Tuindrang

Ik lijd aan acute tuindrang. Dat is een vorm van nestdrang, maar dan anders. Gaat het bij nestdrang nog om de onweerstaanbare neiging om alles tip-top in orde te gaan maken voor de op komst zijnde baby, mijn tuindrang dwingt me al het groen, de terrasstenen en borders eens grondig onder handen te nemen met het oog op de naderende zomer. En daarbij duld ik geen enkele mate van uitstel.

Nadat ik me gestoken heb in mijn oudste spijkerbroek ga ik, gewapend met hoge rubber laarzen, regenjas, pet en dikke handschoenen beginnen aan Het Grote Karwei. Nog een gasmasker erbij en ik zou zo kunnen worden ingezet in het gifgebied rondom het Belgische Wetteren.

Als een bezetene – want ja, het heet niet voor niets tuindrang – raas ik door onze achtertuin. Mijn begerig oog valt als eerste op de klimop die ons omringt met een mooie, altijd groen blijvende muur. Maar de prijs die ik voor zoveel schoonheid moet betalen is dat hij vanaf het voorjaar regelmatig moet worden bijgeknipt. Zo ook nu, want ondanks de wel erg frisse temperaturen in deze zogenaamde lente zie ik lichtgroene stelen en bladeren alle kanten opschieten.

Ik neem eerst de kniptang ter hand en begin driftig alle takken af te knippen die boven de schutting uitkomen. Daarna ga ik met de snoeischaar de sprieten te lijf die te ver naar binnen groeien. Ah, wat heerlijk therapeutisch is dit toch! Knip, knip, knip. Als ik Klein Duimpje was, zou het groene spoor dat ik achterlaat eenvoudig gevolgd kunnen worden.  Gelukkig is H. zo welwillend om alles bij elkaar te vegen en in de daarvoor bestemde bak te kieperen. Zo werken we een tijdje eensgezind zwijgend in perfectie harmonie door.

Maar het gaat mij niet gauw genoeg. Ik besluit daarom dat er zwaarder geschut aan te pas moet komen en ga de elektrische heggenschaar halen. H. is hier duidelijk niet blij mee. Zijn bezorgde gezicht spreekt boekdelen. Als rechtgeaarde man wil hij dit uiterst viriele werkje natuurlijk liever zelf doen, maar ik ben hem dit keer lekker voor.

Zodra het enorme apparaat met veel kabaal tot leven komt, word ik een ander mens. Of eigenlijk een beetje man. Ik noem het mijn near gender transforming experience. Eindelijk weet ik hoe die echte mannen van Hornbach zich moeten voelen als ze dit soort zware klussen doen. Heldhaftig, stoer en sexy. Met grote destructieve bewegingen ga ik van links naar rechts en van beneden naar boven langs de nietsvermoedende klimop. De groene bladeren en stelen vallen bij de bosjes. Wow, what a feeling! Niet voor niets is het bijbehorende liedje uit de reclame dat van Jippiejajajippiejippiejééééééé. Ik krijg bijna zelfs de neiging om een flesje ijskoud pils met mijn tanden te openen en in één lange slok weg te klokken, ware het niet dat ik geen alcohol drink.

Als ik uiteindelijk tevreden naar de netjes bijgewerkte klimop kijk, valt me op dat de sneeuwbalstruik – die inmiddels meer op een boom lijkt – een wel erg lelijke vorm heeft gekregen. Dus haal ik de mega kniptang met lange armen uit de schuur en snij met kinderlijk gemak de ene na de andere dikke tak door. Als ik na een tijdje het resultaat bekijk, heb ik zoveel weggehaald dat er bijna niks meer over is. In een opwelling besluit ik dat de sneeuwbalstruik er dan maar helemaal uit moet. En wel nu meteen.

H., die inmiddels binnen met het avondeten bezig is, heeft mijn geknip en gesnoei aan de struik met lede ogen aangekeken door het keukenraam. Maar als hij me uit de schuur ziet komen met een spade, is hij in een oogwenk buiten.

“Wat ga je daarmee doen?”, vraagt hij gealarmeerd. “Je wilt toch niet dat hele ding weghalen, hè?”. Zucht. Hij kent me helaas als geen ander.

“Zeker wel”, antwoord ik onverstoorbaar terwijl ik de schep in de grond zet en er bovenop ga staan. Vervolgens zwiep ik wat heen en weer zodat ‘ie dieper de grond in zakt.

“Hou daar mee op want dat gaat jou toch nooit lukken zo. Dit is een boom en die heeft flink diepe wortels. Bovendien heb je nu alle takken eraf geknipt zodat je er niet meer goed aan kunt trekken. Ik doe dat wel een andere keer dus laat het alsjeblieft!”, waarschuwt hij me nog voordat hij weer terug naar binnen gaat.

Als er nu één ding is wat je niet tegen mij moet zeggen, dan is het wel dat ik iets niet kan of dat ik iets moet laten. Vastbesloten H. ongelijk te geven, verdubbel ik mijn schepbewegingen. Dan verzin ik toch gewoon een andere manier om dat rot ding eruit te krijgen, neem ik me in stilte voor terwijl ik steeds meer aarde wegschep rondom de kluit van het boompje.

Als ik een tijdje later ondanks niet aflatend graafwerk nog steeds geen millimeter beweging in het ding krijg, heb ik een tikkeltje spijt van mijn stoere voornemen. Inmiddels is het ook nog flink beginnen te regenen. Maar ik kan nu niet meer terug. Ik moet en ik zal de stronk op eigen kracht eruit krijgen dus ga ik onverdroten door. Graven, spitten, trekken. Er gebeurt weinig tot niks. Ondertussen kijk ik af en toe slinks naar binnen om te controleren of H. ziet dat ik nog steeds niet veel ben opgeschoten. En ja hoor, hij slaat me vanuit de keuken geamuseerd gade.

“Ik dacht dat jij moest koken!”, roep ik zo hard mogelijk vanaf mijn druilerige, modderige plek in de border. H. heeft mijn sarcastische uitroep inderdaad gehoord want hij trekt een gezicht. In reactie steek ik balorig mijn tong uit om me daarna met nog meer overgave op het uitgraven van de onwillige wortelkluit te storten.

Letterlijk, want nu steek ik de schep langs de kluit in de grond en spring er vervolgens woest met twee voeten tegelijk bovenop. Ik hou me vast aan de steel en huppel wild op en neer om dieper te komen. Het volgende moment voel ik dat de steel achterover slaat en lig ik languit op mijn rug tussen de opkomende hosta’s. Zo snel als dat kan met een schep die bovenop me ligt, krabbel ik overeind. Ik ben drijfnat. Ik hoop vurig dat H. deze circusact niet meegekregen heeft, maar no such luck. Hij staat nu dubbel geklapt van het lachen achter het raam. Als hij eindelijk weer recht komt, grijnst hij van oor tot oor. Hij doet de deur open en hikt “Bedankt, dat was onbetaalbaar!” Ja, jij ook bedankt.

In een allerlaatste poging zet ik alles op alles op mijn eer te redden. Keer op keer steek ik de spade langs de stronk, zet mijn volle gewicht er op en beweeg hem van links naar rechts. Uit alle macht trek ik aan de overgebleven stompjes van takken en…jaaaaaaaa, ik voel dat de kluit nu echt in beweging komt! Dankzij een verse adrenalinestoot trek ik in één krachtige beweging de helft van de stronk uit de grond.

In de flow van dit moment hak ik met de scherpe kant van de spade met een welhaast satanisch genoegen net zolang in op de rest van de wortels totdat hij helemaal los zit. Dat ik op dat moment waarschijnlijk uit zie als een door waanzin gedreven lustmoordenaar kan me niet echt meer boeien.

Met moeite neem ik de hele stronk in mijn armen en ga vervolgens pal voor het keukenraam staan, doorweekt en besmeurd met modderige vegen. Triomfantelijk til ik hem tot boven mijn hoofd als ware het een trofee. H. kijkt me eerst hoofdschuddend aan. Maar dan zie ik een bewonderende glimlach doorbreken en knipoogt hij naar mij. Ondanks de kou krijg ik het ineens warm. Ik knipoog schalks terug. Ik voel de laatste restjes stoere mannelijkheid in rap tempo van me afglijden.

Niets zo leuk als flirten met je eigen man nadat je hoogstpersoonlijk een boom hebt geveld.

© Pascale Bruinen

tuindrang2

Zo was het ongeveer, maar dan alleen met een véél dikkere kluit!

