Geld brandt als vuur op de huid

Laten we het spel “Doet’ie het of doet’ie het niet?” spelen.

Casus: een uit Syrië gevluchte asielzoeker, ene Mahmoud Abdullah, woont sinds kort in een Duits opvanghuis waar hij een spartaans ingerichte kamer deelt met een oudere man.

De vlucht naar Duitsland heeft hem zijn laatste centen gekost. Als asielzoeker mag hij niet werken. Van zijn bescheiden uitkering stuurt hij maandelijks vijftig euro naar zijn vrouw en dochter die in Turkije zijn achtergebleven.

Maar dan vindt Mahmoud op straat twee briefjes van vijfhonderd euro en een spaarboekje van de Deutsche Bank.

Vraag: houdt Mahmoud het geld zelf of gaat hij met de vondst naar de politie?

Het zou interessant zijn om te weten hoeveel procent van de lezers meent dat Mahmoud, onder de geschetste moeilijke omstandigheden, het geld voor zichzelf houdt. Als ik eerlijk ben, zou ik ook gedacht hebben dat hij dit grote geldbedrag stiekem in zijn zak zou hebben gestoken om er vervolgens zichzelf en zijn gezin mee te ondersteunen. Hoezo vooroordeel?

Maar onze Mahmoud raapt alles op, twijfelt geen moment en loopt er linea recta mee naar het politiebureau. Hij licht het voor de verbaasde pers als volgt toe: “Bij ons thuis werd ons kinderen altijd voorgehouden dat je iets wat van een ander is, of het nou geld is of goud, altijd moet teruggeven. Andermans geld dat je zelf houdt, brandt als vuur op je huid. Daar word je nooit gelukkig van”.

Zelden heb ik iemand onze nogal platvloerse uitdrukking “het verschil kennen tussen mijn en dijn” mooier horen verwoorden. Dit is niet alleen poëzie van de zuiverste soort, maar zou bovenal de ultieme waarschuwing moeten zijn aan al die lieden, die desalniettemin vinden dat ze anderen moeten bestelen, beroven of afpersen.

Mahmoud heeft als eerlijke vinder inmiddels al diverse regionale en landelijke tv-ploegen op bezoek gehad. Zelf vindt hij helemaal niet dat hij iets bijzonders heeft gedaan: “Ik voel me goed bij het idee dat de eigenaar zijn geld terug heeft”.

Hij ziet zelfs af van het vindersloon van vijf procent waar hij recht op had en waarmee hij zijn gezin in Turkije een maand had kunnen onderhouden.

“Dat geld is van iemand anders, ik hoef daar niets van te hebben”.

Een lichtend voorbeeld.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 30 juli 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Kruistocht

Geweld achter de voordeur, ik heb er op deze plek al vaker over geschreven. In tegenstelling tot wat lang werd gedacht, blijkt de impact van klappen die je krijgt van je echtgenoot of partner, zus of broer, moeder of vader en zoon of dochter veel groter te zijn dan die van een onbekende.

Juist degene met wie je een liefdes- of familierelatie hebt, zou immers ook degene moeten zijn die jou met zorgzaamheid en respect behandelt. In mijn professionele wereld is dit ideaalbeeld echter ver te zoeken. In de vijftien jaar dat ik de huiselijk geweld portefeuille heb beheerd, ben ik alle mogelijke voorbeelden tegengekomen van hoe het niet moet.

Juist omdat ik zelf uit een heel warm nest kom en een lieve, zorgzame partner heb, gun ik iedereen deze geborgenheid. Daarom ben ik destijds mijn eigen kruistocht, zij het op microniveau, begonnen om dit kwaad zoveel mogelijk de kop in te drukken.

En zoals in iedere veldtocht loop ik ook hier tegen allerlei obstakels aan. Een van de grootste hindernissen in de bestrijding van huiselijk geweld is het gegeven dat er zelden anderen bij zijn. Helaas zijn de getuigen die er wel zijn vaak (kleine) kinderen. Die zijn vanwege hun jonge leeftijd niet altijd geschikt als getuige. Maar ook bij oudere kinderen sta ik meestal niet te springen om ze een getuigenverklaring te laten afleggen tegen hun eigen vader of moeder vanwege het risico op een loyaliteitsconflict.

Toch is dit soms onvermijdelijk, wil ik de zaak bewijstechnisch rondkrijgen om zo de cirkel van geweld te doorbreken door oplegging van een sanctie gecombineerd met verplichte hulpverlening.

Vaak is ook het probleem dat het slachtoffer pas na verloop van tijd naar de politie en/of dokter stapt. Zo gaan kostbare sporen van geweld zoals zichtbaar letsel verloren en wordt het een stuk moeilijker om aan te tonen dat er verband is tussen het feit en het opgelopen letsel.

Mijn advies aan slachtoffers en hun omgeving is dan ook om alles zo snel mogelijk vast te (laten) leggen. Ga liefst meteen naar de politie, huisarts of Eerste Hulp, maak foto’s van het letsel of de vernielingen, noteer wanneer wat is gebeurd en wie daarbij waren, neem mensen in vertrouwen.

Want alleen zo kunnen we gezamenlijk optrekken in de kruistocht tegen huiselijk geweld.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 16 april 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Dit kan ons allemaal overkomen

De jonge vrouwelijke verdachte die de zittingzaal binnenkomt is een charmante verschijning, modern gekleed en met een vlot kapsel.

Ze wordt ervan verdacht als inzittende van een geparkeerde personenauto ernstig letsel te hebben toegebracht aan een passerende fietser door juist op het moment dat deze langs reed in een ultrakort moment van onoplettendheid de deur open te doen. Dit is weliswaar een overtreding – er is dus sprake van een bepaalde mate van schuld en niet van opzet – maar wel een met verstrekkende gevolgen.

De jongeman die langs fietste smakte keihard met zijn hoofd tegen het asfalt waardoor hij bewusteloos raakte. Later bleek hij een schedelbasisfractuur, diverse botbreuken, geheugenverlies en blijvende gehoorschade te hebben opgelopen. Hij heeft maandenlang veel pijn gehad en zijn revalidatie verliep moeizaam. Het was de vraag of hij, een veelbelovende student, nog ooit de oude zou worden.

Als de rechter begint met het onderzoek ter terechtzitting, kan onze verdachte het na amper twee zinnen al niet meer droog houden en begint ze zachtjes te huilen. Als ze een zakdoekje naar haar ogen brengt, zie ik dat haar handen trillen.

Het gebeuren heeft haar flink aangegrepen. Zij heeft zelf een tijdje niet kunnen werken omdat ze er helemaal doorheen zat. Uit bestudering van het dossier weet ik dat ze nooit iets heeft misdaan, dat ze een hardwerkende dame is en dat ze op verschillende manieren heeft geprobeerd om contact op te nemen met het slachtoffer om haar excuses aan te bieden. De man en diens familie zaten daar echter niet op te wachten.

Dit zijn zaken waarin ik ontzettend worstel met de strafmaat. Aan de ene kant is er immers die nietsvermoedende jongeman die gewoon netjes op het fietspad fietste en door een noodlottig toeval op het verkeerde moment op de verkeerde plaats was waardoor hij buiten zijn schuld zwaar gewond raakte.

Aan de andere kant is deze verdachte geen crimineel die dit expres heeft gedaan maar juist een normale, nette burger zoals u en ik. Alleen had zij de pech dat ze in die fractie van een seconde waarin ze vergat te kijken het leven van het slachtoffer voorgoed heeft veranderd.

Deze wetenschap alleen al zal voor haar zwaarder zijn dan eender welke geldboete of ontzegging van de rijbevoegdheid.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 8 januari 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Voltooid verleden tijd

“Mijn” rechtbank, inmiddels Rechtbank Limburg geheten, zetelt sinds 1995 in het voormalige ziekenhuis van Maastricht, St. Annadal, in een buitenwijk van de stad. Omdat ik in 1998 als officier van justitie ben begonnen, heb ik geen andere locatie meegemaakt.

Voor 1995 bevond het paleis van justitie zich echter nog midden in het centrum van de stad in een prachtig oud gebouw dat jarenlang dienst had gedaan als Minderbroedersklooster van de orde der Franciscanen. De hoge gewelfde hal met in het midden een grote, statige trap boezemde ontzag in.

De verhalen van de oudere garde over wat zich in vroeger jaren allemaal op deze historische plek heeft afgespeeld, zijn legendarisch. ’s Middags werd soms ineens voor een hele bubs Chinees gehaald. Of er werd onder de administratief medewerkers en parketsecretarissen een practical joke uitgevoerd. Ik vrees dat we daar nu geen tijd meer voor hebben.

Het grote voordeel van de centrale ligging in het oude gezellige stadshart was dat je tijdens je middagpauze lekker de stad in kon lopen. Recht tegenover de rechtbank lag (en ligt nog steeds) een bruine kroeg, toepasselijk “De Tribunal” geheten waar de parketsecretarissen – de deftige heren officieren hielden zich hier verre van – iedere vrijdag na het werk een Brand biertje gingen drinken om het weekeinde in te luiden.

Destijds bestond ook nog geen noodzaak om alles zo strak te beveiligen als tegenwoordig helaas het geval is. Elektronische pasjes, tegenwoordig voor personeel de enige manier om binnen (en, belangrijker nog, ook weer buiten!) te komen, waren nog niet uitgevonden, toegangscontrole compleet met metaaldetector evenmin. Mocht je het gewild hebben, kon je dus zomaar niet alleen het pand, maar ook de daarbinnen gelegen kamers van rechters en officieren binnen lopen aangezien er alleen een bode aanwezig was. En dat deden sommigen, bijvoorbeeld advocaten, dan ook wel eens.

Bezoekers moesten de kamer van “den Hoofdofficier” – in die tijd zonder uitzondering een streng kijkende man – naar goed toenmalig gebruik achteruit lopend (!) verlaten. Ook heerste er een veel grotere afstand tussen administratie, parketsecretarissen en officieren van justitie dan tegenwoordig, waardoor tutoyeren van laatstgenoemden (zoals nu gelukkig heel normaal is) uit den boze was.

Terugkijkend was vroeger dus wel veel, maar zeker niet alles beter.

Alleen de herinneringen blijven.

De rest is voltooid verleden tijd.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 14 mei 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

vvt2Voltooid verleden tijd

Haar eerste autootje

Dochterlief heeft pas geleden haar rijbewijs gehaald. Niet alleen een feestelijk gebeuren, maar ook een van de mijlpalen in een mensenleven. Dit was ook het moment om mijn belofte in te lossen en haar een tweedehands autootje te kopen van het geld dat ik voor haar heb gespaard.

Dan begint Het Grote Zoeken. Want waar vind je voor een redelijke prijs een wagentje dat weinig kilometers heeft gereden, van een betrouwbare verkoper is, zich ergens binnen een aanvaardbare afstand tot onze woonplaats bevindt, liefst airconditioning én een mooie kleur heeft en er ook nog een beetje leuk uitziet? In de twee weken nadat ze het rijbewijs heeft gekregen, bekijken we zeker zestig auto’s op internet maar iedere keer is er iets anders mee of blijkt hij al verkocht.

Maar dan hebben we beet; een superleuke Fiat 500 die voldoet aan alle vereisten en ook nog in een speciale uitvoering. Mijn dochter is in de wolken want zo kan ze voortaan met de auto naar haar stageplaats en twee bijbaantjes rijden in plaats van met trein en bus. Een groot gemak.

Als ze voor het eerst komt voorrijden in haar kekke bolide, straalt ze bijna achter haar sportieve stuur vandaan. “Moet je kijken mam wat er allemaal in zit! Extra opbergvakken! En heb je dit al gezien?”, roept ze terwijl ze me trots de make-up spiegel toont die verborgen zit in de zonneklep van de bijrijdersstoel. Niet dat ze die veel zal kunnen gebruiken als ze zelf moet rijden, maar haar enthousiasme is aanstekelijk. Daarom antwoord ik naar waarheid dat ik het enig vind (ik ben en blijf natuurlijk vrouw dus snap haar op dit punt maar al te goed).

Eenmaal binnen kunnen H. en ik het niet laten om haar vanuit onze beroepsdeformatie wel nog wat adviezen te geven over zogenoemde hotspots, plekken waar ze haar dierbare wagentje liever niet moet parkeren. Want ja, er zijn nu eenmaal mensen die anderen hun kleine geluk niet gunnen en zonder enig mededogen andermans auto vernielen of stelen.

Ik hoop zo dat onze doelgroep van haar wagentje afblijft want zo niet, weet ik zeker dat het haar hart zou breken.

En daarmee ook het mijne.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 25 juni 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Haar eerste autootje

De tranen van Ali B

Enige tijd geleden was Ali B. in DWDD waar hij al huilend een liedje vertolkte over zijn twee kinderen die veel te snel groot worden. Via Facebook werd ik door een vriendin erop attent gemaakt. Haar aansporing “Echt heel erg mooi…luister” maakte me nieuwsgierig, dus klikte ik op het filmpje.

Ik weet niet wat ik precies verwachtte maar in ieder geval niet dat ik binnen een halve minuut mijn ogen vochtig voelde worden. Ik zag nou eens niets de stoere rapper, maar een uiterst gevoelige vader die het aandurfde om op nationale tv over zijn misschien wel diepste angsten te zingen terwijl de tranen over zijn gezicht stroomden. Wat een moed als je je zo kwetsbaar durft op te stellen. Het feit dat Ali B. later toelichtte dat zijn emoties ook werden veroorzaakt door het recente overlijden van zijn vader doet daar niet aan af.

“D’r komt een tijd dat jullie niet meer willen knuffelen met papa (…). Dan zijn m’n kleine mannetjes niet meer klein. Ik vraag me af, waarom moet het nou zo snel gaan. Ik lach en ik lach een traan, want op een dag laat ik jullie gaan.

Uren die vliegen. Die jaren die liegen. Ze zeggen: doe rustig aan, er is tijd genoeg. Zien jullie niet dat ik jullie zo lief heb. Ik mis jullie nu al, terwijl jullie nog bij me zijn (….).

En misschien valt het allemaal wel mee en ben ik eraan gewend voordat ik het weet. Maar misschien verandert niks aan mijn pijn. Misschien zal ik er tegen die tijd niet eens meer zijn. Misschien weet ik één ding wel zeker: ik mis jullie voor het leven.”

De tekst van zijn liedje – dat inmiddels al op nummer 14 van de tipparade staat –  appelleert aan een oergevoel dat alle ouders over de hele wereld maar al te goed kennen; de angst dat je kinderen in een vloek en een zucht groot zijn en jou niet meer nodig hebben. Het is ons mensen eigen dat we met open ogen een kansloze strijd willen aangaan tegen het meedogenloze doortikken van de tijd, tegen de vergankelijkheid en vluchtigheid van al het mooie in het leven. En als het dan ook nog over ons eigen kroost gaat, komt het allemaal wel heel dichtbij.

Dit universele thema is al vaker bezongen, o.a. door Abba in het prachtige “Slipping through my fingers” dat gaat over een te snel opgroeiend dochtertje:

“Schoolbag in hand, she leaves home in the early morning
Waving goodbye with an absent-minded smile
I watched her go with a surge of that well-known sadness
And I have to sit down for a while

The feeling that I’m losing her forever
And without really entering her world
I’m glad whenever I can share a laughter
That funny little girl

Slipping through my fingers all the time
I try to capture every minute
The feeling in it
Slipping through my fingers all the time
Do I really see what’s in her mind
Each time I think I’m close to knowing
She keeps on growing
Slipping through my fingers all the time (…).

