.

Denk aan een rustiek houten huis gelegen in een parkachtige (moes)tuin met zo ongeveer alle kruiden, noten, groenten en vruchten die je kunt bedenken, gelegen aan een eindeloos meer met zicht op besneeuwde bergtoppen: Annabel. Of aan een smetteloos witte keuken met witte (!) pannen, voorzien van een zeer ruim balkon waarop je in stralend zonlicht kunt barbecueën en van waaruit je zo uitkijkt over de onmetelijke oceaan: Donna. Danwel aan een eveneens witte keuken met pastelkleurig servies, behorend bij een geweldig huis met megagroot zwembad met als achtergrond diezelfde oceaan en een paar schatten van kindertjes: Bill.

Onze Annabel is in de gelukkige omstandigheid dat ze haar dagen mag vullen met het zelf vissen naar verse zalm in een schoner dan schoon meer, het hoogstpersoonlijk ophalen van honing bij de plaatselijke imker en het zelf uitgraven van reuze knoflookbollen bij een bevriende boer. Zo zien we haar tevreden genietend vele kilometers rondtoeren in haar gele pick-up truck met haar pas verworven culi-schatten, rijdend door dat onwaarschijnlijk ongerepte Nieuw Zeelandse landschap. En ik geniet vanaf de bank volop met haar mee.

Bij thuiskomst gaat ze natuurlijk ermee koken en komen er de heerlijkste gerechten op tafel, zonder uitzondering genuttigd in het bijzijn van gelukkige en immer vrolijk lachende vrienden én de visser, imker of boer in kwestie. Feel good tv in optima forma.

Donna – wier motto fast, fresh and simple is – Hay verstaat de kunst om inderdaad op slimme wijze een nieuwe, originele twist te geven aan bekende gerechten. En ze houdt woord want haar gerechten zijn altijd snel te maken, gebaseerd op verse ingrediënten en eenvoudig van aard. Maar ze zien er ook uit als een pláátje en tegen de achtergrond van die blauwe oceaan is het eindresultaat op de een of andere manier altijd nóg smakelijker.

En dan Bill. Hij is het prototype van de ideale schoonzoon; clean, stralende glimlach en immer aardig. Hij geeft toe dat hij niet een geschoold kok is. Dat is geen probleem maar juist heel ontwapenend. Hij verhaalt over hoe hij sommige dingen van zijn moeder geleerd heeft (ach, wat schattig!), vertelt af en toe wat persoonlijke dingen en komt soms al kokkerellend samen met zijn kinderen in beeld (à la Jaimy Oliver). Een misschien doordachte keuze, maar wel een die werkt omdat het integer overkomt en hem erg menselijk en benaderbaar maakt.

Al dat geschrijf over eten heeft me intussen hongerig gemaakt.

Ik denk dat ik nog maar eens een heerlijke beeldbuis-maaltijd ga nuttigen. Gelukkig is deze afhaalservice 24 uur per dag geopend.

© Pascale Bruinen

Idylle in de Achtertuin

Eindelijk. De zon laat zich vandaag eens echt zien. Omdat het de afgelopen tijd nauwelijks  gezomerd heeft, besluit ik onmiddellijk naar buiten te gaan. Profiteren van iedere straal die  tot mij komt onder het motto: pakken wat je pakken kunt!

Gewapend met de krant en een hete kop koffie nestel ik me in mijn achtertuin op het ligbed dat helaas veel te weinig gebruikt wordt. De laatste tijd kon ik er alleen maar naar kijken door een beslagen raam vol met regendruppels. Maar vandaag is het anders. Vandaag begint het Grote Genieten.

De dag is nog jong en de zomer – min of meer – ook. Er is niemand in huis. De tuin én de Catalpa, die glorieus in het midden staat, zijn op hun allermooist. De vlijtige liezen doen hun naam alleszins eer aan. Het muntkruid heeft zich de afgelopen tijd verdrievoudigd. De olijfboompjes maken het ene na het andere nieuwe zilvergroene blaadje; ik zie zelfs al de minuscule olijfjes zitten. Alles groeit, bloeit en geurt op de meest uitbundige wijze. Geen wonder ook, na dat groeizame weer van veel regen met toch ook wel geregeld wat warmte.

Ik zet een klein laag tafeltje, waar een enorme fuchsiaroze bloemenpracht van petunia’s overheen hangt, pal naast mijn ligbed. Daarop leg ik de vaste en mobiele telefoon (want: geen zin om telkens op te staan als een van die twee krengen mocht overgaan), zonnecrème, zonnebril en een bakje donkerrode, bijna zwarte, kersen. Hmmm. Na het obligate insmeren, zet ik mijn zonnebril op, nip aan mijn koffie en sla de krant open. Aaahhh. Gezellig. Ik lig me nog net niet zichtbaar te verkneukelen. En wát een rust. Ik lees ongestoord, onbekommerd en ongehaast.

Een parmantige mannetjesmerel trekt opeens mijn aandacht door zeer dichtbij een prachtig fluitconcert te beginnen. Voorzichtig kijk ik op van de krant en zie hem zitten op de rand van het dak. Ik moet ervan glimlachen. Hij is ook zo schattig. Hij vliegt even weg om een paar meter verder meteen weer neer te strijken op de schutting. Bij de landing veert zijn staart omhoog zodat hij zijn balans houdt. Oh wat enig!, denk ik. Totdat ik zie dat hij meteen van de gelegenheid gebruik maakt om een fijn merelpoepje te laten vallen, midden op mijn mooie bloeiende hosta’s. Da’s nou ook weer niet de bedoeling! Net zomin als dat hij en zijn gevederde soortgenoten mijn zorgvuldig geveegde terrasstenen weer vol gooien met grond omdat ze in de borders naar wormen of ander eetbaar spul hebben gezocht. Maar ik ben gek op merels dus die kunnen bij mij wel een potje breken.

Na dit ornithologische intermezzo concentreer ik me weer op mijn krant. En op De Zon, want voor het eerst in weken voelt mijn huid weer Haar weldadige warmte. Ik word er ontspannen, loom, ja zelfs lui van. Na een tijdje voel ik mijn ogen dichtvallen. En waarom ook niet? De rest van de krant kan nog even wachten. Ik voel een zalig, zijdezacht briesje over me heen gaan. Ik hoor het tsjilpen van verschillende soorten vogels. Ik ruik af en toe een zweem van de geurende lavendel. Het leven is goed. Het leven is mooi. Het is eindelijk zomer.

Met gesloten ogen ben ik me veel bewuster van de geluiden om me heen. Hoewel het naar normale maatstaven zalig stil is (want geen ruziënde buren, ronkende kettingzagen of knetterende brommers), is er auditief nog meer dan genoeg te beleven in mijn idyllische achtertuin. Heel in de verte hoor ik de motoren van een vliegtuig, een stuk dichterbij de zachte stem van de buurvrouw van twee huizen verderop en vlak boven me het fluisteren van de bladeren die bewegen in de warme wind.

Ik steek een kers in mijn mond. De typische zoete smaak ervan doet me aan vroegere, lange, warme zomers denken. Zo’n zomer waarvan je dacht, die gaat niet meer voorbij (vrij naar Gerard Cox). Sommige dingen veranderen gelukkig nooit. Ik zucht eens diep en hef mijn gezicht op naar de koperen ploert, die hoog aan de hemel staat. Veel beter dan dit wordt het niet.

Ergens ben ik verbaasd over hoe gelukkig ik word van dit simpele buiten-zijn-in-de-zon met iets te lezen, wat vers fruit en een bakkie leut. Maar ergens ook juist niet. Geluk zit immers vaak juist in de eenvoudigste en puurste dingen.

Soms is het letterlijk onder handbereik.

© Pascale Bruinen

Hier kun je toch alleen maar blij, vrolijk en tevreden van worden of niet soms? En dan ook nog in combinatie met een stralende zomerzon, wat wil een mens nog meer?  Wat zijn jullie zomerse herinneringen of geluksmomenten? Deel ze hier met anderen!

De Wraak van de Eenbenige

Het moet wel haast een vloek zijn. Maar wel een vloek die wijdverbreid is. Wát zeg ik? Ik weet zeker dat er geen straat in Nederland is die er níet door wordt getroffen. Dit onverklaarbare fenomeen komt voor in alle lagen van de bevolking; jong en oud, rijk en arm, autochtoon en allochtoon.

Het is iets wat in gaat tegen alle wetten van de logica, van het normale, ja zelfs van de elementaire natuurkunde.

