Overtuiging

Voor een strafrechtelijke veroordeling heb je zowel wettig als overtuigend bewijs nodig.

Wettig bewijs betekent dat de gebruikte bewijsmiddelen volgens de wet moeten zijn toegestaan, bijvoorbeeld een aangifte of een getuigenverklaring. Maar: “één getuige is geen getuige”, anders zou er slechts één valse verklaring nodig zijn om iemand op te sluiten. Er moet dus een minimum van wettig bewijs zijn, zo niet wordt het vrijspraak.

Daarnaast moet dit minimum aan wettig bewijs ook overtuigend zijn.

Het is vaker voorgekomen dat ik als officier van justitie die overtuiging niet had. Bijvoorbeeld in een zaak waarin twee getuigen, die ruzie hadden met verdachte, belastend over hem verklaarden. Verdachte ontkende van meet af aan. Bij de voorbereiding kreeg ik een onbestemd gevoel dat het allemaal net iets té gladjes was.

Om te achterhalen of de getuigenverklaringen eventueel op elkaar waren afgestemd, riep ik beide getuigen op om ter zitting te komen verklaren. Ondanks dat ze hun belastende verklaringen zelfs onder ede herhaalden, bleef ik na afloop zitten met datzelfde knagende gevoel dat ik eerder ook al had. Ik geloofde ze gewoonweg niet, al kon ik niet aantonen dat ze keihard onder ede hadden gelogen.

Daarentegen kreeg ik van verdachte ook tijdens de zitting een betrouwbare indruk. Enerzijds zat het hem in zijn ontkenning en zijn plausibele verklaring waarom de getuigen tegen hem verklaarden. Anderzijds werd ik ook overtuigd door de lichaamstaal van alle betrokkenen en niet in de laatste plaats door mijn eigen gevoel.

Zodoende vorderde ik zelf vrijspraak vanwege het ontbreken van mijn overtuiging. De rechter bleek even later hetzelfde gevoel te hebben gekregen en sprak verdachte daarom ondanks voldoende wettig bewijs vrij.

Professor mr. C.P.M. Cleiren, hoogleraar straf(proces)recht, schreef over de rechterlijke overtuiging: “De overtuiging is (…) een voorwaarde voor het bewijs van elk strafbaar feit en vormt dus (…) het sluitstuk van zijn oordeelsvorming. (…). Vraagt men rechters hoe de notie van de rechterlijke overtuiging wordt vormgegeven, dan spreekt men veelal in termen van intuïtie, Fingerspitzengefühl, ervaring en praktische wijsheid”.

Rechterlijke overtuiging is dus een vreemde eend in de strafrechtelijke bijt omdat het niet zozeer iets juridisch, maar eerder iets gevoelsmatigs is.

Eén voordeel heeft dit wel.

Zolang rechterlijke overtuiging nodig blijft voor het bewijs, zal robotisering van de (straf)rechtspraak nog lang op zich laten wachten.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

overtuiging2

 

Klokkenspel

Onze strafwet heeft een prachtig juridisch eufemisme bedacht voor het omschrijven van de daden van een potloodventer. Volgens artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht heet dit “openbare schennis der eerbaarheid”.

Als de onverlaat onverhoopt zijn broek laat zakken op een niet openbare plaats, is deze toch strafbaar als “een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is”. Wat maar wil zeggen dat je tegen je wil wordt geconfronteerd met iemand die bijvoorbeeld zijn geslachtsdeel aan je toont.

Ik heb in de rechtszaal al heel wat schennisplegers voorbij zien komen. Gelukkig hadden ze toen hun broek niet naar beneden. Maar als zo’n verdachte binnen kwam, zag ik onwillekeurig de gênante scène – vaak zo kleurrijk in het proces-verbaal van de politie omschreven – voor me. Vaak zijn het mannen (een vrouw heb ik nooit voor zo’n feit gehad) die geestelijke problemen hebben. Eigenlijk best zielig, maar dat is het ook voor de mensen die dit ongewild moeten aanschouwen.

Het klassieke voorbeeld van de potloodventer die iedereen wel kent, is de “vieze man” (vrij naar Van Kooten en De Bie). Je weet wel, zo’n verlopen kerel met een smerige regenjas die onschuldige bloedjes van kinderen onverhoeds vanuit de bosjes trakteert op een onsmakelijk uitzicht. Hoewel zo’n types er ook tussen zaten, zijn de meeste schennisplegers die ik beroepshalve ben tegengekomen echter gewone burgers die er doorsnee uit zien.