Sometimes I wish that I could freeze the picture
And save it from the funny tricks of time
Slipping through my fingers…”.

Zelf ken ik het gevoel maar al te goed, ook al heb ik inmiddels een zoon van 21 en een dochter van 19 die allang niet meer klein zijn. Want moeder – en vader –  ben je voor altijd.

Als ik dan een troost zou willen bieden, is het deze: zelfs de grote meester Shakespeare had er in zijn tijd al last van toen hij zo mooi verzuchtte: ““I weep to have what I fear to lose”.

Beste Ali, je bevindt je dus in goed gezelschap. Wij lijden allemaal met je mee. Hou je daar in je moeilijke momenten maar aan vast.

© Pascale Bruinen

ali b2

 

Man made disaster

Gek hoe ik jarenlang dit werk heb gedaan en me nooit heb gerealiseerd dat ik een zwaar beroep heb. Pas nu ik dankzij mijn boek van veel mensen hoor dat ze mijn job heftig vinden, sta ik daar eens bij stil. Als je er middenin zit, wordt het ongewone kennelijk gewoon.

Ik moet hieraan denken tijdens de cursus die ik met collega’s volg over het voorkomen van secundaire traumatisering, volgens de reader “een beroepsrisico van het dagelijks werken met getraumatiseerde mensen”. Daar leer ik dat “man made disaster”, oftewel wat mensen andere mensen aandoen, een grotere impact op je welzijn heeft dan bijvoorbeeld natuurrampen.

De cursusleiders vertellen over rode vlaggen voor secundaire traumatisering: stresssignalen die zich uiten in zowel geestelijke als lichamelijke symptomen, signalen van demoralisatie (een stijgend gevoel van pessimisme dat hand in hand gaat met verminderde zorgeloosheid en vermoeidheid) en het beroepsmatig minder kunnen verdragen van emoties.

Voor mij zijn sommige signalen een feest der herkenning. Na een huiselijk geweld zaak waarmee ik als zaaksofficier niets van doen had gehad maar waarin wel een dode en een gewonde te betreuren vielen, merkte ik plotseling dat ik geen afstand meer kon nemen van de ellende in dit soort zaken.

In die tijd, inmiddels een aantal jaren geleden, was ik al bijna vijftien jaar portefeuillehouder huiselijk geweld en moest ik in deze formele hoedanigheid uitleggen hoe deze vreselijke gebeurtenissen hadden kunnen plaatsvinden. Sindsdien voelde ik me opeens persoonlijk verantwoordelijk voor alles wat er aan huiselijk geweld in de provincie zou kunnen gebeuren. Ik merkte dat ik bang werd dat er ergens achter een voordeur weer iets vreselijks zou gebeuren en dat ik dan daarvoor ter verantwoording zou worden geroepen.

Rond dezelfde tijd overleed mijn vader. Het verdriet en de stress die zijn dood bij mij opriepen, maakten dat ik me nog kwetsbaarder voelde. In deze precaire situatie kwam de ellende van anderen nog veel harder bij mij binnen.

Destijds was mijn emmertje na de zoveelste druppel kennelijk overvol geraakt en stroomde deze over. Na een ingelaste bedenktijd besloot ik mijn portefeuille over te dragen zodat ik weer wat lucht kreeg. Dat heeft geholpen.

Nu weet ik dat ik ondanks al mijn professionaliteit niet immuun ben voor secundaire traumatisering. Een pijnlijke maar o zo noodzakelijke les.

© Pascale Bruinen

man made disaster

Deze column is op 30 april 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Onschuld

De vrijstaande woning waar de rechter-commissaris in alle vroegte voor een doorzoeking aanbelt, is ruim, strak en modern. Over zijn schouder kijk ik toe hoe de heer des huizes de deur open doet. De man wordt verdacht van grootschalige drugshandel en witwassen van crimineel geld.

Terwijl wij onze legitimatiebewijzen tonen, houdt een van de politiemannen hem aan en zegt dat hij niet tot antwoorden is verplicht. We gaan naar binnen.

In de riante woonkamer met leistenen vloer worden mijn ogen onmiddellijk getrokken naar een enorme flatscreen TV en een Bose geluidsinstallatie. De open keuken wordt gedomineerd door een groot kookeiland met dure apparatuur. Je kunt er van de grond eten. Alles oogt nieuw. Op de bovenverdieping wordt een kamer omgebouwd tot saunaruimte en in de achtertuin staat een flink formaat jacuzzi zelfs nog in de verpakking. En dat alles bij iemand die officieel van een uitkering zou moeten rondkomen.

Zijn echtgenote is er niet. Wel zijn er twee jonge kindjes. Eentje kan zo te zien nog maar net lopen. Zoals altijd voel ik me enigszins onbehaaglijk bij een doorzoeking omdat ik, hoewel daartoe bevoegd, toch ongevraagd een privédomein binnendring. Maar als er onschuldige kinderen bij betrokken zijn, voel ik dat des te meer.

Terwijl ik samen met de rechter-commissaris toekijk hoe de politiemensen beginnen met hun zoektocht, komt het peutertje vrolijk naar me toe gewaggeld. Het jongetje brabbelt iets onverstaanbaars achter zijn speen. Dan trekt hij de speen uit zijn mondje, gooit die demonstratief op de grond en lacht voluit naar mij.

Ik kan niet anders dan teruglachen naar dit aandoenlijke en guitige kind. Hoewel ik me ongemakkelijk voel om te spelen met een peutertje van een verdachte die ik mogelijk ga vervolgen, raap ik – zoals overduidelijk ook zijn bedoeling was – het speentje op en geef het terug. Prompt gooit hij het opnieuw met een sierlijke boog op de grond. Onwillekeurig moet ik denken aan mijn eigen kroost toen het die leeftijd had. Gek hoe alle kinderen precies hetzelfde doen.

Zelfs na al die jaren dat ik dit werk doe, blijf ik het een pijnlijke situatie vinden dat kinderen, die zich van geen kwaad bewust zijn, de dupe worden van het gedrag van hun ouders.

Voor mij went dat kennelijk nooit.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 18 december 2014 verschenen in het Algemeen Dagblad.

onschuld7

Umtot ’t Vastelaovend is…

Inmiddels is het een traditie geworden dat ik aan de vooravond van carnaval mijn column over vastelaovend hier plaats. Ik heb twee versies ervan geschreven, eentje in het Mestreechs (de bovenste) en eentje in het Nederlands (beneden). Mijn poging om de onbeschrijflijke gevoelens die carnaval in een echte vierder losmaakt toch in woorden te vangen.

Geniet van deze moeder aller feesten. Zij maakt geen onderscheid naar wie wat doet in het dagelijks leven, dat is totaal onbelangrijk. Tijdens deze dagen gaan onze maskers juist áf en zijn we meer dan ooit onszelf. In deze tijden is het misschien wel belangrijker dan ooit om – al is het maar één keer per jaar – letterlijk en figuurlijk allemaal samen te komen en verbinding te voelen met elkaar. Dan zie je ook dat we meer overeenkomsten hebben dan dat we van elkaar verschillen.

Laten we het (plastic!) glas heffen op onze verworvenheden, onze vrijheden, lief zijn en respect hebben voor elkaar maar laten we bovenal met volle teugen van dit prachtige volksfeest genieten, weer of geen weer!

Vastelaovend same!

Leefdesverklaoring

Vastelaovend. ‘T fies vaan mèt doen. Vaan aonstekelikke oetgelaoteheid. Sjaterlache, óngezjeneerd flawwe köl make, diech weer eve keend veule, aw bekinde zien, hielemaol los goon, diech ónderdómpele in de löstige minsemassa’s boete en binne.

Kaffees binne goon boestiech aanders noets kumps, mèt wèldvreemde ut groetste plezeer höbbe, mèt eederein euveral klasjenere. De zón die ‘t leech weersjijnt vaan doezende paillètte, de boonte oonderein vaan kleure, veendels en drappo’s. Diech wie ‘ne vogel zoe vrijj veule, de zaolige zörregeloosheid, eve nörreges aon hove te dinke.

De vertroude muffe geur vaan de vastelaovendspekskes in ‘t koffer, de nostalgiese reuk vaan schmink, de cortèges oetloupe of al haverwege d’roet goon umtot de kaffee lónk, spontaan mèt goon mèt ‘n veurbijj koumende rijaloet, danse en springe, inhaoke mèt dee dee touwvallig neve diech steit, de óngeluifelikke saamhurigheid, d’n oongekinde humer. Altied e werrem bad, óngeach de boetetemperatuur.

Meziek make. Achter de meziek aon goon. Swinge op de hypnotiserende sjelle en doffe toene vaan ‘n sambaband, aollemaol same ‘t zellefde leedsje woord veur woord mèt blère aon d’n toog. De blijje opwinding veule estiech ‘t sjalle vaan de trompötte huurs echoë tege de iewenaajde mör vaan de smale sfeervolle sträötsjes, de euvergaof boemèt zellefs de slechste muzzekant de lèste noot oet zien instremint peers. De bastoene vaan de dikke sjiem diestiech tot in d’nne boek veuls resonere. Meziek beleve in eedere vezel vaan dien lief mer veural in d’n ziel.

Kinderkes die ‘t mèt de paplepel ingegote kriege, bebie’s die tösse de kakefonie vaan geluide slaope wie un roes in un tot mini-kastiel umgeboude bolderkaar. Dee hierlik awwerwètse reuk vaan knakkers oet e speulgood sjeetgeweer, de oonveurstèlbaar sjoen zellef gemaakde kreasies, de inzinjeus en sóms loedzwoer konstruksies die luijj al die daog mèt sjouwe, barbecuë midde op de straot, de giechelende gezèlligheid este mèt z’n alle in de rijj steis veur de wc, de boel opsjöppe bijj de Chinees, good wèllende “Hollenders” en boetelenders leefdevol inwijje in de geheime vaan us allersjoenste tradisie.

De grepkes en de kunskes, straot tejater op eederen hook, spontaan tuike springe in e getske. Publiek weurt kemedie-speuler, d’n kemedie-speuler weurt publiek.

Mer ouch ut fies vaan kepot meuj zien, neet mie veuroet kinne, ‘t ieskaajd höbbe, door en door naat zien, diech gebroke veule, pijjn aon d’n veuj vaan ‘t väöle loupe, las vaan d’nne rök door ‘t stoon en ‘t gewiech vaan d’n pekske, un stroot wie sjoorpepier höbbe, de gleujetigge hits estiech mèt al d’n kleijjinglaoge örreges naor binne geis, de dóffe ellende estiech in ‘n väöl te klein wc al die laoge ein veur ein oet moos doen boebeijj d’n tamboerijjn en aandere touwbehure in de weeg haange.

De vètte happe aon de kraom, de groete rómmel op straot, toch nog väöl te väöl glaze die kepot goon (per óngelök of expres), luijj die ‘t nog altied neet begrepe höbbe en meine tot ‘t aordig is e huudsje vaan iemes aof te trekke of in iemes z’n batse te kniepe. Sómmige, joonk of aajd, die ten oonrechte dinke tot in recordtied zaat weure hijj ouch mer get mèt te make heet.

De pruuk die al nao vief menute jeuk wie de ziekte, d’n portemonnee verleere, de res vaan de gróp kwiet zien (en dat neet ‘ns erreg vinde), de schmink en de glitters ’s nachs neet mie d’raof kriege, d’n hoes bezejd mèt aofgevalle paillètte, plakkerigge vere vaan boa’s, stökskes glaas die oet d’n sjeunlappe zien gevalle, naate confetti, modderigge snie. Euveral kleijing die ruuk naar die bekinde mingeling vaan rouk, beer en zweit.

‘T fies vaan besjouwe. Zellef touwsjouwer zien. Diech verwóndere. Bewóndere. Relativere, filosofere, deepe en serjeus gesprekke höbbe terwijl stiech ‘n kenariekouw op d’nne kop höbs stoon. Unnen duvel dee puunt mèt unne bissjop. Range en stande die wegvalle. De verlegene toent ziech extravert, de pótsvrouw is keuningin. Manne weure vrouwe, vrouwe weure manne. Óngestuurd kinne zien wee of watste mer wèls. Wat belangrijk is, weurt oonbelangrijk en aandersum. De óntreuring este loers naor al die lachende geziechte, naor luijj die ónbekommerd plezeer höbbe.

‘T is ‘t aollemaol en tegeliek is ‘t zoeväöl miejer es de som vaan de deile.

E sentimint vaan chauvinisme, vaan óneindige leefde veur d’n stad, veur boeste vendan kumps. E hiel sterrek geveul vaan verbóndenheid. En vaan gruutsheid. Gruuts op dit sjieke fies. ‘T geveul vaan: dit is vaan en veur us, veur eederein dee mèt wèlt doen, dit pak niemes us mie aof. ‘T geveul vaan extase dat ziech puur natuur vaan diech meister maak es doezende stroote tegeliek oetbarste in samezaank op e fiestelik verliech plein, ‘t euverweldigend geveul örreges ech bijj te hure.

‘T surrealistiese vaan de stèlzwiegende aofspraok um dees daog oet alle windstreke verkleijd same te koume op e paar veerkante kilometer heilige groond. Sjus wie ‘n sókkerspin: zoe hapste d’rin en zoe is ‘t weer eweg. De vurige hoop um vollegend jaor weer debijj te mage zien. Eder kier e paar stepkes veur perbere te blieve op d’n eige ónontkoumbare vergaankelikheid. E geveul vaan urgensie want alles kin zoemer obbins veurbijj zien.

De traone die ónwillekeurig koume estiech weer veur e jaor aofsjeid mós numme vaan dit sjoenste fies vaan al. Meuj gestrijjd vaan de viefdaogse oetpöttingsslaag dee stiech same mèt al die aandere geliekgestumde oonder alle dinkbare weersumstandighede höbs volbrach. ‘T deit pijn tot in ‘t deepst vaan d’n weze mer in d’n hart wètste: ‘t is good gewees. Diech höbs d’nnen accu opgelaoje, diech höbs weer intens mage beleve wie ‘t is um hijjvaan deil oet te mage make. Diech bis weer de bijj gewees.

‘T is e veurrech. Eder jaor obbenuijts.

Geneet devaan.

© Pascale Bruinen

———————————————————————————————-

Liefdesverklaring

Carnaval. Het feest van meedoen. Van aanstekelijke uitgelatenheid. Schateren van het lachen, ongegeneerd flauwekul maken, je weer voor even kind voelen, oude bekenden zien, helemaal uit je dak gaan, je onderdompelen in de vrolijke mensenmassa’s buiten en binnen. Café’s binnen gaan waar je anders nooit komt, met wildvreemden de grootste lol hebben, met iedereen overal een praatje aanknopen. De zon die het licht weerkaatst van duizenden pailletten, de kakelbonte mengeling van kleuren, de vaandels en de vlaggen. Je als een vogel zo vrij voelen, de zalige zorgeloosheid, even nergens aan hoeven denken.

De vertrouwde muffe geur van de carnavalskleren in de koffer, de nostalgische reuk van schmink, de optochten uitlopen of er al halverwege uitgaan omdat het café lonkt, spontaan meegaan met een voorbijkomende polonaise, dansen en springen, inhaken met degene die toevallig net naast je staat, de ongelooflijke saamhorigheid, de ongekende humor. Altijd een warm bad, ongeacht de buitentemperatuur.

