Hondenleven

Bij bestudering van een strafdossier maakte ik me onbewust altijd al een voorstelling van hoe de verdachte er in het echt uit zou zien. Soms zat er al een foto van hem of haar in het dossier, dan kon ik meteen zien of die leek op het beeld dat ik in gedachten had.

In de zaak waar ik nu over schrijf had ik niet zo’n afbeelding ter beschikking, dus keek ik nieuwsgierig op toen de verdachte de zaal binnenkwam. De man was de middelbare leeftijd gepasseerd. Hij was eenvoudig gekleed. Vanaf zijn stoel achter het hekje keek hij telkens achterdochtig in mijn richting. Hij oogde vermoeid, maar weinig schuldbewust.

Hij werd ervan verdacht dat hij opzettelijk pijn en letsel had veroorzaakt bij zijn hond. Het dier, dat ik Maya zal noemen, werd steeds magerder en leek veel pijn te lijden. De boosdoener bleek een gezwel. Maar in plaats van zijn huisdier bij het ontstaan van de eerste klachten onmiddellijk onder doktersbehandeling te stellen, besloot deze verdachte niets te doen. Zodoende kon de tumor gestaag doorgroeien.

Toen verdachte na enige tijd telefonisch bij een dierenarts informeerde naar de kosten om zijn hond te laten inslapen, vond hij 135 euro om aan het lijden van zijn trouwe viervoeter een einde te maken veel te hoog. Dus liet hij alles maar op zijn beloop.

Op een kwade dag werd de hond buiten aangetroffen en door de vinder bij een asiel afgeleverd. Daar bleek het arme dier er zo ernstig aan toe, dat de dierenarts besloot om hem meteen uit zijn lijden te verlossen. En geen wonder, want toen ik door het digitale dossier scrolde, schrok ik bij het zien van de kleurenfoto’s van de hond met die vreselijk grote uitstulping.

Ik vond het triest. Als hondenbezitter heb je een grote verantwoordelijkheid want het dier is voor zijn welzijn immers aan jou overgeleverd. Maya had vele jaren trouw zijn baasje beschermd en over hem gewaakt. Maar andersom vond deze laatste het kennelijk nog te veel moeite om naar de dierenarts te gaan toen Maya pijn had en niet meer kon eten.

De laatste maanden van zijn leven moeten voor deze hond een ware martelgang zijn geweest.

Een hondenleven in de ware zin des woords.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images

Een wereld van verschil

Hij sjokt meer dan dat hij loopt. Zijn kleren zijn vaal en gehavend. De onderkant van zijn zwarte broek zit vol met aangekoekte modderplekken. Aan zijn voeten zie ik afgetrapte sportschoenen. Van zijn rechterschoen is de zool los gekomen.

Ik loop op korte afstand achter de man. Hij was me al even eerder opgevallen toen ik de straat overstak na terugkomst van mijn lunchpauze. Zijn leeftijd kan ik niet schatten. Vooral ook omdat hij een veel te grote muts over zijn warrige haardos en een deel van zijn gezicht heeft getrokken.

Hij trekt een grote boodschappentas op wieltjes achter zich aan. Een wiel staat scheef, waardoor het soms blokkeert. Dan geeft hij, zonder zelfs maar achterom te kijken, er een korte ruk aan en sjouwt hij verder. De tas zit zo te zien mudjevol want hij puilt aan alle kanten uit. Bovenop heeft hij een enorm groot pakket bevestigd, omwikkeld met oude plastic zakken en van die brede, grijze tape. Het wankele geheel wordt op zijn plek gehouden door zo’n spin die je normaal gesproken op je bagagedrager van je fiets legt. Aan de zijkant van de tas heeft hij een oude, verweerde paraplu geklemd.

Terwijl ik hem op gepaste afstand volg, vraag ik me af of de spulletjes in de boodschappentas en in de plastic zakken alles zijn wat hij heeft. Maar ik weet het antwoord eigenlijk al.

Waar is hij naar op weg? Wat gaat er in hem om? Heeft hij hulp nodig of zou hij die niet willen? Uit mijn jarenlange ervaringen als officier van justitie weet ik dat er behoorlijk wat dak- en thuislozen zijn met multi problematiek die alle aangeboden hulp al dan niet bewust weigeren. Deze zogenoemde zorgmijders zijn vaak heel schrijnende gevallen. Zo was er in Maastricht een oude man die in alle seizoenen, dag en nacht, buiten bleef. Hij zat steevast op zijn hurken bij een vervallen gebouw en weigerde stelselmatig alle hulp die hem geboden werd.