Zo ook in het geval van die grijze bovenmodale zestiger. Nooit eerder in aanraking gekomen met politie of justitie, altijd een goede baan gehad én een gezin. Zijn tuin is zijn lust en zijn leven, zo las ik in het reclasseringsrapport. Ja, dank je de koekoek. In zijn verhoor had ik gelezen dat hij de gewoonte had om zijn voortuin om te spitten in een open hangende kamerjas. Met niets daaronder, wel te verstaan. Tot afgrijzen van zijn chique buurtgenoten die daardoor hun mooie wijk teloor zagen gaan en bij “klokkenspel” normaliter alleen denken aan hun parochiekerk.

Maar onze man met de groene vingers maalde er niet om. Hij vond dat hij een “principieel recht” had om in adamskostuum de rulle aarde van onze prachtige planeet te bewerken. Het was zijn tuin, toch?

Dit was nu een van de zeer weinige verdachten die zich zelf volgaarne bloot gaf.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images-2

Respect

Onlangs kom ik al zappend uit bij het tv-programma “Nineteen kids and counting”. Gefascineerd blijf ik even kijken om te zien hoe het er in dit bijzondere Amerikaanse gezin aan toe gaat.

De kinderen variëren in leeftijd van in de twintig tot één jaar oud. Zou ik al geen raad weten met een stuk of vijf, dit koppel blijft liefdevol en onverstoorbaar richting al het grote en kleine grut dat door het huis rent, met speelgoed gooit en rondkruipt op de meest onhandige plekken.

De grotere kinderen, veelal pubers, helpen als vanzelfsprekend met het verzorgen en aankleden van de kleinere. Er wordt zonder gezeur samen gekookt, gewassen en gepoetst. Het ademt een en al saamhorigheid.

Als het bijna Kerstmis is, vertelt een van de oudste dochters dat ze in deze tijd van het jaar altijd taarten en koekjes bakken om aan het politie- en brandweerpersoneel te brengen. Als een kleintje vraagt waarom ze dat doen, antwoordt de oudere zus ernstig: “Omdat ze het hele jaar door over onze veiligheid waken”.

Mijn mond valt open van verbazing. Het contrast met Nederland, waar het soms wel een nationale sport lijkt om onze hulpverleners uit te schelden, te bedreigen en te mishandelen, kan niet groter zijn.

Het volgende moment zien we het kroost in de weer in een megakeuken. De allerkleinsten staan op krukjes en helpen mee met het maken van het deeg. De iets oudere jongens en meisjes schillen een enorme berg appels, terwijl de pubers in de weer zijn met het in partjes snijden van het fruit en het in en uit de ovens schuiven van chocoladekoekjes en appelkruimelgebak.

Als alles klaar is, wordt de hele handel feestelijk ingepakt en in een paar grote bestelbussen geladen. Zo rijden ze achtereenvolgens naar het lokale politiebureau, de sheriff en de brandweerkazerne. Op alle plaatsen delen ze lekkers en bedankjes uit, die beide dankbaar worden aanvaard.

Nu we kennelijk leven in een tijd waarin onze veiligheid permanent onder druk staat, zouden wij ook kunnen laten zien dat we onze hulpverleners en andere overheidsdienaren waarderen.

Dus doe eens gek en geef eens – zomaar! – een welgemeend complimentje of bloemetje aan een politieagent, brandweervrouw of ambulancebroeder.

Want zij verdienen allemaal ons respect in plaats van onze middelvinger.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images-2

 

Betaling in Natura

Het is hennephaaldag. De hele zitting staat volgepland met verdachten die een weedplantage hadden. Omdat de groei van de verboden planten stroom vreet, hebben sommigen ook nog elektriciteit gestolen door de meter te (laten) manipuleren. Dat kan tot levensgevaarlijke situaties leiden, bijvoorbeeld kortsluiting gevolgd door brand.

De volgende verdachte is een vrouw die er een stuk ouder uitziet dan haar kalenderleeftijd van 29 aangeeft. Ze heeft een bleek, vlekkerig gezicht. De uitgroei van haar blondering is tot aan haar oren gezakt. De slobbertrui kan niet verhullen dat ze graatmager is. Ze ziet er ongezond uit.

Ze bekent de hennepplanten op zolder te hebben gehad, zo’n 150 stuks. Het was de eerste keer. En ja, voor de stroom buiten de meter om te laten leggen heeft ze een mannetje laten komen. “Ik had afgesproken dat ik die man € 500,- zou betalen”, zegt ze terwijl ze luidruchtig haar neus ophaalt.