Muziek maken. Achter de muziek aan gaan. Swingen op de hypnotiserende schelle en doffe dreunen van een sambaband, allemaal samen hetzelfde liedje woord voor woord meeblèren aan de bar. De blije opwinding voelen als je het geschal van de trompetten hoort echoën tegen de eeuwenoude muren van de smalle sfeervolle straatjes, de overgave waarmee zelfs de slechtste muzikant de laatste noot uit zijn instrument perst. De bastonen van de grote trom die tot in je buik trillen. Muziek beleven in elke vezel van je lijf maar vooral in je ziel.

Kindertjes die het met de paplepel ingegoten krijgen, baby’s die te midden van de kakofonie van geluiden slapen als een roos in een tot mini-kasteel omgebouwde bolderkar. De heerlijk ouderwetse geur van knakkers uit een speelgoedpistooltje, de onvoorstelbaar mooie zelfgemaakte creaties, de ingewikkelde en soms loodzware constructies die mensen al die dagen meesjouwen, barbecuen midden op straat, de giechelende gezelligheid als je met z’n allen in de rij staat voor de wc, de boel op stelten zetten bij de Chinees, goedwillende “Hollanders” en buitenlanders liefdevol inwijden in de geheimen van onze allermooiste traditie.

De grappen en de grollen, straattheater op iedere hoek, spontaan met zijn allen touwtje springen in een steeg. Publiek wordt entertainer, de entertainer wordt publiek.

Maar ook het feest van kapot moe zijn, niet meer vooruit kunnen, het ijskoud hebben, door en door nat zijn, je gebroken voelen, pijn aan je voeten van het vele lopen, last van je rug van het staan en het gewicht van je carnavalspak, een keel als schuurpapier hebben, de gloeiende hitte als je met al je kledinglagen ergens naar binnen gaat, de doffe ellende als je in een veel te klein wc hokje al die lagen één voor één moet zien uit te doen waarbij je tamboerijn en andere toebehoren in de weg hangen.

De vette happen aan de kraam, de onvoorstelbare hoeveelheden rotzooi op straat, toch nog veel te veel glazen die kapot gaan (per ongeluk of expres), mensen die het nog altijd niet begrepen hebben en menen dat het “leuk” is een hoedje van iemand af te trekken of in iemands billen te knijpen. Sommigen, jong of oud, die ten onrechte denken dat in recordtijd dronken worden hier ook maar iets mee van doen heeft.

De pruik die al na vijf minuten jeukt als de ziekte, je portemonnee verliezen, de rest van de groep kwijt zijn (en dat soms niet eens erg vinden), de schmink en glitters er ’s nachts niet meer af krijgen, je huis bezaaid met afgevallen pailletten, plakkerige veren van boa’s, stukjes glas die uit je schoenzolen zijn gevallen, natte confetti-stukjes, modderige sneeuw. Overal kleren die ruiken naar de bekende mengeling van rook, bier en zweet.

Het feest van beschouwen. Zelf toeschouwer zijn. Je verwonderen. Bewonderen. Relativeren, filosoferen, diepe en serieuze gesprekken hebben terwijl je een kanariekooi op je kop hebt staan. Een duivel die kust met een bisschop. Rangen en standen die wegvallen. De verlegene toont zich extravert, de poetshulp is koningin. Mannen worden vrouwen, vrouwen worden mannen. Ongestoord zijn wie of wat je maar wilt. Het belangrijke wordt onbelangrijk en andersom. De ontroering als je kijkt naar al die lachende gezichten, naar mensen die onbekommerd plezier hebben.

Het is het allemaal en tegelijk is het zo veel meer dan de som der delen.

Een sentiment van chauvinisme, van oneindige liefde voor je stad, voor waar je vandaan komt. Een heel sterk gevoel van verbondenheid. En van trots. Trots op dit prachtige feest. Het gevoel van: dit is van en voor ons, voor iedereen die wil meedoen, dit pakt niemand ons meer af. Het gevoel van extase dat zich puur natuur van je meester maakt als duizenden kelen tegelijk uitbarsten in samenzang op een sprookjesachtig verlicht plein, het overweldigende gevoel ergens echt bij te horen.

Het surrealistische van de stilzwijgende afspraak om deze dagen uit alle windstreken verkleed samen te komen op een paar vierkante kilometer heilige grond. Net een suikerspin: zo hap je er in en zo is het weer weg. De vurige hoop er volgend jaar weer bij te mogen zijn. Telkens een paar stapjes vóór proberen te blijven op je eigen onontkoombare vergankelijkheid. Een gevoel van urgentie want alles kan zomaar ineens voorbij zijn. De tranen die onwillekeurig komen als je weer voor een jaar afscheid moet nemen van dit “feest der feesten”. Moegestreden van de vijfdaagse uitputtingsslag die je samen met al die andere gelijkgestemden onder alle denkbare weersomstandigheden hebt volbracht. Het doet pijn tot in het diepst van je wezen maar in je hart weet je: het is goed geweest. Je hebt je accu opgeladen, je hebt weer intens mogen beleven hoe het is om hiervan deel te mogen uitmaken. Je bent er weer bij geweest.

Het is een voorrecht. Elk jaar opnieuw.

Geniet ervan.

© Pascale Bruinen

 

 

vastelaovend

Vluchtige Momenten

Het is nog vroeg in de ochtend. Het zonlicht is nu op zijn mooist, nog fris en fruitig.  Ik loop alleen langs de branding van de Caribische Zee. Het zand voelt zo zacht als zijde. Ik ben op zoek naar schelpjes. Morgen vertrekken we weer naar huis en ik wil heel graag iets tastbaars hebben om mee te nemen.

Soms spoelt de zee liefelijk over mijn voeten. Gebiologeerd kijk ik naar mijn voetstappen die ik achter heb gelaten in het witte zand. Het volgende moment zijn ze weg, overspoeld door een golf. Vlakbij duikt een koddige pelikaan loodrecht het kristalheldere water in op zoek naar zijn ontbijt. Ik adem diep in en kijk naar het spectrum van blauw dat zich voor mijn ogen ontvouwt. Het is en blijft een levend kunstwerk.

Op het nog goeddeels verlaten strand komt me een mevrouw tegemoet gelopen. Zo te zien is ze van mijn leeftijd. Ze heeft zo’n ziplockbag bij zich en doet precies hetzelfde als ik. Zo te zien heeft ze er al een paar schelpen in zitten.

Als we elkaar tot heel dicht genaderd zijn, hebben we even oogcontact. In dat moment snappen we elkaar volkomen zonder ook maar iets te hoeven zeggen. Ik voel gewoon dat zij in net zo’n melancholieke bui is als ik.

Er ontstaat een praatje. Zij vertelt dat ze van Boston is.

“Morning is the best time of the day, don’t you think?”, vraagt ze me. Ik knik instemmend.

“I like it so much because you still have the whole day ahead of you”, antwoord ik haar. Nu  is het haar beurt om bevestigend te knikken.

“Yes, you are so right! Have a great day!”, zegt ze. En dan gaan we ieder ons weegs.

Na een tijdje draai ik terug. En ja hoor, even later treffen we elkaar weer. We moeten er beiden om lachen. Als we binnen gehoorsafstand zijn, beken ik aan haar dat ik ook altijd wat zand mee neem. “Oh, I always do that too!”, lacht ze.

“I desperately want to have something that will remind me of all this”, antwoord ik haar terwijl ik een weids gebaar maak. “So once at home, I make a mini Caribbean display with sand and shells. That way, I try to hold on to these beautiful but fleeting moments”.

“I know exactly what you mean”, zegt de vrouw.

We wensen elkaar nog een fijn verblijf en een veilige terugvlucht en dan scheiden onze wegen weer, dit keer voorgoed. Grappig hoe we niet eens van elkaar weten hoe we heten, maar wel zo’n diepgaand gevoel kunnen delen.

Vluchtige momenten.

Wanhopig proberen we ze op de een of andere manier te bewaren. We fotograferen en filmen ons allemaal 24/7 helemaal suf, zodat we prachtige ogenblikken eindeloos kunnen terughalen. Maar wat we eigenlijk willen, is  dat ze nooit voorbij zouden gaan.

Terwijl we druk doende zijn om alles vast te leggen, weten we diep in ons hart al dat we ze los zullen moeten laten.

Daarom kun je maar één ding doen: proberen om zoveel mogelijk memorabele gebeurtenissen aan elkaar te rijgen en ze dan zo bewust mogelijk te beleven.

Want de mooiste dingen in het leven zijn nu eenmaal niet vast te houden.

© Pascale Bruinen

Noot van auteur d.d. 13 december 2024: Voortschrijdend inzicht doet me gelukkig al sinds de nodige jaren beseffen dat het meenemen van schelpen en zand echt niet kan en ook nooit gekund heeft. Ik kan het verleden helaas niet ongedaan maken maar ik zal nooit meer iets van Moeder Natuur ergens ter wereld meenemen. Mijn herinneringen probeer ik nu vast te houden in foto’s en in mijn hoofd. Beloofd! Beloof jij dit ook?

Vluchtige momenten

Van Invasie tot Capitulatie: de Bevrijding van Maastricht (3)

Nee, dit is geen column van mijn hand. Maar een “Kroniek van historische gebeurtenissen, zoals die zijn beleefd door een Maastrichtenaar”. En die Maastrichtenaar was mijn vader, Theo Bruinen. Hij schreef zijn zeer persoonlijke ooggetuigenverslag van die gedenkwaardige dagen in de Tweede Wereldoorlog, dat leest als een spannend jongensboek, op 11 november 2009. Hij was toen 86 jaar. Door zijn kroniek hier een plekje te geven op mijn eigen blog wil ik hem eren voor dit mooie document, dat een getrouwe weergave is van het roerige en emotionele tijdsbeeld van de stad Maastricht, zowel in haar donkerste als in haar vrolijkste dagen. Daarnaast is het nu zeventig jaar geleden dat Maastricht werd bevrijd, zodat het ook om die reden toepasselijk is dit stuk nu te publiceren.

Na het overlijden van mijn vader is zijn kroniek opgenomen in de collectie van het stadsarchief van de gemeente Maastricht, thans het Regionaal Historisch Centrum Limburg genoemd.

Deze week deel 3, het laatste deel. Hier volgt zijn tekst:

Vanaf de bevrijding tot het Ardennenoffensief

De bevrijding verandert ons bestaan wezenlijk. Voorbij is de druk en de dreiging van een meedogenloos regiem. Blijvend is de herinnering aan de massamoord op duizenden landgenoten, de razzia’s, de arbeidsinzet, de kampen en de martelingen.

Na de roes van de bevrijding herneemt het leven zijn gang. .Bedrijven functioneren weer en het werk wordt hervat. Wij koesteren de gevoelens van dankbaarheid en vrijheid. Wij leven immers aan de goede kant van de frontlijn. Op de persen van de “Limburger Koerier” wordt een nieuwe vrije krant gedrukt, die de naam “Veritas” krijgt. De hoofdredacteur blijkt mijn leraar Nederlands te zijn.

Het straatbeeld ziet er nu geheel anders uit.

De gehate uniformen zijn alleen nog te zien bij krijgsgevangenen op doortocht.

Wij bewonderen de jeeps en andere legervoertuigen, wij onderscheiden de verschillende types tanks. Bijzonder indrukwekkend zijn de tanks die landmijnen onschadelijk maken. Wij leren de rangen en bijbehorende emblemen van de militairen kennen.

Voor het eerst zien wij zwarte Amerikaanse soldaten. De integratie van blank en zwart blijkt bij de strijdkrachten nog maar nauwelijks tot stand gekomen te zijn, want de zwarte soldaten dienen in speciale eenheden die zich voornamelijk bezig houden met transport en bevoorrading.

Bijna voortdurend cirkelt boven de stad een klein verkenningsvliegtuig, dat door zijn geringe snelheid en eigenaardig motorgeronk door de inwoners ‘d’n dreuvige’ wordt genoemd.

Ik breng veel tijd door bij de radarwagen van de Anti Aircraft Artillery die gestationeerd is op de speelplaats van een school aan de Herbenusstraat.  Over de radar is nog maar weinig bekend.

De Amerikanen zijn erg open  in het geven van informatie, misschien zelfs tè open. Zo wordt mij uitgelegd dat Maastricht verdedigd wordt door zestien 80 mm kanonnen, waarbij ieder kanon omringd wordt door 4 draaibare 4-loops mitrailleurs. De gehele afweer wordt gestuurd vanuit de radarwagen.

De rantsoenering van levensmiddelen, kleding en schoeisel blijft van kracht. De voeding krijgt een welkome aanvulling met wittebrood uit Zweden. Vriendschap met soldaten laat ons kennis maken met voedsel uit legervoorraden. Zo krijgen veel gezinnen een aanvulling van de rantsoenen, meestal in de vorm van cornedbeef en bonen of zogenaamde k-rations (dat zijn een soort chocoladerepen met hoge voedingswaarde  en bestemd voor soldaten in de voorste linies).

Aan extra kleding komen is moeilijker maar van parachutestof  bijvoorbeeld kan van alles worden gemaakt en Amerikaanse dekens worden getransformeerd tot mantels.

Wie beroepshalve naar België mag reizen brengt stoffen en kousen mee terug. De Belgen blijken  in deze periode er veel beter voor te staan dan wij en daardoor is de waarde van de Belgische frank op de zwarte markt veel hoger dan de officiële koers. Bezit van of handel in vreemde valuta is streng verboden.

Het hoogste gezag over de stad is in handen van de Amerikaanse Town-Major die de dienst “Civil Affairs” leidt.

Het front is nog steeds akelig dicht bij de stad. Dat verklaart waarom voor reizen verder dan Beek, Valkenburg en Gulpen een pasje van Civil Affairs vereist is.

Om onze levensomstandigheden en gevoelens te begrijpen is een korte beschrijving van de militaire situatie onontbeerlijk. Met de verovering van Aken en de mislukte doorstoot naar de Rijnbrug in Arnhem komt de geallieerde opmars tot staan. Ruw gezegd loopt het front van Zeeland via de Biesbosch naar Nijmegen en vandaar naar de Maas tot Maasbracht. Van hier gaat het met een boog langs Zuid-Limburg naar Aken en vandaar ongeveer de Duitse landsgrenzen volgend tot Zwitserland.

De geallieerden benutten de pauze voor het aanleggen van reusachtige voorraden munitie, brandstof en ravitaillering voor het slotoffensief in de komende lente. Tussen het 1e Amerikaanse leger in de sector Luik-Aken en de Britten in de sector Sittard wordt bij Maastricht een geheel nieuw leger ingeschoven, namelijk het 9e onder bevel van generaal Simpson. Met voldoening volgen wij de formidabele opmars van onze Russische bondgenoten. Zij rukken op aan het gehele front van de Baltische tot de Zwarte Zee.

De Duitse propaganda maakt veel ophef over nieuwe geheime wapens. De V1 ofwel “vliegende bom” is een onbemand vliegtuig, dat 1000 kg. springstof bevat. Het wordt gelanceerd en is verder onbestuurbaar. Als de brandstof van de motor op is stort de V1 neer.

Bij het overvliegen volgen wij het projectiel aandachtig en als de motor stopt is het parool: snel dekking zoeken. Na twee explosies van prototypes van de V2 op 14 en 15 september zijn wij verder hiervan gespaard gebleven.

Verraders en collaborateurs worden opgepakt, streng behandeld en vernederd. Voor vrouwen zijn ook beschuldigingen van intieme betrekkingen met Duitsers aanleiding tot kaal knippen. Een aantal bekende stadgenoten wordt staande op een hooiwagen in de stad rondgereden.