Als het mij de eerste keer gebeurt, denk ik eerst nog dat ik mij vergist moet hebben. Want dit kan toch niet? De tweede keer vind ik het opmerkelijk en begin ik aan mezelf te twijfelen. Een stemmetje fluistert in mijn oor of ik echt zeker weet dat het er eerst twéé waren. Antwoord: ik weet het niet meer want ik ben een beetje de kluts kwijt. De derde keer vraag ik me vertwijfeld af of ik aan een beginnende vorm van Alzheimers lijd en kan ik alleen maar dankbaar zijn dat niemand hiervan getuige is.

Want ik draai de trommel van de wasmachine rond en rond maar niks. Niks te vinden. Vervolgens steek ik mijn hoofd naar binnen om te kijken of er nergens toevallig iets binnenin is blijven plakken. Het enige dat ik daaraan over houd is echter een pijnlijk verdraaide nek. Tenslotte kijk ik zelfs als het toppunt van irrationaliteit áchter de wasmachine, alsof de sok op miraculeuze wijze dankzij de middelpuntvliedende kracht door de trommel heen naar buiten is gekatapulteerd.

Maar ik ben bang dat zelfs professor Higgs hier niet het ontbrekende deeltje van zou kunnen terugvinden, ook al zouden ze bij CERN in Zwitserland de sokken nog zo snel door een ellenlange wasmachine heen jassen.

Mijn logische linker hersenhelft weigert ondertussen deze onwelgevallige uitkomst te accepteren. Uit pure frustratie gooi ik de deur van de wasmachine met een klap dicht.  Maar het mag niet baten. De tweede sok is en blijft verschwunden, gone, desaparecido.

Je weet dat dit eigenlijk niet mogelijk is. Dingen verdwijnen immers niet zomaar. En toch is het een realiteit. En het gebeurt niet één keer, maar zeer geregeld. Om te zien dat dit klopt hoef je alleen maar in je sokkenla te kijken. Daar liggen al die enkelingen moederziel alleen soms al jaren vergeefs te wachten op hun spoorloos verdwenen wederhelften.

Dit gegeven zou in ons meldzieke landje zomaar een reden kunnen zijn om maar meteen “Sorry Socks” op te richten, oftewel een meldpunt waar je zowel de vermissing van die ene sok kunt doorgeven (wel eerst even 48 uur wachten of ‘ie niet vanzelf weer komt opdagen!) als waar je lotgenoten vindt met wie je gezamenlijk kunt treuren om de zielige achterblijvers.

De volgende stappen zijn dan snel gezet. In “Vermist” komt een steeds terugkerend item met trieste filmpjes van snikkende huismoeders die in de huiskamer een altaartje compleet met waxinelichtjes hebben ingericht met daarbij een ingelijste foto van de “Vermiste Sok van de Week”, Derk Bolt reist de hele wereld af om te kunnen aantonen dat het probleem van spoorloze sokken niet ophoudt bij de Nederlandse grens en in Amerika verschijnen de eerste foto’s van vermiste sokken op melkpakken, compleet met vermelding van het nieuwe alarmnummer “dial 911 F*** Where Is My Sock?” (waarbij de sterretjes bij tv- en radiospotjes vervangen worden door bliebjes).

Ondertussen blijft natuurlijk wel de prangende vraag wát er gebeurd kan zijn tussen het moment dat twee sokken in de wastrommel gelegd worden en drie kwartier later, als de wasmachine uitgecentrifugeerd is.

Gelet op het feit dat de wastrommel rondom toch écht dicht is, kan er maar één antwoord mogelijk zijn: het is de Wraak van de Eenbenige. Alleen de Eenbenige heeft immers baat bij het telkens op laffe wijze stelen van slechts één sok van brave burgers. Een soort van draaitrommelcrimineel op sokken. Excuseer, op sok.

In mijn geval moet hij lurken achter de schotten van de zolderkamer, wachtend op dat éne moment dat hij kan toeslaan: als de wasmachine net is aangezet en ik nietsvermoedend de trap af loop. Dan komt hij tevoorschijn van onder de krochten van het dak. Waar hij trouwens, nu ik erover nadenk, niet al te veel quality space zal hebben aangezien hij deze noodgedwongen moet delen met zo’n zeven koffers, twee beautycases (beide nooit gebruikt), een hele reeks sporttassen en rugzakken, een opvouwbaar logeerbed, een rendier (namaak), lampenkappen, karpetten, kerstballen, extra dekens en kussens, schilderijen, souvenirs en stapels ordners.

Als hij zich daar, hompelend op zijn ene been, eindelijk met veel pijn en moeite tussen uit gewurmd heeft – waarvoor hulde! – zet hij het wasprogramma stop, haalt die éne sok van zijn gading eruit (want ja, de tweede heeft hij nu eenmaal niet nodig) en zet de machine weer aan. Klus geklaard zonder dat er zelfs maar water gemorst is.

Zo doolt de Eenbenige in de nachtelijke uren van huis tot huis om daar steeds hetzelfde trucje uit te halen opdat hij nimmer de pijn hoeft te doorstaan van het in de winkel moeten kopen van een páár sokken. En na iedere diefstal weet hij dat zijn slachtoffers zich daarna voor héél even zullen realiseren wat hij al zijn hele eenbenige leven met zich meedraagt.

Het schrijnende gevoel dat het sokkenpaar nooit meer compleet zal worden.

© Pascale Bruinen

Jeetje, je schrikt je helemaal wild als je op internet “enkele sokken” intikt. Ik wist dat het veel voorkwam maar zó vaak? Je struikelt gewoon over de verhalen van mensen die met een hele la of mand vol met enkele sokken zitten. Wat weer de vraag opwerpt waarom die niet gewoon weggegooid worden. Antwoord: we blijven hopen op een happy end. Tegen beter weten in, dat wel. En jullie gaan me toch niet vertellen dat jullie er geen last van hebben, hè?

Italo Idolen (2)

Vanaf het wereldkampioenschap voetbal in 1978 heb ik een zwak voor het Italiaans elftal. Ik verzamel posters, artikelen en plaatjes uit voetbaltijdschriften waarvoor ik met mijn drie vriendinnen de boekhandels plunder. Ik ga in Italië op vakantie. Met behulp van twee woordenboeken en een werkwoordenboekje leer ik mezelf een aardig mondje Italiaans.

Omdat mijn interesse verder reikt dan alleen voetbal, duurt het niet lang voordat de Italo Manie zich vrolijk voortzet in de vorm van het kopen en beluisteren van Italiaanse popmuziek. Ongetwijfeld toen en nu errug fout, maar daarom juist weer leuk.

In die tijd wordt Ti Amo van ene Umberto Tozzi een behoorlijke hit in Nederland. Ik val bij het horen van de eerste paar noten als een blok voor die aparte, sexy stem en stel me onmiddellijk een Italiaanse adonis als eigenaar ervan voor. Want als je gezegend bent met zo’n opwindend vocaal geluid kán het bijna niet anders of je moet een ongelofelijk stuk zijn.

Daarom stokt later, in de platenzaak, mijn adem dan ook in mijn keel als ik met open mond van afgrijzen en verbijstering naar het hoesje staar. Hij is niet alleen geen Italiaanse adonis, hij is ronduit lelijk en heeft rossig haar. Rossig! Ik wist überhaupt niet dat er rossige Italianen bestonden dus ja, die klap moet ik even verwerken. Maar zijn muziek weet deze visuele ontgoocheling gelukkig meer dan voldoende te compenseren.

Voortaan struin ik met mijn drie beste vriendinnen dus ook alle platenzaken af, op zoek naar de nieuwste lp van Ricardo Cocciante, Lucio Battisti of iemand met de welluidende naam van Dario Baldan Bembo. Het mooiste van alles is dat de songteksten meestal op de begeleidende hoes staan, zodat ik die kan ontleden. Want ik weet graag waar ik over meeblèr.

Ik kan wel stellen dat ik zo’n beetje met Umberto Tozzi ben opgegroeid. Mijn hele middelbare schooltijd heb ik zijn platen zowat grijsgedraaid. Er is bijna geen proefwerk dat ik niet geleerd heb met zijn muziek als achtergrond. Met als toppunt van idioterie dat ik zijn lp’s soms dubbel kocht, voor het geval eentje te veel krassen zou oplopen. En die lp’s kregen zelfs, in tegenstelling tot de anderen, een speciale plastic beschermhoes. Hoe gek kun je zijn?

Gedenkwaardig is die keer dat we met zijn allen naar Brussel gaan waar een concert is van diverse Italiaanse artiesten die op dat moment op het toppunt van hun roem zijn. Helaas is Umberto er die avond niet bij. De hele zaal is stampvol en het is er bloedheet.

Het wordt één groot feest der herkenning als de ene na de andere act het podium bestijgt.