Body Mess Index

Gek hoe je je zelf nog pakweg begin twintig kunt voelen, terwijl de klok sindsdien toch echt bijna dertig jaar heeft doorgetikt. Ik weet niet hoe jij dat ervaart, maar ik betrap me er geregeld op dat ik gewoonweg vergeet dat ik al negenenveertig ben. Dat gebeurt vooral op die momenten dat ik in mijn skinny jeans met kekke gympen en een lekker leren jasje van hot naar her aan het rennen ben. Of als ik keihard meeblèr met Rihanna of Katy Perry achter het stuur van mijn middenklassertje. En op die zeer spaarzame momenten dat ik neerplof op de bank en me verlies in dat gezellige boek.

Meestal lijk ik geen enkele connectie te voelen tussen mijn kalenderleeftijd enerzijds en mijn zo jong als ik me voel-gesteldheid anderzijds. En gelukkig speelt mijn lijf het spelletje nog mee. Voor mijn leeftijd mag ik dus zeker niet klagen. Maar ik ben dan ook een nogal bezig bijtje dat altijd in hoog tempo door huis, tuin en stad spurt. Even snel dit doen, nog gauw daar naar toe en dan vlug die en die klus afmaken. Zo zou ik al niet kunnen tellen hoe vaak ik per dag de twee trappen in huis op en af ren. Laten we het er op houden dat het zo zijn voordelen heeft om niet alleen de wasmachine, maar ook een nogal slordige puberzoon op zolder te hebben.

Zo blijf ik tot nu toe keurig op gewicht en pas ik nog steeds in maatje 34. Ik kan – dankzij matig sporten, het zelf doen van het huishouden en een gezonde portie “werkende moeder stress” – eigenlijk eten wat ik wil. Niet dat ik dat ook doe, maar toch. En ja, ik realiseer me dat ik daar irritant veel geluk mee heb omdat dit niet voor iedereen is weggelegd.

Maar – oh schöne Schadenfreude! – tegelijkertijd kom ik langzamerhand in een levensfase waarin het hele zwikje telkens ietsje meer dreigt te gaan verslappen, verkrampen en verzakken. Als ik mezelf vergelijk met een auto, vrees ik dat ik nu niet meer genoeg heb aan regelmatig onderhoud maar toe ben aan De Grote Beurt. Anders kom ik straks niet eens meer door de APK-keuring.

Dr. Oz, onze onvolprezen cardioloog-entertainer-presentator, verkondigt al jaren zijn profetische boodschap dat je niet alleen moet letten op je gewicht, maar ook op het behouden van voldoende spiermassa. Hoewel ik zijn adviezen doorgaans opvolg, ben ik er tot dusverre aardig in geslaagd deze onwelgevallige waarschuwing compleet te verdringen. Ik heb namelijk een bloedhekel aan die martelwerktuigen in zo’n bedompte, zweterige sportschool. Ik ga liever lekker naar buiten. Hardlopen, wandelen of fietsen.

Mijn levenslange afkeer van fitnessapparaten zou zich nu – in de aanloop naar de Big Five O – echter wel eens kunnen gaan wreken. Want als ik eerlijk ben, mag het allemaal best wel wat strakker. Om maar te zwijgen van gladder, voller en steviger.

Dus zal er gewerkt moeten worden en hard ook. Als je de deskundigen moet geloven, mag ik mij tot in lengte van jaren gaan verheugen op al het fraais dat de benchpress, ab crunch machine en cable crossover mij te bieden hebben. Een surfrondje over het internet geeft aan dat ik daarnaast dringend aan de bak moet met glute kickbacks voor de betere bilspieren, biceps curls voor beresterke bovenarmen en hack squats ten behoeve van buitengewone bovenbenen.  Kannie wachten.

Enfin, het goede nieuws is dus dat je – los van je genetische bagage – zelf in grote mate kunt beïnvloeden hoe je er uit ziet. Dat heeft natuurlijk alles te maken met je leefstijl. En daar komt mijn Body Mess Index om de hoek kijken. Oftewel: mijn methode om met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te berekenen hoe beroerd het eigenlijk gesteld is met je lijf.

Of niet, natuurlijk.

Omdat “mijn lichaam is mijn tempel” nog steeds helemaal 2013 is, voorspel ik dat hele volksstammen aan het rekenen zullen slaan met mijn versie van de BMI.  Voorop alle thirtysomethings met in hun kielzog de mindfull veertigplussers, vijftig-is-het-nieuwe-dertig-volk en Zen-zestigers.

Mijn Body Mess Index bereken je simpelweg door een vragenlijst door te lopen (eerlijk antwoorden!) en je puntentotaal op te tellen. Klaar? Daar gaan we!

Je hebt de hele dag hard gewerkt. Als je thuiskomt, ga je eerst:

1. stiekem stevig snaaien uit de snoeppot van je kinderen; 2. met een goed glas rode wijn lekker chillen op de bank; 3. linea recta naar de sportschool waar je je anderhalf uur uitleeft op de roeimachine en de loopband.

Het is vier uur en je valt van de graat bij de koffiemachine op het werk. Jij:

1. rent met je laatste krachten naar de kamer van die collega waar nog taart staat van vanochtend; 2. denkt “nog even volhouden” en drukt maar weer op “koffie zwart”; 3. vult je trouwe waterflesje voor de vijfde keer die dag bij en drinkt je vol.

Je bent voor de zevende keer aan een nieuw dieet begonnen. Als tussendoortje neem je:

1. de helft van een Twix, wat immers een besparing van 50% is op je gebruikelijke calorie-inname; 2. he-le-maal niks and proud of it!; 3een handjevol walnoten.

Je gaat na jaren van niks doen eindelijk weer sporten. Wat is een gezonde doelstelling?

1.Je bent van het type “niet lullen maar poetsen” dus geef je je meteen op voor de marathon van New York; 2. In plaats van vier keer per dag op en neer naar je ijskast lopen om te grazen, doe je dit nu acht keer per dag. Dit scheelt dagelijks toch al gauw weer een metertje of 96; 3. Aan de hand van een schema bouw je twee maal per week rustig je conditie op.

Je bent bepaald geen ochtendmens. Als je je ogen eindelijk open hebt,

1.graai je op je nachtkastje gelijk naar je eerste sigaret van de 26 die je vandaag zult oproken; 2. spring je onder de douche en ren je – weer te laat – zonder te eten de deur uit; 3. maak je jezelf een lekker en verantwoord ontbijt met volkoren granen en wat fruit.

Het is tijd voor de avondmaaltijd. Je hebt eigenlijk totaal geen zin om te koken. Wat doe je?

1.Je kiest voor makkelijk en goedkoop dus gooi je zelf wat frieten in het al jaren niet meer vervangen vet; 2. Thank God for take-out! Zonder schuldgevoel bestel je een lekkere vette en zoute portie shoarma van die tent om de hoek. Gezond eten kan morgen wel weer; 3. Je maakt een frisse salade, grilt een lekker stukje vis en serveert er knapperige groenten uit de wok bij.

Als jij iemand uitzwaait, dan

1. kletsen de blubberende kipfilets die door moeten gaan voor bovenarmen tot tegen je  oorlellen; 2. hou je het, in verband met je beginnende kuikenfiletjes, zekerheidshalve maar op een koninklijk handwenkje; 3. doe je dit natuurlijk juist zo uitbundig mogelijk met jouw Michelle Obama look-alike ledematen.

Wat doe jij om je spiermassa te behouden?

1. De hele dag door eten. Kauwspieren heten per slot van rekening niet voor niets zo. 2. Af en toe eens lusteloos trekken aan van die elastieken, die dan prompt in je oog zwiepen. 3. Twintig keer opdrukken, vijftig sit-ups en dertig leg squats. Per dag.

Jouw trilplaat staat bij jou thuis…

1. Trilplaat? Welke trilplaat? 2. te verstoffen nadat hij van de woonkamer via de logeerkamer uiteindelijk naar de schuur is verbannen. 3. uiteraard onder handbereik voor dagelijkse kwelling.

Wat betekent fit zijn voor jou?

1. Dat ik in vijf minuten tijd tien Pringles buisjes kan leegeten; 2. Dat ik minstens ieder uur achter mijn bureau vandaan kom om mezelf en anderen van het werk te houden; 3. Dat ik twee trappen op en weer af kan rennen zonder ook maar iets buiten adem te zijn.

Klaar? 1 = 2 punten; 2 = 1 punt en 3 = 0 punten.

Als je steeds voor het eerste antwoord hebt gekozen, heb je een Body Mess Index van 20, het maximum. Ik zou deze score persoonlijk geheim houden want dan is het een wonder dat je een lijf hébt, laat staan dat je er goed mee omspringt. Heb je steeds nummer 2 gekozen, dan heb je 10 punten en kun je er best mee door maar valt er zeker nog wat te verbeteren. En bij alleen maar de derde optie als keuze mag ik je feliciteren! Je Body Mess Index is een perfecte 0, wat betekent dat je lijf in optimale conditie verkeert.