Het zal enige tijd duren voordat de wonden van de bezetting zijn geheeld en meer humane opvattingen en de principes van de rechtstaat zullen terugkeren.

Een voorval blijft mij bij. Ik behoor tot een groepje dat vanaf het viaduct in Limmel Duitse krijgsgevangenen in open wagons ziet passeren. Spontaan hebben wij toen gescholden en “ausradieren” geroepen, met opzet het woord gebruikend waarmee de Führer de Engelse steden met totale vernietiging dreigde. Het gooien met stenen, dat één onzer van plan is, vinden wij te ver gaan en kunnen wij voorkomen.

De Amerikaanse genie heeft gezorgd voor twee pontonbruggen over de Maas, één op de plaats van de huidige Noorderbrug en één ter hoogte van de Blekerij. Als ik deze laatste per fiets oprijd, barst een reusachtig kanongebulder los. Ik zie vanuit de richting Slavante drie vliegtuigen naderen, omringd door grote aantallen zwarte pluimen, afkomstig van de luchtafweergranaten. Eén toestel stort neer. Terug van de brug kan niet meer en het enige dat ik kan doen is zo snel mogelijk de andere oever bereiken. Vanuit mijn ooghoek zie ik weer een toestel branden. Dan houdt het vuren ineens op. Ook het derde toestel heeft Maastricht niet bereikt. Mijn vrienden van de Anti Aircraft Artillery ben ik veel dank verschuldigd.

De legerleiding promoveert Maastricht tot “restcenter”, een plaats waar de frontsoldaten korte verloven kunnen doorbrengen. Organisaties als Katholiek Thuisfront schakelen zich hierbij in. Er worden dansavonden georganiseerd, waarbij Maastrichtse meisjes  als partners van de Amerikaanse verlofgangers fungeren. Veel soldaten vinden een tweede thuis bij gezinnen.

De betrekkingen met de bevrijders zijn innig. Vaak zelfs heel innig, getuige het aantal zwangerschappen dat hieruit voortvloeit.

De sfeer van blijdschap als gevolg van de bevrijding wordt levendig gehouden. Opmerkelijk is het groot aantal buurtfeesten in de verschillende stadsdelen.

Het  wachten is nu op het voorjaarsoffensief dat de vrede moet brengen. Dit zal zeker op de agenda staan van de topconferentie op 7 december 1944 waarbij de hoogste legerleiders Eisenhower, Bradley en Montgomery aanwezig zijn. Bijzonder interessant is het feit dat die conferentie gehouden wordt in het Maastrichtse Veldeke-College, dat 5 jaren mijn school was.

Van het Ardennenoffensief tot de capitulatie

Kort voor Kerstmis komt er plotseling een einde aan de betrekkelijke stilte aan de fronten. In de ochtend van 16 december 1944 komen ineens verontrustende berichten op de radio. Een Duits offensief in de Ardennen! De Amerikanen worden overrompeld. Door de dichte mist missen wij de geallieerde vliegtuigen. De Duitsers maken verontrustende vorderingen in de richting van de Maas en er wordt zeer wreed opgetreden tegen de Belgische inwoners.

De reacties van de geallieerden doen chaotisch en paniekerig aan. In de voormalige HBS in het villapark in Maastricht wordt opnieuw een topconferentie gehouden met vrijwel dezelfde legerleiders als op 7 december maar nu om de strategie te bepalen tegen de Duitse aanval. De Engelsen gaan een deel van de frontsector overnemen. Amerikanen vertrekken in zuidelijke richting. Er heerst onrust. Er is een bedreigend gevoel: het zal toch niet zo zijn dat de moffen terugkomen?

Een aantal ongeruste inwoners gaat veiligheidshalve op weg in westelijke richting. Reeds in bezit van een reispas van Civil Affairs voor Zuid-Limburg slaag ik erin deze ook geldig te maken voor Brussel en dan vertrek ik per fiets op weg naar familie in Braine-le-Compte, ca. 50 km ten zuiden van Brussel.

In de buurt van Brussel wordt de stroom vluchters alsmaar groter. Bij gebrek aan voldoende accommodatie wordt er overnacht op vloeren van café’s. In Brussel kan ik een electrische trein nemen naar mijn einddoel.

Mijn verblijf in Braine-le-Compte is geruststellend. De Belgische regering slaagt erin alle pessimisme bij de bevolking weg te nemen. “Het is niet meer 1940”, is de boodschap. Hoewel ook hier nog een distributiestelsel van kracht is, blijkt geen sprake van een tekort aan levensmiddelen. De levendige zwarte handel werkt hier met veel lagere prijzen dan in Nederland.

En dan op 23 december 1944 krijgen wij een schouwspel dat een onuitwisbare indruk achterlaat. In de ochtenduren breekt de hemel open en een heldere winterzon komt te voorschijn. Dat blijkt het signaal voor de grootste inzet van de geallieerde luchtmacht in de oorlog.

Een oorverdovend geluid van vliegtuigmotoren doet iedereen naar buiten komen. Kijkend in zuidelijke richting zien wij eindeloze rijen vliegtuigen in oostelijke richting gaan. Aan de andere kant zijn er eveneens eindeloze rijen vliegtuigen op de terugweg. Wij voelen aan dat dit het definitieve einde betekent van de Duitse ambitie nog iets terug te kunnen doen.

Op 31 december ga ik terug naar Maastricht. Per trein naar Brussel, op de fiets naar Tongeren en vandaar in een Amerikaanse jeep naar huis.

Uit de later bekend geworden geschiedschrijving blijkt zich het volgende te hebben afgespeeld. De frontsector tussen Aken en het groothertogdom Luxemburg was door de Amerikanen zwak bemand. Juist daar dachten de Duitsers nog eens te kunnen toeslaan. Generaal von Rundstedt verzamelde een leger van 250.000 man, waaronder een aantal pantserdivisies. Het offensief was een totale verrassing voor de Amerikanen. De eerste dagen van de aanval werden grote vorderingen gemaakt. Vooruitgeschoven patrouilles bereikten de Maas. Bastogne werd omsingeld. De geallieerde luchtmacht kon niet in actie komen door de dichte mist die enkele weken aanhield.

Pas na wekenlange gevechten begon de geallieerde reactie vruchten af te werpen. Het 9e leger viel de noordflank aan en het 3e leger van generaal Patton bedreigde de Duitse zuidflank. Bastogne, dapper verdedigd door een luchtlandingsdivisie, had stand gehouden en werd ontzet. Van 23 tot 26 december heeft de geallieerde luchtmacht 17.000 vluchten uitgevoerd!

Het Ardennenoffensief was de laatste bedreiging door de vijand. De eerste maanden van 1945 werden gekenmerkt door de voorbereidingen voor de komende geallieerde eindaanval.

Nog voor het grote offensief slagen de Amerikanen erin de brug over de Rijn bij Remagen vrijwel onbeschadigd in handen te krijgen. Kort daarna steken zowel de Amerikanen als de Engelsen de Rijn over.

Een nieuw hoogtepunt in het verloop van de oorlog is de ontmoeting met het Russische leger. Na vier jaren en duizenden kilometers dringen de Russen door tot in Berlijn.

Op 5 mei 1945 zit ik in een bioscoop. Plotseling wordt de film afgebroken. Generaal Blaskowitz heeft in Wageningen de overgave getekend van de Duitse legergroep Noordwest.

De straten lopen vol met blije mensen. De klokken beginnen te luiden en na vijf jaar duisternis springt de straatverlichting aan.

Het spontane volksfeest zal de hele nacht duren.”

J.Th. Bruinen

invasie 5 bevrijding

 

 

Van Invasie tot Capitulatie: de Bevrijding van Maastricht (2)

Nee, dit is geen column van mijn hand. Maar een “Kroniek van historische gebeurtenissen, zoals die zijn beleefd door een Maastrichtenaar”. En die Maastrichtenaar was mijn vader, Theo Bruinen. Hij schreef zijn zeer persoonlijke ooggetuigenverslag van die gedenkwaardige dagen in de Tweede Wereldoorlog, dat leest als een spannend jongensboek, op 11 november 2009. Hij was toen 86 jaar. Door zijn kroniek hier een plekje te geven op mijn eigen blog wil ik hem eren voor dit mooie document, dat een getrouwe weergave is van het roerige en emotionele tijdsbeeld van de stad Maastricht, zowel in haar donkerste als in haar vrolijkste dagen. Daarnaast is het nu zeventig jaar geleden dat Maastricht werd bevrijd, zodat het ook om die reden toepasselijk is dit stuk nu te publiceren.

Na het overlijden van mijn vader is zijn kroniek opgenomen in de collectie van het stadsarchief van de gemeente Maastricht, thans het Regionaal Historisch Centrum Limburg genoemd.

Deze week deel 2. Hier volgt zijn tekst:

Van de invasie tot de bevrijding op 14 september 1944

Ons leven verandert in deze dagen drastisch. Voor een belangrijk deel komt dit tot uiting in het straatbeeld. Tot dusverre waren wij gewend aan marcherende en zingende Duitse eenheden. Wij zagen geregeld de legervoertuigen, de motoren van de ordonnansen en de  overvalwagens. Wij kenden de uniformen van Wehrmacht. Luftwaffe en Sicherheitspolizei.

Alles ademde de geest van militaire discipline, tot bij het uitoefenen van terreur toe.

Wat nu gebeurt is hiermee in fel contrast. Dagenlang zijn wij getuige van een eindeloze colonne vrachtwagens, veldgeschut, boerenkarren, hooiwagens, autobussen uit de bezette steden, bakkerswagens, kortom alles wat motorisch of met paarden in de richting van Duitsland kan worden voortbewogen. Alle vervoermiddelen worden bevolkt, soms overbevolkt met een bonte mengeling van soldaten, piloten, verpleegsters, telefonistes en burgerpersoneel. Het chaotische beeld wordt gecompleteerd door de boomtakken die ter bescherming tegen luchtaanvallen als camouflage worden meegevoerd.

Wij staan op straat om deze optocht, of liever aftocht niet te missen. Wij moeten onze gevoelens verbergen en vooral ernstig blijven kijken, wetende dat iedere blijk van spot of leedvermaak tot escalatie kan leiden. De haatdragende blikken die ons toeschouwers ten deel vallen vormen een duidelijke waarschuwing. Met ingehouden vreugde zien wij zowel hier wonende Duitse als NSB-families huisraad op karren laden.

Scholen blijven nu gesloten, gewerkt wordt alleen nog maar waar dit hoognodig is. Leidde voorheen iedere vorm van staking tot het fusilleren van gijzelaars, nu komt er geen reactie.

Ook Gestapo en Sicherheitspolizei blijken hun biezen te hebben gepakt. Als de aftocht voltooid is heerst er op straat een opmerkelijke stilte.

Op 10 september is er dan ineens een Duitse infanteriecolonne die passeert op het moment dat geallieerde vliegtuigen pamfletten uitstrooien met de oproep aan de Duitse soldaten de strijd te staken. Natuurlijk willen wij exemplaren bemachtigen en triomfantelijk tonen wij ze aan onze kameraden. Op dat moment richt een Duitse officier een pistool op onze borst en grist de pamfletten uit onze handen. Geen wereldschokkend nieuws dit incident maar wel tekenend voor het nog steeds aanwezige Duitse fanatisme, zelfs nog in deze fase van de oorlog.

Op 12 september meldt de Britse radio de bevrijding van Tongeren. Het uur U is nu toch wel heel dichtbij!

Om 2 uur in de nacht van 12 september worden wij opgeschrikt door de huisbel. Wordt nu een schrikbeeld van vele jaren toch nog werkelijkheid? Ik kijk door het deurraampje en zie in het maanlicht de contouren van een Duitse helm en geweer. Ik posteer mij bij de achterdeur om te vluchten indien de vrees bewaarheid wordt. Achteraf misschien naïef maar impulsief en doordacht gaan nu eenmaal niet samen. Mijn moeder gaat naar de voordeur wat voor haar de zwaarste gang van haar leven moet zijn geweest.

De bezoeker in uniform van de Sicherheitspolizei spreekt Maastrichts en blijkt een notoire NSB-er te zijn, die in onze straat heeft gewoond. Hij overhandigt het bevel voor mij om schuttersputjes te gaan graven op de Meerssenerweg.

Het motief voor de gekozen manier van handelen voor het overhandigen van een bevel laat zich slechts raden.

Door het veelvuldige luchtalarm vertoeven wij vaak in de onderaardse gangen van bastion de Erfprins, dat als schuilkelder is ingericht. Een viertal jongemannen blijkt een soortgelijk bevel van putjes graven te hebben ontvangen. Wij besluiten aan het bevel geen gevolg te geven. Eén lid van ons groepje kent een ruimte in de kazemat waarvan de ingang door puin onzichtbaar is. Omdat wij niet zeker weten of in de gegeven omstandigheden nog sancties mogelijk zijn hebben wij veiligheidshalve die ruimte voor een meerdaags verblijf geschikt gemaakt. 

In de late namiddag van 13 september horen wij een geluid dat aanhoudt. Het geluid lijkt op het gejuich dat wij leerden kennen als MVV aan de Boschpoort een doelpunt maakte. Zou het dan toch zo ver zijn? Omdat in Maastricht-West geen enkele activiteit te bespeuren is, durven wij het niet te geloven.

Wij gaan boven op het bastion staan en kunnen van daaruit de toren van het station in Wijck zien. Daar zien wij dan de Nederlandse driekleur. De gevoelens die dit moment oproepen zijn niet te beschrijven.

Toch is het nog te vroeg om feest te vieren, want op de Brusselsestraat heeft een groepje Duitse soldaten een handgranaat door een raam van een huis gegooid omdat de bewoner de vlag had uitgestoken.

14 september 1944

In alle vroegte besluit ik de situatie in de stad te verkennen. De sfeer is nog wat onwezenlijk. Geallieerde soldaten zijn nog niet te zien. Op het Vrijthof zijn de eerste vlaggen uitgestoken en er lopen gehelmde mannen in blauwe overalls met oranje armbanden, leden van de zogenaamde binnenlandse strijdkrachten. Omdat de Amerikanen wel aan de overkant van de Maas in Wijck zijn, ga ik naar de Maasbrug en daar staan enkele honderden mensen. De brug is weliswaar opgeblazen doch de puinhopen vormen toch nog een oeververbinding.

Dan gebeurt het ongelofelijke: de eerste Amerikaan komt kruipend en klimmend over de puinhopen van de brug op de westelijke oever aan. Voor het eerst zien wij een bewapende Amerikaanse soldaat in levenden lijve. Tot diens eigen verbazing wordt hij door een aantal mannen op de schouders gehesen en wordt een rondedans met hem gemaakt. Korte tijd later komt nummer twee en ook hij ondergaat dezelfde wijze van begroeting. Dit tafereel maakt een diepe indruk. Zie hier, midden in een gruwelijke wereldoorlog een uiting van spontane  blijdschap, dankbaarheid en warme menselijke gevoelens!

Vanaf de Kesselskade dringen muzikale klanken tot ons door. Er nadert een kleine stoet. De kern wordt gevormd door een opgepakte collaborateur, geflankeerd door verzetsmensen. Voorop in de stoet loopt een accordeonist die voor de muzikale begeleiding zorgt. Eerst is er wat gejoel en dan wordt het toen zo populaire lied “oh n.s.b. gij zult de stad verlaten” massaal meegezongen. Zo lukt het de Maastrichtenaren om ook van ernstige gebeurtenissen een soort volksfeest te maken.