Het trio Ricchi e Poveri trapt af. Je weet wel, dat kleine donkerharige vrouwtje dat als een harlekijn over het podium springt en twee mannen. Nou ja, mannen. Eentje heeft net zo’n verwijfde geblondeerde haardos als George Michael voordat deze uit de kast kwam en de ander is een klein onooglijk opdondertje met een wijkende haarlijn en lelijk snorretje. Ze zingen gedrieën over Mama Maria, waarbij de tekstschrijver een onvoorstelbare mate van creativiteit kan worden toegedicht. Want hoe verzin je anders dit literair hoogst ingewikkelde refrein: “Mama má, mama María, ma, mama má, mama Maria, ma, mama má, mama Maria”? Niet dat wij er ook maar een seconde mee zitten.

Dan komt Al Bano, dat bebrilde lulletje rozenwater van middelbare leeftijd die meer op een saaie bankemployé dan op een popster lijkt. Hij vormt een zeer onwaarschijnlijk duo met de veel jongere, prachtige Romina Power, dochter van de beroemde acteur Tyrone met dezelfde achternaam. Ze kwelen zielsgelukkig hun grootste hit Felicità waarbij ze elkaar tot vervelends toe diep in de ogen kijken. Wat weer de vraag opwerpt of Romina zelf eigenlijk niet nodig naar de opticien moet omdat zoveel adoratie voor Al Bano alleen maar kan betekenen dat ze stekeblind is.

Na hun zoetsappige duetje komt Pupo (spreek uit Poepoo) ten tonele, zo’n klein Italiaantje zonder enige uitstraling met een babyface en dito stem. Het is zo iemand die je op straat straal voorbij loopt, nog minder opvallend dan de boy next door. Hij zingt de melodramatische tranentrekker Forse. Natuurlijk een liefdesliedje van dertien in een dozijn dat verhaalt over een liefde die misschien (forse!) wel of misschien niet stand zal houden. Ideaal voor smachtende pubers die zelf ook niet wars zijn van enige hang naar overdreven sentimentaliteit. Zoals, euh, ik.

En naturalmente Toto Cotugno. Die lange, donkere, super fatterige Italiaan met gitzwarte, tot in perfectie gecoiffeerde haren tot ver in zijn nek en met een stem van schuurpapier, vooral bekend van Soli en L’Italiano. Hij vindt zichzelf een eigentijdse casanova en laat dat overduidelijk merken. Hij is volgens mij zó weg van zijn eigen ik dat hij het liefst het hele optreden voor een manshoge spiegel zou doen. Maar hij moet het doen met een uitzinnig publiek.

Uiteraard staan wij bijna vooraan dus kan ik uitstekend zien hoe de zweetdruppels witte vlekken maken in zijn zorgvuldig aangebrachte gezichtsmake-up. Én hoe de zwarte druppels haarverf uit de fraai geföhnde haardos op zijn hagelwitte jasje vallen. Ik had het kunnen weten. Die haren waren altijd al té verdacht zwart om echt te kunnen zijn.

Maar ook deze minieme tegenslag mag de pret niet drukken. We klappen, joelen en galmen met ieder mierzoet liedje luidkeels mee en hebben een super puber avond. In een geluksroes zweven we naar huis.

En als de encores en bis bis kreten allang zijn uitgestorven, echoën de vrolijke, zomerse en aanstekelijke melodieën nog na in onze hoofden.

© Pascale Bruinen

Dankzij onder andere de muziek van Umberto Tozzi heb ik menig gezellig uurtje in mijn kamer bij de pick-up doorgebracht en ook nog Italiaans geleerd. Dus Italo Idolen: grazie mille! 

Italo Idolen (1)

Het Italiaans elftal is weer hot. Na jaren van dat stomvervelende catenaccio en uitblijvende successen heeft het land van de laars op het EK van Polen en Oekraïne weer eens goed van zich doen spreken met fris, aanvallend en creatief voetbal. Alles wat wij, euh, niet hadden.

Maar de Italiaanse koppies die de zwenkende camera tijdens het fanatiek meegezongen volkslied in beeld brengt, zijn on-Italiaans gewoon. Niet knap. Niet echt uitgesproken (balorige Balotelli daargelaten). Op de een of andere wijze niet Italiááns. Het zou bij wijze van spreken je onopvallende buurjongen kunnen zijn.

Dat was eind jaren zeventig van de vorige eeuw wel even anders. Ik ben een voetbalfanaat en volg het Nederlands elftal op de voet. Maar van wie ik pas echt gecharmeerd ben, zijn de voetballers van La Squadra Azzurra. En omdat daarin heel wat spelers van Juventus vertegenwoordigd zijn, mag ook die club zich in mijn toenemende bakvis-belangstelling verheugen.

En dat komt niet zozeer door hun voetbalprestaties (die zeer behoorlijk zijn) als wel door de aardige bijkomstigheid dat een aantal van die heren in mijn puberogen een bepaalde mate van woeste aantrekkelijkheid bezitten. Mooie lijven in – toen nog – korte voetbalbroekjes en strakke hemelsblauwe truitjes die als gegoten zitten. Tja, het oog wil nu eenmaal ook wat.

Ik memoreer een Antonio Cabrini, niet voor niets ook wel Bell’ Antonio genoemd. Of een Marco Tardelli, ook niet echt lelijk. Of de onvergetelijke goalgetter Paolo Rossi met zijn guitige Pietje Bell uitstraling.

De degelijke Dino Zoff, de trotse Romein Claudio (what’s in a name?) Gentile of de markante kop van Gaetano Scirea (helaas veel te vroeg overleden bij een auto-ongeluk in 1989). Stuk voor stuk interessant om naar te kijken. Over die lelijke Franco Causio (compleet met Magnum, P.I. – snor) wil ik het dan maar niet hebben.

Mijn persoonlijke favoriet is echter Roberto Bettega. Die grijsharige (ja, toen al!), lange Italiaan die fantastisch kan koppen. Vandaar zijn bijnaam: testa d’oro. Gouden hoofd. Gelet op zijn haarkleur hadden ze hem beter testa d’argento (zilveren hoofd) kunnen noemen, maar alla. Hij is niet echt knap in de klassieke zin van het woord, maar heeft iets heel aparts en authentieks.

Op 21 juni 1978 bevind ik me in tweestrijd als mijn helden in de tweede ronde van het wereldkampioenschap voetbal in Buenos Aires uitgerekend moeten aantreden tegen het Nederlands elftal. Door die onvergetelijke pegel van Arie Haan wordt Italië veroordeeld tot een uiteindelijk vierde plaats en gaan wij de later zo smartelijk verloren finale in. Ik ben blij voor Nederland, maar mijn jonge meisjeshart huilt stiekem voor Italië. Maar bovenal voor Roberto.

Mijn vriendinnen M., N. en R. zijn inmiddels ook met het Italië-virus besmet geraakt. Het gaat op een gegeven moment zelfs zo ver, dat we van onze gespaarde zakcenten heuse witte sportbroeken, azuurblauwe voetbalshirts- en kousen én echte voetbalschoenen kopen en ieder vrij moment buiten een balletje gaan trappen.

En al zeg ik het zelf: we spelen niet onverdienstelijk. Een-tweetjes, met binnen- of buitenkant voet schieten, ja zelfs koppen doen we goed. Met zo’n zware leren bal. Soms mogen we met de jongens meedoen en worden we zowaar aangespeeld. Een teken van respect. Wij zijn, zonder het te weten, onze tijd ver vooruit.

Dus in de fase dat mijn puber-leeftijdsgenoten allemaal posters hebben van pop- en filmsterren, is mijn kamertje van boven tot beneden behangen met voetbalposters.

Mijn vriendinnen zijn plotseling ook keiharde concurrenten als we met zijn vieren die ene kiosk plunderen, op zoek naar die paar Italiaanse voetbaltijdschriften die nogal verloren tussen de rest van de sportbladen liggen. Naarmate we dichterbij komen, versnellen we onze pas en onderdrukken de neiging om echt te gaan rennen. Ieder van ons hoopt vurig het eerst bij het rek te zijn, want de ongeschreven regel is: wie het eerst komt, mag hem kopen.

Maar oh! Het gevoel van pure triomf als je dan het boekje te pakken hebt en er blijkt weer een echte poster in te zitten! Ik kom nog net niet zwevend van geluk naar buiten, het felbegeerde tijdschrift als een trofee veilig opgeborgen in een plastic zak. En de voorpret als ik bedenk waar ik deze nu weer eens kan gaan ophangen.

