Modepolitie

Als officier van justitie hoefde ik me zelden te bekreunen over wat ik nu weer eens aan moest trekken. Want als de zittingzaal riep, was ik het overgrote deel van de dag onder de pannen in mijn vrijwel alles verhullende toga.

Voordeel: ik had niet veel werkkleding nodig. Hoewel dit bij nader inzien meer een nadeel was, want zo had ik ook geen excuus om vaker te gaan shoppen. Nog een pré: eventuele post-vakantiekilootjes vielen niemand op in mijn oversized toga maatje XXXL. Voorwaar géén little black dress. Als ik ook nog verplicht getooid met een pruik naar zitting had gemoeten, zou ik zelfs geen last meer hebben gehad van een bad hair day. Ideaal toch?

Maar nee, hier in Nederland moeten officieren met hun eigen haar naar zitting. En die zwarte toga was en is, nou ja, heel erg zwart. Vooruit, de witte bef doorbreekt het nog een klein beetje, maar voor de rest… Het is al met al een wonder dat officieren – zelf nota bene hoeders van de wet – nog niet massaal zijn opgepakt door de modepolitie.

Daarom is het de hoogste tijd dat dit kledingstuk ein-de-lijk eens wordt gepimpt. Ik roep alle fashiondesigners daarom hierbij op hun tanden eens te zetten in Project Courtroom. Eens zien wat dat gaat opleveren. Al zal er eerst een heuse wetswijziging nodig zijn omdat zelfs de eisen waaraan een toga moet voldoen wettelijk zijn vastgelegd.

Misschien wordt het wel een toga in ingetogen beige voor een zedenzaak, een veelkleurige toga met speciaal draaideur-effect voor veelplegers en een witte toga met in het midden een uit de kluiten gewassen lieveheersbeestje voor geweldzaken. Ik zie het meteen voor me.

En natuurlijk kunnen aanklagers niet zonder een his and hers-versie voor formele gelegenheden, bijvoorbeeld bij de officiële installatie van een nieuw lid van de rechterlijke macht. Voor de dames zachtroze, uiteraard afgewerkt met de nodige glitters. Voor de heren nachtblauw, voorzien van een satijnen bies. Vanzelfsprekend afgemaakt met een customized bef voor iedereen.

Zeker weten dat het Openbaar Ministerie voortaan de blits zal maken in elke zittingzaal.

Aldus zou ik requireren tot spoedige aanbesteding van dit project.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

IMG_1068

Over mietjes, vogels en takkewijven

Vrouwen veroveren stormenderhand de rechterlijke macht. Was dit vroeger nog een (grijze) mannenbolwerk, tegenwoordig is het percentage vrouwen gestegen tot meer dan vijftig procent.

Grasduinend op internet kom ik bij opzij.nl een oud artikel over deze materie tegen. Daarin vat een rechtbankverslaggeefster de reputatie van vrouwelijke magistraten kort en bondig samen: “Je hebt mietjes en takkewijven”. Het is maar dat ze het weten.

Tot de jaren vijftig werden vrouwen overigens niet eens toegelaten tot deze nobele ambten omdat ze “ongeschikt waren vanwege hun natuurlijke aanleg en geestelijke eigenschappen”. Zo werden ze verondersteld “emotioneler dan mannen” en “minder abstract denkend” te zijn waardoor ze “te weinig beoordelingsvermogen” hadden en het beroep “minder aanzien gaven”.

Waren ze als vrouwelijke beroepsgroep destijds al niet populair onder de heren juristen, anno nu zijn ze dit bij verdachten in sommige zaken nog steeds niet.

“Als het om zedenzaken gaat, hebben verdachten liever een man omdat ze denken dat vrouwen strenger zijn”. Aldus Erik van der Maal van de Bond van Wetsovertreders, een vereniging die opkomt voor (ex-)gedetineerden.

En ja, soms sprak het gezicht van een mannelijke verdachte inderdaad boekdelen als hij binnen kwam voor de behandeling van zijn zaak en tegen vijf vrouwen – drie rechters, de griffier en ondergetekende – op rij aan keek.

Toch waag ik te betwijfelen dat deze gedachte correct is. Op basis van mijn jarenlange beroepsmatige ervaring eisen vrouwelijke officieren bij zedenzaken niet hoger dan mannelijke officieren, noch zag ik dat vrouwelijke rechters strenger straffen dan hun mannelijke collega’s.

Hoe zakelijk, zelfstandig en geëmancipeerd wij als hoog opgeleide professionals ook mogen zijn, ik heb de indruk dat we allemaal wel eens worstelen met de mate waarin we onze vrouwelijkheid in ons werk durven uit te dragen. Misschien wel uit angst om voor dat “mietje” versleten te worden.

Maar kennelijk laten vrouwelijke magistraten hun XX-chromosomen op zitting toch meer spreken dan ze zelf denken. Zo ziet Van der Maal wel degelijk een verschil in aanpak met hun mannelijke collega’s: “Vrouwen stellen persoonlijke vragen, laten je uitpraten, stellen je meer op je gemak. Best belangrijk als je terechtstaat voor een rij vogels in zwarte jassen die vanaf een podium op je neerkijken”.

Ok. Zo had ik mijzelf als magistraat in de rechtszaal nog nooit eerder bekeken.

Maar voor het geval ik alsnog mag kiezen ben ik met terugwerkende kracht toch liever een vogel dan een takkewijf.

© Pascale Bruinen

http://pascalebruinen.com

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

takkewijf

Hmmm, ik weet niet of dit een tegelwijsheid is die ik aan de muur zou willen hangen…

Cirkel van stilte en geweld

In Nederland rukt de politie gemiddeld elke tien minuten (!) uit voor huiselijk geweld. Daartoe behoort ook kindermishandeling. In actie komen tegen dit ingrijpende fenomeen is dringend nodig want alleen al in Nederland worden zo’n 119.000 kinderen per jaar mishandeld. Een duizelingwekkend cijfer. Anders gezegd: in iedere schoolklas van 30 leerlingen is gemiddeld één kind slachtoffer.

Het gaat dan niet alleen over lichamelijk geweld, maar ook over andere vormen van mishandeling. Daaronder valt ook emotionele mishandeling ( een volwassen persoon scheldt het kind regelmatig uit, doet vaak afwijzend en vijandig tegen het kind of maakt het kind opzettelijk bang), emotionele verwaarlozing (doorlopend tekort aan positieve aandacht voor het kind, het negeren van de behoefte van het kind aan liefde, warmte en geborgenheid, de situatie dat een kind getuige is van geweld tussen ouders of verzorgers en alle vormen van seksueel misbruik.