Alle dak- en thuislozen hebben een verhaal hoe het zover heeft kunnen komen. Ik vraag me af wat het verhaal is van deze man, die slechts een paar meter voor me uitloopt naar god weet waar.

Een paar meter, maar toch een wereld van verschil.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

NEW YORK, NY - DECEMBER 04: A person in economic difficulty holds a homemade sign asking for money along a Manhattan street on December 4, 2013 in New York City. According to a recent study by the by the United States Department of Housing and Urban Development, New York City's homeless population increased by 13 percent at the beginning of this year. Despite an improving local economy, as of last January an estimated 64,060 homeless people were in shelters and on the street in New York. Only Los Angeles had a larger percentage increase than New York for large cities. (Photo by Spencer Platt/Getty Images)


Maatschappelijk werkster

Als aanklager moest ik geregeld slachtoffergesprekken voeren. Meerdere van dit soort gesprekken zijn me, om verschillende redenen, altijd bijgebleven. Zo had ik een keer een afspraak met een mishandelde man. Omdat ik hem wilde ophalen, scanden mijn ogen de grote hal en bleven toen rusten op een kleine, smalle gestalte met een ingevallen gezicht en donker haar. Ondanks zijn leeftijd van begin dertig vertoonde zijn voorhoofd al de nodige inhammen. Ik herkende hem meteen van de foto’s in het dossier dus liep ik met uitgestoken hand op hem toe.

Even later in de slachtofferkamer begon hij zeer gehaast te praten. Hij sprak onduidelijk en ongearticuleerd. Er vieen telkens stukjes woord weg in zijn zinnen, net zoals bij iemand die met een mobiel belt waar een slecht bereik is. Slechts met de grootst mogelijke moeite kon ik hem volgen.

Hij was in zijn eigen bescheiden flatje afgetuigd door een familielid die beweerde dat hij hem nog geld schuldig was. Daarbij was zoveel geweld gebruikt, dat hij zijn bovenste voortanden was kwijtgeraakt.

Toen ik hem vroeg hoe het nu met hem ging, kon ik uiteindelijk uit zijn antwoord opmaken dat hij door het kunstgebit niet meer goed kon kauwen en minder proefde waardoor hij veel was afgevallen. Bovendien maakte hij zich zorgen dat hij nooit meer een leuke vrouw zou vinden.

“Wie wil mij nog zo?”, vroeg hij mij. Om vervolgens even aan zijn voortanden te frunniken, het kunstgebit er geroutineerd uit te wippen en mij plompverloren te confronteren met het gapende rozerode gat in zijn bovenkaak. Nu ik op nog geen halve meter afstand zat, had ik liever gehad dat dit uitzicht mij bespaard was gebleven. Want eerlijk is eerlijk, dit zag er akelig uit. Ik had erg met hem te doen.

“Iemand die u kiest om wie u bent, zal zich hierdoor heus niet laten afschrikken. Dan is dit uiteindelijk net zoiets als een bril of een hoorapparaat”, sprak ik hem moed in. Maar blijkbaar niet genoeg want na mijn ‘oppepper’ begon hij nog te huilen ook.

“Voor mij is het leven niet meer de moeite waard,” snikte hij. Hij keek me daarbij zo ongelukkig en met betraande ogen aan, dat ik me even geen raad wist.

“Dit is weliswaar niet mijn taak maar ik wil u echt adviseren om naar uw huisarts te gaan. Die kan u helpen om deskundige hulp te krijgen want het lijkt erop dat u dit niet alleen aan kunt.”

De arme man beloonde me hiervoor met een intens dankbare blik.

Die middag voelde ik me meer maatschappelijk werkster dan officier.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images-1

 

Te gast bij de Vrouwenopvang

Het is zomaar een toegangsdeur in een onopvallend gebouw. Een naambordje ontbreekt. Wel is er een intercom. Ik meld me aan. Even later gaat de deur open en bevind ik me in een sluis. De deur tot de hal blijft nog even dicht. Aan de door dik glas afgeschermde balie zeg ik dat ik een afspraak heb. Dan schuift ook de andere deur open en sta ik in het Vrouwenopvanghuis.

Een jonge meid in nep uggs en een jas met bontkraag loopt langs me heen de hal uit. Hoewel zelf nog een kind duwt ze met één hand een kinderwagen en bedient ze met de andere haar smartphone. Ze glimlacht flauwtjes naar me.