“Hoe heeft u die man dan betaald?”, vraag ik haar omdat ik in het dossier heb gelezen dat ze ruim € 15.000,- schuld heeft. “U had toch helemaal geen geld maar alleen schulden?”

“Toen hij een paar dagen later kwam, had ik mij uitdagend gekleed. Ik wilde het er op aan laten komen dat ik in natura zou betalen. Ik heb die man vier uur lang bezig gehouden. Ik vond hem wel aantrekkelijk”.

Soms kun je als officier ook te veel informatie krijgen. Ik vraag me onwillekeurig af hoe die elektricien er dan wel niet uitzag, want onze verdachte is bepaald niet moeders mooiste. Als ik een snelle blik werp in de richting van de politierechter – die toch wel wat gewend is – zie ik dat zij de verdachte aanstaart.

“Zo, zo, vier uur lang. Dat is een hele tijd”, hoor ik de rechter droogjes zeggen. “Dat hij dan ook nog tijd heeft gehad om de stroom om te leiden. Knap hoor”.

“Ja hè? Hij had het zó gefikst!”, roept verdachte.

“Dat geloof ik graag”, antwoordt de rechter.

Ik vorder dat verdachte een werkstraf krijgt. Een geldboete zie ik bij deze verdachte niet zitten. Niet alleen omdat ze financiële problemen heeft, maar vooral vanwege haar instelling.

Want voordat je het weet, staat ze ook uitdagend gekleed op de stoep bij het Centraal Justitieel Incassobureau.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

3adf1f0a-3e1f-11e5-982d-c6ae4a83349e

Jammer genoeg voor de elektricien zag de dame in kwestie er niet zo uit…

Vers lijk

Ik zit nietsvermoedend achter mijn bureau als mijn opleider ineens aankondigt dat ik naar een gerechtelijke sectie moet. Pardon? Even denk ik nog dat een grapje is, maar het blijkt een serieus voorstel. Hoort bij de opleiding.

Het idee om lijfelijk aanwezig te moeten zijn als een dode van boven tot onder wordt opengesneden vind ik niet bepaald aanlokkelijk. Ik verdring deze informatie in de veronderstelling dat het toch al heel raar moet lopen, wil er zich binnenkort een dergelijke onverkwikkelijke situatie voordoen. Vanaf nu mogen er gewoon geen niet-natuurlijke doden meer vallen.

Twee dagen later ben ik met kramp in mijn maag onderweg naar het mortuarium van het ziekenhuis. Eentje is toch verscheiden, hoogstwaarschijnlijk door een overdosis harddrugs. De politie troost me met de mededeling dat ik ontzettend veel geluk heb. Mijn eerste lijk is namelijk een vers lijk. Om vervolgens in geuren en kleuren te verhalen over de staat waarin een oud waterlijk pleegt te verkeren.

Naar goed plaatselijk gebruik wordt er voorafgaand aan het snijfestijn eerst gezellig samen vlaai gegeten met de politie, de patholoog-anatoom en zijn slagershulpje. Een beer van een vent met handen als kolenschoppen. Ik krijg nauwelijks een hap door mijn keel.

Maar dan moet ik er aan geloven. Het lijk van de onfortuinlijke man ligt op een stalen tafel. Kort na de incisie in Y-vorm begin ik een penetrante rotte eieren lucht te ruiken. De patholoog zegt dat we allemaal zo ruiken van binnen. Lekker!

De ervaring valt uiteindelijk mee. Ik val niet flauw, hoef niet over te geven en vind het zelfs interessant om menselijke organen van zo nabij in het echt te zien.

Bij thuiskomst sla ik de spaghetti bolognese voor één keertje over.

Kwestie van verkeerde associaties.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad en heeft geleid tot de titel van mijn eerste boek, Mijn eerste lijk is gelukkig vers.

1280px-Rembrandt_Harmensz._van_Rijn_007

Dit is een wat minder vers lijk…

Te gast bij de Vrouwenopvang

Het is zomaar een toegangsdeur in een onopvallend gebouw. Een naambordje ontbreekt. Wel is er een intercom. Ik meld me aan. Even later gaat de deur open en bevind ik me in een sluis. De deur tot de hal blijft nog even dicht. Aan de door dik glas afgeschermde balie zeg ik dat ik een afspraak heb. Dan schuift ook de andere deur open en sta ik in het Vrouwenopvanghuis.