De impact van kindermishandeling is gigantisch. Kinderen zitten in een afhankelijkheidspositie; ze zijn – zeker als ze nog heel jong zijn – overgeleverd aan hun mishandelende ouders, andere familieleden of verzorgers. Ze ervaren pijn, lopen (soms ernstig) letsel op en raken psychisch beschadigd. Sommige meisjes raken ongewenst zwanger van hun geweldpleger, maar kindermishandeling kan ook leiden tot gedwongen verhuizingen (bijvoorbeeld naar een Blijf-van-mijn-lijf huis samen met de moeder) en schooluitval- of verzuim. Bij oudere kinderen kan het leiden tot verslaving. In extreme gevallen leidt kindermishandeling zelfs tot zelfmoord of pogingen daartoe of eindigt het anderszins met de dood van het kind. Zo is becijferd dat elke maand één kind of volwassene sterft door huiselijk geweld. Maar in 2012 maakte huiselijk geweld maar liefst 52 dodelijke slachtoffers, dus een gemiddelde van één per week.

Inmiddels weten we uit onderzoek ook dat kinderen die slachtoffer worden van mishandeling op langere termijn een grotere kans lopen om zelf dader te worden. Zodoende legt kindermishandeling een zware en uiterst pijnlijke claim op de volgende generatie.

Redenen genoeg dus om in actie te komen. Want er is maar één iemand nodig om de cirkel van stilte en geweld te doorbreken. Dat kan een hulpverlener zijn, maar evengoed een familielid, buurman, onderwijzer, vriendinnetje of clubgenoot.

Of misschien wel een betrokken lezer van mijn blog?

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images

 

 

Een chronisch gebrek aan tijd

Als ik één ding zou moeten noemen waar ik een chronisch gebrek aan heb, is het wel aan tijd. Tijd intrigeert me. Het is enerzijds hartstikke abstract (je kunt het niet zien), maar anderzijds o zo concreet (bijvoorbeeld als je ergens te laat komt).

De mooiste, bijna poëtische, definitie van dit begrip vond ik op nl.wiktionary.org, waar tijd wordt omschreven als de “onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden”. De meest gangbare betekenis is echter dat tijd niets meer of minder is dan een “opeenvolging van momenten”. Kijk, dát herken ik wel. Want momenten heb ik de hele dag door juist in overvloed. En ze volgen zich inderdaad in een razend tempo op.

Zo ook toen ik nog officier van justitie was. Op die zeldzame dagen dat ik geen zitting of ZSM-dienst (afdoen van zaken vanuit een centrale lokatie) had, was ik vanaf mijn flex-plek druk bezig met de afhandeling van mijn (ouderwetse en elektronische) post, het bijwonen van overleggen en de voorbereiding van mijn volgende zittingen. Dat waren zoveel momenten dat de tijd voorbij vloog.

Soms schoot mijn pauze er helemaal bij in, maar als het enigszins kon, ging ik altijd naar buiten om een rondje te wandelen of snel wat boodschappen te doen. Toen mijn zoon een tijd geleden op zichzelf ging wonen, rende ik als drukbezette maar rechtgeaarde moeder tijdens mijn korte break gauw op en neer naar de Blokker om even banale als onmisbare huishoudelijke attributen voor hem te kopen zoals een emmer, een aardig formaat vuilnisbak, diverse dweilen, stofdoeken, afwasborstels, een trits schoonmaakmiddelen en een heuse “Swiffer vloerwisser starterkit”.

En zo kon het gebeuren dat ik, getooid met een onhandig lange stok en drie mega uitpuilende plastic zakken (toen kreeg je die nog gratis) op de terugweg naar het parket een collega tegen kwam. Bij haar vragende blik riep ik in het haastige voorbijgaan alleen maar “Zoon gaat op kamers!” (stil blijven staan was echt geen optie). Haar begripvolle glimlach was het laatste dat ik zag voordat ik even later met mijn bovenmaatse buit muurvast kwam te zitten in het draaihekje bij onze ingang. Nog een geluk dat er geen bezoek voor mij in de hal zat te wachten.

Dat krijg je er dus van als je uit tijdgebrek jezelf letterlijk en figuurlijk voorbij wilt rennen.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images

Fantoomverdachte

Als officier van justitie bekroop me geregeld het gevoel dat niemand de waarheid vertelde. Zo ook in een zaak die begon met een Meld Misdaad Anoniem tip dat er in een gehuurd deel van een bedrijfspand ruim 500 hennepplanten zouden staan. De politie startte een nader onderzoek, waarna ze op de genoemde locatie op een bovenverdieping inderdaad een grote en professioneel ingerichte hennepplantage aantrof. Ter plaatse bleek niemand aanwezig.

De eigenaren van het pand, die zelf beneden zaten, toonden een contract waaruit bleek dat mijn verdachte de betreffende ruimte drie maanden eerder was gaan huren. Verdachte bezweerde echter dat hij de huur al na twee maanden zou hebben opgezegd. Ook zou hij nooit de sleutel van het pand hebben gekregen. Best bijzonder, aangezien hij wel het huurcontract had getekend en een borgsom had betaald. Hij zou er het laatst zijn geweest vóórdat het huurcontract was ingegaan.

De eigenaren beweerden tegenover de politie dat ze niets hadden gemerkt van een grote hennepplantage die recht boven hun deel van het pand moest zijn opgezet. Ze hadden evenmin ooit iets geroken van die typische hennepgeur of geobserveerd dat er mensen in en uit liepen. Mijn verdachte hadden ze sinds het tekenen van het huurcontract nooit meer gezien, al had hij volgens hun verklaring inderdaad een borgsom betaald én wel degelijk de sleutel gekregen. Maar nee, verdachte had het huurcontract nooit formeel beëindigd.

Tja. Mijn leven als officier ging bepaald niet altijd over rozen want probeer hier maar eens uit wijs te komen.

Als ik deze verhalen moest geloven zou er dus een fantoomverdachte bestaan die in zijn eentje, onzichtbaar voor de directe omgeving, het hele circus van planten, potgrond, ventilatoren, filters, elektrische- en dompelinstallaties en wat al niet meer had geïnstalleerd én ook nog regelmatig had onderhouden. The invisible man, de hoofdfiguur uit de gelijknamige tv-serie van de jaren zeventig die een uit de hand gelopen experiment deed met “moleculaire desintegratie”, is er niets bij.

Als ik nu nadenk over dit fenomeen en dit afzet tegen mijn andere beroepsmatige ervaringen kan het haast niet anders of dit moet dezelfde spookachtige en immer ongrijpbare figuur zijn die bolletjes met cocaïne of heroïne op straat gooit, zomaar (!) grote sommen contant geld geeft aan drugsdealers en vrouwen bont en blauw slaat als hun man even niet thuis is.

Ik hoop vurig dat de veelgeplaagde Minister van Justitie nog ergens wat extra geld heeft liggen want als het Openbaar Ministerie dit onvatbare sujet toch eens te pakken zou kunnen krijgen, is in één klap een groot deel van alle strafzaken opgelost.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

PS: als jullie je afvragen waar het gebruikelijke plaatje is: dat staat hieronder.