Na een warme ontvangst word ik voorgesteld aan een prachtige jonge vrouw die veel gelijkenis vertoont met de Amerikaanse actrice Halle Berry. Zij is een ex-cliënte die persoonlijk haar verhaal durft te doen over wat zij heeft meegemaakt. Ik schud haar de hand. Haar donkere ogen kijken taxerend in de mijne. Ze verraden een mix van emoties. Angst. Verdriet. Schaamte. Maar ze stralen ook hoop, liefde en hervonden zelfvertrouwen uit.

Zo’n anderhalf jaar geleden heeft zij – samen met haar twee jonge kindjes – huis en haard halsoverkop moeten verlaten omdat ze na jarenlange mishandeling haar leven niet meer zeker was. Haar toenmalige echtgenoot was onberekenbaar en agressief. Hij hield haar ook scherp in de gaten. Dus moest ze gebruik maken van dat éne moment dat hij even niet thuis was. Ver weg van haar vertrouwde omgeving vond ze hier een veilige plek waar ze niet langer bang hoefde te zijn. Hier kwam ze tot rust.

Na een lang proces heeft ze nu dankzij haar veerkracht, harde werken en hulp van de Vrouwenopvang een eigen huisje gekregen. Ze is klaar voor een nieuwe start.

Bij het afscheid complimenteer ik haar met de waardige manier waarop ze dit pijnlijke verhaal met mij heeft willen delen.

Zij is het levende bewijs van wat ik altijd al wist.

Vrouwen zijn sterk.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images-1

 

 

 

 

 

 

 

Voor altijd zusjes (2)

Mijn oudste zus Jacky en ik schelen maar liefst zestien jaar, ik ben een nakomertje. Daardoor hebben we ook langere tijd niet veel met elkaar opgetrokken. Zij was immers al het huis uit toen ik nog heel jong was. Natuurlijk zagen we elkaar geregeld bij feesten en partijen en zondagse maaltijden bij mijn ouders. Maar zij had haar leven en ik het mijne. Maar gaandeweg verloor het leeftijdsverschil zijn betekenis en groeiden we steeds wat meer naar elkaar toe. We besloten eens af te spreken, zomaar voor de gezelligheid. Dat was er nog nooit eerder van gekomen.

Die afspraakjes verliepen zo prettig dat we op een gegeven moment wekelijks met elkaar op pad gingen. Eerst alleen de vrijdagochtend, maar al snel werd het bijna de hele vrijdag, compleet met een lekkere lunch. Onvermoeibaar renden we door de stad, van de ene winkel naar de andere. We pasten op zo’n dag met gemak de inhoud van een heel kledingrek, ondertussen commentaar gevend op hoe we eruitzagen als we die broek, dat jurkje of die trui aanhadden.

Zo kwamen we er ook achter dat we nagenoeg dezelfde smaak hadden. We gierden het geregeld samen uit als we allebei tegelijk precies hetzelfde kledingstuk omhooghielden dat we aan elkaar wilden laten zien. We hadden elkaar eindelijk gevonden en hadden de grootste lol samen.

In deze fase heb ik eens een miniatuurboekje van Jacky cadeau gekregen met de titel Voor altijd zusjes. Daarin stonden mooie en grappige spreuken over zussen. Toen ik het presentje uitpakte en de titel las, raakte me dit recht in mijn hart. Dit moment was voor mij het hoogtepunt in onze relatie, want het was haar manier om te zeggen dat ze van me hield.

En uitgerekend nu kreeg ik het bericht dat ze borstkanker heeft.

Het vervolgtraject blijkt één doffe ellende. Jacky krijgt inderdaad de borstbesparende operatie. Maar als ze daarna het weefsel analyseren, blijkt dat haar borst alsnog geamputeerd moet worden. Dat geschiedt uitgerekend in oktober, de maand die traditiegetrouw in het teken staat van borstkanker. Ook haar poortwachtersklier moet er helemaal uit, aangezien daar uitzaaiingen zijn aangetroffen. Vervolgens moet ze starten met de eerste van in totaal zes chemokuren. Voor iedere kuur moet ze geprikt worden om te zien of ze een volgende kuur lichamelijk wel aankan. Tijdens de kuur krijgt ze zware antibiotica om infecties ten gevolge van verzwakking van haar immuunsysteem te voorkomen.