Natuurlijk wil ik ook heel graag begrijpen wat er zoal over mijn idolen geschreven wordt. Reden waarom ik zelfs zo ver ga dat ik een Italiaans-Nederlands woordenboek (en vice versa) aanschaf, samen met een eenvoudig boekje over de meest voorkomende Italiaanse werkwoorden en hoe je die moet vervoegen. Ik heb ze, beduimeld, vol met ezelsoren en eentje inmiddels zonder kaft, nog steeds.

Zo word ik autodidact en begin ik langzaam maar zeker de zinnen te ontcijferen.

Wat een kick!

Dat smaakt naar meer.

© Pascale Bruinen

En hier zijn ze dan. Ik moet toegeven dat ik ze nu wel een stuk minder interessant vind uitzien dan toen, maar dat zal wel aan de leeftijd liggen. Bettega staat op de bovenste rij, tweede van rechts. Het is de tijd dat ze nog allemaal normale voetbalschoenen dragen, niet van die verwijfde roze of gele exemplaren. Zoveel jaren later roept deze foto nog steeds zoete herinneringen op aan mijn heerlijk onbezorgde jeugd. En aan eindeloze gesprekken en giechelbuien met mijn vriendinnen. Jullie zullen ongetwijfeld zelf ook dierbare momenten hebben gekend dankzij de idolen die jullie aanbaden in lang vervlogen tijden. Laat het ons weten door een reactie achter te laten!

Foto: Brabants Dagblad.

Berlijn

De meivakantie zit er voor mijn pubers net op en wat denk je? Staat er al wéér een vakantie van vijf dagen voor de deur. “Ik heb helemaal geen zin om naar Berlijn te gaan. Berlijn! New York of Londen, dáár gebeurt het. Zelfs Parijs zou nog kunnen. Maar Berlijn? Gewoon stom!” Zoonlief loopt mokkend naar boven. Vandaag moet hij toch echt zijn tas gaan inpakken voor de schoolreis die hem tegen zijn zin naar de Duitse hoofdstad zal voeren.

Laat me denken aan mijn eigen uitstapje op de middelbare school, een eeuwigheid geleden. Wij mochten een kleine week naar Zuid-Frankrijk. Geloof het of niet, maar mijn vriendinnen en ik hadden daar toen om mij nu volstrekt onduidelijke redenen ook weinig zin in. Nodeloos te zeggen dat we, misschien juist daardoor, een fantastische tijd hebben gehad die me altijd is bijgebleven. Met als enige minpuntje een roemrucht incidentje waarbij de plaatselijke dorpsgek – gewapend met een roestige schaar – een van onze vrouwelijke medescholieren van haar lange haar af wilde helpen.

Inwendig moet ik grinniken als ik daar aan terug denk, maar ook vooruit kijk naar wat hem de komende vijf dagen te wachten staat. Zijn reisschema is werkelijk overvol, zelfs naar mijn maatstaven. Het credo is bezichtigen en nog eens bezichtigen, letterlijk van ’s morgens vroeg (reveille om 06.30 uur!) tot ’s avonds laat.

“Dit is geen reis meer maar eerder een strafexpeditie!”, roept hij uit na een eerste snelle blik op het lijvige programmaboekje. Zijn gezicht krijgt een steeds ongeloviger uitdrukking als hij de dagelijks ingeplande activiteiten voor het eerst echt doorneemt. “WTF! We hebben in al die dagen in totaal amper vier uurtjes vrije tijd!”.

“Het is ook bedoeld als educatieve trip”, werp ik plichtmatig tegen. “En een bezoek aan de discotheek is toch ook vrije tijd?”, voeg ik er nog aan toe, terwijl ik op mijn onderlip moet bijten om mijn lach in te houden.

“Disco is óók een verplichte activiteit. Dat noem ik geen vrije tijd. Bovendien is het maar van 22.00 u tot 24.00 u. Twee lullige uurtjes. Wat heb je daar nou aan?”

Ja, dat heb ik ook al gezien. Gelukkig is zijn oog nog niet gevallen op de passage die daarná komt. Het programma voorziet na afloop van de turbodisco namelijk in een maar liefst anderhalf uur durende nachtelijke wandeling terug naar hun studentenhotel. Ongetwijfeld met het idee dat de scholieren bij aankomst in hun uiterst bescheiden onderkomen weer allemaal broodnuchter zijn. Als ze al überhaupt de kans hebben gekregen om alcoholische versnaperingen tot zich te nemen. Want ook daarvoor zijn de regels, althans op papier, erg streng.

Volgens het programma gaan ze elke avond bij dezelfde eenvoudige tent eten. Dankzij internet weet ik dat je daar héél veel krijgt voor weinig geld en het menu allesbehalve volgens de schijf van vijf is. Ideaal dus voor alle tienerslungels om onverantwoord veel foute vetten en zout te bikken na een ellenlange vermoeiende dag.

Tuut-tuut-tuut. Mijn wekker gaat. Het is half zes, over drie kwartier moet zoonlief in de bus zitten. Als ik de auto start, gooit hij zijn rugzak en tas nog gauw met een ferme zwaai achterin en geeft mij en passant een vluchtige kus. “Je bent nog niet weg hoor!”, zeg ik terwijl ik de auto in zijn achteruit zet. “Nee, maar dan hoef ik dit bij het uitstappen niet meer te doen”.

Ik kan dit niet meteen plaatsen. Mijn ietwat door slaap beneveld brein moet nog op gang komen. Maar dan valt toch het kwartje. Aah. Juist ja, de medereizigers mogen dit ultieme teken van zwakte natuurlijk niet zien.

Bij school is het een gekrioel van onuitgeslapen tieners, montere en minder montere ouders die met tassen zeulen en leraren die druk bezig zijn allerlei paperassen te controleren. Arme docenten en chauffeur, denk ik, als ik zelfs vanaf een behoorlijke afstand de oorverdovende herrie al hoor. En ze zijn de stad nog niet eens uit.

Zoonlief heeft me in de auto nogmaals ten strengste verboden hem uit te zwaaien dus sjouwt hij zelf met zijn bagage naar de gereedstaande bus. Hij heeft zijn weekendtas zo vol gepropt dat hij wat scheef loopt onder het gewicht. Zijn rugzak slingert achter hem aan. “Laat nog eens wat van je horen!”, kan ik niet nalaten hem na te roepen. Zonder om te kijken steekt hij zijn duim omhoog.

Tot mijn verbazing krijg ik meteen al de eerste avond inderdaad een sms-je: “Hoi mam. Ga zo eten. Vandaag wel veel gewandeld maar toch best wel leuk”.

Best wel leuk? Mijn zoon die wandelen háát omdat dit “supersaai” is? Als hïj dat schrijft betekent dit – vrij vertaald vanuit pubertaal – dat het dus wel heel erg gaaf was. Goed dat ik dat weet. Na thuiskomst heeft hij dus in ieder geval nooit meer een excuus om niet mee te gaan op een van ónze wandeltochten.

Ik voel dat het wel goed komt met die schoolreis naar Berlijn. Hij zal er een geweldige tijd hebben.

Iedere dag is voor hem een mooie herinnering in wording.

© Pascale Bruinen

Dit zullen ze wel vaker naar binnen hebben gewerkt tijdens de schoolreis. Mijn puber kwam thuis zoals het een middelbare scholier betaamt na een vijfdaagse uitputtingsslag: kapot moe, bleekjes en met megawallen onder zijn ogen. Maar wel met een rugzak vol prachtige verhalen.

LA Law (2)

Ik werk inmiddels twee weken als litigation paralegal, een soort advocaat-assistent, op een advocatenkantoor in Los Angeles dat wemelt van de wereldberoemde cliënten en mijn prachtige droom is al uitgedraaid op een nachtmerrie.

Het begon al op dag één. Ik word door een nurks kijkende secretaresse begeleid naar wat mijn onderkomen voor de komende maanden zal worden: een raamloze kamer met iets grotere afmetingen dan een gemiddeld toilet op het einde van een lange gang. Het kille tl-licht zorgt ervoor dat het hok baadt in een rare blauwige gloed. In de verste verte is er geen spoor van daglicht te zien, laat staan de Stille Oceaan.

Ook krijg ik al op dag vier ongenadig op mijn falie van een van de secretaresses omdat ik het in mijn provinciale onschuld heb gewaagd om – nota bene in opdracht van een advocaat – een vergaderruimte te boeken zonder dit in Het Belangrijke Grote Boek te noteren. Dat niemand mij verteld heeft dat dit moet, doet niet terzake.