 

 

Boter bij de vis

“Wat eten jullie?”, vraagt mijn zoon. Hij heeft me zojuist gebeld en dat betekent meestal dat hij óf eindelijk zin heeft in een verantwoorde warme maaltijd óf wel wat extra pecunia kan gebruiken.

Vandaag is het dus optie 1. Aaahhhh, als ik voor iedere keer dat ik deze vraag heb gekregen een euro had ontvangen, kon ik nu rentenieren.

“Zelfgemaakte frietjes met een lekker mals biefstukje, vergezeld van ambachtelijk bereide appelmoes en een rijk gevulde salade”, antwoord ik. Het klinkt alsof ik iets van de menukaart van een eetcafé oplees, realiseer ik me. Maar het klopt wel.

“Hmmmm…”. En na een korte stilte: “Dan kom ik wel even langs vanavond”.

Gezellig! Hij woont inmiddels al bijna twee jaar op zichzelf. Weliswaar in dezelfde stad, maar toch.

Als hij even later zijn fiets achterom stalt, blijkt hij goed nieuws te hebben. Hij heeft geld ontvangen van het Centraal Justitieel Incassobureau. Ja, je leest het goed. Hij hoeft niets áán het CJIB te betalen, maar hij kríjgt geld van deze instelling.

Een paar jaar geleden heeft hij zich, ondanks onze waarschuwingen, toch laten verleiden om iets te bestellen bij een onbekende via Marktplaats. Daarbij had hij de pech om een notoire oplichter te treffen. En daar gingen zijn zuurverdiende centen…

Hoewel hij het nut niet ervan inzag om aangifte te doen, hebben we hem daarvan gelukkig wel kunnen overtuigen. Enige tijd hoorden we niets, totdat er ineens bericht kwam van een parket van het Openbaar Ministerie in het noorden des lands met de mededeling dat hij zich als slachtoffer kon voegen in de strafzaak. De verdachte was uiteindelijk tegen de lamp gelopen en had een reeks oplichtingen bekend, waaronder die van zoonlief.

Vervolgens vernam hij van het parket dat de verdachte was veroordeeld en zijn schade moest vergoeden.

En nu krijgt hij dus elke maand een deel terug van het destijds door hem betaalde bedrag. Inmiddels heeft hij bijna de hele som vergoed gekregen. Een meer dan welkome aanvulling op zijn studenteninkomsten.

Niets zo goed om het vertrouwen in Justitie terug te winnen dan als slachtoffer boter bij de vis krijgen terwijl je dacht dat je nooit meer iets van je geld terug zou zien.

Het heeft even geduurd, maar dan heb je ook wat.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images

Zelfs rechters weten niet alles van hennepplantjes

Ook rechters kunnen wel eens de plank mis slaan. Ik heb als officier van justitie eens een politierechter getroffen die op wel heel bijzondere wijze oordeelde over een zitting met allemaal hennepplantages op de tenlasteleggingen.

Die gedenkwaardige dag zit de zaal uitgerekend vol met een klas studenten. Tijdens de eerste zaak vraagt de politierechter mij plotseling: “Mevrouw de officier, heeft u wel goed naar de tenlastelegging gekeken?”

Enigszins gealarmeerd scan ik snel de tekst maar ik zie niets bijzonders.

Ja hoor. Hoezo?”. Ik voel me niet op mijn gemak want deze politierechter ken ik als iemand die wel vaker met iets vreemds uit de hoge hoed komt.

Ik zal er straks op terugkomen”.

Hoewel zijn antwoord me niet bevalt, leg ik even later uitgebreid uit waarom ik het feit bewezen vind en deze verdachte straf verdient.

Als de politierechter uitspraak doet, kan ik mijn oren niet geloven.

Ik acht het feit wel wettig en overtuigend bewezen, maar het bewezene levert geen strafbaar feit op”.

Prompt ontstaat er reuring in de zaal. De klas veert als één man tegelijk op en kijkt gebiologeerd naar de rechter. Ondertussen val ik zowat van mijn stoel.

In de tenlastelegging staat “hennepplanten” en die staan niet op Lijst II van de Opiumwet. Zodoende is het geen strafbaar feit en ontsla ik de verdachte van alle rechtsvervolging”.

Nadat hij deze figuurlijke bom heeft laten ontploffen, valt mijn mond open. Ondertussen vraagt hij vriendelijk of de klas soms nog vragen heeft. Er steken er een paar tegelijk hun vinger op. Eentje krijgt de beurt.

Hebben jullie nu ruzie?”

Nee hoor!”, weet ik uit te brengen. Tegelijkertijd hoor ik de rechter naast me echter volmondig “Ja!” door de zaal roepen. Op de tribune breekt nog net niet de pleuris uit.

Ook in alle volgende hennepzaken komt de politierechter telkens tot ontslag van rechtsvervolging.  De studenten moeten de tijd van hun leven hebben terwijl ik me afvraag waarom ik dit werk ook al weer zo graag wilde doen.

Na de lunchpauze zijn de studenten vertrokken. Ongetwijfeld worden de verhalen over die arme sullige officier van justitie as we speak onder het genot van een koud pilsje doorverteld aan de rest van de studentenpopulatie.

De politierechter komt binnen.

Ik geloof dat ik een vergissing heb begaan”, zegt hij koeltjes terwijl hij zijn toga dichtknoopt.

O?’, zeg ik. Dat moet het understatement van het jaar zijn.

Ja, ik heb het even opgezocht maar hennepplanten vallen ook onder hennep.”

Vertel mij wat. Net als ik denk dat het niet nog erger kan worden, voegt hij er aan toe:

Ik heb een kopie ervan gemaakt. Wil je er ook een?”

Ik kan alleen maar heftig “nee” schudden.

Zul je altijd zien.

Als het recht zegeviert is er geen publiek bij.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

20150626_124435_1

 

Het leed dat piket heet

Toen ik nog officier van justitie was, had ik geregeld piketdienst. Dat betekende dat ik doordeweeks na kantoortijd en in de weekenden standby moest zijn voor allerlei dringende telefoontjes van de politie, die vaak genoeg bij nacht en ontij kwamen. In zo’n dienst werd ik geleefd door mijn mobiel. En voor iemand die altijd zelf graag de regie heeft, zoals ik, is dat allerminst een feestje.

Maar ook voor mijn gezinsleden was zo’n bereikbaarheidsdienst geen onverdeeld genoegen. Toen mijn kinderen klein waren, begrepen ze nog niet zo goed waarom ze stil moesten zijn als ik eindeloze telefoongesprekken voerde. En de telefoon rinkelde juist altijd op de vervelendste momenten. Bijvoorbeeld als ik mijn zoon en dochter gezellig aan het voorlezen was, het badwater net op temperatuur had of bij de geitjes in het park was aangekomen.