En nee, mijn eigen score ga ik hier uiteraard niet verklappen.

Dat is nu eenmaal het voorrecht van dichterlijke vrijheid.

© Pascale Bruinen

Kijk toch eens hoe vrolijk deze dames worden van al die oefeningen en apparaten…ze zien er uit alsof ze in de zevende hemel zijn beland. Nou, ben benieuwd of dit voor mij ook is weggelegd. En wat zijn jullie ervaringen in de sportschool of thuis op die fijne werktuigen? Laat het me hier weten!

Call me Heidi

Het is een mooie avond aan boord van ons cruiseschip. We zijn in geanimeerd gesprek met onze tafelgenoten John en Nancy uit New York. Een gezellig koppel met wie we meteen een klik hebben. We eten nu de tweede avond samen en het lijkt alsof we elkaar al jaren kennen.

“We vroegen ons gisteravond af op wie wij jou toch vinden lijken”, zegt John tegen me als ik de menukaart bestudeer. Verrast kijk ik even op.

“En zijn jullie er uit?”, vraag ik nieuwsgierig. Maar John houdt het nog even spannend.

“Wij zaten te denken aan een actrice of zo, je hebt iets bekends over je”.

”Een actrice?  Hmm, dan ben ik benieuwd!” Al kan ik geen A-lister oproepen op wie ik zou lijken, gevleid ben ik wel.

“Maar we kwamen tot de slotsom dat je meer lijkt op een zangeres”, vult Nancy aan. Oh. Dat klinkt op de een of andere manier al beduidend minder spannend. Terwijl ik in gedachten vaststel dat ik niet lijk op Madonna, niks weg heb van Shakira en zeker nooit kan doorgaan voor Rihanna, roept John triomfantelijk het verlossende antwoord.

“Wij vinden je sprekend lijken op Olivia Newton-John!”. Ok. Ik kan zeker slechtere vergelijkingen bedenken.

“Nou, dank je wel!”, zeg ik gemeend en zet meteen hun vergelijking kracht bij door aan tafel uit te barsten in de eerste strofen van Hopelessly Devoted To You. Olijfje is zo gek nog niet. In de vorige eeuw was ze een paar hele weken mijn idool. En dat wilde wat zeggen. Ik heb zelfs nog foto’s waar ik op sta met zo’n achterlijk kortgeknipte Sandy-pony, die toen helemaal hot was.

‘”Maar je laat ons ook denken aan Heidi Klum”, gaat John vrolijk verder. Ik verslik me bijna in mijn drankje. Oh oh oh, wat zou ik deze goede man graag willen geloven. Maar zelfs bij zeer flatterend licht zou een slechtziende zonder bril mij helaas nooit kunnen verwarren met dit topmodel. Maar ik moet toegeven, in één adem genoemd worden met Heidi Klum is ondanks het zeer geringe waarheidsgehalte toch een enorme egobooster. En dus koester ik de absurde vergelijking  tegen beter weten in. Mijn avond kan in ieder geval niet meer stuk.

De volgende dag gooi ik alles in de strijd om de mooie illusie nog een tijdje in stand te houden. Ik besluit dat ik zo glamorous mogelijk aan dek wil verschijnen. Dus maak ik mijn haren mooi recht met de stijltang en laat ik ze daarna los hangen in plaats van in zo’n onelegant alleen-maar-bestemd-om-te-zonnen-knotje en doe ik lipgloss en twee lagen mascara op.  Ik hijs me in een veelkleurige tuniek, zet de grootste zonnehoed op en trek mijn open sleehakschoenen van zes centimeter hoog aan. Dan kom ik pakweg nóg zo’n vijf centimeter te kort om überhaupt qua lengte voor Heidi door te kunnen gaan, maar ach. Een kniesoor die daar op let. Bovendien plan ik om in een zo gunstig mogelijke pose op mijn ligbed te blijven liggen.

Noodzakelijk is ook een grote, donkere zonnebril want mijn ogen zijn – in tegenstelling tot die van Heidi – licht van kleur. Ik zou natuurlijk hazelnootbruin gekleurde lenzen kunnen overwegen, ware het niet dat we midden op zee zitten en die dus niet verkrijgbaar zijn.

H. bekijkt me ondertussen met opgetrokken wenkbrauwen. “Wat ben je allemaal aan het doen? We gaan toch alleen aan dek liggen?”, vraagt mijn wederhelft.

“Ja, dat weet ik wel maar het oog wil ook wat”, zeg ik omdat me in de gauwigheid niks anders dan dit cliché te binnen schiet. “En trouwens”, vervolg ik op zogenaamd serieuze toon, “ik wil graag dat je me vanaf nu als Heidi aanspreekt”. We kijken elkaar aan en barsten dan allebei in lachen uit.

“Oh dát is het”, roept H. “Ik ben benieuwd hoe lang je dit” – hij gebaart nu naar mijn flamboyante verschijning – “volhoudt met die harde wind buiten!”. Hè bah, dat had hij nu niet moeten zeggen. Ik zit net zo lekker op mijn roze Klum-wolk.

“Dat zullen we nog wel eens zien!”, roep ik provocerend. “Die sterren zitten allemaal over the top uitgedost op het strand, ik zou niet weten waarom ik niet zo aan dek zou kunnen”.

“Ik kan wel een paar redenen bedenken”, zegt H. op zijn irritant logische toon. “Zoals daar zijn: jij hebt geen eigen kapper, styliste en visagist onder handbereik 24/7. Net zo min als een persoonlijke assistente die het zweet telkens van je gezicht dept. En het is wel lekker warm maar er zijn af en toe flinke rukwinden boven”.

Vastbesloten hem ongelijk te geven, ga ik naar dek veertien, het pooldeck. Zodra de automatische deuren open gaan, waaien mijn zorgvuldig gestijlde haren alle kanten op. En blijven vervolgens prompt plakken aan mijn glossy lippen. Ik weet gewoon zéker dat dit Heidi nooit gebeurt, denk ik geërgerd. H. ziet het wel maar geeft wijselijk geen commentaar. Al zie ik wel verdachte trekjes aan een van zijn mondhoeken.

Als ik tegen de hevige wind in naar een vrij ligbed loop, krijgt de wind plots vat op mijn zonnehoed en rukt die moeiteloos van mijn hoofd. Ik geef een gil. H. rent er, galant als hij is, met succes achteraan. Fijn! Het zorgvuldig gestylede totaalplaatje is nu al naar de filistijnen.

Ik worstel met mijn wapperende haren, in het rond vliegende handdoek en opwaaiende tuniek. Als de handdoek eindelijk heel even stilligt, laat ik me weinig charmant bovenop het bed vallen. Ik weet dat ik het niet zou moeten doen, maar ik kan het niet laten. Snel pak ik een spiegeltje uit de strandtas en controleer met angst en beven mijn reflectie.

Vanuit het zilveren rondje staart een totaal verwaaide vogelverschrikker me met grote ogen aan. Mijn haren staan bijna recht omhoog en zijn niet langer stijl, maar vertonen hun gebruikelijke irritante slagen. Overal op mijn gezicht zie ik de glitters van de lipgloss, behalve op mijn mond. En er loopt een zwarte veeg van mijn mascara over mijn linkerwang.

Het is overduidelijk.

Ik ben weer gewoon Pascale.

© Pascale Bruinen

NB: zoals de vrouw op de foto zag ik er dus NIET uit.

Als je ondanks deze column toch meer zou willen weten over cruisen, kijk dan ook eens op mijn andere blog, http://www.cruisecraver.com!

Lettervreter

Leesmonster. Paginaverslinder. Lettervreter. Als kind leed ik al aan boekenboulimia. Ik vrat ze gulzig op en voordat ik ze goed en wel had verteerd, spuugde ik ze alweer uit. Hunkerend naar meer.

Als een rupsje nooit genoeg verorberde ik alles wat maar een kaft had. Gelukkig kreeg ik met mijn verjaardag en met Sinterklaas altijd boeken cadeau. Maar als jeugdige leesverslaafde redde ik het daar niet mee dus restte mij niks anders dan de gang naar de bibliotheek. Daar leende ik telkens het toegestane maximum aan boeken. Ruim vóór de terugbreng-datum had ik ze al uit en ruilde ik ze steevast in tegen een set verse.

Ah, de bieb. Mijn bieb was klein maar ik vond hem indrukwekkend.  Dat kwam door een paar dingen. Een ervan was de geur. Die onmiskenbare mix van papier en inkt gemengd met de reuk van natte regenjassen die op de verwarming lagen te drogen. Een vertrouwde, warme maar tegelijkertijd opwindende sensatie voor mijn kinderneus.