Omdat ze binnenkort haar haren zal verliezen, besluit mijn zus om ze zelf al kort te laten knippen en alvast een pruik uit te gaan zoeken. Ik ga met haar mee. In de kapsalon kijk ik zwijgend naar al die verschillende pruiken die op witte gezichtloze hoofden zitten. Ik voel dat het zweet me uitbreekt. Het doet me nog het meeste denken aan een angstaanjagende verzameling trofeeën van een gestoorde seriemoordenaar.

Op de een of andere manier komt de ellende die deze genadeloze ziekte veroorzaakt pas echt vol bij mij binnen als ik even later, gezeten naast mijn nu bijna kale zus, haar blik vang in de spiegel van de kapperszaak. Wat ik daar zie, maakt dat ik mijn ogen meteen afwend.

Een paar weken na haar tweede operatie laat Jacky zich door haar man overhalen om eens een bezoek te brengen aan het Toon Hermans Huis in Maastricht. Eerst wil ze er niet heen, bang als ze is dat het daar alleen maar over ziekte en dood zou gaan. Maar tot haar verrassing blijkt dit mee te vallen. Er wordt zelfs juist geregeld gelachen en de vrijwilligers die er werken zijn ontzettend aardig.

Als ze ziet dat er een cursus schilderen wordt aangeboden, besluit ze een proefles te nemen. Die bevalt haar zo goed dat ze zich inschrijft voor wekelijkse lessen. Schilderen is iets dat ze altijd al heeft willen doen, maar waar ze nooit eerder de tijd voor heeft gehad of genomen. Het lijkt haar geweldig leuk, maar ze heeft geen idee of ze het kan.

In het begin van haar ziekteproces schildert ze haar woede, boosheid en verdriet van zich af in drukke, sombere taferelen met voornamelijk donkere kleuren. Vooral zwart en bordeauxrood zijn favoriet. Met iedere chemokuur die ze ondergaat, voelt ze zich zieker en is ze een tijd tot niets in staat. Als ze eindelijk de zesde en laatste kuur achter de rug heeft, duurt het nog bijna vier maanden voordat haar haren beginnen terug te groeien.

Langzamerhand begint ze zich wat beter en sterker te voelen. Naarmate haar herstel vordert, worden de kleuren die ze in haar schilderijen gebruikt vrolijker, lichter en zachter. Lichtrood en allerlei tinten geel doen hun intrede. Ze blijkt talent te hebben en heeft veel plezier van haar nieuwe hobby. Ze gaat zelfs exposeren, waarbij er geregeld serieuze belangstelling is van kopers. Schilderen heeft haar afleiding geboden, gesteund en rustiger gemaakt.

Voor Jacky heeft het Toon Hermans Huis het verschil gemaakt; als ze er niet heen zou zijn gegaan, zou ze altijd zijn blijven rondlopen met het gevoel dat ze er alleen voor stond. In plaats daarvan heeft ze haar verdriet kunnen delen met lotgenoten en en passant ook nog haar passie ontdekt. En zo krijgt een gitzwarte periode uiteindelijk toch nog een gouden randje.

Inmiddels zijn we ruim acht jaar verder. Jacky is genezen verklaard. Het gaat goed met haar. Ze komt nog steeds wekelijks in het Toon Hermans Huis, waar ze zich al schilderend kan uitleven. De nieuwe Jacky heeft geleerd nu wel de tijd te nemen voor bezigheden waar ze gelukkig van wordt.

Onlangs kwam ik het boekje dat ze me destijds heeft geschonken weer tegen. Ik nam het uit de kast en deed het lukraak op een bladzijde open. In stilte las ik:

Zussen beschermen je tegen de wreedheden in het leven.’

Ik moest even slikken. Ja, was dat maar zo. Mij is het in ieder geval niet gelukt.

Maar wat er ook gebeurt, in voor- of tegenspoed, onze familieband zal blijven bestaan.

Want zusjes zijn we voor altijd.

© Pascale Bruinen

Dit verhaal komt uit de bundel “Onveranderd Anders” (juli 2016), waarvan de opbrengst ten goede komt aan de Limburgse Toon Hermans Huizen.

images

 

 

Voor altijd zusjes (1)

Ik zit rustig te werken achter mijn bureau als ik het telefoontje krijg. In het display van mijn gsm zie ik dat het mijn oudste zus is. Ze is net terug van vakantie. Gezellig, denk ik, meteen maar even kijken of we nog een shopafspraak kunnen vastleggen.