Als peuters/kleuters hadden ze er dan ook een handje van om me juist voortdurend wat te vragen als ik met de politie aan de lijn hing. Dat ging als volgt:

Politieman: “We hebben net een dode man aangetroffen in gemeente X. Het lijkt op een ongelukkige val van de trap maar dat…”

Kind 1: “Mama? Mama? Mámááááá!” (snel in volume toenemend).

Politieman: “Zei u iets?”

Ik (terwijl ik mijn wenkbrauwen streng frons en mijn vinger even op mijn mond leg richting Kind 1 om het tot stilte te manen): “Nee hoor, gaat u verder.”

Politieman: “Ja, zoals ik al wilde zeggen, dat moet nog onderzocht worden”.

Ik (terwijl ik met Kind 2 om mijn been geklemd probeer te lopen naar een plek waar ik rustig kan schrijven): “Wie betreft het? Is de Technische Recherche al ter plaatse?”

Kind 1: “Maaaamaaaaa!!! Moet plasje doen!”

Politieman: “O, ik hoor dat er bij u ook een crisis is!”

Ik: “Ja, euh, zoiets inderdaad. Euh, ik noteer even zijn gegevens en dan bel ik u zo terug, OK?” Kind 1 stond inmiddels op springen zodat ik haastig de naam van de onfortuinlijke man opschreef. Kind 2 was ondertussen verwoede pogingen aan het doen om mij de telefoon afhandig te maken.

Ik, sissend fluisterend tegen Kind 2: “Niet doen! Dat is stout, hoor. Mama moet nog even bellen”.

Hoorde ik die politieman nou zachtjes grinniken?

Tegen de tijd dat ze pubers waren, snapten ze het wel degelijk maar deden ze net alsof ze gek waren. Zo riepen zoon- respectievelijk dochterlief keihard “Nou houdt zij alweer de badkamer zo lang bezet, doe iets!”, “Ik heb geen schone sokken meer!” of “Het wc-papier is bijna op!”, dwars door ernstige gesprekken met de recherche heen.

Godzijdank heb ik dat inmiddels allemaal achter de rug. Nu mag de volgende generatie officieren de borst nat maken voor deze piketdiensten. Ik wens ze daarbij veel wijsheid.

En tegen aanklagers met (jonge) kinderen zou ik willen zeggen: hou vol want het komt uiteindelijk allemaal goed!

© Pascale Bruinen

moeizame gesprekken2

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

 

Het boetekleed

Meteen nadat de politierechter de man het woord gaf, trok hij het boetekleed aan.

“Ik had me voorgenomen nooit te rijden als ik gedronken had. Maar nu is het me toch gebeurd. Ik vind het zo erg!”, wist hij met horten en stoten uit te brengen.

Hij had al jarenlang een alcoholprobleem. Desalniettemin had hij een blanco strafblad. Dat kon betekenen dat hij het nooit eerder had gedaan, al kon ik niet uitsluiten dat hij tot dusverre geluk had gehad omdat hij niet tegen de lamp was gelopen.

Tijdens de voorbereiding van de zaak had ik gelezen dat hij zich, na een uit de hand gelopen ruzie thuis, zo kwetsbaar voelde dat hij regelrecht naar de winkel was gegaan om drank te kopen. In korte tijd maakte hij een hele fles wijn soldaat en was toen gaan rijden. Vervolgens knalde hij even verderop met zijn auto tegen een lantaarnpaal. Gelukkig raakte hij zelf maar licht gewond, al waren de lichtmast en zijn auto er een stuk slechter aan toe.

Ik vroeg hem of hij zich had gerealiseerd dat hij ook een persoon had kunnen raken in plaats van wegmeubilair en dat, zou deze persoon ernstig gewond zijn geraakt, hij daarvoor niet verzekerd was nu hij dronken achter het stuur was gekropen. Ik zag dat hij heftig ja knikte.

Uit een stapel paperassen trok ik een document waaruit ik citeerde dat de kans op een ongeval met zijn alcoholgehalte (ruim 2 promille) minimaal 20 keer zo groot was dan als je geen alcohol had genuttigd. Niet echt een wonder dus dat deze kans zich in zijn geval ook had verwezenlijkt.

Tijdens de ondervraging over zijn persoonlijke omstandigheden gaf hij aan dat hij hulp had gezocht voor zijn alcoholprobleem. “Dit was een keerpunt voor mij. Ik wil er alles aan doen om er vanaf te komen.” Hij zag er aangedaan uit.

Ik vond het lovenswaardig dat hij zijn probleem erkende en openstond voor behandeling. Daar is veel moed voor nodig.

Gelet hierop en op zijn blanco strafblad, de schade zowel aan zijn auto als hemzelf en zijn spijt, die oprecht overkwam, stelde ik een milde eis voor.

“Dat is veel te goed voor mij!”, snikte hij tot mijn verbazing.

Tja.

In strafzaken weet je het maar nooit.

© Pascale Bruinen

images

Deze column is op 24 december 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Roeren in andere ketels

Mijn dag reservedienst was al halverwege toen ik een dringend telefoontje kreeg van een collega. Er was gisteravond een xtc-lab ontploft. Inmiddels had de brandweer de locatie vrijgegeven zodat er een doorzoeking kon plaatsvinden in het huis dat daarbij hoort. De rechter-commissaris was echter zelf elders bezig dus die was niet in de gelegenheid om te komen. Daarom machtigde hij mij als officier om ter plekke de doorzoeking te leiden.

Ik luisterde geconcentreerd naar het verhaal, noteerde de telefoonnummers van de rechter-commissaris en van de hulpofficier van de politie die ter plaatse is en ging bellen.

De hulpofficier vertelde dat de garage, waar de ketels met chemicaliën stonden, was ontploft. Drie mannen zouden daarbij gewond zijn geraakt, van wie een de eigenaar was van de aanpalende woning. Deze was aangehouden. De andere twee zouden, ondanks dat ze ernstige brandwonden moesten hebben opgelopen, met een auto zijn weggevlucht.

Toen ik na een uurtje rijden aankwam bij de locatie, viel me als eerste op dat het een mooie en rustige buurt was. Ik keek naar de woning en zag dat een deel van het dak van de garage was geblazen. Verschillende ramen hadden het begeven en er lagen dakpannen op de grond. Mijn tweede indruk was dat dit nog veel erger had kunnen aflopen.

Je zult er maar nietsvermoedend naast wonen.

De politie stond buiten keurig op mij te wachten. We liepen naar binnen, waar de politie in koppels van twee aan de slag ging. We waren op zoek naar alles wat kon bijdragen aan waarheidsvinding, bijvoorbeeld flessen chemicaliën, gegevensdragers zoals computers, aantekeningen, verdacht grote sommen contant geld en dergelijke.