Een jonge meid in nep uggs en een jas met bontkraag loopt langs me heen de hal uit. Hoewel zelf nog een kind duwt ze met één hand een kinderwagen en bedient ze met de andere haar smartphone. Ze glimlacht flauwtjes naar me.

Na een warme ontvangst word ik voorgesteld aan een prachtige jonge vrouw die veel gelijkenis vertoont met de Amerikaanse actrice Halle Berry. Zij is een ex-cliënte die persoonlijk haar verhaal durft te doen over wat zij heeft meegemaakt. Ik schud haar de hand. Haar donkere ogen kijken taxerend in de mijne. Ze verraden een mix van emoties. Angst. Verdriet. Schaamte. Maar ze stralen ook hoop, liefde en hervonden zelfvertrouwen uit.

Zo’n anderhalf jaar geleden heeft zij – samen met haar twee jonge kindjes – huis en haard halsoverkop moeten verlaten omdat ze na jarenlange mishandeling haar leven niet meer zeker was. Haar toenmalige echtgenoot was onberekenbaar en agressief. Hij hield haar ook scherp in de gaten. Dus moest ze gebruik maken van dat éne moment dat hij even niet thuis was. Ver weg van haar vertrouwde omgeving vond ze hier een veilige plek waar ze niet langer bang hoefde te zijn. Hier kwam ze tot rust.

Na een lang proces heeft ze nu dankzij haar veerkracht, harde werken en hulp van de Vrouwenopvang een eigen huisje gekregen. Ze is klaar voor een nieuwe start.

Bij het afscheid complimenteer ik haar met de waardige manier waarop ze dit pijnlijke verhaal met mij heeft willen delen.

Zij is het levende bewijs van wat ik altijd al wist.

Vrouwen zijn sterk.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images-1

 

 

 

 

 

 

 

“Zeg, ken ik u niet ergens van?”

Mijn vrij anonieme bestaan als officier van justitie eindigt abrupt nadat ik ben gefilmd voor het tv-programma De Volgende Zaak van SBS 6. Veronderstel ik eerst dat er toch bijna niemand naar kijkt, blijkt vervolgens dat het meteen achter het kijkcijferkanon van “Peter R. De Vries, misdaadverslaggever” is geprogrammeerd. Daar gaat mijn low profile.

Gelukkig ben ik telkens maar een paar seconden in beeld en niet eens van dichtbij. Maar ik heb de macht van televisie schromelijk onderschat. Want hele volksstammen hebben mij gezien én herkend. En dat zal ik weten ook.

Als ik in een kiosk nietsvermoedend een tijdschrift wil kopen, kijkt de man achter de kassa me ineens aandachtig aan. “Ken ik u niet ergens van?”, vraagt hij. Ik zeg dat ik denk van niet. Even later roept hij door de zaak: ”Hé, u was gister op tv! U bent officier van justitie!”. Ik ben verbijsterd, want ik heb nu nota bene mijn haren in een paardenstaart en niet los, zoals op televisie.

“Hmm”, mompel ik zo onopvallend mogelijk. De klanten die achter me in de rij staan, stappen opzij en gapen me aan. “Jahaa”, roept er eentje, “ze is het!” Nieuwsgierig kijken ze naar het gekochte tijdschrift dat de verkoper tergend langzaam oprolt. Ik wil zo snel mogelijk weg. “Ze leest Oprah Magazine!”, fluistert eentje triomfantelijk tegen de rest in de rij. Even weet ik hoe de harige bewoners van de Apenheul zich moeten voelen. Of een willekeurige BN-er.

Ik slaak daarom een zucht van verlichting als de serie uitzendingen is afgelopen. Alles weer terug naar normaal. Ware het niet dat ze de reeks in de slappe zomermaanden herhalen zodat ik wéér wekelijks met mijn snufferd op tv kom.

En ja hoor, ook de weken erna moet ik van de onwaarschijnlijkste mensen tot vervelens toe horen dat ik officier van justitie ben. Alsof ik dat nog niet wist. Zelfs een verre neef die ik sinds mijn kindertijd niet meer heb gezien, houdt me staande in de stad.

Maar net als ik die aandacht stiekem wel een beetje leuk begin te vinden, zijn ook de herhalingen voorbij. Dat waren ze dan.

Mijn fifteen minutes of fame.

© Pascale Bruinen

15-minutes-of-fame