‘Hoi Jacky!’ roep ik uitgelaten zodra ik het gesprek heb aangenomen. Aan de andere kant blijft het echter stil. Of nee, wacht, ik hoor in de verte iets dat op een soort geritsel lijkt.

‘Jacky? Ben je daar?’

Ik luister met gespitste oren. Iemand ademt hoorbaar in en uit. Even gaat de absurde gedachte door me heen dat een of andere akelige hijger de mobiele telefoon van mijn zus in handen heeft gekregen en nu lukraak haar contacten lastigvalt. Maar dan hoor ik een gesmoorde snik en een bekende stem.

‘Het is helemaal mis, Pascale.’ Er klinkt meer gesnuif en ik besef dat ze aan het huilen is. Een microseconde later maken mijn hersenen de gevreesde connectie. Shit, ze heeft me gezegd dat ze meteen na haar vakantie naar die bus moest om mee te doen aan dat bevolkingsonderzoek naar borstkanker. O god, o god…

‘Dat meen je niet! Weet je zeker dat ze zich niet hebben vergist?’ vraag ik nog.

Maar vanbinnen weet ik het antwoord al. Een paar seconden geleden was ik nog in een staat van onbezorgde vrolijkheid. Nu voel ik me alsof een ijskoude hand langzaam maar zeker mijn keel dichtknijpt. Met horten en stoten vertelt ze dat ze op de laatste dag van haar vakantie iets raars had gezien aan de huid van een van haar borsten. Ze vertrouwde het niet helemaal, maar gelukkig had ze – stom toevallig – meteen na thuiskomst sowieso een afspraak staan voor het bevolkingsonderzoek. Daarna kreeg ze een telefoontje van haar huisarts dat ze op de foto aan een kant iets verontrustends zagen. Met een weinig overtuigend ‘Het kan ook iets goedaardigs zijn,’ verwees hij haar meteen door naar het ziekenhuis. Daar maakten ze met spoed nog meer foto’s en een echo, waarna ze een biopt namen.

Zojuist heeft ze in het ziekenhuis de uitslag daarvan gekregen, waarbij haar angstige voorgevoelens zijn bevestigd. Ze heeft een agressieve vorm van borstkanker.

Ik hoor het haar allemaal zeggen, maar kan er in de tussentijd met mijn gedachten niet bij. Het was toch gewoon een leeftijdsgebonden routineonderzoek? Daar ga je – tussen al je andere verplichtingen door – snel even heen, maakt die stomme, pijnlijke röntgenfoto’s met dat apparaat dat meer op een martelwerktuig lijkt en vervolgens krijg je de uitslag, die altijd goed is.

‘Niks aan de hand, mevrouw, bedankt voor uw bezoek!’

Alleen is het dit keer anders.

Het lijkt alsof ik langzaam vanbinnen verstijf. Ik voel tranen opkomen. Mijn kamergenoot ziet het en verlaat discreet onze gezamenlijke kantoorruimte. Mijn zus heeft kanker. Mijn zus heeft kanker. Mijn zus heeft kanker. Het lijkt wel een meditatiemantra, maar dan een hele gemene. Maar het volgende moment denk ik weer: heeft ze wel kanker? Misschien hebben ze het biopt verwisseld. Iedereen kan fouten maken.

‘Wat gaat er nu gebeuren?’ vraag ik huilend.

‘Ik moet terug naar het ziekenhuis en word dan waarschijnlijk eerst ingepland voor een borstbesparende operatie. Maar als daarna blijkt dat dit niet genoeg is, moet mijn borst er alsnog af. En daarna zal ik chemo moeten, ik…’ Ze maakt haar zin niet af. In plaats daarvan hoor ik een onderdrukte snik. Mijn dossiers, die voor me op mijn bureau liggen, lijken plots wel te zwemmen. Ik realiseer me dat ik wazig zie en wrijf met mijn vrije hand door mijn ogen.

‘Waar ben je nu? Moet ik naar je toe komen?’

‘Nee, laat maar. Ik ben nu thuis.’ Gelukkig is haar man bij haar. Een minuut later beëindig ik het gesprek met de belofte dat ik zo snel mogelijk langs ga, en het verzoek me te bellen zodra ze meer weet van haar bezoek aan het ziekenhuis. Ik druk op het rode telefoontje en zie in een flits dat we vier minuten en drieëntwintig seconden nodig hebben gehad om dit vreselijke nieuws te bespreken. Ik leg mijn gsm neer op mijn bureau en staar naar mijn aantekeningen die vijf minuten geleden nog o zo belangrijk leken. Ik heb geen idee wat ik nu moet doen. Verder werken heeft in ieder geval geen enkele zin want mijn concentratie is weg. Ik hoor een zachte klop op de deur en Roy, mijn collega, steekt zijn hoofd om de deur. In zijn hand heeft hij een glaasje water.