In de namiddag verzamelen de Amerikaanse infanteristen zich op een zonnig Vrijthof dat nu één groot kleurenpalet is. Behalve Nederlandse zijn er ook geïmproviseerde Amerikaanse, Britse, Franse en zelfs Russische vlaggen. In gesprekken met de soldaten blijkt dat Amerika geen regionaal opgebouwde strijdkrachten heeft, maar dat in iedere eenheid alle staten vertegenwoordigd kunnen zijn. “Ik ben in veel bevrijde steden geweest maar zo’n versiering en zoveel kleur heb ik nergens gezien.” Aldus een spraakzame Amerikaan uit Oklahoma.

In de latere namiddag gebeurt iets waarvan wij op dat moment de betekenis en draagwijdte niet kunnen bevroeden. Een enorme knal zonder enig spoor van een vliegtuig doet iedereen schrikken. De volgende dag heeft eenzelfde explosie plaats in de buurt van Vroenhoven.

Ik heb inmiddels kennis gemaakt met een Amerikaanse soldaat die de radarwagen van de luchtafweer bemant. Hij vertelt mij dat de explosies veroorzaakt moeten zijn door projectielen waarvan noch de snelheid, noch de hoogte op zijn schermen af te lezen waren. Het moet volgens hem wel om een heel belangrijke zaak gaan want verscheidene hoge officieren zijn bij hem in de wagen geweest en daarna in allerijl naar Vroenhoven gereden (later vernamen wij in Britse documentaires dat zowel bij Luik als bij Maastricht in de septemberdagen prototypes van de V2-raketten zijn gelanceerd, pas later gevolgd door de massale aanvallen op Antwerpen en Londen).

Het front is nog akelig dichtbij en de bevrijding van Zuid-Limburg is nog verre van voltooid.

Zeer indrukwekkend en geruststellend is de doortocht van de tankdivisie “Hell on Wheels”. Drie rijen zware tanks rollen over de Statensingel, richting Duitsland.

In de maand september komt een einde aan de geallieerde opmars. Wij mogen ons gelukkig prijzen dat dit gebeurt ná de bevrijding van Zuid-Limburg, dat wel nog maandenlang frontgebied blijft met als dieptepunt het Duitse Ardennenoffensief.

Op een nieuw spontaan volksfeest zullen wij nog maanden moeten wachten.”

J.Th. Bruinen

invasie 2

Van Invasie tot Capitulatie: de Bevrijding van Maastricht (1)

Nee, dit is geen column van mijn hand. Maar een “Kroniek van historische gebeurtenissen, zoals die zijn beleefd door een Maastrichtenaar”. En die Maastrichtenaar was mijn vader, Theo Bruinen. Hij schreef zijn zeer persoonlijke ooggetuigenverslag van die gedenkwaardige dagen in de Tweede Wereldoorlog, dat leest als een spannend jongensboek, op 11 november 2009. Hij was toen 86 jaar. Door zijn kroniek hier een plekje te geven op mijn eigen blog wil ik hem eren voor dit mooie document, dat een getrouwe weergave is van het roerige en emotionele tijdsbeeld van de stad Maastricht, zowel in haar donkerste als in haar vrolijkste dagen. Daarnaast is het nu zeventig jaar geleden dat Maastricht werd bevrijd, zodat het ook om die reden toepasselijk is dit stuk nu te publiceren.

Na het overlijden van mijn vader is zijn kroniek opgenomen in de collectie van het stadsarchief van de gemeente Maastricht, thans het Regionaal Historisch Centrum Limburg genoemd.

Deze week deel 1. Hier volgt zijn tekst:

Van Invasie tot Capitulatie: De Bevrijding van Maastricht.

Kroniek van historische gebeurtenissen, zoals die zijn beleefd door een Maastrichtenaar.

Inleiding: Euforie na de hel

Als mij gevraagd wordt welke momenten de meeste indruk hebben gemaakt toen de jarenlang gekoesterde droom van bevrijding werkelijkheid werd, dan moet ik er twee noemen.

Voor het eerste gaan de gedachten terug naar de namiddag van 13 september 1944. In de verte klinken geluiden die van gejuich afkomstig lijken. Staande bovenop het bastion de “Erfprins” aan de Statensingel is de toren van het station in Wijck te zien en daaraan wappert de rood-wit-blauwe vlag. Het hijsen van de nationale driekleur is gedurende vier en een half jaar strikt verboden geweest en daarom kan dit maar één ding betekenen: bevrijding!!!

”Zij zijn er nu echt!”

Nu, vele jaren later, ervaar ik bij de herinnering aan dat moment nog steeds de opwinding en het gevoel van onbeschrijfelijke euforie van toen.

Voor het tweede onvergetelijke moment ga ik terug naar de vroege morgen van 14 september toen de eerste Amerikaanse soldaat klimmend en kruipend over de puinhopen van de Servaasbrug de Maastrichtse oever bereikte en daar door de samengestroomde stadgenoten op de schouders werd genomen voor een spontane rondedans. Midden in een gruwelijke wereldoorlog een uiting van blijdschap en warme menselijke gevoelens.

Spannende maanden gingen aan dit moment vooraf.

Van de invasie tot de bevrijding op 14 september 1944

6 juni 1944

Nauwelijks op mijn werkplek  aangekomen gaat om 9 uur de telefoon. Het is mijn schoolvriend die mij dringend verzoekt bij hem thuis “een pakje op te halen”, ons codewoord voor groot nieuws. Ik begrijp hieruit dat er iets belangrijks te melden valt.

Al sinds het begin van de bezetting is het luisteren naar de Engelse radio streng verboden en overtreders riskeren opgepakt te worden door de Gestapo. Ofschoon het nog gevaarlijker wordt na de inleveringsplicht van alle radio’s in juni 1943 heeft mijn vriend een radio achtergehouden en ingebouwd in een oude kast bij hem op zolder. Hier komen wij geregeld bij elkaar en meer op de vloer liggend dan zittend luisteren wij naar de Engelse radio met onze oren tegen het apparaat gedrukt, want de geluidssterkte mag niet te hoog zijn. Omdat de Nederlandstalige uitzendingen van radio Oranje door de Duitsers worden gestoord luisteren wij naar de (ongestoorde) BBC. Gelukkig is onze kennis van het Engels voldoende om het nieuws te volgen.

Als ik bij mijn vriend aankom staat deze mij al op te wachten. “Het is begonnen” is het enige dat hij zegt. Dan direct naar de zolder en wij horen het vertrouwde: “this is the BBC home- and forces program; here is the news and it is Frank Philips reading it”. Vandaag heeft deze aankondiging iets feestelijks. De proclamaties van generaal Eisenhower en Winston Churchill maken duidelijk dat de invasie nu echt een feit is !!

Jarenlang hebben wij hiernaar uitgekeken in de overtuiging dat bevrijding en overwinning alleen op deze wijze bereikt kunnen worden. Normandië blijkt het eerste invasiedoel te zijn en dat is verrassend omdat het niet op de kortste afstand vanuit Engeland ligt. Wij blijven in grote spanning alle berichten beluisteren op wat later “de langste dag” zou worden genoemd.

7 juni – 24 juli 1944

Deze periode wordt gekenmerkt door hevige strijd en moeizame uitbouw van de gevormde bruggenhoofden. Dagelijks pas ik op een gedetailleerde kaart van Normandie de frontlijn aan.

Ik raak vertrouwd met de namen van steden en dorpen: Caen, Bayeux, Saint Lo, Falaise, Arromanches, St Pierre-Eglise. De bevrijding van Cherbourg betekent het verwerven van een grote haven, dringend nodig na de storm die de kunstmatige Mulberry-haven verwoestte.

Al met al een spannende periode.

De bezetting wordt grimmiger. Enkele maanden tevoren krijgen de jaargangen 1922, 1923 en 1924 – waartoe ik behoor – integraal bevel zich te melden voor de arbeidsinzet in Duitsland. Werkgevers van “kriegswichtige” bedrijven kunnen mondjesmaat vrijstelling krijgen via speciale “Ausweise”. Gelukkig worden bijna alle bedrijven als zodanig beschouwd.

Geregeld worden op straat razzia’s gehouden om de weigeraars van de “Arbeitseinsatz” op te pakken. De rantsoenering wordt steeds krapper.

24 juli – 3 september 1944.

Dan komen de berichten waarop wij bijna 7 weken hebben gewacht.

Op 24, 25 en 26 juli forceren de geallieerden een doorbraak bij Avranches en vanaf dat moment waaieren zij uit over Frankrijk. Eén maand later volgt de bevrijding van Parijs dat ontkomt aan vernielingen, omdat de Duitse commandant het bevel “verschroeide aarde” toe te passen, negeerde.

Behoudens enkele bommen in mei 1940 is Maastricht tot dusverre gespaard gebleven van ernstig oorlogsgeweld. Jarenlang zijn wij gewend geraakt aan het geluid van s’nachts overvliegende eskaders van de Royal Air Force wanneer wij op de aanvliegroute lagen van de als doelwit gekozen Duitse steden. Luchtgevechten, afweergeschut en neergestorte vliegtuigen waren de oorzaak van veelvuldig luchtalarm, doch van een gerichte aanval is nooit sprake geweest.

Dat wordt nu anders.

De geallieerde luchtmacht valt tot ver achter het front de Duitse verbindingslijnen aan. Dit gebeurt met lichte bommen en boordgeschut door de zogenaamde jachtbommenwerpers maar ook door formaties “vliegende forten” die vanaf grote hoogte het gekozen doel aanvallen met een “bommentapijt”, zo genoemd omdat de vliegtuigen hun bommen vrijwel gelijktijdig droppen, waardoor een grote oppervlakte rond het doel getroffen wordt.

Op 18 augustus krijgen wij een voorproef van het leed dat de strijd kan meebrengen. Amerikaanse eskaders werpen midden op de dag twee bommentapijten op de spoorbrug over de Maas met als resultaat bijna honderd doden en twee verwoeste woonwijken op de beide oevers. Extra triest is het feit dat de brug nauwelijks beschadigd wordt.

Na de val van Parijs beginnen wij serieus aan onze eigen bevrijding te denken. Het gaat er nu om wanneer en hoe want dat de bevrijding eens zal komen hebben wij steeds rotsvast geloofd, zelfs op kritieke momenten zoals tijdens de “slag om Engeland” en de opmars naar Moskou. Vooral het hoe houdt ons bezig. Het slechtste scenario zou zijn middels straat- en huis-aan-huis gevechten zoals b.v. in Caen, Falaise en Cherbourg. Daarentegen zijn Rome en Parijs voorbeelden van een gelukkig scenario. Onze grote vrees is dat het front vóór Maastricht zal vastlopen na de snelle opmars tot nu toe.

Ondanks de oplopende spanning kunnen wij een gevoel van opwinding niet onderdrukken. Wij zijn immers getuige van historische gebeurtenissen van een enorme importantie. Het nieuws van de bevrijding van Brussel op 2 en 3 september heeft een euforische stemming tot gevolg. Nog maar 100 km!

Al onze aandacht is nu gericht op Tongeren want vanuit die richting verwachten wij de bevrijders. De lange verbindingslijnen vertragen de opmars, voornamelijk wegens stagnatie van de brandstofaanvoer.

Later vernemen wij dat als gevolg hiervan de infanterie taken van de gemotoriseerde eenheden moest overnemen hetgeen uiteraard van invloed was op het tempo van de opmars.”

J.Th. Bruinen

invasie 1

 

 

 

Wat ruist er door het struikgewas? (3)

Mijn eerste nacht in onze safaritent in het private game reserve is er een om nooit te vergeten. Ik ga pas liggen nadat ik alle beddengoed van ons mooie ledikant heb afgehaald om te controleren of zich geen zwarte mamba erin heeft verstopt. Het is zo’n klamme hitte dat ik bijna mijn bed uitdrijf. Airco is alleen nog maar een mooie droom.

Hoewel ik kapot moe ben van de lange reis en alle indrukken, kan ik de slaap niet vatten. Een megakoor van krekels brult zo luid als de motoren van de Formule 1. Ik vind het prachtig maar in plaats van dat het me in slaap wiegt, word ik er alleen maar wakkerder van.

En krekels zijn niet de enige dieren die ik hoor. Want als ik mijn oren spits (en dat doe ik), hoor ik daar tussendoor ook vele vogels roepen, tsjilpen en krijsen. Kennelijk zijn die Zuid-Afrikaanse gevederde vrienden in tegenstelling tot hun Nederlandse collega’s ook ’s nachts actief.

Wat me enigszins verontrust zijn de geluiden die ik niet kan thuis brengen. En dat zijn er nogal wat. Ik hoor door de krekel- en vogelkakofonie namelijk ook regelmatig een soort gebrom, gesis en gehuil. Nodeloos te zeggen dat ik hierdoor helemaal geen oog dicht doe.

Net als ik denk dat ik nu wel alles gehad heb, hoor ik buiten – vlak achter mijn hoofd – een luid gekraak. Ik zit in één ruk rechtop in bed. Het was het geluid van een doorbrekende tak. En een grote, zo te horen. Dat gebeurt niet spontaan. Mijn hart lijkt zo’n vijfentwintig centimeter omhoog te zijn geschoten en zit nu ongeveer ter hoogte van mijn keel.

Ik por H.,  die naast me doodleuk de slaap der onschuldigen slaapt, in zijn zij.

“Heb je dat gehoord? Er zit hier een of ander dier pal naast onze tent! Word wakker!!!”, schreeuw-fluister ik terwijl ik aan hem rammel. Hoe is het mogelijk dat hij gewoon doorslaapt alsof ons niet slechts een flinterdun tentzeil scheidt van God weet wat voor bloeddorstig wild beest.

“Hè? Wat? Wat is er? Heb niks gehoord, ga slapen!”, antwoordt H. slaapdronken in het pikkedonker. Mooie boel is dit. We bevinden ons misschien wel in een potentieel levensbedreigende situatie en meneertje draait zich nog eens lekker om.

“Aan jou heb ik ook niks!”, sis ik als een boze slang. Ineens bedenk ik me dat het ook nog zou kunnen dat het iets op twéé benen was. Ik weet niet wat ik erger vind, want in het laatste geval hoeft de kwaadwillende maar de rits van de badkamer omhoog te trekken en hij staat al binnen. Ik wou dat ik kon zeggen dat het zweet me uitbrak bij die gedachte, maar dan zou ik liegen. Ik ben namelijk al drijfnat.

Één voordeel zie ik wel. Godzijdank is de nacht maar kort want om kwart over vier gaat de wekker al.

Als ik eindelijk uit bed mag klauteren, ga ik rechtstreeks de douche in. Nou ja, niet dan nadat ik bij het armzalige licht van mijn batterij-lamp heb gecheckt of ik me niet soms samen met een schorpioen dreig te gaan wassen.

Tegen half vijf worden we door de porter opgehaald. Willard en Zablon wachten op ons in het restaurant, waar we een snelle kop koffie drinken. Het wordt al bijna licht. Even later is ons gezelschap compleet en vertrekken we.

Buiten is het, zeker vergeleken met die bakoven binnen in de tent, heerlijk koel. Ik kan zelfs een dun jasje verdragen. Het belooft een prachtige dag te worden want de lucht is helder met slechts hier en daar een wolkje.