Een ander was de stilte. Het had bijna iets voornaams, iets plechtigs. Alsof ik in een kerk was. Alleen werd hier niet de heilige mis opgedragen aan God, maar aan Het Boek. Ik ging er als vanzelf van fluisteren. Als ik überhaupt al iets zei. Want eenmaal binnen had ik alleen oog voor de afdeling kinderboeken, waar de ene titel nog meer naar me leek te lonken dan de andere. Als gehypnotiseerd staarde ik naar alle delen van Puk en Muk, Wipneus en Pim en “de vrolijke postbode” Pietje Puk. Of ging ik door alle delen van Pietje Bell.  Daarna kreeg ik wat ik mijn kostschool-fase noem en las ik alles van Enid Blyton (“De Dolle Tweeling” en de hele Pitty reeks) of amuseerde ik me kostelijk met de stripavonturen van Bessie Turf, het eetlustige dikkertje dat – inderdaad – ook op kostschool zat.

Tussendoor verslond ik alle boeken van Pippi Langkous, Suske en Wiske, verhalen van Floris en Black Beauty (het paard uit de gelijknamige Engelse serie) en alles waar ik verder maar de hand op kon leggen.

Maar er is één kinderboek dat ik nooit ben vergeten en zeker zeven keer heb herlezen en dat is “Hijs de vlag, Corientje!” van Guus Betlem. Waarom? Omdat ik hardop moest lachen om de grappige avonturen van mijn heldin. Omdat ik even kon griezelen toen Corientje tijdens het collecteren voor het goede doel in het huis van een enge man terecht kwam (wat gelukkig goed afliep). Omdat ik me helemaal kon verliezen in het opwindende verhaal van kinderen die samen een vereniging voor dieren-in-nood oprichten.

Maar dit boek herinner ik me vooral vanwege een ontroerende scène als Corientje de kauw – een vogel die ze liefdevol heeft opgevangen en van alles heeft geleerd- weer vrij moet laten. Het ondeugende beestje is zo aan haar gehecht geraakt, dat hij eerst niet wil gaan. In plaats daarvan steekt hij zijn kopje in haar nek. Zó schattig en aandoenlijk. Pas na een aantal mislukte pogingen vliegt het beestje eindelijk echt uit. Tranen met tuiten heb ik gehuild, elke keer weer.

Dat is de universele kracht, macht en magie van een goed boek.

© Pascale Bruinen

leesmonster

Mama

Haar zucht is diep en komt er haperend uit. Haar handen zijn aan één stuk door in beweging. Ze friemelen aan een opgepropte zakdoek. Vanzelfsprekend een stoffen exemplaar. Ze zoeken tevergeefs naar de juiste bril. Haar vingers kennen geen moment rust en doen hun eigen ding, alsof zij er zelf geen zeggenschap over heeft.

In mei wordt ze 84. Haar haren, al sinds mensenheugenis zwart geverfd, loochenstraffen deze hoge leeftijd. Ook haar huid lijkt er een loopje mee te nemen. Mama is een van de zeer weinigen wier huid, ondanks haar gevorderde leeftijd en jarenlange onbarmhartige geseling door de zon, nog nagenoeg geen rimpels vertoont. Ongetwijfeld een interessant studie-object voor dermatologen.

De jaren mogen dan officieel wel degelijk op de teller staan, haar ijdelheid is er ook als tachtiger niet minder om. Haar opgestoken kapsel ziet er altijd pico bello uit, de lippen worden nog dagelijks gestift en de kleren mooi gecombineerd. Uiteraard met de juiste accessoires.

Ze slaat geen nieuwsuitzending of actualiteitenprogramma over. Ze weet precies wat de prangende issues zijn van het moment. Het eindeloze bloedvergieten in Syrië. Rutte, Samsom en consorten brainstormend over de zoveelste reeks bezuinigingen. Ajax dat  weer kans lijkt te maken op de Landstitel. Er is niks wat haar ontgaat. Ze kan overal over meepraten.

Een tijdje terug is ze zelfs, na zich jarenlang hevig verzet te hebben, toch begonnen aan een computercursus. Nu zit ze niet alleen meer op de laptop, maar is ze zich zelfs aan het bekwamen in het gebruik van de iPad.

Haar lichaam begint inmiddels wel de tekenen des tijds te vertonen. De kleine haarvaatjes rondom het hart zitten dichtgeslibd en zorgen voor kortademigheid bij de minste of geringste inspanning. Volgens de cardioloog niks aan te doen. Haar rug heeft twee hernia-operaties moeten ondergaan en is deels versleten. Lopen gaat gelukkig nog wel, al voelt ze zich het veiligst als ze een wandelstok meeneemt. Maar haar actieradius is redelijk beperkt.

Mama is een echte doorzetter. Geeft nooit op, ook al heeft ze nog zo veel pijn en tegenslag. En daarvan heeft ze in haar leven meer dan genoeg gehad. Desondanks is haar wilskracht enorm, net als haar trots. Ze zal tot de laatste snik blijven vechten om alles zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven doen.

Mama. Begenadigde kokkin. Tot aan papa’s dood kookte ze nog dagelijks de lekkerste pasta’s, maakte ze de heerlijkste salades en probeerde ze geregeld nieuw verworven culinaire inzichten uit. Mijn jeugd is doorspekt met legendarische maaltijden, de een nog lekkerder dan de ander. Cordon Bleu; Stroganoff; Goulash; Exotische Kip; Chateaubriand; Gevulde Paprika’s; Kalfsvlees met citroensaus; Reerug met Kerst. De lijst is eindeloos en roept mooie herinneringen op.

De liefde van mama ging door de maag. Koken was altijd haar manier van affectie tonen voor haar gezin en iedereen die haar lief is. Ze heeft mijn vader, die onlangs is overleden, zijn hele leven lang vreselijk verwend. Zij zorgde voor de gezelligheid, huiselijkheid en de heerlijke hap. Het was bij ons thuis de zoete inval. De deur stond voor iedereen open. Gastvrijheid ten top. Niks maakte haar gelukkiger. Als ze kookte was ze in haar element. In haar eigen veilige en vertrouwde wereld.

Sinds papa dood is, heeft ze voor het eerst van haar leven geen zin meer gehad om iets lekkers klaar te maken. “Voor wie?”, vraagt ze mij als ik informeer of ze niet toch weer achter de pannen wil gaan staan. Ik begrijp het. Ze waren bijna 66 jaar samen.

Ik kijk eens goed naar haar. Ze ziet wat bleekjes van het vele binnen zitten. Ze ligt achterover in de comfortabele stoel, haar blik gericht op de tv. Sacha de Boer schreeuwt het nieuws de kamer in. Bij nadere controle staat het volume op 32. Mijn pijngrens is nagenoeg bereikt. Desalniettemin staat ook nog de ondertiteling erbij.

Maar omdat het mama is, is het goed zo. Van haar is er per slot van rekening maar één en die moet gekoesterd worden. Zeker nu.

Mama. Ik wacht op de dag dat ik haar weer in de keuken aantref, enthousiast roerend in een pan met heerlijke spaghettisaus.

Want sommige dingen mogen nooit veranderen.

© Pascale Bruinen

mama

Lex Jeroenia

Van hoorn des overvloeds naar toorn des Dijsselbloems. Cyprus heeft het in een paar weken tijd voor de kiezen gekregen.

Het is niet voor het eerst dat dit landje zo’n zware financiële ingreep meemaakt. Ene Publius Clodius Pulcher ging onze minister al voor en wel in 58 voor Christus. Omdat Publius een appeltje te schillen had met de toenmalige heerser over Cyprus, Ptolemaeus, liet eerstgenoemde gewoon even een wet goedkeuren die Cyprus op slag tot Romeinse provincie bombardeerde. Door deze Lex Clodia werden ook alle koninklijke goederen geconfisqueerd. Een Laiki-bank scenario avant la lettre.

Wilden ze Cyprus toen per se bij het Romeinse Rijk voegen, nu proberen ze juist een uittreding uit het Brusselse Rijk te voorkomen.

Sinds afgelopen week de Lex Jeroenia is afgekondigd, maakt het geboorte-eiland van Aphrodite een vrije val. Van gouden tijden naar zwarte bladzijden, zeg maar.

Behalve de Cyprioten zijn ook de Russen niet blij met de daadkracht van Mister Euro uit dat landje aan de Noordzee. Waren wij niet al te lang geleden nog doodsbang voor hen, nu schijten ze zowat in hun broek voor ons.