Ga ik de eerste dagen nog op en top gekleed en hooggehakt naar mijn cubicle (je weet immers maar nooit of je niet op een onbewaakt ogenblik Harrison Ford tegen het robuuste lijf loopt), nadat ik mijn tijd voornamelijk in het schemerduister op mijn knieën grasduinend in stoffige dossiers heb doorgebracht doe ik al snel geen enkele moeite meer. En zou ik al toevallig een film- of popster tegenkomen, dan is het mij volgens de bedrijfsregels ten strengste verboden Zijne of Hare Heiligheid alleen al aan te kijken of – stel je voor! – aan te spreken. Nodeloos te zeggen dat een handtekening vragen gelijk staat aan ontslag op staande voet.

De middaglunch blijk ik ook al niet te nuttigen in een chique restaurant, maar snel snel aan een mobiele vette happen-kraam die tijdens de lunchpauze staat geparkeerd om de hoek en waar je je kostbare vrije minuten vooral doorbrengt met in de rij staan.

Het droomscenario van de ideale collega’s of begripvolle baas ligt meteen in de eerste week al in duigen. Ik blijk niet één, maar zelfs twee bazen te hebben. Eentje die wel echt aardig is maar met wie ik helaas maar weinig te maken heb en eentje die zich ontpopt tot een narcistische psychopaat (wellicht een pleonasme). En nog dik en lelijk bovendien, dus bepaald géén filmsterrenmateriaal.

Deze man gelooft niet in normale omgangsvormen zoals goedemorgen of dank je wel zeggen. In plaats daarvan gromt, bromt en schreeuwt hij zijn bevelen in het rond, eist bij voorkeur het onmogelijke en drijft daarbij iedereen in zijn directe nabijheid tot wanhoop. Iets netjes aan iemand vragen of opdragen is hem volkomen vreemd. Verwend als ik ben door de geweldige verstandhouding met mijn vorige baas, die gezellig en gemoedelijk was, ben ik de eerste keren in een soort van shock als ik volwassen mensen met de regelmaat van de klok totaal overstuur uit zijn kamer zie komen.

Dat mijn baas een kwaadaardige gek is, blijkt al ras als hij zijn twee secretaresses – van wie er eentje ook nog hoogzwanger is – in mijn bijzijn om een uur of vijf ’s middags toebijt dat hij perse morgenvroeg om zes uur (!!!) een lijvig document kant en klaar uitgetypt op zijn bureau moet hebben liggen. En dat niet alleen, hij eist dat ze zelf ook allebei op dat vroege tijdstip op kantoor aanwezig zijn, mocht hij nog last minute wijzigingen willen aanbrengen. De arme meiden schieten in een enorme stress want ze zullen hierdoor tot laat in de avond keihard moeten doorwerken. Eentje (de zwangere) vlucht even weg naar het toilet, het huilen nader dan het lachen.

De ochtend erna staan de twee dames, inmiddels op de rand van een nervous breakdown, stipt om zes uur in zijn enorme corneroffice met het uitgetypte document. Maar van de botte bruut  (BB) zelf geen enkel teken van leven. Pas tegen de lunch komt hij binnenzeilen alsof niks aan de hand is en kijkt vervolgens zelfs niet op of om naar het stuk.

Diep verontwaardigd over zoveel machtsmisbruik en onbeschoftheid besluit ik op dat moment officieel om ook de knop om te zetten. Vanaf nu no more miss nice girl! Wat BB kan, kan ik ook. Zo neem ik me voor om hem ook geen blik meer waardig te keuren, hem niet te groeten en alleen nog bij uiterste noodzaak in staccato-termen te converseren. Als me dat mijn baan kost, dan moet dat maar. Mijn kookpunt is bereikt.

Los van dit soort akkefietjes moet er ook nog, je zou het bijna vergeten, gewerkt worden. Het hoogtepunt van mijn werkdag is niet zozeer juridisch, maar literair van aard. Het oersaaie bestaan van het maken van taaie juridische vertalingen in mijn daglichtloze hok wordt namelijk voor een paar minuten draaglijk als ik het dagelijkse kantoorkrantje op mijn bureau krijg. Het leest bijna als een mini-glossy waarin steevast met veel trompetgeschal vermeld wordt welke nieuwe supersterren nu weer cliënt zijn geworden, wie jarig is, welke procedures er zoal lopen en diverse andere wetenswaardigheden. Zowel juridische (die ik meestal oversla omdat daar alleen maar te pas en te onpas veren in de kont van de hot shot lawyers worden gestoken) als  personeelsgerelateerd.

Ademloos lees ik de namen van cliënten die mijn kantoor vertegenwoordigt in contractbesprekingen voor speelfilms en mega-popconcerten, high profile vechtscheidingen (in de trant van Ivana Trump’s welgemeend advies: “Don’t get mad, get it all!”) en zakelijke conflicten waarbij je de miljoenenclaims om de oren vliegen.

Alleen zo jammer dat mijn persoontje daaraan nul en generlei bijdrage mag leveren. Eén keertje dreigde ik zowaar tot in de rechtszaal te komen met een slepende zaak waar ik heel veel tijd in had gestoken. En wat denk je? Wordt uitgerekend die zaak echt op het állerlaatste moment geschikt. Wég kans om ook eens uit mijn hok te komen.

Ik ben dus gedoemd tot een bestaan in de marge waar ik af en toe een vertaling van een wer-ke-lijk oersaai bankcontract mag afleveren en me voor het overige mag buigen over de banale juridische conflicten van de nobodies. Het meest memorabele is nog de zaak van een jaloerse minnares die erin geslaagd was om bij haar rivale ontharingsmiddel in de shampoofles te doen. Kun je nagaan.

De enige reden waarom ik na een dikke maand nog niet gillend gek ben geworden, is de aanwezigheid van een groepje leeftijdsgenoten die op de postkamer werken. Samen hebben we in de pauzes altijd de grootste lol. Zeker als we volop roddelen over de baas (de psychopaat, niet die leuke) of soms stiekem tussen de bedrijven door een extra pauzetje inlassen in de vergaderruimte, the warroom. In die ruimte gebeurt het, daar komen de hoge pieven samen als er ineens met spoed iets moet gebeuren of als er koortsachtig overlegd moet worden. Maar wij tappen er moppen, delen ruimhartig hele zakken Dorito’s en gniffelen over de laatste nieuwtjes uit het krantje.

Carolyn, een donker meisje met van die mooie kroesharen, heeft een geweldig gevoel voor humor en een hele reeks typische uitdrukkingen in haar dagelijkse repertoire. Een daarvan, “Devil be gone!” is verreweg favoriet. Liefst nog vergezeld van zo wijd mogelijk opengesperde ogen en wilde armgebaren, als een soort van voodoo-imitatie. Hilarisch. En erg handig want inmiddels zou ik de psychopaat best met alle sadistische plezier een speld door zijn alter ego poppetjeslijfje willen rammen.

Maar zie! Sinds ik de rotzak nu al enige tijd met dezelfde munt terugbetaal en hem zelfs één keer recht in zijn gezicht heb durven te zeggen wat ik ervan vond dat hij wéér iemand tot huilens aan toe had afgebekt, bekijkt hij me met andere ogen.

Ik zal nooit vergeten hoe hij opeens naar me keek alsof hij me voor het eerst echt zag en mij op bewonderende toon toevoegde: “You’re a tough one!” Ik heb daarna nooit meer last van hem gehad.

Los Angeles. City of Angels. Maar ook de stad waar de nodige duiveltjes rondwaren.

Al dan niet gestoken in een net kostuum en met de uiterlijke verschijningsvorm van een dure advocaat.

© Pascale Bruinen

Komt jullie vast en zeker bekend voor. Iedereen kent immers wel iemand in zijn of haar directe omgeving die er ongeveer zo uit ziet (in ieder geval in jouw gedachten) en zich ook zo gedraagt. Misschien heb je in mijn column de inspiratie gevonden die je nodig hebt om met deze duiveltjes om te gaan. Meer tips? Deel ze gerust door een reactie achter te laten!

LA Law(1)

In de tijd dat het nog cool is om cool te zeggen, ik schoudervullingen draag waardoor ik op een American Footballplayer lijk en Duran Duran (wier kapsels trouwens verdacht veel op het mijne lijken) hoog in de hitlijsten staat, woont en werkt yours truly een tijd in het mekka van Hollywoodsterren, afslankgoeroes en fotomodellen. Jawel. In Los Angeles, stad der engelen.

Na mijn rechtenstudie en aansluitend een baan bij de universiteit lonkt al snel het buitenland. Meer in het bijzonder the US of A. Geïnspireerd door de dan razend populaire serie LA Law (veertigplussers – met name van het vrouwelijk geslacht – herinneren zich die ongetwijfeld nog, met lekker ding Harry Hamlin als onwaarschijnlijk knappe advocaat) ben ik vastbesloten het recht te gaan dienen aan de westkust van de VS. Bijna altijd lekker weer, de oceaan onder handbereik en steeds de gerede kans een superster tegen te komen op iedere hoek van de straat. Nou ja, in sommige wijken dan.