De zonsopkomst boven het wildreservaat is een spectaculair schouwspel. Ik pak mijn fototoestel en maak om de minuut een totaal andere foto, zo snel verandert het licht. Dromerig staar ik naar het landschap dat zich steeds duidelijker ontvouwt in zeeën van tinten rood, roze, oranje en geel. Ik voel diepe dankbaarheid dat ik dit mag zien.

Het is februari en hier is het hoogzomer. De grassen zijn plaatselijk wel driekwart meter hoog. In de verte zie ik de grillige vormen van een baobab-boom, die op zijn kop lijkt te staan. Volgens Willard eten olifanten de zachte bast van de boom en apen de vruchten. Daarom wordt de baobab ook wel apenbroodboom genoemd.

Terwijl ik rond speur over de vlakte voel ik dat Willard de auto stop zet. Ik kijk recht vooruit. Op zo’n twintig meter voor ons lopen een mannetjes- en een vrouwtjesleeuw midden op de weg met een air alsof het reservaat hen toebehoort (je bent niet voor niets de koning der dieren). Ik neem mijn camera ter hand en besluit te filmen. Als ik door de lens kijk, kan ik mijn ogen niet geloven. Het mannetje bestijgt de leeuwin en gaat met haar paren. Het is kort en luidruchtig. Meteen erna gooit het vrouwtje zich op de grond. Het mannetje draait wat om haar heen en maakt dan aanstalten om haar weer te beklimmen. Maar daar is mevrouw niet van gediend, getuige haar gebrul en de ferme uithaal van haar klauwen in zijn richting. Het mannetje blijft nog even beteuterd staan en geeft het dan op.

Ook de mannetjesleeuw gaat nu liggen met zijn machtige kop in onze richting gedraaid. Met mijn toestel haal ik hem zo dichtbij dat ik zelfs de krassen op zijn snuit kan zien. Het lijkt alsof hij mij recht aankijkt en ik hem zo kan aanraken. H. is bezig foto’s te maken met de iPad en steekt het ding een stuk uit de Landrover om hem beter in beeld te krijgen. Prompt tilt de leeuw zijn kop op en kijkt indringend in onze richting. “Je doorbreekt het profiel!”, fluister ik hem gealarmeerd toe, waarop hij snel eieren voor zijn geld kiest en de iPad naar binnen haalt.

Willard heeft de beste baan van de wereld, denk ik als we weer verder rijden. Ik zou zelf wel ranger willen zijn. Als ik mijn gedachte met hem deel, zegt hij: “Yes, because this (hij maakt een breed handgebaar van links naar rechts over de wildernis) is my office!”. Het is jaloersmakend.

Hierna zien we nog meer giraffes, olifanten, impala’s en zebra’s. Willard rijdt het struikgewas in omdat hij in de verte een aantal witte neushoorns heeft gespot. Als hij de motor uitzet, komen ze een voor een dichterbij. Ze zijn nieuwsgierig en omdat ze slechte ogen hebben, willen ze ons nader kunnen bekijken. Ik zie dat ze allemaal door de modder hebben gerold want ze zijn bedekt met dikke stukken grijze opgedroogde grond. Op eentje z’n rug zit zo’n vogeltje met een rode bek dat zich tegoed doet aan insecten. Als Willard de auto weer in beweging zet, schrikken ze en zetten het op een aandoenlijk drafje.

Het is tijd voor een korte pauze. Willard kiest een open stuk uit en zet de Landrover dan stop. Nu mogen we allemaal uitstappen. Wat op zich wel vreemd is omdat de instructie luidt dat het tijdens de game drive ten strengste verboden is om uit de Landrover te stappen. Kennelijk acht Willard het hier veilig genoeg, hoewel het landschap precies hetzelfde is. Ik zie wel dat hij en Zablon voortdurend rond kijken. Al vraag ik me af wat ze zouden doen als er ineens een roofdier nadert want ze hebben geen geweren bij zich.

Wat ze wel hebben, achterin de Landrover, is een minibar. Niks frivools maar aluminium bekers voor koffie of thee, vergezeld van een koekje. Om ons heen omarmt het oneindige landschap ons als ware het een omhelzing van een geliefde. Ik zucht eens diep en adem de heerlijke geur van de Afrikaanse natuur in. Terwijl ik mijn koffie drink, draai ik langzaam alle kanten op. Want stel je voor dat ik ineens zo’n beige staart met een zwarte pluim aan het uiteinde boven het hoge gras zie naderen. Zekerheidshalve blijf ik op sprong-afstand van de Landrover.

Willard vertelt dat hij begrip ervoor heeft dat we graag wilde dieren zien. Maar hij vraagt ook nadrukkelijk aandacht voor kleine wonderen, zoals bijvoorbeeld een minuscuul  stengeltje van een grashalm. Het zal niet groter zijn dan anderhalve centimeter en is flinterdun. Hij vraagt ons om het uiteinde ervan vochtig te maken met wat speeksel en vervolgens goed op te letten.

Als ik doe wat hij vraagt en naar het stengeltje kijk, zie ik tot mijn verbijstering dat het vochtig gemaakte uiteinde ineens gaat bewegen. Het draait rond en rond, als een mini-boor. En dat is ook precies de bedoeling, zegt Willard, want zo is een enkele dauwdruppel voldoende om ervoor te zorgen dat het zichzelf de grond in draait zodat nieuw gras op kan komen. Wel zo handig onder extreme omstandigheden.

Vol ontzag kijk ik naar het nietige stengeltje. Het wow-effect is inderdaad even groot als bij het zien van een olifant.

Na onze pauze hebben we nog het geluk dat we een kudde buffels zien, exotische vogels kunnen bewonderen en twee prachtige jachtluipaarden vinden die verscholen liggen tussen het hoge gras. Ze zijn perfect gecamoufleerd. Als ik mijn foto’s heb geschoten, kijk ik met een intense blik naar deze wondermooie dieren. Ik wil deze beelden voor altijd vasthouden.

Het gevoel één te zijn met de natuur, het gevoel van vrijheid, de prachtige vergezichten, de eindeloze horizon, het licht, de dieren, de begroeiing, de mensen…Het zijn stuk voor stuk uitstekende redenen om terug te gaan naar Zuid-Afrika, dit ontroerend mooie land.

Om in de woorden van Arnold Schwarzenegger te blijven:

I’ll be back!”

© Pascale Bruinen

wat ruist (3) 1

 

zonsopkomst boven het Zuid-Afrikaanse land

wat ruist (3) 2

en dit zien we rond half zes in de ochtend…

wat ruist (3) 3

De enige echte Koning der Dieren

wat ruist (3) 5

Impala

wat ruist? (3) neushoorns

 

de modderige neushoorns

wat ruist? (3) luipaarden het jachtluipaard

 

Wat ruist er door het struikgewas? (2)

Ik ben in Zuid-Afrika en maak me op voor mijn allereerste safari.

Na een heerlijke high tea in het restaurant van het private game reserve worden we voorgesteld aan de ranger die de komende vier safari’s voor ons op zoek zal gaan naar wilde dieren. Zijn naam is Willard en hij zal ons rondrijden in zijn open Landrover jeep. Het is een grote donkere man van achter in de dertig met een kaal hoofd onder zijn tropenhoed en een vriendelijke uitstraling. Hij is gekleed in een bosgroen hemd waarop een portofoon is bevestigd en een lichtgrijze broek. Hij stelt ons voor aan Zablon, onze tracker. Hij zal voorop de jeep zitten en sporen zoeken. Zablon is een stuk jonger en komt, ondanks de grote glimlach op zijn donkere gezicht, wat verlegen over.

Als we de laatste koffiedruppels (wie zegt dat je tijdens een high tea alleen maar thee zou mogen drinken?) naar binnen hebben gegoten, spoeden we ons achter Willard en Zablon aan naar onze Landrover. Het is een monsterlijk grote jeep die vooral heel erg open is (ieuww!) en plaats biedt aan zeker negen safarigangers. Omdat men in Zuid-Afrika links rijdt, zit het stuur aan de rechterkant.

H. en ik installeren ons op de eerste rij, pal achter Willard en Zablon. We hebben een rugzakje bij ons met daarin water, muggenspray, een verrekijker, twee fototoestellen en dunne truien voor als het donker wordt.

Als iedereen zit, legt Willard eerst een aantal belangrijke spelregels uit. Met stip op 1 staat het gebod om tijdens onze tocht door de wildernis vooral nóóit het profiel van de Landrover met zijn inzittenden te doorbreken.  De wilde dieren zien dit namelijk als één groot geheel, zodat ze ons met rust zullen laten. Bovendien zijn ze aan deze vorm gewend, waardoor ze die niet meer interessant vinden. Willard instrueert ons allen daarom streng om vooral te blijven zitten in de jeep. Het is dus strikt verboden om op te staan om die extra leuke foto te kunnen maken, dat zou dan wel eens je laatste kunnen zijn. Laat staan dat je uit mag stappen.

Als ik tegen Willard zeg dat ze ons mensen toch kunnen ruiken en horen, bevestigt hij dat. Maar kennelijk snappen de wilde dieren desondanks niet dat wij gemakkelijke prooien zijn. Nu maar hopen dat er niet ergens die ene bolleboos-leeuw rondloopt die dit fabeltje zo doorprikt en wél begrijpt dat wij lekkere hapjes zijn die met één simpele sprong kunnen worden verschalkt.

Het spreekt voor zich, zegt Willard vrij overbodig, dat we de wilde dieren ook niet mogen voeren, aaien (!) of mogen aanroepen (“póes póes póes…, kijk eens hier voor de foto…, póes póes!”). Tenslotte worden we nog gewaarschuwd voor stelende apen, overhangende takken (met of zonder wurgklare python erop) en giftige doornen. Fijn! Laat de game drive maar beginnen!

Terwijl de jeep over de nu platliggende beschermingshekken het kamp uitrijdt, hang ik het nieuwe fototoestel – dat in staat is om van heel veraf in te zoomen – om mijn nek. We rijden over onverharde wegen die met iedere afslag die Willard neemt steeds smaller worden. Het is ruim boven de dertig graden en de klamme hitte is drukkend. Maar in de rijdende Landrover is het gelukkig een stuk koeler.

Eenmaal verder in de bush word ik bedwelmd door een geur die een hemelse mengeling is van droge aarde, kruidige gewassen en bloeiende struiken en bomen. Ik sluit even mijn ogen en adem diep in door mijn neus. Ik kan bijna voelen hoe mijn longen dankbaar de schone lucht (bye bye fijnstof!) opzuigen en hoe de laatste restjes Nederlandse stress verdwijnen.

Het landschap is zo mooi dat het pijn doet aan mijn ogen. Het is van een uitgestrektheid die wij in Nederland niet kennen. Nergens is een teken van menselijk ingrijpen te zien. Het  kleurenpalet van de Zuid-Afrikaanse natuur gaat van lichtbeige via eindeloze tinten groen naar het donker van takken en boomstammen. Her en der is het Afrikaanse land glooiend. Af en toe gaan we over een stuk bijna uitgedroogde rivier of langs een enkele eenzame boom. Het is zo’n typische boom die ik alleen maar ken van natuurfilms maar nu zie ik hem in het echt.

Het is de acacia. Hij heeft een ranke hoge stam, waarna de takken breed als een parasol horizontaal uitwaaieren. Ik word er stil van en ik heb nog geen dier gezien.

Even later stopt Willard de jeep en zet de motor uit. Opwinding maakt zich van ons meester als we een drietal zebra’s vlak langs de weg in het hoge gras zien staan. Ze kijken ons recht aan. Ik grijp mijn camera en zoom met enigszins trillende handen in. In de lens zie ik de zebrasnuit zo vlakbij dat het lijkt alsof ik maar mijn hand hoef uit te steken om hem te aaien. Het is een prachtbeest met zulke sierlijke tekeningen op zijn hoofd (en niet kop, het is een paard) dat de kunstwerkjes op de kop van Henk Schiffmacher hiermee vergeleken nog net geen peuterkrabbels zijn.

Als we allemaal onze foto’s hebben genomen, rijdt Willard verder. Na een minuut of vijf zien we vlak voor ons een olifant uit de struiken komen. Willard zet de jeep meteen stil. We houden collectief onze adem in. Hij draait zijn grote kop en gooit met zijn slurf de rode grond over zijn machtige lijf. Een oranje stofwolk onttrekt hem heel even bijna aan het zicht. Ik denk nu een beetje te weten hoe David Attenborough zich moet voelen als hij een van zijn vele natuurfilms maakt.

Het volgende moment komt de olifant recht op ons afgelopen en flappert daarbij met zijn grote oren. Het ziet er dreigend uit maar Willard legt ons enigszins geschrokken gezelschap haastig uit dat hij die flapperende oren enkel gebruikt om af te koelen.

Ik maak de ene na de andere foto. Dan besluit ik te filmen. Door de relatieve beschutting van mijn lens zie ik dat de olifant steeds dichterbij ons komt. Als ik opkijk, wordt het langzamerhand een beetje too close for comfort.

Willard zet de jeep gelukkig in zijn achteruit. Maar dan stopt hij de auto weer terwijl ik hem in gedachten aanmoedig om vooral verder achteruit te rijden. Want de kolos is nu weer dichterbij ons wel erg open jeepje gekomen. In gedachten denk ik aan die Engelse toeristen die nog maar een paar weken geleden in het Krugerpark het slachtoffer werden van een olifant met iets teveel testosteron. Ze waren kennelijk iets te dichtbij gekomen waarna hij hun auto had aangevallen en een vrouw zwaar verwondde.

Ik probeer deze gedachten weg te duwen. En dan zie ik nog meer olifanten de weg op komen. De opwinding slaat toe als we zien dat ze een kleintje bij zich hebben. Hoe schattig! De kleine is duidelijk bang als hij op de open weg is, want hij rent zo’n beetje naar de overkant. Willard rijdt stapvoets verder achteruit om ze de ruimte te geven en dan lopen de olifanten aan de overkant de beschutting van de struiken in.

We rijden verder. De zon begint langzaam onder te gaan. Het licht lijkt nog kwetsbaarder te worden nu het de schelle tonen van de hete middagstralen geleidelijk achter zich laat.

Ik spied rond of ik in het hoge gras iets zie bewegen. Later zien we nog de ranke impala’s, die zich spoorslags uit de voeten maken als ze ons horen aankomen, de koedoes (waarvan het mannetje en vrouwtje er compleet anders uit zien) en de waterbok. Het  zijn stuk voor stuk wonderbaarlijk mooie schepsels.

En dan valt de duisternis. Het is ietsje afgekoeld, maar die trui heb ik echt niet nodig. Miljoenen krekels heffen allemaal tegelijk hun lied aan. Her en der hoor ik getjilp, gekras en geroep van god weet wat voor dieren. Zablon, die links voorop zit op een klapstoeltje, doet zijn grote schijnwerper aan en beweegt die tijdens het rijden van links naar rechts. De verrassend sterke lichtbundel valt op struiken, een stuk boom, een paadje. Willard, die het uitgestrekte gebied op zijn duimpje kent, besluit het pad te verlaten en dwars door de struiken en lage boompjes te rijden. Hoe stoer! Ik wou dat ik dat mocht doen.

Zablon verlaat zijn stoeltje voorop en komt in de jeep zitten, een zeker teken dat het gevaarlijk kan worden. Even later zien we gele ogen reflecteren in het licht van de schijnwerper. We rekken onze hoofden uit om te zien welk dier zich hier schuilhoudt. Al snel blijkt het een hele troep leeuwinnen te zijn. Ze liggen ontspannen tegen elkaar aan. Even verderop ligt het mannetje. Als hij wordt beschenen heft hij even zijn majestueuze kop op, maar legt die dan meteen weer neer.