‘Kom maar binnen,’ zeg ik.

‘Slecht nieuws?’ vraagt hij terwijl hij de witte plastic beker voor me neerzet.

‘Mijn zus heeft borstkanker.’ Op de een of andere manier is het echt nu ik het hardop heb uitgesproken. Ik schrik er zelf van. Ik buk me om een zakdoek uit mijn tas te halen.

‘Jeetje! Wat erg. Waarom ga je niet naar huis?’

‘Ja, dat ga ik ook doen. Ik heb vanmiddag gelukkig geen verplichtingen.’ Ik drink een paar slokken water en snuit dan mijn neus. Vervolgens pak ik mijn jas en spullen en loop richting de deur.

‘Bedankt voor je goede zorgen.’

‘Geen dank en sterkte!’

Onderweg naar mijn auto strijden allerlei wilde gedachten in mijn hoofd om voorrang. Wat als ze doodgaat? Wordt ze ooit nog wel beter? Zal haar borst eraf moeten? Het is allemaal zó oneerlijk. Het nieuws komt nog extra hard bij mij binnen, omdat het juist samenvalt met het moment dat ik een hechte band met Jacky heb opgebouwd.

Ik kan het niet geloven.

© Pascale Bruinen

Volgende week kun je in deel 2 lezen hoe dit afloopt. Dit verhaal komt uit de bundel “Onveranderd Anders” (juli 2016), waarvan de opbrengst ten goede komt aan de Limburgse Toon Hermans Huizen. http://www.onveranderdanders.nl/

images-3

 

 

 

 

Anderhalve turf hoog

Een klein jongetje is de laatste verdachte van de kinderzitting van vandaag. Hij is dertien maar hij oogt veel jonger. Ondanks zijn prille leeftijd heeft hij een harde uitstraling. Hij gaat op de stoel voor het hekje zitten. Zijn voeten raken amper de grond.

“Waarom heb jij met een brandende aansteker gedreigd naar die andere jongen?” vraagt de kinderrechter, terwijl ze oogcontact probeert te maken. “Gewoon,” zegt hij, nonchalant zijn smalle schouders ophalend. “Hij verveelde me.”

Ik kijk eens goed naar hem. Anderhalve turf hoog. Zijn emotieloos gezicht verraadt dat hij al veel heeft meegemaakt in zijn jonge leven. Vader is dood, moeder heeft een nieuwe vriend en wil niks meer met hem te maken hebben. Hij is al vaak weggelopen uit de jeugdinstelling. De laatste keer is hij toch naar zijn moeder gegaan. Tegen beter weten in. Hij moest er een halve dag voor reizen. Ze stuurde hem zonder pardon meteen weer weg.

“Wat vind je er van dat je daar niet mocht blijven?”, vraagt de rechter. Wij kijken hem aandachtig aan. En ineens zie ik het masker van onverschilligheid in stukken breken. Er biggelt een grote traan naar beneden. En nog een. Er is geen houden meer aan.

Als officier zie ik een jeugdige verdachte die een ernstig feit heeft gepleegd. Als moeder breekt mijn hart voor deze jongen, die alleen maar wil dat zijn moeder van hem houdt. Het is één groot gapend gat in zijn kleine hart. Het is mijn beurt voor het requisitoir, maar ik worstel nog steeds met de strafmaat. Tot mijn eigen verbazing hoor ik hoeveel warmte en compassie in mijn stem zijn geslopen. Alsof ik in deze paar minuten iets van zijn gemis wil goed maken. Hem het gevoel wil geven dat hij wél meetelt. Ik leg uit waarom hij straf verdient. Ik zie hem knikken. De kinderrechter is het met me eens en neemt de straf over. Ik zie hoe zijn kleine gestalte door de grote deur verdwijnt.

De zitting is klaar. Terwijl ik mijn tas inpak, vraagt mijn hart zich af of er ooit nog een wonder in zijn leven zal gebeuren.

Mijn verstand doet er wijselijk het zwijgen toe.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

PAS hurts children