De Russische rijken der aarde dachten het slim aan te pakken door met hun soms pikzwarte kapitaal naar dit zonovergoten eiland te vluchten. Jarenlang hebben ze in de luwte van hun roebels kunnen genieten. Hoe anders is het nu.

Je zult toch maar Gazprom miljardair zijn geworden over de rillende rug van hele volksstammen die je af en toe het gas hebt uitgedraaid zodat de prijs lekker opliep. Of na jaren bikkelen in de kolchozen op je oude dag nog de status van multimiljonair hebben bereikt door meer Mercedessen te importeren naar Cyprus dan dat er in heel Duitsland rondrijden. Komt er zo’n manneke met guitige krullen en studentikoos brilletje langs en in één klap heb je alleen nog je villa, vier buitenverblijven, het jacht en de privé-jet over.

Je zou als rechtgeaarde kapitalist bijna heimwee krijgen naar de good old Sovjet Unie. Want je kon van het Rijk van het Kwade veel zeggen, één zekerheid was er wel.

Daar waren privileges van de elite tenminste nog veilig.

© Pascale Bruinen

Abercrombie & Fitch

Je kunt van de Verenigde Staten zeggen wat je wilt, maar ze hebben daar vele goede dingen. Eén daarvan is  Abercrombie & Fitch, voor insiders A&F, het bij diverse leeftijdsgroepen populaire modemerk waarvan in Amsterdam onlangs de allereerste Nederlandse vestiging werd geopend.

Abercrombie is een schoolvoorbeeld van excellente marketing. Het merk heeft een aantal typische, soms wat mysterieuze, kenmerken waarmee het zich met succes onderscheidt van soortgelijke ketens.

Het begint er al mee dat het winkelpand vaak niet als zodanig herkenbaar is aangeduid. H. en ik hebben al eens een kwartier rondgedoold in een Londense wijk voordat we eindelijk wisten waar we moesten zijn. En dan nog was dit alleen omdat een voorbijganger ons het pand aanwees.

De volgende verrassing is dat binnen aan de ingang een jonge god annex student je staat op te wachten met een all american smile én ontbloot bovenlijf dat een onwaarschijnlijke sixpack onthult. Dames van alle leeftijden verdringen zich om gratis met hem op de foto te kunnen (je krijgt zelfs een polaroid!). Tot afgrijzen en oneindige schaamte van mijn puberdochter ben ik hierop geen uitzondering. Maar naast het feit dat het oog ook wat wil, vind ik het gewoon leuk om een onschuldig praatje te maken met de knul die gemakkelijk mijn zoon zou kunnen zijn.

Ik ben vooral geïnteresseerd in hoe hij die beeldige buikspieren onderhoudt. Nou, hou je vast. Hij drukt zich honderd keer per dag op. Honderd keer. Nu begrijp ik ook waarom alleen studenten of werkelozen dit kunnen bereiken. Als je ook maar iets hebt wat op een baan lijkt, lukt je dit écht niet.

Als ik – nog ademloos van opwinding door de fotosessie met die hunk – naar binnen ga, word ik overrompeld door het volgende marketing-instrument: een mannenparfum dat bulkt van de testosteron-ingrediënten. Het ruikt overheersend maar toch ook erg aanlokkelijk. De hele ruimte is ermee gevuld. Ik veronderstel terecht dat het de kooplust aanwakkert, getuige het feit dat ik bijna alles wat ik om me heen zie ook wel leuk vind.

Nou ja, zie. Om het merk onderscheidend te maken is gekozen voor een formule waarbij het zicht binnen bijna nihil is. Wel zo prettig want zelfs als ik mijn uiterste best doe in een spiegel te kijken zijn mijn kraaienpootjes, wallen en lachrimpels schier onzichtbaar. De bijna duisternis maakt het ook extra spannend, want is dit t-shirt nu blauw of zwart? Omdat ik tot een andere generatie behoor dan de gemiddelde A&F-klant (die hooguit in de twintig zal zijn), neem ik zo’n shirt altijd mee om in het schaarse licht de echte kleur te bekijken. Hetgeen me op meewarige blikken van alle tieners om me heen komt te staan. Maar ik ben de schaamte voorbij en doe het lekker toch.

A&F is ook bekend vanwege de (te) harde muziek die wordt gedraaid. Ze hebben in al hun winkels een vaste, om de zoveel weken wisselende, selectie van popnummers die zonder uitzondering vrolijk, opzwepend en lekker in het gehoor liggend zijn. Als je maar lang genoeg in de winkel rondstruint (zoals ik) of als je maar in genoeg verschillende winkels komt (zoals ik), begin je de nummers te herkennen. Ik betrap me er op een gegeven moment zelfs op dat ik ze hardop meezing of mee neurie terwijl ik aan het passen ben.

Deze kenmerken maken dat A&F zich op succesvolle manier een imago aanmeet van jong, flitsend maar ook ietwat mysterieus modemerk. En daarmee slagen ze er in om op te vallen in een heel drukbezette markt voor jonge mode.

Hun kleding is op zich niet eens zo heel bijzonder. Ze verkopen vooral veel sportieve truien, joggingpakken en spijkerbroeken. Maar het ziet er allemaal mooi maar niet overdone uit (en ja, dat ietwat gerafelde randje van de t-shirts moet zo) en hun broeken zitten perfect. Maar de echte aantrekkingskracht zit in de beleving.

Want voor heel even waan je je in dat donkere, welriekende hol vol dreunende muziek pakweg twintig jaar jonger.

Daar doe ik het voor.

© Pascale Bruinen

abercrombie

Ohne Worte

GSM

Met de gsm’s van mijn zoon en dochter is iets vreemds aan de hand. Die blijken namelijk frequent niet bereikbaar te zijn. Maar alleen als ík ze wil bellen of sms-en.

Vroeger, in hun pré-abonnemententijd, stond GSM bij mijn kroost normaliter voor “Geen Saldo Meer”. Als ultieme smoes om me niet te woord te hoeven staan. Nu ze ieder een abonnement hebben betekent GSM zoiets als “Ga Snel Moven”. Alles om maar zo gauw mogelijk van me af te zijn.

Dit gaat als volgt. Ik (in mijn rol als bezorgde moeder die op punt van vertrek staande puber nog snel naroept): “Op tijd thuis komen en zorg dat je bereikbaar bent als ik je wil spreken!”

Puber (zoon of dochter, dat maakt in dit voorbeeld niks uit) is al zo goed als buiten en mompelt in het gunstigste geval “Hmm”, meestal expres gevolgd door iets onverstaanbaars om zich daarna met versnelde pas uit de voeten te maken.

Die keren dat ik ze dan wel eens bel, hoor ik geregeld het irritante “toe-doe-die”-geluidje, gevolgd door de dito vrouwenstem die vergenoegd meldt dat het nummer dat ik probeer te bellen op dit moment niet bereikbaar is en uitgeschakeld kan zijn. Uitgeschakeld! Há! Dát kan het nooit zijn, althans niet uit vrije wil.

Een tijdje geleden. Ik ben mijn oplader kwijt. Ik weet zeker dat ik hem op de gebruikelijke plaats heb neergelegd maar daar ligt hij niet meer. Omdat zoonlief zich onlangs nog heeft laten ontvallen dat zijn oplader stuk is (en nee, hij heeft geen idee waardoor), krijg ik ineens het donkerbruine vermoeden dat hij die wel eens “geleend” kan hebben. Uiteraard zonder eerst even aan mij te vragen. En inderdaad, tussen de schriften, boeken, pennen en cd-roms die kris kras door elkaar op zijn bureau liggen, ligt ook mijn oplader. Desondanks weet hij het klaar te spelen dat zijn gsm – en dan bij voorkeur op cruciale momenten – zo leeg is als de Griekse staatskas.

Zoiets doet me knarsetanden.

Puberdochter maakt het op een andere manier te bont. Zij let doorgaans juist als een havik erop dat haar gsm altijd opgeladen is. Het probleem is alleen dat zij een van de enige personen in Nederland moet zijn die om de haverklap geen bereik heeft. Maar uitsluitend daar waar het contact met het thuisfront betreft. Want met haar vriendinnen heeft ze daar hoegenaamd nooit last van. Maar die stellen dan ook geen vervelende vragen en zeuren haar evenmin aan de kop met bemoeizuchtige opvoeddingetjes.

Als ik haar zeg dat ik een column over dit heikele onderwerp in voorbereiding heb, haast ze zich te benadrukken dat zij míj nu juist nóóit aan de telefoon krijgt als ze me nodig heeft.  Die nood van haar moet overigens niet met een korrel maar met een heel pak zout genomen worden want die keren dat ik word gebeld gaat het slechts over twee dingen: haar geld is op en/of ze wil een lift van van A naar B. Liefst pronto.