We rijden door en zien plotseling een ranke giraffe vlak voor ons de weg oversteken. Het is een adembenemend gezicht om dit grote maar o zo elegante dier van zo dichtbij te mogen zien.  Ik kijk en kijk en probeer me deze unieke beelden in te prenten opdat ik ze nooit zal vergeten.

En dan zit onze eerste rit er al op. Morgenvroeg gaat de wekker om 04.15 uur voor de ochtendsafari (hoezo uitrustvakantie?).

Ik wou dat het al zover was.

© Pascale Bruinen

wat ruist (2) 1

wat ruist (2) 2

wat ruist (2) 3

wat ruist er (2) 7

mannetjeskoedoe

wat ruist er (2) 8hoe aandoenlijk…

Schuldgevoel

Het is Tweede Kerstdag. In plaats van verder uit te buiken onder de boom, zit ik vandaag met een kop groene thee monter bij ZSM. Oftewel: ik heb dienst op het politiebureau waar alle strafzaken van de provincie Limburg binnen komen.

De afkorting staat voor Zo Spoedig Mogelijk en wel in relatie tot het op locatie afdoen van de meest voorkomende strafbare feiten. Omdat verdachten zich niet plegen te houden aan kantoortijden, wordt er ook in de weekends en ‘s avonds gewerkt.

De vrede-op-aarde-gedachte is bij onze doelgroep ver te zoeken. Want ook vandaag krijgen we winkeldieven, vernielers en huiselijk geweldplegers. Deze laatste categorie piekt zelfs juist tijdens dit soort dagen, omdat de toch al hooggespannen verwachtingen in familieverband nog verder worden opgevoerd. Met dank aan al die romantische kerstfilms, boeken en clipjes waarin je alleen maar wordt geconfronteerd met Blije Mensen Die Totaal Ontspannen En Gelukkig Aan De Feestelijke Kerstdis Vredelievend Zitten Te Zijn.

Tegen het middaguur wordt voor deze speciale gelegenheid onze feestelijke lunch bezorgd. Er zijn stokbroden formaat lineaal, veel overheerlijke warme panini, de nodige ciabatta’s en kleine hartige pizzaatjes.

Maar hoe we ook ons best doen, na deze heerlijke maar copieuze lunch hebben we nog twee papieren zakken met luxe belegde broodjes over. Nu zouden we die natuurlijk mee naar huis kunnen nemen, ware het niet dat we vanavond allemaal eetafspraken hebben en we toch al meer dan genoeg op hebben. En bewaren voor de collega’s die morgenvroeg komen, heeft ook al weinig zin. Die hebben zelf brood bij zich en bovendien worden de broodjes er na een nachtelijk verblijf in de koelkast niet lekkerder op.

Bevangen door een kersterige liefdadigheidsneiging (waarschijnlijk ingegeven doordat ik vanaf mijn bureau uitzicht heb op kerstboom-compleet-met-scheve-piek), vat ik het idee op om de broodjes een betere eindbestemming te geven dan op of rond mijn eigen heupen (in goed Nederlands: a second on your lips, forever on your hips). Toegegeven: het is dus niet alleen maar altruïsme van mijn kant.

Ik bel mijn idee door aan H. met de vraag of hij geen goed doel weet te bedenken. Even later belt hij terug dat de mensen van de verslaafdenopvang er ontzettend blij mee zouden zijn.

En zo spoed ik mij na het einde van mijn dienst naar het Opvang- en Adviescentrum (OAC). Gewapend met twee zakken vol ciabatta’s kip-kerrie, broodjes gezond en sandwich tonijn stap ik uit mijn auto. Wat onwennig loop ik naar het pand. Als ik de met een ijzeren plaat versterkte deur nader, zie ik dat ik word bespied door camera’s. Ik bel aan. Er gebeurt niets. Schichtig kijk ik rond in de vurige hoop dat niemand mij hier naar binnen ziet gaan. Want voordat je het weet ben je voorwerp van het roddelcircuit. “Weet je wie ik laatst stiekem naar binnen zag gaan bij de verslaafdenopvang met alleen maar twee zakken persoonlijke spulletjes? Dat raad je nooit! Die van Bruinen, je weet wel. En die is nota bene zelf officier van justitie! Zo zie je dat iedereen ten prooi kan vallen aan drugs!”

Na de tweede keer aanbellen springt de deur gelukkig automatisch open en ga ik snel naar binnen.

In het halletje wordt mijn neus meteen geconfronteerd met een onbestemde, nogal muffe geur. Achter glas zit een medewerkster die mij enthousiast begroet met de uitroep: “Oh, u bent die mevrouw van de broodjes! Ze hadden al gebeld dat u kwam. Kom verder!”

Ik moet weer door een andere deur en dan sta ik in een grotere ruimte, die er behoorlijk desolaat uitziet. Er staan een paar stoelen en een eenvoudig tafeltje. De muren kunnen niet kiezen welke kleur ze op zich dragen: is het nu bruin, groen of beige? Nergens valt een spatje kleur te bekennen. Ik zie geen planten, geen kussentjes, geen warm licht. De ruimte oogt zielig, alsof hij uitschreeuwt dat hij ook wel eens onder handen wil worden genomen. Voor iemand die, zoals ik, altijd bezig is het thuis zo gezellig en warm mogelijk te maken, is dit nogal confronterend.

Recht voor me hangt een jonge, magere man met gesloten ogen in een stoel. Hij draagt een veel te grote trui. Zo te zien is hij helemaal van de wereld, want hij beweegt niet en kijkt ook niet op als ik langs hem loop. Tot zover de kerstsfeer hier. Ik moet even slikken en loop snel door.

Dan sta ik in een ruimte waar de mevrouw die mij zojuist zo vriendelijk begroette en haar collega mij verwelkomen alsof ik een verloren gewaande dochter ben.

“Oh, wat gewéldig dat u de moeite heeft genomen om hierheen te komen! We hebben wel fruit maar dat eten onze mensen niet zo graag. Maar dit vinden ze héérlijk, zeker weten! Oh, wij vinden het toch zó mooi dat u aan ons heeft gedacht. Dat maken wij niet vaak mee. Dát is pas de echte kerstgedachte! U zult zelf veel goeds gaan ontmoeten door deze actie, dat weet ik zeker! Hartelijk dank!”

Als ik de passage hierboven nu teruglees, lijkt het alsof het overdreven pleaserig gedrag is van deze lieve mevrouw, die samen met nog een vrouw op Tweede Kerstdag in dat kleine, vreemd ruikende onooglijke pand zit om verslaafden te helpen. Maar ik heb zelden iemand ontmoet die ieder woord zo oprecht meende. Dit komt recht uit haar hart.

Maar in plaats van dat haar lofzang me goed doet, voel ik me steeds ongemakkelijk als ik zie hoe blij en dankbaar ze is met onze “afdankertjes”. Ik voel niet dat ik recht heb op al deze prachtige woorden aan mijn adres. Per slot van rekening breng ik alleen wat broodjes die over zijn alvorens ik me naar mijn knusse, warme en gezellige huis begeef waar het heerlijk ruikt en ik kan uitzien naar (weer) een lekker diner in familiesfeer.

Dit besef maakt dat ik nog meer last krijg van schaamte. Want staand in deze kleine, spaarzaam verlichte ruimte met twee zakken vol broodjes heeft mijn goedbedoelde actie ineens meer weg van het afkopen van mijn schuldgevoel dan iets anders. Al weet ik aan de andere kant ook dat de broodjes anders in de vuilnisbak terecht zouden zijn gekomen, waar niemand er iets aan had gehad.

Maar toch.

We weten niet half hoe goed wij het hebben.

© Pascale Bruinen

 

 

schuldgevoel4

…Enne…nog een bedankje aan mijn collega Vera die met het idee kwam om over deze ervaring een column te schrijven!

Trouwens, ik las vanavond oo een facebooksite die mijn Zuid Afrka Reis heet, een  interessant weetje;  in Zuid-Afrika staat de dag na Eerste Kerstdag niet bekend als Tweede Kerstdag, maar als Day of Goodwill. Toen Nelson Mandela in 1994 aan de macht kwam, veranderde hij de naam van de feestdag. Een dag om aandacht te besteden aan de mensen die het met minder moeten stellen! Heb ik me toch een vooruitziende blik gehad…

Driehonderdvijfenzestig dagen per jaar

De oude man wandelt met lange passen, doelbewust en vastberaden. Zijn lange, smalle gestalte immer kaarsrecht. Keurig gekleed. Hij doet me denken aan een militair die marcheert in een parade. Alleen is hij maar in zijn eentje.

Nog nooit heeft hij zijn wandeling een dag overgeslagen. Hij loopt dwars door de vier seizoenen, de zeven dagen van de week en alle feestdagen heen. Hij steekt zijn paraplu op als het regent, trotseert de sneeuw met pet en das of kiest de schaduwzijde van de weg als de zon onbarmhartig schijnt.

Telkens als ik hem tegenkom, groeten we elkaar. Soms gevolgd door een kort praatje over het weer, al dan niet in het voorbij lopen. Voordat hij me ziet, is zijn gezichtsuitdrukking serieus en peinzend, alsof hij een extreem moeilijke opgave moet oplossen. Zodra we oogcontact hebben, wordt zijn expressie neutraal-vriendelijk.

Zijn doel is het kerkhof. Daar ligt zijn dochter. Op jeugdige leeftijd werd ze geveld door de killer met de grote K. Ze liet een dochtertje achter. Samen met zijn vrouw heeft hij zich over zijn enige kleinkind ontfermd omdat de vader van het kind niet deugde.

Hij voedt haar op. Brengt haar naar school, naar clubjes, naar vriendinnetjes. Nooit had de oude man kunnen bedenken dat hij zijn dochter ten grave zou moeten dragen. Dat hij niet alleen opa, maar ook vader voor zijn kleindochter zou moeten zijn. Dat hij iedere dag de weg naar het kerkhof te voet zou gaan afleggen.

Bij iedere ontmoeting vraag ik me weer af waarom hij, jaar in jaar uit, iedere dag erheen gaat. Om zichzelf te straffen of te pijnigen? Omdat hij het zijn dochter op haar sterfbed heeft beloofd? Om de dingen van de dag door te nemen aan haar grafzerk?

Ik weet het niet en ik durf het hem ook niet te vragen.

Dagelijks is de oude man druk bezig met de dood. Misschien wel té druk.

Ik ben bang dat hij vergeet te leven.

© Pascale Bruinen

Achtste Wereldwonder

We lopen de aula in, samen met al die andere ouders, broers, zussen, opa’s en oma’s van de geslaagden. De sfeer is uitgelaten en verwachtingsvol. Ongeduldig wachten we op de entree van al die jong-volwassenen die hun eindexamendiploma atheneum of gymnasium hebben behaald.

Op het grote podium recht voor ons zitten zo’n twaalf leerkrachten van de bovenbouw gebroederlijk naast elkaar. Vooraan staan drie tafels met links en rechts een stoel. Hier zitten de mentoren van de eindexamenklassen. De bedoeling is dat iedere geslaagde daar straks plaatsneemt om het diploma in ontvangst te nemen.

Opeens wordt het volume van de muziek open gezet, gaan de dubbele deuren open en lopen alle geslaagden achter elkaar aan naar de voorste rijen. Net zoals de rest van het publiek applaudisseer ik luid. Er klinkt gejoel en gejuich.

De meisjes lopen voorop. De een is nog mooier en slanker dan de ander en het lijkt wel alsof ze allemaal naar dezelfde kapper gaan. Vrijwel zonder uitzondering hebben ze heel lang en superglad haar. Vergeleken met de outfit die ik droeg tijdens mijn diploma-uitreiking in de vorige eeuw hebben deze jongedames allemaal ultrakorte jurkjes aan en dragen ze torenhoge hakken. En ze kunnen het hebben.

Achter hen komen de jongens. Een aantal ondanks hun leeftijd nog steeds wat klein van stuk, maar het overgrote deel is in die zes jaar tijd flink de hoogte in gegaan. De haren zijn fris kortgeknipt of juist bewust een stuk langer. Er zijn er bij die echt werk hebben gemaakt van hun verschijning; strak in het pak met nauwsluitende pijpen en mooi gepoetste schoenen. De anderen, zo ook mijn zoon, veelal in spijkerbroek met een net hemd. Een enkele durfal komt gewoon in een schreeuwerig t-shirt, een driekwart skaterbroek en met van die dikke, zwarte werkschoenen. Ook anno 2013 zijn er gelukkig nog steeds jongeren die op een leuke manier schijt hebben aan conventies. Een hele geruststelling.

Als ik zoonlief langs zie lopen tussen zijn leeftijdsgenoten, voel ik een rilling van ontroering door me heen gaan. Hij heeft het toch maar mooi geflikt. Niet dat het daar naar uitzag, een tijd geleden. Hij heeft het, laten we zeggen, tot het laatst toe nogal spannend gehouden of hij wel of niet zou slagen. Als ik afgelopen jaar had geweten dat hij het zou redden, zou me dat heel wat spreekwoordelijke grijze haren hebben gescheeld. Maar ach, dat hoort ook bij de geneugten van het ouderschap.

Als ze eindelijk allemaal zitten, het is inmiddels een kwartiertje later dan gepland, legt de ceremoniemeester uit dat er telkens drie namen van geslaagden zullen worden genoemd. Deze moeten dan gaan staan, waarna hij of zij om de beurt zal worden toegesproken.

Even later schallen de eerste namen door de aula. Twee meisjes en een jongen gaan wat onwennig staan. Dan wordt de eerste besproken. Op een groot scherm boven het podium wordt eerst een foto vanuit de brugklas geprojecteerd. “Oooohhh” en “aaaahhhh” doet de zaal bij het zien van het kind met beugelbekkie en brilletje dat in zes jaar tijd, net als het lelijke eendje, is veranderd in een sierlijke zwaan. De arme meid kleurt rood bij het zien van die foto. Gelukkig voor haar wordt daarna snel een recente, zeer charmante, foto in beeld gebracht en steekt de ceremoniemeester van wal met haar toespraak.

De ene na de andere scholier wordt bewierookt, bewonderd en een enkeling ook een heel klein beetje liefdevol bespot. Uit de besprekingen blijkt mij al snel dat zoonlief bepaald niet de enige is die het erop aan heeft laten komen. Vele anderen, allemaal jongens valt me op, waren kennelijk eveneens heel druk bezig met alles behalve hun schoolprestaties.  Ze kwamen vaker te laat, zaten omgedraaid aan hun tafeltje en waren voor de derde keer op rij hun boeken “vergeten”. De ouders hoor ik kreetjes van herkenning slaken, de rest van de zaal lacht goedmoedig mee.

Voor de meiden daarentegen niks dan lof. Maar al te vaak hoor ik als commentaar van de mentor de verzuchting “Had ik maar meer scholieren zoals…(vul meisjesnaam in) in mijn klas.  Beleefd, sociaal betrokken en vriendelijk. Een keiharde werkster die altijd haar huiswerk af had. Het zonnetje in huis.” Die gaan het vast nog heel ver schoppen.

Een keur aan gekozen studierichtingen komt voorbij. Hogere hotelschool, Business Administration, Economie, Nederlands, Engels, Psychologie (waar ook mijn nazaat voor heeft gekozen), Rechten. Een enkeling heeft het helemaal voor elkaar en vertrekt met een prestigieuze beurs naar de Verenigde Staten of Engeland voor de vervolgstudie. Één bolleboos gaat zelfs twee studies tegelijk doen.