Zoals gebruikelijk voelde ik me niet helemaal op mijn gemak in andermans huis. Omdat ik het zoeken graag overliet aan mensen die daarvoor zijn opgeleid, liep ik rond door de woonkamer.

Mijn aandacht werd meteen getrokken door een grote boekenkast. Dat was apart, want ik had bij mijn eerdere huiszoekingen zelden boeken aangetroffen, maar des te meer flatscreen televisies en playstations. Of dit iets zegt en zo ja, wat, over de gemiddelde verdachte laat ik hier maar wijselijk in het midden.

Er stonden de meest uiteenlopende titels in, maar kookboeken bleken toch de boventoon te voeren. Die konden natuurlijk van de vrouw des huizes zijn.

Maar gelet op de verdenking zou het mij niet verbazen als deze boeken gediend hebben als inspiratie om ook eens in andere ketels te roeren.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 12 november 2015 in het Algemeen Dagblad verschenen.

images

Oefening

Ik zit rustig achter mijn bureau mijn zitting voor te bereiden als er ineens een snerpend alarm afgaat. Een strenge vrouwenstem maant me het pand onmiddellijk te verlaten via de nooduitgang en daarbij de liften niet te gebruiken. Nu neem ik toch altijd de trap, dus dat vind ik niet zo’n punt.

“Is dit een oefening?”, roep ik nog bij wijze van uitstel van het onvermijdelijke tegen collega’s. Maar als ik zie dat de anderen hun jassen al van de kapstok nemen en richting uitgang gaan, besluit ik ook mijn boeltje te pakken. Gauw gooi ik mijn gsm, toegangspas en boterhamdoosje in mijn tas, sla een sjaal om en trek mijn jas al lopend aan om aan te sluiten bij de groeiende stroom richting trapportaal.

Daar is het, raar maar waar als er een alarm loeit, een gezellige boel.

“Hee!!! Ook hier vandaag! Wat leuk jou weer even te zien, al is het dan onder ietwat vreemde omstandigheden!”, zeg ik tegen een mannelijke collega die ik op het werk al tijden niet meer ben tegengekomen. Er ontspint zich een geanimeerd gesprek, terwijl we gedwee aanschuiven in de steeds langer wordende rij die naar beneden loopt.

Iedereen lijkt goedgemutst, van enige onrust – laat staan paniek – is geen sprake. Hoewel ik me afvraag wat er aan de hand kan zijn, kan ik me vanwege de sfeer om me heen bijna niet voorstellen dat het iets ernstigs is. Maar dat wil natuurlijk niets zeggen.

En zo kan het gebeuren dat ons gebouw opeens een schier eindeloze stroom mensen uitbraakt, die netjes in rijen achter elkaar aanlopen naar de aangewezen locatie. Als ik achterom kijk, zie ik dat we allemáál keurig het zebrapad oversteken, zoals het braaf overheidspersoneel betaamt. Arme auto’s die voor onze ingetogen optocht moesten stoppen want die stonden er wel eventjes.

Op de afgesproken noodopvangplek is het een vrolijke drukte van keuvelende mensen. Ik kan eindelijk een collega die zwanger is feliciteren en praat bij met een collega wier opleiding ten einde loopt.

Als we het teken krijgen dat we terug moeten, vind ik het bijna jammer dat het voorbij is.

Misschien moeten we dit voortaan iedere maand doen, maar dan zonder alarm als aanleiding.

Is wel zo goed voor de teamgeest.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 15 oktober 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

oefening

 

 

Esprit de Corps

In strafzaken heb ik als hoogste opsporingsambtenaar het gezag over onze dienders.

Nu is mijn man ook politiebeambte dus ik hoor je al denken: “Hoe gaat dat thuis dan?” Gelukkig levert de professionele gezagsverhouding geen privéproblemen op. Alleen als ik op het punt sta een discussie te verliezen wil ik me wel eens verlagen tot de gekscherende opmerking: “Denk eraan! In ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag!”. Niet dat dit ook maar enige indruk op hem maakt en dat is maar goed ook.

Als ik één ding over de politie heb geleerd, is het dat zij een ongelofelijke “esprit de corps” heeft. Deze organisatie heeft saamhorigheid, broederschap en verbondenheid welhaast tot kunst verheven.

Als ik deze “esprit de corps” in kooktermen zou moeten vertalen, luidt het bereidingsvoorschrift als volgt: als basis neme men een ruime hoeveelheid van het oersterke gevoel samen voor de goede zaak te staan; men voege daaraan toe een grote mate van onverschrokkenheid, loyaliteit en behulpzaamheid en men mixe dit met een flinke scheut risico’s die politiemensen in executieve dienst beroepshalve lopen; men brenge dit borrelende mengsel tenslotte aan de kook onder het kritische vergrootglas van de samenleving en voilà, daar heb je het recept voor onvoorwaardelijke collegiale steun, juist onder de moeilijkste omstandigheden.

Het “Eén voor allen, allen voor één”- principe geldt zo dus ook voor deze moderne musketiers. Als er stront aan de knikker is, wordt er niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk één front gevormd.

De laatste zeventien jaar heb ik zowel privé als beroepshalve een kijkje in de ziel van politiemensen gekregen. En ik moet zeggen: wat ik daar zie, bevalt me wel. Ze hebben het hart op de goede plaats. Ze waken, ook als wij lekker op één oor liggen, onder steeds moeilijkere en gevaarlijkere omstandigheden over onze veiligheid.

Nu de tijden veranderd zijn, wordt nóg meer van deze dappere vrouwen en mannen verlangd. Want als een bepaald politieoptreden of juist het ontbreken daarvan tot een storm van maatschappelijk protest leidt, bevinden politiemensen zich soms in het oog van die orkaan, met alle mogelijke destructieve gevolgen van dien. Dan moet je je maar staande zien te houden.

Toch lukt ze dat. Dat verdient groot respect van iedereen.

Dat van mij hebben ze in ieder geval al binnen.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 7 oktober 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

esprit de corps2

 

Gepaste trots

Nooit kunnen bevroeden dat mijn boek, een heel persoonlijk inkijkje in mijn werk, zo’n leuke neveneffecten zou kunnen hebben.

Natuurlijk heb ik mijn boek destijds geschreven met bepaalde doelen voor ogen. Zo hoopte ik dat het de “gewone burger” iets meer wegwijs zou maken in de wondere wereld van justitie en politie. Uit de vele positieve reacties blijkt inderdaad dat mensen na lezing van het boek beter snappen wat een officier allemaal doet en wat het verschil is tussen mijn werk en dat van een strafrechter. Maar misschien nog wel belangrijker is dat ze ook veel waardering hebben voor het tonen van het menselijke gezicht in deze stoere functie. Waarmee maar weer eens is aangetoond dat een kwetsbare opstelling geen teken van zwakte is, maar juist een van kracht, durf en moed.