Soms bekruipt me ook wel eens het aan paranoia grenzend gevoel dat ze mij gewoon wegdrukt als ik inbel. Met name als ik dan een staccato-sms verstuur die qua tekst niks te raden over laat (“neem NU op!!!”) en haar meteen erna wel aan de telefoon krijg. Ra ra hoe kan dat?

Haar verklaringen zijn even onwaarschijnlijk als uiteenlopend. Zoals daar zijn: “Ik had de telefoon even ergens anders neergelegd” (yeah right, ze zou nog liever een arm of een been missen dan haar mobiel); “Ik heb de telefoon niet gehoord” (onmogelijk daar ze zowat fysiek vergroeid is met het ding) of (wat mij betreft de allermooiste): “Ik zag wel een nummer in het display maar het was anoniem dus ik dacht, neem maar niet op” (de enige die met een anoniem nummer bij haar inbelt, nee correctie, de enige die haar überhaupt belt, ben ik!).

Want iemand bellen is iets voor fossielen uit het stenen tijdperk.

Zoals ik.

© Pascale Bruinen

Je herkent dit vast wel als je zelf pubers in huis hebt. Maar misschien dat volwassenen er ook wat van kunnen. Dus laat je reacties de vrije loop!

Killer Heels

Met jaloerse blik kijk ik naar de modellen van Victoria’s Secret die op torenhoge hakken over de catwalk paraderen of het niks is. Ik wou dat ik dit ook kon. Maar nee, toen de vaardigheid werd uitgedeeld om met een sexy swagger op van die dingen te lopen was ik toevallig even niet thuis.

Net als Oprah Winfrey ben ik namelijk iemand die schoenen met hoge hakken enkel puur voor de show draagt terwijl ik zoveel mogelijk blijf zitten waar ik zit. En als ik dan al per se moet lopen, dan liefst alleen vanaf de parkeerplaats. Die uiteraard pal voor de deur van het te bezoeken etablissement moet liggen.

Alle denkbare hulpmiddeltjes heb ik al uitgeprobeerd. Van die gelkussentjes om de pijn en het branderige gevoel aan de bal van je voet te voorkomen. Van die blarenpleisters en “biomechanisch ontworpen inlegzooltjes” die speciaal voor hooggehakte dames “ondersteuning, correctie en veerkracht” beloven. Maar niks heeft geholpen. Het loopt nog steeds niet lekker.

Dat ik niet de enige vrouw ben met dit probleem bewijst een korte zoektocht op internet. Via via kom ik bij de website van Sarenza waar ik zelfs een speciaal ontwikkeld programma aantref: “Om te leren lopen op hoge hakken, moet je bescheiden beginnen, hakken van 3 tot 5 cm zijn ideaal. Gebruik je pumps om thuis te oefenen (…). Stap op natuurlijke wijze, plaats je hak eerst op de grond en dan zachtjes de voorkant van je voet. Houd je rug daarbij recht en je hoofd omhoog. Wandel enkele malen heen en weer om eraan te wennen. Stap daarna over een klein obstakel, zo leer je het trottoir op- en af te gaan. Oefen dan het lopen op hoge hakken wanneer je op bezoek gaat bij vrienden of naar de bioscoop gaat, d.w.z. plaatsen waar je kunt gaan zitten. Om te rijden draag je echter best lage schoenen, dat is veiliger! Na een tijdje zal je je stabiel voelen. Herhaal dan het proces met een nieuw paar schoenen met hoge hakken”.

Dit is nog iets waar ik zelf ook op kon komen. Been there, done that. Maar toen ik verder las, viel ik van mijn geloof: “Als naaldhakken je vrees inboezemen, kun je de Talons Académy in Parijs bezoeken om te leren stappen met pumps in collectieve sessies van 45 minuten. De oefeningen zijn bedacht door een ervaren coach die al je fouten zal corrigeren. De leerlingen van deze “hakkenacademie” raken vooral vertrouwd met alledaagse situaties, waardoor ze sexy en vol zelfvertrouwen over straat kunnen lopen. De kernwoorden daarbij zijn: “heupen, blik, schouders”. Als je wilt leren lopen op hoge hakken, is de Talons Academy jouw plek!”

Een heuse “hakkenacademie”? Wie kon het bestaan van zoiets bevroeden?

Uiteraard surfte ik, wild nieuwsgierig geworden, meteen door naar “Talons Académy Paris”. Zo leerde ik dat deze werd geopend in september 2009 door ene Marine Aubonnet en Eugénie Bret. Omdat ze zelf allebei niet op hakken konden maar wel graag wilden lopen, klopten ze aan bij een bevriend model die hun coachte. En voilà, de hakkenacademie was geboren.

De lessen zijn verdeeld in thema’s, zo lees ik. Er zijn lessen over het dragen van hakken overdag (dikkere, iets lagere hakken voor op het werk) en ‘s avonds (de dunnere en hogere varianten). Dagelijkse situaties worden op hoge hakken geoefend, zoals daar zijn: elegant zitten op een barkruk of op een bank; de trap op lopen; stil staan; openbaar vervoer overleven; uitgaan en een tas of koffer dragen.

Maar ook: elegant bewegen richting het buffet (waarbij kennelijk een zigzaggende route de voorkeur verdient boven een rechte lijn). En de allermooiste: poseren voor de paparazzi. Waaruit ik afleid dat zelfs A-sterren grote moeite hebben met het lopen op van die hoge gevalletjes.

Bij de hakkenacademie beginnen de lessen met een mini-catwalk sessie waarbij de coach de houding en gang van de studenten bestudeert. Haar advies kan behelzen dat je

  • rechtop moet staan en recht vooruit moet kijken (kijk NOOIT naar de grond, dat is de doodssteek voor een elegante houding);
  • je benen licht over elkaar heen moet kruisen alsof je een koorddanseres bent. Het eerste vooruitstekende been moet recht zijn;
  • je armen op natuurlijke wijze beweegt voor een beter evenwicht en druk bezig blijft met je handen (door bv een handtas te dragen);
  • de beweging van je heupen benadrukt.

Omdat ik helaas nog geen hakkenles heb gehad in Parijs, zul je mij tijdens een shopping-expeditie in de stad dus nooit zien lopen op die mini-stelten. Al was het maar omdat ik daar niet zo zeer op loop als wel op strompel. Bovendien slaag ik er altijd in om met die hakjes net tussen de kinderkopjes te blijven steken, waardoor ze de eerste de beste keer meteen gescalpeerd worden.

Omdat a. ik er niet op kan lopen en b. ze binnen vijf minuten pijn doen aan mijn tenen, enkels en onder de bal van mijn voeten, draag ik hoge hakken doorgaans alleen in de schoenwinkel. Ze heten niet voor niks killer heels. Maar met een logica die alleen vrouwen eigen schijnt te zijn, kan ik het toch niet laten om af en toe een paar van die naaldhak-stappers aan te schaffen

Zo ook een tijdje geleden bij het ontwaren van mijn laatste aanwinst, een paar onwaarschijnlijk sexy muiltjes met spaghetti-bandjes. In mijn maat. Bij nadere inspectie zie ik een stel ultrasmalle hakken van zeker 8 cm hoogte. Ergens in de verte hoor ik een alarmsignaal: “Code rood, code rood! Wees verstandig en loop nú weg. Je weet dat je die toch nooit gaat dragen!”.

Maar die spaghettibandjes! Ik besluit de noodkreet te negeren en graai hebberig naar de schoentjes. Ik pas ze, kijk verrukt in de spiegel en slaak een diepe zucht van geluk. Ik strek mijn geschoeid been elegant voor me uit. “Ze zijn prachtig!”, roep ik in extase vanaf mijn comfortabele zitplaats. Wat een elegantie! En die pasvorm!

Pas als de verkoopster zo lang ietwat bevreemd naar me kijkt dat ik er een onbehaaglijk gevoel van krijg, sta ik aarzelend op in de hoop dat ik niet meteen zal omklinken. “Euh, ja, ze staan leuk!”, roep ik opgewekt vanaf mijn veilige plek bij de stoel, hemelsbreed zo’n vier meter van de spiegel. Maar helaas heeft de verkoopster haar lesje customer pleasing net gehad waardoor ze stug volhoudt. “Dat kunt u van daar uit toch helemaal niet zien? Loopt u eens tot aan de spiegel en terug, dan voelt u ook beter hoe ze zitten”.

Ik wíl helemaal niet erop lopen, dus waar bemoeit die vrouwelijke Al Bundy zich eigenlijk mee, denk ik geërgerd. Inmiddels kijken ook een stuk of wat klanten nu nieuwsgierig naar mijn wortel schietende gestalte. Oh, WTF, dan loop ik toch gewoon een stukje, zo moeilijk kan dat toch niet zijn, spreek ik mezelf moed in.