Dan is het eindelijk de beurt aan zoonlief om te gaan staan. Snel laat ik mijn camera lopen, om vooral maar niks van de speech te missen. Zijn foto als kleine brugpieper herinner ik me nog goed. Het kinderlijke gezichtje met een grijns van oor tot oor onder een lichtblonde haardos die met gel rechtop is gezet, roept vertederde glimlachjes op van het publiek. Even later zie ik zijn foto van nu. Zijn gezicht is langer en smaller, zijn haren een stuk korter en donkerder. Het gezicht van een jongeman.

Even voel ik een pijnlijke steek om wat is geweest en nooit meer terug komt. Ik knipper een paar keer extra met mijn ogen om de opkomende waterlanders in toom te houden. Een hoofdstuk van zijn levensboek wordt definitief afgesloten, het volgende ligt – nog blanco – opengeklapt klaar. Door me heen flitsen alle herinneringen die hem tot dit moment hebben gebracht. De peuterzaal, de lagere school, al die jaren als middelbare scholier.

Hoeveel proefwerken, toetsen en mondelingen heeft hij wel niet gehad om tot hier te komen? Hoeveel spreekbeurten, boekbesprekingen en praktische opdrachten? Hoeveel werkstukken, examens en schriftelijke overhoringen?

Mijn gemijmer eindigt abrupt als zoonlief wordt toegesproken. Hij staat verlegen te draaien en weet zich geen raad met die lange armen. Hij plukt een denkbeeldig pluisje van zijn hemd en kijkt afwisselend naar de vloer en naar de spreekster. Vanaf een afstandje voel ik met hem mee. De ceremoniemeester opent haar speech door hem te benoemen tot het achtste wereldwonder. De zaal lacht. H., zijn zus, oma en ik grinniken.

“Jij hebt een enorme eindspurt ingezet en bent nog net op tijd gearriveerd aan de diploma-streep! Dat verdient heel veel respect. Gelukkig voor jou was het jaar niet drie maanden korter”, zo vat de spreekster zijn laatste jaar bondig samen. Hij moet zelf erom grijnzen.

Als hij even later het podium beklimt om bij zijn mentor het diploma in ontvangst te nemen, moet ik even slikken. Ik kijk naar de leerkrachten, sommige nog jong, andere al flink op leeftijd. Maar allemaal kijken ze vandaag trots en blij. Het moet ook voor hen vreemd zijn om deze lichting, na alles wat ze samen hebben meegemaakt, nu los te moeten laten. Hun scholieren kwamen binnen als rupsjes en hebben zich onder hun vleugels ontpopt tot wonderschone vlinders.

Deze enthousiaste en betrokken docenten zijn niet alleen belangrijk voor de maatschappij, maar hebben ook voor mijn zoon veel betekend. Al zal hij dat – uiteraard – niet snel toegeven. In stilte bewonder ik ze voor het klaarstomen van al deze slimme en prachtige jonge mensen. Geluidloos bedank ik ze voor alle kennisoverdracht, voor het luisterend oor, voor de passie die ze bij menigeen hebben weten over te brengen voor hun vak. Voor al die mooie, relatief zorgeloze schooljaren en de bijpassende herinneringen die een leven lang meegaan. Leerkrachten zijn helden.

Zoonlief is nu toegekomen aan zijn rondje handen schudden. De vrouwelijke leerkrachten krijgen – o wonder! – drie pakkerds. Iedereen lacht, hij wordt op de schouders geslagen, moederlijk en vaderlijk toegesproken. En dan gaat hij het podium af, het felbegeerde papier schijnbaar achteloos in zijn hand geklemd.

De wijde wereld lonkt.

© Pascale Bruinen

Wat zijn jouw herinneringen aan je diploma-uitreiking? Deel ze hier met anderen!

Mama

Haar zucht is diep en komt er haperend uit. Haar handen zijn aan één stuk door in beweging. Ze friemelen aan een opgepropte zakdoek. Vanzelfsprekend een stoffen exemplaar. Ze zoeken tevergeefs naar de juiste bril. Haar vingers kennen geen moment rust en doen hun eigen ding, alsof zij er zelf geen zeggenschap over heeft.

In mei wordt ze 84. Haar haren, al sinds mensenheugenis zwart geverfd, loochenstraffen deze hoge leeftijd. Ook haar huid lijkt er een loopje mee te nemen. Mama is een van de zeer weinigen wier huid, ondanks haar gevorderde leeftijd en jarenlange onbarmhartige geseling door de zon, nog nagenoeg geen rimpels vertoont. Ongetwijfeld een interessant studie-object voor dermatologen.

De jaren mogen dan officieel wel degelijk op de teller staan, haar ijdelheid is er ook als tachtiger niet minder om. Haar opgestoken kapsel ziet er altijd pico bello uit, de lippen worden nog dagelijks gestift en de kleren mooi gecombineerd. Uiteraard met de juiste accessoires.

Ze slaat geen nieuwsuitzending of actualiteitenprogramma over. Ze weet precies wat de prangende issues zijn van het moment. Het eindeloze bloedvergieten in Syrië. Rutte, Samsom en consorten brainstormend over de zoveelste reeks bezuinigingen. Ajax dat  weer kans lijkt te maken op de Landstitel. Er is niks wat haar ontgaat. Ze kan overal over meepraten.

Een tijdje terug is ze zelfs, na zich jarenlang hevig verzet te hebben, toch begonnen aan een computercursus. Nu zit ze niet alleen meer op de laptop, maar is ze zich zelfs aan het bekwamen in het gebruik van de iPad.

Haar lichaam begint inmiddels wel de tekenen des tijds te vertonen. De kleine haarvaatjes rondom het hart zitten dichtgeslibd en zorgen voor kortademigheid bij de minste of geringste inspanning. Volgens de cardioloog niks aan te doen. Haar rug heeft twee hernia-operaties moeten ondergaan en is deels versleten. Lopen gaat gelukkig nog wel, al voelt ze zich het veiligst als ze een wandelstok meeneemt. Maar haar actieradius is redelijk beperkt.

Mama is een echte doorzetter. Geeft nooit op, ook al heeft ze nog zo veel pijn en tegenslag. En daarvan heeft ze in haar leven meer dan genoeg gehad. Desondanks is haar wilskracht enorm, net als haar trots. Ze zal tot de laatste snik blijven vechten om alles zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven doen.

Mama. Begenadigde kokkin. Tot aan papa’s dood kookte ze nog dagelijks de lekkerste pasta’s, maakte ze de heerlijkste salades en probeerde ze geregeld nieuw verworven culinaire inzichten uit. Mijn jeugd is doorspekt met legendarische maaltijden, de een nog lekkerder dan de ander. Cordon Bleu; Stroganoff; Goulash; Exotische Kip; Chateaubriand; Gevulde Paprika’s; Kalfsvlees met citroensaus; Reerug met Kerst. De lijst is eindeloos en roept mooie herinneringen op.

De liefde van mama ging door de maag. Koken was altijd haar manier van affectie tonen voor haar gezin en iedereen die haar lief is. Ze heeft mijn vader, die onlangs is overleden, zijn hele leven lang vreselijk verwend. Zij zorgde voor de gezelligheid, huiselijkheid en de heerlijke hap. Het was bij ons thuis de zoete inval. De deur stond voor iedereen open. Gastvrijheid ten top. Niks maakte haar gelukkiger. Als ze kookte was ze in haar element. In haar eigen veilige en vertrouwde wereld.

Sinds papa dood is, heeft ze voor het eerst van haar leven geen zin meer gehad om iets lekkers klaar te maken. “Voor wie?”, vraagt ze mij als ik informeer of ze niet toch weer achter de pannen wil gaan staan. Ik begrijp het. Ze waren bijna 66 jaar samen.

Ik kijk eens goed naar haar. Ze ziet wat bleekjes van het vele binnen zitten. Ze ligt achterover in de comfortabele stoel, haar blik gericht op de tv. Sacha de Boer schreeuwt het nieuws de kamer in. Bij nadere controle staat het volume op 32. Mijn pijngrens is nagenoeg bereikt. Desalniettemin staat ook nog de ondertiteling erbij.

Maar omdat het mama is, is het goed zo. Van haar is er per slot van rekening maar één en die moet gekoesterd worden. Zeker nu.

Mama. Ik wacht op de dag dat ik haar weer in de keuken aantref, enthousiast roerend in een pan met heerlijke spaghettisaus.

Want sommige dingen mogen nooit veranderen.

© Pascale Bruinen

mama

Liefdesverklaring (herpublicatie)

Carnaval. Het feest van meedoen. Van aanstekelijke uitgelatenheid. Schateren van het lachen, ongegeneerd flauwekul maken, je weer voor even kind voelen, oude bekenden zien, helemaal uit je dak gaan, je onderdompelen in de vrolijke mensenmassa’s buiten en binnen. Café’s binnen gaan waar je anders nooit komt, met wildvreemden de grootste lol hebben, met iedereen overal een praatje aanknopen. De zon die het licht weerkaatst van duizenden pailletten, de kakelbonte mengeling van kleuren, de vaandels en de vlaggen. Je als een vogel zo vrij voelen, de zalige zorgeloosheid, even nergens aan hoeven denken.

De vertrouwde muffe geur van de carnavalskleren in de koffer, de nostalgische reuk van schmink, de optochten uitlopen of er al halverwege uitgaan omdat het café lonkt, spontaan meegaan met een voorbijkomende polonaise, dansen en springen, inhaken met degene die toevallig net naast je staat, de ongelooflijke saamhorigheid, de ongekende humor. Altijd een warm bad, ongeacht de buitentemperatuur.

Muziek maken. Achter de muziek aan gaan. Swingen op de hypnotiserende schelle en doffe dreunen van een sambaband, allemaal samen hetzelfde liedje woord voor woord meeblèren aan de bar. De blije opwinding voelen als je het geschal van de trompetten hoort echoën tegen de eeuwenoude muren van de smalle sfeervolle straatjes, de overgave waarmee zelfs de slechtste muzikant de laatste noot uit zijn instrument perst. De bastonen van de grote trom die tot in je buik trillen. Muziek beleven in elke vezel van je lijf maar vooral in je ziel.

Kindertjes die het met de paplepel ingegoten krijgen, baby’s die te midden van de kakofonie van geluiden slapen als een roos in een tot mini-kasteel omgebouwde bolderkar. De heerlijk ouderwetse geur van knakkers uit een speelgoedpistooltje, de onvoorstelbaar mooie zelfgemaakte creaties, de ingewikkelde en soms loodzware constructies die mensen al die dagen meesjouwen, barbecuen midden op straat, de giechelende gezelligheid als je met z’n allen in de rij staat voor de wc, de boel op stelten zetten bij de Chinees, goedwillende “Hollanders” en buitenlanders liefdevol inwijden in de geheimen van onze allermooiste traditie.

De grappen en de grollen, straattheater op iedere hoek, spontaan met zijn allen touwtje springen in een steeg. Publiek wordt entertainer, de entertainer wordt publiek.

Maar ook het feest van kapot moe zijn, niet meer vooruit kunnen, het ijskoud hebben, door en door nat zijn, je gebroken voelen, pijn aan je voeten van het vele lopen, last van je rug van het staan en het gewicht van je carnavalspak, een keel als schuurpapier hebben, de gloeiende hitte als je met al je kledinglagen ergens naar binnen gaat, de doffe ellende als je in een veel te klein wc hokje al die lagen één voor één moet zien uit te doen waarbij je tamboerijn en andere toebehoren in de weg hangen.

De vette happen aan de kraam, de onvoorstelbare hoeveelheden rotzooi op straat, toch nog veel te veel glazen die kapot gaan (per ongeluk of expres), mensen die het nog altijd niet begrepen hebben en menen dat het “leuk” is een hoedje van iemand af te trekken of in iemands billen te knijpen. Sommigen, jong of oud, die ten onrechte denken dat in recordtijd dronken worden hier ook maar iets mee van doen heeft.

De pruik die al na vijf minuten jeukt als de ziekte, je portemonnee verliezen, de rest van de groep kwijt zijn (en dat soms niet eens erg vinden), de schmink en glitters er ’s nachts niet meer af krijgen, je huis bezaaid met afgevallen pailletten, plakkerige veren van boa’s, stukjes glas die uit je schoenzolen zijn gevallen, natte confetti-stukjes, modderige sneeuw. Overal kleren die ruiken naar de bekende mengeling van rook, bier en zweet.

Het feest van beschouwen. Zelf toeschouwer zijn. Je verwonderen. Bewonderen. Relativeren, filosoferen, diepe en serieuze gesprekken hebben terwijl je een kanariekooi op je kop hebt staan. Een duivel die kust met een bisschop. Rangen en standen die wegvallen. De verlegene toont zich extravert, de poetshulp is koningin. Mannen worden vrouwen, vrouwen worden mannen. Ongestoord zijn wie of wat je maar wilt. Het belangrijke wordt onbelangrijk en andersom. De ontroering als je kijkt naar al die lachende gezichten, naar mensen die onbekommerd plezier hebben.

Het is het allemaal en tegelijk is het zo veel meer dan de som der delen.

Een sentiment van chauvinisme, van oneindige liefde voor je stad, voor waar je vandaan komt. Een heel sterk gevoel van verbondenheid. En van trots. Trots op dit prachtige feest. Het gevoel van: dit is van en voor ons, voor iedereen die wil meedoen, dit pakt niemand ons meer af. Het gevoel van extase dat zich puur natuur van je meester maakt als duizenden kelen tegelijk uitbarsten in samenzang op een sprookjesachtig verlicht plein, het overweldigende gevoel ergens echt bij te horen.

Het surrealistische van de stilzwijgende afspraak om deze dagen uit alle windstreken verkleed samen te komen op een paar vierkante kilometer heilige grond. Net een suikerspin: zo hap je er in en zo is het weer weg. De vurige hoop er volgend jaar weer bij te mogen zijn. Telkens een paar stapjes vóór proberen te blijven op je eigen onontkoombare vergankelijkheid. Een gevoel van urgentie want alles kan zomaar ineens voorbij zijn. De tranen die onwillekeurig komen als je weer voor een jaar afscheid moet nemen van dit “feest der feesten”. Moegestreden van de vijfdaagse uitputtingsslag die je samen met al die andere gelijkgestemden onder alle denkbare weersomstandigheden hebt volbracht. Het doet pijn tot in het diepst van je wezen maar in je hart weet je: het is goed geweest. Je hebt je accu opgeladen, je hebt weer intens mogen beleven hoe het is om hiervan deel te mogen uitmaken. Je bent er weer bij geweest.

Het is een voorrecht. Elk jaar opnieuw. Geniet ervan.

© Pascale Bruinen

Dit prachtige schilderij van Robert Jan van Melle beeldt het carnavalsgevoel treffend uit. De vrolijkheid, uitgelatenheid en kleurenpracht. Ik zal ongetwijfeld nog vele andere ervaringen niet genoemd hebben die jullie hebben opgedaan met carnaval. Het is eigenlijk sowieso bijna onmogelijk om de geest van carnaval in woorden te vatten. Het is een cliché maar je moet het inderdaad zelf beleven om het te kunnen voelen. Toch kunnen jullie ook een poging wagen om je persoonlijke carnavalservaring te beschrijven. Geïnspireerd geraakt? Laat hier dan je reactie achter!