Daarnaast wilde ik met mijn boek een tegengeluid laten horen ten opzichte van al die advocaten die geregeld in allerhande media opduiken. Onder het motto “Wij zijn er ook nog!” heb ik aandacht gevraagd én gekregen voor diegenen die de wereld een stukje veiliger proberen te maken. Zodoende is de positie van de openbaar aanklager op de kaart gezet en dat werd in mijn ogen hoog tijd ook.

Eén van de openhartige hoofdstukken in het boek gaat over mijn haat/liefde verhouding met strafpleiters. Toen mijn boek uitkwam, vroeg ik me af wat dit voor mij in de rechtszaal zou gaan betekenen. Achteraf is het me honderd procent meegevallen. Zo hoorde ik vaker dat advocaten mijn boek met plezier hadden gelezen. Strafadvocaten hebben mijn “offensief” dus uiterst sportief opgenomen.

Maar het allermooiste neveneffect is wel dat ik geregeld mailtjes krijg van rechtenstudenten die zeggen dat ze na lezing van mijn boek hun afstudeerrichting hebben gewijzigd naar strafrecht omdat ze ook officier van justitie willen worden.

Zo schreef eentje: “Ik ben een fervent lezer van je columns (…) en onlangs heb ik je boek aangeschaft. Dit heeft mij de bevestiging gegeven dat ik niets liever wil dan officier worden nadat ik mijn studie heb afgerond. (…) ik wilde je even kort bedanken voor het inzicht, de inspiratie en de motivatie die je mij hebt gegeven door het uitgeven van je belevenissen.”

Zo’n reactie vervult me met gepaste trots.

Mooi dat schrijven dit teweeg kan brengen.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 23 juli 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Gepaste trots

 

Digi-OM

Werd vroeger nogal eens geklaagd dat het Openbaar Ministerie achterliep ten opzichte van de razendsnelle technologische ontwikkelingen, tegenwoordig worden we zo’n beetje overspoeld door het ene na het andere digitaliseringsproject.

Termen als Digitale Dossier Viewer, Advocatenportaal, Slachtofferportaal, Verkeersportaal, E-learning modules, Telesticks, Tablets en Multi Touch Tables zijn niet meer weg te denken uit ons dagelijkse taalgebruik en horen inmiddels evenzeer bij ons vocabulaire als ons vakjargon.

Dankzij de Digitale Dossier Viewer kan ik mijn strafzittingen op een gebruiksvriendelijke manier digitaal voorbereiden.

Het Advocatenportaal is een digitaal loket waarin we strafdossiers in zaken van de politierechter, kinderrechter of kantonrechter nog uitsluitend digitaal aan advocaten verstrekken. Voorbij is hier dus de tijd dat papieren dossiers naar raadslieden werden verstuurd per post of – hoe hopeloos ouderwets! – persoonlijk werden gedeponeerd in hun kastje op de advocatenkamer in het gerechtsgebouw. In plaats van het fysiek openklappen van de stukken moet de advocaat in deze zaken voortaan met behulp van zijn advocatenpas het dossier downloaden. Een stuk minder romantisch, maar wellicht des te efficiënter.

Stichting Slachtofferhulp Nederland werkt met het OM samen in het Slachtofferportaal, een digitale servicebalie waar slachtoffers van misdrijven tijdens het hele strafproces op een laagdrempelige wijze informatie over hun zaak kunnen krijgen. En via het Verkeersportaal, ook wel Burgerportaal genoemd, kunnen (boze?) burgers digitaal in beroep gaan bij de officier van justitie tegen bepaalde verkeersboetes.

Tegenwoordig beschikken we op onze computers over “toolkits” in plaats van de oude vertrouwde plastic map met handige documenten en “factsheets” in plaats van een neergepend overzicht op een “flipover” (zo’n presentatiebord waarop een enorm kladblok is bevestigd). Cursusmateriaal krijgen we nog enkel te zien na inloggen op een gepersonaliseerde pagina en dan nog slechts via talloze pdf-jes die ik – trots kind van een papieren generatie – halsstarrig blijf printen.

De term “Digi-OM” is dus zeker op zijn plaats. Maar het beste bewijs hiervan is dat we op onze intranet-opstartpagina zelfs een heus “ICT-weerbericht” hebben. Deze virtuele Piet Paulusma vermeldt dagelijks de actuele stand van zaken omtrent ICT-storingen en aankondigingen van onderhoud. En dus word ik als “superuser” tegen wil en dank regelmatig getrakteerd op updates die monter melding maken van “performances”, “batches”, “work-arounds” en “releases”.

Een mens zou voor minder terugverlangen naar vroeger.

© Pascale Bruinen

Deze column is op donderdag 27 augustus 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Kopf, Icons

Blauw op straat maar dan anders

Gefascineerd lees ik het artikel in deze krant over een arme en criminele wijk van de stad Pachuca in Mexico die onlangs in vrolijke kleuren is geschilderd. Mijn ogen worden op onweerstaanbare wijze getrokken naar de foto.

Deze toont een tegen een heuvel aangebouwd stadsdeel dat je tegemoet schittert in de kleuren geel, frisgroen, paars, roze, oranje, rood en blauw. Sommige huizen hebben zelfs een combinatie van tinten. Het kostte het kunstenaarscollectief German Crew 14 maanden schilderwerk om 20.000 liter verf op 1500 vierkante meter muur te krijgen. Het oogt als één gigantische regenboog. Het woord “schilderachtig” was zelden toepasselijker. Mijn humeur knapt er onmiddellijk van op.

Mijn wenkbrauwen gaan omhoog als ik lees dat de bewoners tijdens de make-over meer contact met elkaar zoeken en kinderen vaker buiten spelen. Niks bijzonders, zou je zeggen, ware het niet dat deze mensen vantevoren niet eens de deur uit durfden. De vrolijke kleuren van de woningen hebben geleid tot meer gemeenschapszin waarbij de wijkgenoten ook verantwoordelijkheid willen nemen voor hun veiligheid. Bijkomend voordeel is dat een aantal woningen dankzij de schilderklus nu ook gelegaliseerd is. Deze huizen zijn dus “bontgewassen” in plaats van wit. De projectleider, een ex-bendelid dat zijn leven een andere wending heeft gegeven door muurschilderingen en graffitikunst te maken, had nooit verwacht dat de schilderklus zo’n enorme impact zou hebben.

Vrolijke kleuren staan kennelijk niet alleen symbool voor een mooier leven, maar leiden ook daadwerkelijk tot een hogere bestaanskwaliteit. De limoengroene, koningsblauwe en lavendelpaarse tinten geven een gevoel van veiligheid. De roze, oranje en rode tinten bieden hoop aan een categorie mensen die eigenlijk al was afgeschreven.