Ik zet een voorzichtig eerste stapje. En nog een. Hé, dat gaat goed! Sterker nog, de muiltjes staan niet alleen fantastisch, maar lopen nog beter. Vol vertrouwen zet ik nu grotere stappen over de vloerbedekking. De hakken zakken zachtjes in het hoogpolige tapijt. Deze schoenen zitten als sloffen!

Als de verende ondergrond na een aantal meters over gaat in stenen tegels, schrapen de iele naaldhakjes plotseling over de gladde ondergrond en voel ik dat ik mijn evenwicht verlies. Ik heb een out of body experience als ik mezelf in slow motion met armen en benen zie flapperen, mijn haren als een gouden waaier om me heen dansend en mijn mond en ogen wijd opengesperd in een schrikreactie. Als door een wonder kom ik net op tijd, zij het hevig wankelend, weer in balans.

“Oeeehhh!”, roep ik in een reflex. Al had ik eerder “auauau” willen schreeuwen want ik voel een brandende sensatie in mijn enkels. Ik schrijd behoedzaam naar het eerste het beste zitje en trek de vermaledijde schoentjes uit. Ik zie de afdruk van de spaghettibandjes in mijn enkels staan.

Maar die zomerse pastelkleurtjes! Die manier waarop deze schoentjes mijn benen optisch verlengen! En die sierlijke boog die mijn voeten vormen in deze muiltjes! On-weer-staan-baar. Dit is nu wat je een must have item noemt.

Ik zie dat de verkoopster in mijn richting komt. Voordat ze haar mond open kan doen, heb ik het al gezegd.

“Ik neem ze!”

© Pascale Bruinen

How high can you go? Wat zien die schoentjes er toch mooi en elegant uit, nietwaar? Maar het kan ook de hel op aarde zijn. Misschien moet ik toch eens naar Parijs…

Uit een onderzoek van Britse podologen blijkt dat een vrouw het gemiddeld 1 uur, 6 minuten en 48 seconden pijnloos volhoudt op hoge hakken. Liefst een op de vijf heeft al in de eerste tien minuten pijn. Na een tijdje zelfs de helft. En een derde van de vrouwen geeft toe te kleine schoenen gekocht te hebben omdat ze er zo leuk uitzagen. Tja…!

Make Over Mania

Het is onmiskenbaar: Koning Winter blaast geleidelijk de aftocht en maakt plaats voor Prinses Voorjaar.

Her en der mogen dan nog hoopjes sneeuw liggen, de lente komt er aan! Dit mooie seizoen in wording draagt de belofte in zich van steeds langere dagen, meer buiten leven en een frisgroen ontwakende natuur. Alles is nog nieuw. Nieuw leven als er lammetjes worden geboren, nieuwe blaadjes die uit hun tere knoppen springen, nieuw zonlicht dat door de grauwsluier van de voorbije maanden heen breekt.

Maar het is dadelijk ook de tijd om af te rekenen met even banale als vervelende zaken zoals: groene aanslag op je tuintegels, uitpuilende schuurtjes en stof, vuil en rotzooi in het algemeen. Juist ja, De Grote Schoonmaak. Op het moment dat de Lidl adverteert met motorpakken, de klok een uur vooruitgaat en op tv de wielerklassiekers beginnen, weet je dat je aan de bak moet.

Nu behoor ik zelf tot het neurotische type. Ik hang juist aan orde, netheid en regelmaat. Opruimen is mijn tweede natuur.

Maar de chaoten onder ons hebben er doorgaans meer moeite mee. Nou ja, ze zien er nog net niet als de Himalaya tegenop. Als ultieme smoes om niks te hoeven doen, poneren ze de stelling dat opruimen zinloos is. Het wordt immers toch in no time weer vies en rommelig. Met twee pubers in huis kan ik dit als ervaringsdeskundige wel beamen. Maar wonen in een huis dat er permanent uit ziet alsof er zojuist een bom is ontploft, is ook weer niet je dat. Overigens komt dit slappe excuus vaker uit de mond van mannen, die gemiddeld immers een hogere vuildrempel hebben dan vrouwen.

Maar er is ook een middencategorie. Dat zijn de Jekyll and Hyde-achtigen die qua opruimen een tweeslachtige persoonlijkheid hebben. Misschien ben jij wel zo iemand. Meestal slordig, maar soms ten prooi aan opruimwoede, vooral in het voorjaar? Yep! Ruim je meestal netjes op maar hou je een paar kamers gemakshalve altijd dicht omdat het daar één grote zwijnenstal is? Bingo!

Veel chaoten en een deel van de Jekyll and Hyde-achtigen lijden vaak aan “perfection paralysis“: ze raken in een lichte staat van paniek als ze zien wat er allemaal gedaan moet worden. Omdat ze nooit alles gedaan krijgen en zich overweldigd voelen, doen ze uiteindelijk helemaal niks.

Voor deze twee categorieën is er toch licht aan het einde van de tunnel. Als je niet wilt opruimen om een schone leefomgeving te krijgen, doe het dan voor het welzijn van je geest. Want wetenschappelijke inzichten claimen dat opruimen niet alleen leidt tot orde en rust in je huis, maar ook in je hoofd. Ik durf zelfs te beweren dat een opgeruimd huis leidt tot feel good momenten als je iedere keer vindt wat je zoekt, en snel ook. Als je zo méér tijd overhoudt voor de dingen die echt belangrijk zijn in het leven. Als je bijna alles wat je in huis hebt ook daadwerkelijk gebruíkt. Dat is namelijk niks minder dan een kick, met de bijbehorende adrenalinestoot. Ook is er weinig zo bevredigend als het gevoel dat je bekruipt als je met een ferme zwaai alle puinzooi in de container mikt. En omdat dit gevoel verslavend werkt, voorspel ik zelfs dat je het ook opgeruimd zult willen houden.

Uiteraard is ook over dit fenomeen een boek geschreven. Zo ontdekte ik na een korte zoektocht op internet “Zen and the Art of Housekeeping: The Path of Finding Meaning in your Cleaning“. De auteur, ene Lauren Cassel Brownell, gaat daarin zelfs nog een stapje verder als ze schrijft over de geestelijke weldaad van het huishouden doen: “I try to think of housekeeping as a short mental vacation. I let my mind freewheel like I do on a walk or a swim. I sometimes come up with solutions to problems I didn’t even know I had“.

Wie heeft ooit geweten dat dit mogelijk was? Terwijl je op je knieën de vloer van de badkamer schrobt, ben je in werkelijkheid op vakantie! Dé oplossing in tijden van economische crisis. En in plaats van naar die dure yoga- of meditatieles te gaan, kun je ook gewoon één voor één de lamellen van al je jaloezieën afstoffen. De afstompende repeterende bewegingen zullen je uiteindelijk in dezelfde staat van trance brengen. Helemaal gratis en voor niks!

Opruimen is het nieuwe mediteren. Niks Ashram in India, maar gewoon een Make Over Mania in je eigen huis. Niks “Eten, Bidden, Beminnen” maar “Stoffen, Dweilen, Ordenen”. Het is Zen, het is Yin-Yang, het is Sheng Fui.

Alleen Boeddha zelf kan jou nu nog tegenhouden.

© Pascale Bruinen

Deze column is een bewerking van mijn column “Make Over in Meerssen”, die in mei 2012 is verschenen In INFO nr. 41 van Wonen Meerssen.

Slakkengang naar Barcelona

Het is 1951. Mijn avontuurlijk ingestelde ouders willen graag naar Spanje, maar daar kom je alleen binnen met een visum. Ze zijn een van de eersten in Nederland die speciaal naar Rotterdam afreizen om dit reisdocument te gaan halen.

Omdat ze wel reislust hebben maar niet veel geld, besluiten ze reisgenoten te zoeken die met hun mee willen reizen naar Barcelona om zodoende de kosten te delen. Uiteindelijk gaan zij met een bevriend koppel en nog twee anderen in hun Citroên Traction Avant op pad.

Ze vertrekken op een vrijdagmorgen. Einddoel die dag is Verdun, zo’n 250 kilometer verderop in Lotharingen. Geld voor hotels of pensions is er nauwelijks, dus is het de bedoeling dat ze ’s nachts met zijn vieren in de auto slapen. De andere twee overnachten buiten onder een zelfgemaakt afdekzeiltje, dat aan de imperial van de wagen wordt vastgemaakt.