Ter voorbereiding op mijn Amerikaanse avontuur heb ik uitgezocht welke advocatenkantoren dringend verlegen zouden kunnen zitten om mijn juridische diensten. Aangezien dit het pre-internettijdperk is, kan dit helaas nog niet met behulp van een paar muisklikken. Uiteindelijk heb ik een lijstje met een stuk of vijf grote advocatenkantoren die een Nederlandse juriste zouden kunnen gebruiken. Ik besluit er een oriënterende trip op te wagen.

Tijdens mijn vakantie annex sollicitatieronde blijkt er in LA al snel één kantoor dat zeer geïnteresseerd is in mijn Nederlandse afkomst omdat het veel zaken doet met Crédit Lyonnais, in die tijd een van dé banken die flink investeert in de entertainment business. Daardoor heeft het veel contracten die juridisch vertaald moeten worden van het Nederlands naar het Engels en vice versa. Ze willen me daarom graag in dienst nemen. Ieniemienie detail is alleen dat ik nog een tijdelijke werkvergunning moet zien te krijgen.

Dus moet ik mijn vakantie ook nog besteden aan het scoren van een heuse immigration lawyer. Die moet de procedure in gang zetten waarbij ik moet aantonen dat ik deze baan niet afsnoep van een willekeurige Amerikaanse onderdaan. Dankzij mijn perfecte beheersing van het Nederlands – iets dat natuurlijk geen enkele rechtgeaarde United States citizen mij nadoet – hoor ik enige tijd na terugkomst in Nederland dat de werkvergunning is verleend.

Yes!!! Niets staat nu nog in de weg aan een glansrijke juridische carrière in de ultieme glitter -en glamourstad. Nota bene heeft het kantoor als specialiteit entertainment law en een onuitputtelijke voorraad wereldberoemde cliënten. Wow! 

’s Nachts droom ik van een super elegant kantoor waarin ik als stralend Europees middelpunt in een oversized corneroffice, vanzelfsprekend met ramen van de echt houten vloer tot het strak witte plafond, dag in dag uit geniet van het overweldigende uitzicht over Beverly Hills met in de verte de Stille Oceaan.

Tijdens mijn welverdiende pauzes ga ik naar de hairdresser for the stars, pik een mani- en pedicuurtje mee bij de Thaise dames om de hoek en shop ik op Rodeo Drive bij Louis Vuitton voor dat fijne tasje. Aansluitend verpoos ik op een zonovergoten terras waar ik me vergaap aan het voor de deur geparkeerde wagenpark van Bentleys, Ferrari’s en Porsches.

Tussen het genieten door werk ik vanuit mijn design fauteuil aan het roestvrijstalen bureau af en toe totaal relaxed een vertalinkje weg, ga als onmisbare en super efficiënte juridische assistente mee naar high profile OJ Simpson-achtige rechtszaken en word in mijn eerste half jaar zeker eenmaal gekroond tot medewerker van de maand, waarbij ik op levensgrote billboards overal in en buiten kantoor te bewonderen ben als lichtend voorbeeld.

Tijdens de toch broodnodige lunchbreak vertoef ik uiteraard in het speciale bedrijfsrestaurant voor de happy few waar ik mijn tafeltje welwillend deel met Prinses Stéphanie van Monaco, gier van het lachen om de zoveelste grap van Steve Martin en nonchalant zwaai naar Jack Nicholson.

Mijn kantoorgenoten, inclusief de bazen, lijken zelf wel filmsterren en zijn gevat, voorkomend en zeer collegiaal. En uiteraard – waar het de mannen betreft – ook allemaal vrijgezel (en hetero).

s Ochtends word ik wakker met een enorme grijns op mijn gezicht als ik me de zoete droom herinner.

Oh, ik kan niet wachten!

LA here I come!

© Pascale Bruinen

Ja, sweet memories. Benieuwd naar het vervolg? Lees dan volgende week deel 2!

Freestylen

Zoonlief heeft morgen een spreekbeurt. Omdat hij, zoals gewoonlijk, alles tot het laatste moment uitstelt heeft hij niks meer te kiezen. Hij krijgt dus het onderwerp dat als laatste nog over is. Ritueel slachten.

“Ik moet een betoog houden en stel me op het standpunt dat ik voorstander ben”, zegt hij als hij even beneden in de keuken is om te graaien en te snaaien.

“En bén je voorstander ervan?”, vraag ik, terwijl ik verbaasd toekijk hoe hij er binnen een halve minuut in slaagt een banaan, een handvol walnoten en een groot glas melk weg te werken.

“Kuhwejnie”, komt er al kauwend uit. Hij slikt de laatste hap door en zegt: “Gewoon slachten is ook geen feest voor die dieren, hoor. Krijgen ze een pin in hun kop”.

“Ja, dat is waar maar dat weerhoudt je er niet van vlees te eten, toch?”, vraag ik naar de bekende weg. Als er namelijk eentje binnen ons gezin een echte carnivoor is, is het zoonlief wel.

“Nee, zeker niet. Maar ik moet toch iets zeggen en dit lijkt me wel chill. Vrijheid van godsdienst en zo”. Hij schenkt een tweede glas melk in.

Vrijheid van godsdienst en zo? Ik mag toch hopen dat zijn spreekbeurt, die hij binnen vierentwintig uur vanaf nu moet houden, ietsje dieper gaat dan dit soort nikszeggende puberkreten.

“En ga je het helemaal uit je hoofd leren?”, floep ik er uit. Oh oh. Helemaal fout natuurlijk. Aaaaahhh. Waarom leer ik sommige dingen nooit af? Mentaal zet ik me schrap voor wat komen gaat.

Hij zet zijn glas net ietsje te hard neer en roept: “Ben je gék?! Tuurlijk niet. Dat is ook juist niet de bedoeling, hoor! Het moet uit de losse pols. Ik schrijf wat steekwoorden op en dan zal het wel goed komen. En in het uiterste geval kan ik altijd nog freestylen”, besluit hij, terwijl hij een ferme greep doet naar de blauwe bessen.

“”Freestylen?”, vraag ik in opperste verbazing, “wat is dat nu weer”?

“Dat betekent dat als je het niet meer weet, je gewoon wat verzint”, antwoordt hij alsof het de normaalste zaak van de wereld is. “Of je vertelt gewoon weer hetzelfde maar dan in een andere context”, voegt hij er op zijn Cruijffieaans aan toe. Om daarna met enige gepaste trots af te sluiten met: “Ik heb dat zelf bedacht, de term komt uit de hip hop”.

Geweldig. Mijn zoon knoopt zonodig al freestylend zijn spreekbeurt met verzinsels en herhalingen aan elkaar. Super. Ápetrots voel ik me. Al moet ik tegen mijn zin bekennen dat de term leuk gevonden is. “Ik voel een nieuwe column opkomen. Ik zie de kop al voor me”, grinnik ik, terwijl ik in één vloeiende beweging de bak met aardbeien net op tijd buiten zijn bereik zet.

Hij verslikt zich prompt in een van de bessen, die meteen zijn keel inglijdt. “Gast, ik moet echt oppassen met wat ik hier zeg”, roept hij als hij uitgehoest is. “Maar ik ben de beroerdste niet. Je mag het gebruiken voor je column, hoor”.

Ach, dat is dan toch weer lief van hem, denk ik bij mezelf. En zo onzelfzuchtig! In een vlaag van affectie schuif ik de bak aardbeien weer naar hem toe.

“Maar dan heb ik wel recht op een percentage van wat jij ermee verdient!”, roept hij uit. En weg is hij.

Mét de aardbeien.

© Pascale Bruinen

Ik gok dat er meer ouders zijn met freestylende pubers in huis. Mocht je die onvergetelijke ervaringen willen delen, dan vind je hier je forum!

Coral by the Sea

Coral by the sea is wel een eenvoudige accomodatie. Maar het is goedkoop en jullie hoeven er toch maar één nachtje te slapen voordat jullie op cruise gaan”. O. is erg overtuigend. Een eigenschap die hem goed van pas komt als directeur van zijn eigen reisbureau. “Doe die dan maar”, besluiten we. Ik hoop dat we er geen spijt van krijgen.

Paar weken later. We zijn net vanuit New York in San Juan, Puerto Rico, aangekomen en zijn bekaf. Zodra we een voet buiten de airconditioned aankomsthal van het vliegveld zetten, valt de klamme hitte als een dikke deken op ons. In no time staat het zweet ons op het voorhoofd.