Frisse kleuren zouden ook een lust voor het oog én een moodbooster kunnen zijn in verzorgings- en verpleeginstellingen, ziekenhuizen of gevangenissen, met alle positieve gevolgen van dien voor het gedrag van de bewoners. En het zou een geweldig idee zijn voor vele Nederlandse buurten die er met hun grijsgrauwe tinten verpauperd en liefdeloos uitzien en waar de criminaliteit welig tiert. Want een dergelijke deprimerende omgeving nodigt nu eenmaal niet uit om de best mogelijke keuzes te maken.

Dit voorbeeld leert ons dat vrolijke verftinten wel eens zouden kunnen leiden tot minder politie-inzet.

Blauw op straat, maar dan anders.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 20 augustus 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Blauw op straat

(Te) goed van vertrouwen

Het komt niet iedere dag voor dat ik een eis moet formuleren naar aanleiding van een diefstal van ….. 150 eieren!

Laten we eens inzoomen op een slaperig dorpje in het Limburgse heuvelland. Daar, aan de rand van de dorpskern en hemelsbreed niet al te ver van de plaatselijke rooms-katholieke kerk, ligt een grote boerderij. De stallen op het enorme erf verraden dat de boer koeien heeft. Maar de zwart-witte herkauwers zijn niet zijn enige dieren. Hij heeft ook nog het nodige pluimvee.

Op het erf ligt de boerderijwinkel. Het is een eenvoudig stenen bijgebouw waar de boer en boerin onder andere kakelverse scharreleieren verkopen. Omdat het boerenbedrijf nu eenmaal hard werken is, is de boer of boerin niet altijd in de gelegenheid om persoonlijk in de winkel aanwezig te zijn. Maar niet getreurd, ook als er niemand is kunnen klanten gewoon eieren kopen.

Speciaal met dat doel is een metalen kastje aan de muur gehangen met daarin een opening om het geld in te doen. Op een papiertje staat dat er in dat geval per ei 10 eurocent in het kastje moet worden gedeponeerd.

Als ik dit lees ben ik zwaar onder de indruk. Wat mooi dat dit nog bestaat anno 2015! Want waar kun je nog mensen vinden die zo goed van vertrouwen zijn? Nou, hier dus!

Als ik verder lees, blijkt mijn aanname toch ietwat voorbarig want de boer blijkt zekerheidshalve toch een camera te hebben opgehangen. En daarop is mijn verdachte in volle glorie te zien als hij maar liefst 5 dozen met elk 30 eieren meeneemt zonder de verschuldigde 15 euro in het kastje te stoppen. Sterker nog, in plaats van dat hij er geld in stopt, probeert hij het hele kastje met grof geweld van de muur te rukken.

Gelukkig mislukt dat snode plan, maar de eieren zijn en blijven foetsie.

Tot mijn verbijstering houdt de egoïstische eierenrover ondanks glasheldere camerabeelden doodleuk vol dat hij wel degelijk geld in het kastje heeft gestopt. Maar dankzij de aangifte én de filmopname wordt de booswicht toch veroordeeld.

En zo heeft mijn aanvankelijk optimisme over het vertrouwen in het goede van de mens toch weer een vervelend deukje opgelopen.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 13 augustus 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

(te) goed van vertrouwen

Need for Speed

De man heeft een woninginbraak en fietsendiefstal bekend. Omdat het niet de eerste keer is dat deze verdachte vermogensdelicten heeft gepleegd én hij al eerder tot een werkstraf werd veroordeeld, heb ik tijdens de voorbereiding op mijn papier geschreven dat er nu een fikse gevangenisstraf aan de orde is.

In zijn politieverhoor heeft hij jammer genoeg geen verklaring gegeven voor zijn crimineel gedrag. Omdat ik graag wil weten waarom hij kort geleden weer heeft gestolen, vraag ik hem naar zijn persoonlijke achtergrond. Verdachte antwoordt dat hij wel eens een jointje rookt. Als ik vraag of dat echt alles is, vang ik ineens het woordje “speed” op.

Op nonchalante wijze zegt hij dat hij vroeger ook wel eens amfetamine gebruikte, maar nu allang niet meer. Als ik indringend naar hem kijk om te doorgronden of dit waar kan zijn, zie ik uit mijn ooghoek dat zijn advocaat met gefronste wenkbrauwen en getuite lippen zijn hoofd schudt alsof hij wil zeggen “Nou, nou, daar denk ik anders over”. Hierop besluit ik door te vragen.

“Weet u zeker dat u nu geen speed meer gebruikt? Want als dat wel het geval is, zou dat veel verklaren. Als daar niets aan wordt gedaan, zien we u hier over een tijdje weer terug. Er staat veel op het spel want ik denk aan gevangenisstraf”. Ik zie dat verdachte zenuwachtig op zijn stoel heen en weer schuift en ietwat hulpeloos naar zijn advocaat kijkt, voordat hij zijn schuldbewuste blik weer op mij richt.

“Als u een verslavingsprobleem heeft, lijkt het me zeer verstandig dat er een reclasseringsrapport wordt opgemaakt. Daarin kan een advies worden gegeven over de strafmaat maar ook over een eventuele behandeling. Want dan heeft u hulp nodig. Misschien wilt u daarover even met uw advocaat overleggen?”

De advocaat kijkt naar zijn cliënt en knikt al bemoedigend van ja. Ze gaan naar buiten en even later bevestigt de verdachte na binnenkomst volmondig dat hij wil meewerken.

De zitting wordt uitgesteld totdat het rapport er is. Voordat verdachte opstaat, kijkt hij me wat langer aan dan gebruikelijk. Dan zegt hij: “Dank u wel”.

Ik kan niet in iemands hoofd kijken, maar dat hoeft dit keer ook niet.
Want dit bedankje komt recht uit het hart.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 6 augustus 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Need for Speed

Geld brandt als vuur op de huid

Laten we het spel “Doet’ie het of doet’ie het niet?” spelen.

Casus: een uit Syrië gevluchte asielzoeker, ene Mahmoud Abdullah, woont sinds kort in een Duits opvanghuis waar hij een spartaans ingerichte kamer deelt met een oudere man.

De vlucht naar Duitsland heeft hem zijn laatste centen gekost. Als asielzoeker mag hij niet werken. Van zijn bescheiden uitkering stuurt hij maandelijks vijftig euro naar zijn vrouw en dochter die in Turkije zijn achtergebleven.

Maar dan vindt Mahmoud op straat twee briefjes van vijfhonderd euro en een spaarboekje van de Deutsche Bank.

Vraag: houdt Mahmoud het geld zelf of gaat hij met de vondst naar de politie?

Het zou interessant zijn om te weten hoeveel procent van de lezers meent dat Mahmoud, onder de geschetste moeilijke omstandigheden, het geld voor zichzelf houdt. Als ik eerlijk ben, zou ik ook gedacht hebben dat hij dit grote geldbedrag stiekem in zijn zak zou hebben gestoken om er vervolgens zichzelf en zijn gezin mee te ondersteunen. Hoezo vooroordeel?