Als we tegen de taxichauffeur zeggen waar we heen willen, kijkt hij ons net iets langer dan gebruikelijk aan maar zegt niks en rijdt weg. Zwoele salsamuziek uit zijn autoradio waait door de vier geopende ramen naar buiten, de nacht tegemoet. Hij verrekt het de airco aan te zetten.

Voordat we de kans krijgen hier iets over te zeggen, brengt hij abrupt de taxi tot stilstand. We zijn er al. Wat ik vooraf vreesde, wordt bewaarheid. Er is geen koraal of zee te bekennen. In plaats daarvan staat de luxe uitstraling van de naam van het hotel in schril contrast met de afgebladderde vermoeidheid van het gebouw dat ik in het duister ontwaar.

Bij gebrek aan portiers sjouwen we onze vier megakoffers, inmiddels zwetend als otters en met vuurrode hoofden, uit arren moede zelf maar naar binnen. Eenmaal in de hal lijkt het alsof we in een tijdmachine zijn gestapt en rechtstreeks het Cuba van de jaren vijftig in zijn gekatapulteerd.

Achter iets dat moet doorgaan voor balie zit een Puertoricaanse meneer van een jaar of zestig. Hij kan zo figureren als dubbelganger van Fidel Castro in ietwat jongere jaren. De sigaar achter zijn oor vervolmaakt het clichéplaatje.

Ik kijk eens rond. Nergens een computer te bekennen. Wel een oude typemachine. Op een krukje staat een zieltogende plant. De bladeren, in betere tijden frisgroen, nu grijs van het stof. Boven onze hoofden doet een wiekklappende ventilator vruchteloos pogingen ons enige koelte toe te wuiven.

We vertellen dat we een kamer geboekt hebben. Als enige reactie hierop steekt hij een leerachtige hand uit. Eerst denken we nog dat hij ons de hand wil schudden, maar uit zijn slissende gemompel blijkt dat hij alleen onze paspoorten wil. Snel geef ik ze hem, in de ijdele hoop dat het hem ook zal aansporen tot enige voortvarendheid. Maar hij heeft hoegenaamd geen enkele haast. Ik wel, want het zweet druppelt inmiddels in straaltjes langs mijn rug.

Het gegraai in en schuiven met bergen paperassen lijkt eindeloos lang te duren. Verveeld draai ik me intussen om richting hal. Ineens zie ik een donkere vrouw bij het gammele liftje staan. Ze draagt een ultrakort rokje, een tijgertopje dat haar blubberbuik in volle uitpuilende glorie onthult en zeker twaalf centimeter hoge stiletto’s. Ik stoot H. aan. “Dat is er een van de betaalde liefde!”, fluister ik gealarmeerd in zijn oor. “Wat is dat hier in hemelsnaam voor ballentent?” Juist op dat moment reikt Fidel ons de sleutel aan.

We passen met al onze bagage maar amper in het kippenhok dat als lift bijbeunt. De fijne combinatie van extreme vermoeidheid, verzengende hitte, een vohtigheidsgraad van 150% en de walm van weeïge parfum achtergelaten door mejuffrouw tijgerprint is genoeg om bijna van tegen de vlakte te gaan.

H. loopt voorop over de galerij. Bij de juiste deur aangekomen, blijkt dat we de lang verbeide sleutel nauwelijks nodig hebben. Het slot blijkt namelijk al eens geforceerd te zijn. Enige interessante vraag is door wie. Geflipte drugsdealers? Moordlustige pooiers? Zwaarbewapende swatteams van de politie? Mijn gevoelens van onveiligheid, eerst nog sluimerend, komen plots in alle hevigheid opzetten. Als je alleen al tegen deze deur bláást, sta je meteen binnen.

“Laten we de deur barricaderen met onze koffers!”, roep ik paniekerig tegen H. Zeker weten dat een potentiële indringer zich geen weg naar binnen kan vechten als er alleen al één propvolle koffer voor de deur staat (in ieder geval toch een van de mijne), laat staan alle vier. En mocht de onverlaat het onverhoopt toch proberen, loopt hij op zijn minst een dubbele liesbreuk op. Ha! Net goed!

Omdat het inmiddels in de kamer zo’n 45 graden is, zet ik snel de airco aan. Meteen breekt er een hels kabaal los waarbij het lijkt alsof een Boeing 747 opstijgt. Midden in onze kamer wel te verstaan. Da’s mooi. Nu hebben we de keuze: óf we kunnen niet slapen van de herrie óf van de hitte. Omdat niet eens een normaal  gesprek mogelijk is, kiezen we voor het laatste en zet ik de airco weer uit. Het gekke is alleen dat ik nu nog steeds die Boeing hoor. Een blik door het vuile, enkele glas van het enige raam leert dat dit wel kan kloppen. We zitten namelijk zo’n beetje recht onder de start- en landingsbaan van het internationale vliegveld. Het taxiritje was inderdaad verdacht kort.

We zijn inmiddels de uitputting nabij en willen nog maar één ding: slapen en wel zo gauw mogelijk. Een snelle blik op:

1. dat wat door moet gaan voor badkamer en

2. de lakens

maakt dat ik besluit ongewassen en geheel gekleed te bed te gaan. Mét oordoppen in en slaapmasker op.

’s Ochtends vier ik dat ik – hoewel gebroken, vies en met megawallen onder mijn ogen – niet verkracht of vermoord ben. Of misschien wel juist dankzij deze fysieke staat? Hoe het ook zij, ik heb een hele, hete en helse nacht in dit smerige rovershol overleefd.

Nooit eerder ben ik zo snel klaar geweest met mijn persoonlijke verzorging. Deootje, kam door piekharen, wolkje parfum en hup. Op naar het cruiseschip!

© Pascale Bruinen

https://i0.wp.com/media-cdn.tripadvisor.com/media/photo-s/01/1b/cd/1b/carolina.jpg

Dit is wel al ruim vijf jaar geleden dus misschien is het nu wat verbeterd. Hoewel, Coral by the Sea krijgt slechts tweeëneenhalve bol bij Tripadvisor. Mochten jullie in de buurt komen, laat mij dan eens weten wat jullie ervaringen zijn! Zoals jullie konden lezen gingen we hierna een cruise maken. Als jullie meer willen weten van cruisen, kijk dan ook eens op mijn andere blog, www.cruisecraver.com

Junkie XXL

Ik ben verslaafd. Verslaafd aan columns schrijven. Andere bezigheden zijn enkel nog een hinderlijke onderbreking van het schrijfproces. Als een echte junk ben ik alleen maar er op uit om te scoren.

Ik word dagelijks verteerd door een alles overheersend verlangen om ongestoord achter mijn i-Mac te zitten en met een maagdelijk wit blad te beginnen. De eindeloze mogelijkheden van de column in wording qua onderwerp, stijlmiddel en lengte maken me bijna duizelig van opwinding.

In mijn hoofd strijden talloze ideeën om voorrang. De kunst is om al die geniale invallen niet alleen te onthouden, maar ook zo op te schrijven dat ze een logisch en ritmisch geheel worden. Van een perfect geschreven column word ik dronken van vreugde.

Letters die op zich zelf niks betekenen zet ik met een paar aanslagen op het toetsenbord om in woorden. Woorden die de magische macht hebben meteen krachtige beelden op te roepen. Beelden die je doen lachen, die ontroeren, die je raken. Woorden rijgen zich, in een volgorde die alleen ik bepaal, aaneen tot zinnen. Zinnen die de belofte van een onontgonnen wereld in zich dragen, enkel nog wachtend op ontdekking door toekomstige lezers.

Verslaving kent geen tijd. Een tijdje geleden. Het is nacht. De creatieve flitsen die de rechterhelft van mijn brein produceert zijn zo veeltallig dat er ineens een mentale kettingbotsing optreedt. In mijn onrust kan ik nog maar één ding doen: mijn zielenroerselen meteen aan het papier toevertrouwen, koortsachtig en in het pikkedonker.

Als ik klaar ben voel ik een ongekende rust over me neerdalen. Mijn ogen vallen dicht. Hypnos, de god van de slaap, is zich langzaam maar zeker weer over mij aan het ontfermen. Ik geef me over. Het is goed zo.

Alles voor altijd veilig in inkt gevangen.

© Pascale Bruinen

En zo is het maar net. Altijd handig om op het nachtkastje pen en papier onder handbereik te hebben want je weet immers maar nooit wanneer dat briljante idee opkomt!

Family Matters

Wij hebben hele drukke achterburen. Nou ja, hun gedrag grenst nog net niet aan ADHD. Ze zijn weliswaar nogal klein behuisd maar wonen er toch al jarenlang met veel plezier. Althans, dat denk ik.

Het is ook een zeer kinderrijk gezin. Ze letten goed op elkaar en hebben een hechte familieband. Het is er vaak nogal vol. Opa’s en oma’s, vaders en moeders, kinderen en kleinkinderen, ja zelfs bezoek vliegt in en uit en af en aan.

De laatste tijd bereikt de toch al gebruikelijke hectiek achterom het kookpunt. Vader en moeder multitasken dat het een lieve lust is en roven de plaatselijke doe-het-zelf vestiging helemaal leeg. Want er wordt stevig verbouwd in verband met een op handen zijnde gezinsuitbreiding. Er wordt gefluisterd dat het een meerling is.

Vanaf mijn plek aan de eettafel in de woonkamer heb ik goed zicht op de bouwwerkzaamheden. Met intense belangstelling sla ik ze gade als ze terug komen van hun zoveelste spulletjesjacht. Nieuwsgierig naar wat mijn achterburen nu weer allemaal hebben gescoord aan bouwmateriaal. Ok, ok! Het lijkt natuurlijk op gluren maar ik kan het niet laten. Met stijgende verbazing kijk ik hoe eerst vader en even later zelfs moeder zich het licht uit hun ogen sjouwen. Volgens mij hebben ze me op een gegeven moment in de gaten want ze kijken telkens argwanend om zich heen alvorens naar binnen te gaan met de volgende lading.

Heb ik al gezegd dat ze ook zeer milieubewust zijn? Want zo’n beetje alles wat ze gebruiken is recycled materiaal. Maar mooi dat het wordt! Ze maken trouwens ook volop gebruik van de zon om hun nederig stulpje op te warmen. Helemaal zonder enige gemeentelijke subsidie. Knap hè? En, oh ja, ze hebben een privéwatervoorziening, recht voor hun deur. Praktischer kan bijna niet.

Nodeloos te zeggen dat wij er jaloers op zijn. Zeker als we zien hoe harmonieus vader en moeder samenwerken bij zo’n vervelend karwei. Je zou toch denken dat stellen voor minder uit elkaar gaan maar nee. Hún band wordt er alleen maar sterker door.

Nog even zijn ze druk bezig, zowel buiten als binnen, maar dan is het zover. De megaklus is geklaard. De nakomelingen kunnen vanaf nu gerust ter wereld komen. Het liefdesnestje is immers helemaal af.

Vader en moeder spreeuw zijn weer voor één seizoen onder de pannen.

© Pascale Bruinen

Female Parking

Is het iets hormonaals? Heeft die bloedhekel van vrouwen aan (in)parkeren te maken met het XX-chromosoom? Komt ruimtelijk inzicht inderdaad alleen maar voort uit dat lullige – excuseer de onbedoelde woordspeling – Y-chromosoom dat wij niet hebben?

Vrouwen en parkeren. Geen lekkere combi. Het liefst hebben we de hele parking voor ons alleen.

Ik kan het weten. Ik ben zelf namelijk een van die irritante rijders die liever langer rondcrossen om een ruime parkeerplek te vinden, dan dat ik de eerste de beste vrije plaats neem en moet pielen op de vierkante centimeter om mijn middenklasser tussen al het andere blik in te wringen.

Het ergst is het inparkeren. Het scenario dat zich ontrolt is als volgt. Ik ben aan de late kant voor een afspraak. Gevolg: stress-stress-stress. Na het vierde rondje ben ik inmiddels ook de wanhoop nabij omdat ik dat rotding maar niet neer kan zetten. In de wijde omtrek is maar één mogelijkheid en dat is: inparkeren. Eerste gedachte: hoe moet het ook alweer? Flarden van de rijlessen van honderd jaar geleden flitsen door mijn brein. Vaag herinner ik me dat ik eerst tot ongeveer halverwege de auto die ervóór staat, moet rijden. Als ik dan parallel sta, moet ‘ie in de achteruit. En dan indraaien maar. Het klinkt poepiesimpel.

Ik herinner me ineens de sticker, ergens op de achterruit van de lesauto, waarop ik me moest oriënteren om de auto goed uit te laten komen ten opzichte van de stoep. Dat was verrekte handig, reden waarom het me toen wél goed lukte soepeltjes in te parkeren. Maar ja, op mijn eigen achterruit zit helaas niet zo’n ding (mentale aantekening: thuis meteen sticker zoeken en plakken maar).

Bij mijn eerste poging zie ik meteen dat ik te vroeg en te scherp heb ingedraaid zodat de kont van mijn auto al over de stoep gaat. Tweede poging. Ik draai later in. Te laat want nu begint mijn parkeerhulp te piepen als een nest uitgehongerde pasgeboren vogeltjes. Omdat er zich achter mij inmiddels een rij begint te vormen besluit ik de derde poging over te slaan en snel verder te rijden. Einde verhaal is dat ik de auto noodgedwongen twintig straten verderop neer pleur en dan dat hele pokkenend terug moet lopen (mentale aantekening: misschien toch nog eens een enkele rijles nemen met als onderwerp bijzondere verrichtingen). Tegen de tijd dat ik eindelijk op mijn afspraak verschijn, inmiddels in een staat van opgefokte frustratie, ben ik deze goede voornemens alweer vergeten. Tot de volgende keer dat ik in dezelfde situatie beland.

Een tijdje geleden. Locatie: ondergrondse parkeergarage. Bijzondere omstandigheid: die is bijna helemaal vol. Gelukkige bijkomstigheid: ik zit dit keer eens achterin. Vrouwelijke bestuurder van personenauto zucht en steunt bij het zien van zo veel volle vakken en rijdt al bijna een kwartier rondjes. Het CO-gehalte is inmiddels tot alarmerende hoogtes gestegen. Ondanks dat kan ik een glimlach niet onderdrukken. Altijd fijn als het eens een ander treft. En vooral zo herkenbaar en dus troostrijk. Ik ben niet de enige!

Niet dat er her en der geen vrije plekken zijn. Die zijn haar alleen niet vrij genoeg want aan vier kanten omringd door ander staal en aluminium op vier wielen. “Waarom rijden er nu niet ineens een paar tegelijk weg?”, vraagt ze klagend aan niemand in het bijzonder.

Plotseling staat ze vol op de rem. “Ik ga deze proberen”, roept ze. Ze zet een eind achteruit alsof ze een enorme aanloop moet gaan nemen. Dan rijdt ze stapvoets richting parkeerplek en draait in. Remt. Zet in de achteruit. Ze vloekt binnensmonds. Weer vooruit, centimeter voor centimeter. Daarbij hangt ze helemaal naar voren over het stuur. Ze kijkt van links naar rechts alsof ze bij Wimbledon zit. In plaats van helemaal in te rijden zet ze de auto wéér achteruit. “Ik krijg dit kreng niet recht genoeg”, mompelt ze. Van opzij zie ik dat er nu enkele zweetdruppeltjes op haar voorhoofd parelen. Uiteindelijk, ik denk dat we nu in totaal toch zo’n kwartier verder zijn, staat de auto op de plek.

Een parkeerhulp zou hierbij ook al niet hebben geholpen want die waarschuwt alleen voor dreigende botsingen aan de achterzijde. Bovendien vertrouw ik dat vervelende mekkeraartje niet. Bij het eerste bliepje trap ik doorgaans al meteen op de rem en dan ben ik nog zeker vier stadia verwijderd van een echte botsing. Als ik dan toch voorzichtig verder achteruit zet begint ‘ie zó snel achter elkaar te jengelen dat ‘ie me verschrikkelijk op de zenuwen werkt. Wedden dat mannen daar helemaal geen last van hebben en gewoon doorgaan met parkeren tot en met het aller-, állerlaatste bliepje?

Voor ons vrouwen is het dus wachten op de ontwikkeling van een female parking assistant. Die geruststelt door ons met een zachte, begripvolle, vrouwenstem links, rechts, voor én achter te attenderen op obstakels. Of, nog beter, die ons rechtstreeks leidt naar de dichtstbijzijnde, liefst lege, parking.

Dus heren auto-ontwikkelaars, waar wachten jullie nog op?

© Pascale Bruinen

Benieuwd of ik veel reacties krijg van vrouwen die zich hier helemaal niet in herkennen. Er zijn namelijk ook cijfers te vinden waaruit zou blijken dat vrouwen overall veel beter zijn in parkeren dan mannen. Tja, in ieder geval is het voer voor discussie dus: wil jij laten weten dat je je niet aangesproken voelt of dat je juist blij bent dat je het ook eens van een ander hoort, reageer dan!