Maar onze Mahmoud raapt alles op, twijfelt geen moment en loopt er linea recta mee naar het politiebureau. Hij licht het voor de verbaasde pers als volgt toe: “Bij ons thuis werd ons kinderen altijd voorgehouden dat je iets wat van een ander is, of het nou geld is of goud, altijd moet teruggeven. Andermans geld dat je zelf houdt, brandt als vuur op je huid. Daar word je nooit gelukkig van”.

Zelden heb ik iemand onze nogal platvloerse uitdrukking “het verschil kennen tussen mijn en dijn” mooier horen verwoorden. Dit is niet alleen poëzie van de zuiverste soort, maar zou bovenal de ultieme waarschuwing moeten zijn aan al die lieden, die desalniettemin vinden dat ze anderen moeten bestelen, beroven of afpersen.

Mahmoud heeft als eerlijke vinder inmiddels al diverse regionale en landelijke tv-ploegen op bezoek gehad. Zelf vindt hij helemaal niet dat hij iets bijzonders heeft gedaan: “Ik voel me goed bij het idee dat de eigenaar zijn geld terug heeft”.

Hij ziet zelfs af van het vindersloon van vijf procent waar hij recht op had en waarmee hij zijn gezin in Turkije een maand had kunnen onderhouden.

“Dat geld is van iemand anders, ik hoef daar niets van te hebben”.

Een lichtend voorbeeld.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 30 juli 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Geld brandt als vuur op de huid2

 

Liever hier in de gevangenis dan vrij in zijn thuisland

Zodra ik zijn naam hoor, denk ik: “Daar gaan we weer!”. Saïd * “ken” ik al bijna zolang ik dit werk doe, dus inmiddels al ruim 17 jaar. Hij is “groot ongewenst vreemdeling”, zoals dat heet. Oftewel in normaal Nederlands: Saïd mag vanwege eerder gepleegde strafbare feiten eigenlijk helemaal niet in Nederland komen, laat staan verblijven. Hij is hier dus illegaal.

Uiteraard is al vaker geprobeerd om Saïd uit te zetten, maar het probleem is dat we zijn juiste identiteit en nationaliteit tot op heden nog steeds niet hebben kunnen vaststellen, ondanks diverse onderzoeken daarnaar door de Vreemdelingenpolitie. Want Saïd werkt nergens aan mee en papieren heeft hij natuurlijk niet. Om het allemaal nog ingewikkelder te maken bedient hij zich ook nog eens van maar liefst acht aliassen. Zodoende is zijn echte land van herkomst moeilijk te achterhalen.

Op basis van taalanalyse lijkt het nog het meest waarschijnlijk dat hij uit Algerije afkomstig is, maar dat land zegt desgevraagd geen gegevens van hem te hebben en verleent dus geen “laissez passer”. Dat is een reisdocument waarmee de diplomatieke vertegenwoordiging van het (vermoedelijke) land van herkomst een onderdaan in staat stelt eenmalig terug te reizen naar het betreffende land.
Gevolg hiervan is dat er inmiddels een patstelling is ontstaan: Saïd mag hier niet zijn en toch loopt hij hier iedere dag rond, en dan ook nog op een manier alsof de stad van hem is. Het is de wereld op zijn kop.

Zijn strafblad is een heuse waslijst van misdrijven. Hij pleegde tot dusverre talloze vermogensdelicten zoals diefstal, heling en inbraak maar ook geweldsdelicten en maakte zich schuldig aan handel in c.q. bezit van verdovende middelen. En het einde is nog niet in zicht, getuige wéér een melding van winkeldiefstal.

Ik had me al vaker afgevraagd waarom iemand dit bestaan zou willen leiden. Hij gaat namelijk al jarenlang van politiecel naar gevangenis en weer terug. Desondanks is hij nog steeds hier.

Mijn vraag werd beantwoord toen ik eens een passage las in een van zijn verhoren waarin hij verklaarde: “Ik zit liever in Nederland in de gevangenis, dan dat ik in mijn thuisland in vrijheid leef”.

Daar werd ik wel even stil van.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 9 juli 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

Liever hier in de gevangenis dan vrij in zijn thuisland

 

DNA-gesprek

Ik zit lekker op mijn flexplek te werken als onze planner ineens voor mijn neus staat. Ik ben meteen op mijn hoede want hoe aardig hij ook is, meestal betekent dat een spoedklus.

“We zoeken iemand om een DNA-gesprek te gaan doen en onze back-up is al bezet. Je moet nu vertrekken want deze meneer gaat over een half uur weer op transport naar het Huis van Bewaring”.

Een DNA-gesprek wordt door de officier met de verdachte gevoerd voorafgaand aan diens DNA-afname en gebeurt in het belang van het onderzoek als er bij bepaalde misdrijven sporen op de plaats delict zijn gevonden. In zo’n gesprek kan de verdachte vrijwillig toestemming verlenen om wangslijm af te staan. Zo niet, geef ik een bevel tot afname waarbij hij wordt gedwongen zijn DNA af te staan. In beide gevallen wordt zijn DNA-profiel vervolgens vergeleken met de sporen in de zaak en met alle sporen in de DNA-databank.

“Ok, ik vertrek meteen”, zeg ik. Snel zet ik mijn computer uit, pak mijn tas en spring op de fiets want in tegenstelling tot vroeger zit ons parket niet langer in hetzelfde gebouw als de rechtbank, waar mijn verdachte zich onder in het cellencomplex bevindt.

Een kwartiertje later kom ik aan de balie in de grote hal van het gerechtsgebouw. “Ik kom voor DNA”, zeg ik gehaast tegen de bode. Terwijl deze mijn komst telefonisch doorgeeft aan de parketpolitie beneden, zie ik vanuit mijn ooghoek dat een jonge parketwacht mij nieuwsgierig gadeslaat. Als ik met grote passen richting de deur loop die toegang geeft tot het beveiligde gedeelte, versnelt de parketwacht zijn pas en komt naast me lopen.

“Zo! Dus u komt om DNA af te staan?”, vraagt hij streng. Hij kijkt naar me alsof hij zich afvraagt welk vreselijk misdrijf ik gepleegd zou kunnen hebben. Ik kom abrupt tot stilstand. Inwendig verkneukel ik me want nu snap ik ook waarom hij me zo in de gaten hield.

“Nou nee, ik kom het DNA-gesprek dóen. Ik ben de officier van justitie”, antwoord ik.

De arme jongen krijgt prompt een knalrood hoofd en stamelt een excuus.

“Geen probleem hoor!”, zeg ik snel om hem op zijn gemak te stellen.

Kennelijk zie ik er toch niet zo onschuldig uit als ik dacht.

© Pascale Bruinen

Deze column is op 16 juli 2015 verschenen in het Algemeen Dagblad.

DNA-gesprek