Als de duisternis invalt, zetten ze de auto die eerste nacht noodgedwongen neer in een weiland. Campings bestaan nog niet. Bij het eerste ochtendgloren worden de nietsvermoedende schone slapers ruw gewekt door een legerofficier, die hun bars mededeelt dat ze zich midden in een manoeuvreveld bevinden. Als ze om zich heen kijken blijkt dit, gelet op de talloze soldaten die tot de tanden bewapend door het weiland lopen, aardig te kloppen. Hij beveelt het geschrokken gezelschap onmiddellijk op te breken.

De tweede dag rijden ze tot in Chevray Chambertin, op ongeveer 500 kilometer. Door schade en schande wijs geworden bellen ze dit keer ’s avonds aan bij een boerderij, om te vragen of ze in het weiland van de boer mogen overnachten.

De agrariër vindt het prima en haalt hen naar binnen om samen subiet aan de wijn te gaan. De godendrank bevalt mijn ouders en de andere twee koppels zo goed, dat ze graag een aantal flessen willen kopen. Omdat ze niet al te veel geld te besteden hebben, offreren ze de Franse boer gul een paar flinke stukken Goudse kaas om hem gunstig te stemmen en een zacht prijsje te bedingen.

De boer neemt de kaas dankbaar in ontvangst, maar rekent vervolgens doodleuk de normale prijs voor de wijn. Danig teleurgesteld over zoveel gierigheid vertrekt het hele gezelschap. Dit incident verleidt mijn vader tot het slaken van de hartenkreet: “C’est dommage du fromage!”

De derde dag – het is inmiddels al zondag – voert hen naar het Rhônedal, tot iets voor Lyon. Daar aangekomen willen ze graag weer op een boerenterrein staan. Maar omdat er een hels onweer losbarst, staat de heer deze huizes erop dat ze allemaal binnen komen overnachten.

Ze mogen, nee móeten prompt aanschuiven in de keuken van de eenvoudige boerenhoeve. Gevraagd naar hun reisplannen voor de volgende dag zeggen ze al om zeven uur ’s morgens te zullen vertrekken.

Al snel komen er melkkleurige drankjes op tafel die ze nog nooit eerder hebben gezien. Ze smaken naar anijs en drinken lekker weg. De boerin zet zelfgemaakte stoofpot op de robuuste houten tafel. Alles gaat op. Het leven is goed.

Tot de dag erna, als ze alle zes pas laat op de maandagochtend met zo’n houten kop wakker worden dat ze even niet meer weten hoe ze het hebben. De geplande vertrektijd van zeven uur ’s morgens wordt drie uur ’s middags. Maar niemand die er om maalt.

Ze gaan dus pas op pad als de vierde dag al meer dan half om is. Omdat ze eigenlijk te veel gewicht bij zich hebben om de bergen in te rijden, vragen ze aan het boerenkoppel of ze een deel van hun bagage daar zolang achter mogen laten. Vanzelfsprekend mag dat. Niemand die in het in zijn hoofd zal halen om daar iets van te stelen. Het is een kwestie van eer en gastvrijheid.

Die maandag voert hun tot in de Pyreneeën. Ze gaan met zijn zessen in die kleine auto bergop niet harder dan zo’n tien tot twintig kilometer per uur. Ze passeren kleine bergdorpjes en klimmen alsmaar hoger met de Citroên. Als ze de zoveelste haarspeldbocht met succes hebben genomen, duikt langs de kant van de weg een verkeersbord op dat ze al vaker hebben gezien op deze bergpas. Een van de dames achterin roept verbaasd: “Oohh, dat Danger de Mort, dát is pas een grote stad! We zijn er nog steeds doorheen aan het rijden!” Hilariteit alom in het autootje bij de andere leden van het gezelschap die wel voldoende Frans begrijpen.

Na een afmattende dag in de bergen en zonder boerderij of weiland in de buurt, besluit mijn vader bij het vallen van de avond de auto dan maar langs de kant neer te zetten. Uit veiligheidsoverwegingen parkeert hij de auto zoveel mogelijk aan de uiterste kant van de weg.

De eerste die ’s ochtends zijn ogen open doet en de stramme leden – na een nacht opgevouwen in de wagen te hebben doorgebracht – buiten de auto wil gaan strekken, krijgt de schrik van zijn leven. De auto blijkt op zo’n dertig centimeter van een diep ravijn te staan, een kleinigheid die mijn vader de avond tevoren door de duisternis en vermoeidheid over het hoofd heeft gezien.

Maar vandaag, op de vijfde dag van hun grote avontuur, is het zover: ze zullen allemaal voor het eerst van hun leven de Spaanse grens passeren.

Barcelona lonkt.

© Pascale Bruinen

Mayday! Mayday! (2)

We zitten in de cockpit van de Airbus A320-simulator en hebben zojuist het verlossende sein van de toren gekregen dat we “cleared for take-off” zijn. H. legt zijn rechterhand op de gashendels en op aanwijzing van gezagvoerder Robert, die voor deze gelegenheid is gedegradeerd tot co-piloot, duwt hij ze steeds verder naar voren. Tegelijkertijd moet hij met zijn linkerhand de sidestick bedienen.

Sneller en sneller schieten de gebouwen langs de startbaan aan ons voorbij. Robert waarschuwt dat H. moet opstijgen bij een snelheid van zo’n 140 knopen oftewel ongeveer 270 km per uur. H. tuurt op de snelheidsmeter en trekt precies op tijd de sidestick naar zich toe zodat de neus omhoog gaat. We stijgen op! Al gauw wordt alles op de grond kleiner. Aan de rechterkant ontwaar ik South Beach van de gekozen bestemming Miami met de bekende hotels als oriëntatiepunten. De azuurblauwe oceaan ziet er levensecht uit.

H. probeert de aanwijzingen van Robert meteen secuur op te volgen, maar desondanks valt het niet mee de Airbus überhaupt recht te laten vliegen. Om van de bochten dan nog maar te zwijgen. Zodra H. zich concentreert op het inzetten van een draaibeweging, daalt of stijgt het toestel weer te vlug of wijkt het af van de voorgeschreven snelheid. Het is een beetje zoals met autorijden: je vraagt je af hoe je in vredesnaam alles tegelijkertijd in de smiezen kunt houden.

Na diverse bochten met meer en minder succes te hebben geprobeerd, kondigt Robert aan dat H. de landing mag gaan inzetten. “Probeer om recht op de landingsbaan af te vliegen”, instrueert hij. H. doet zijn uiterste best, maar de Airbus wijkt bij het naderen van de baan telkens te veel af van de koers. Dus vliegt H. overal naar toe, behalve naar de landingsstrip.

Op een gegeven moment daalt H. zo gevaarlijk snel en onder zo’n akelige hoek, dat de boordcomputer spontaan begint te spreken. Ik kan niet helemaal verstaan wat het ding uitkraamt, maar de ingeblikte waarschuwingen verraden niet veel goeds. In mijn gedachten zie ik die arme gillende passagiers achter ons door het gangpad rollen, temidden van vallende koffers en tassen. “Het lukt me niet”, roept H. getergd terwijl hij nog net niet de zweetdruppels op zijn gezicht heeft staan van de stress.

Als ik naar buiten kijk, zie ik tot mijn afgrijzen ineens dat de palmbomen en het water in een noodgang dichterbij komen. Ik durf niet meer te kijken. Dan houdt de computer er abrupt mee op. Er valt een korte, ietwat ongemakkelijke, stilte in de cockpit voordat we – van de zenuwen en de weeromstuit – aarzelend beginnen te lachen. “Het is ook niet gemakkelijk, zeker niet zo’n eerste keer”, zegt een diplomatieke Robert troostend tegen H. “Dat gebeurt hier zeer geregeld, hoor!” H. vond het een mooie ervaring maar is zichtbaar opgelucht dat hij de stuurknuppel nu aan mij mag overdragen.

“Ik start hem even opnieuw op en dan mag u een poging wagen”, zegt Robert tegen mij. Ik wissel van stoel met H. Terwijl de startbaan recht voor me weer in zicht komt, voel ik me alsof ik opnieuw op moet voor mijn rijexamen. Ik barst van de zenuwen en grijp de sidestick vast alsof het mijn laatste strohalm is. Ik ga nog snel even verzitten, want ik zie dat Robert doende is met het starten van de motoren. Ik vraag me ineens af waarom ik vandaag zo nodig een Airbus A320 wilde gaan besturen. Ik had bijvoorbeeld ook kunnen gaan kienen, om maar eens een dwarsstraat te noemen. Ik ook altijd met mijn wilde ideeën. Maar nu is er geen weg meer terug. Dus besluit ik er vol voor te gaan.

“Geef maar gas tot 140 knopen”, zegt onze instructeur. Yes! Dit heb ik altijd al willen doen. Ik leg mijn hand op die gashendels en duw ze geleidelijk naar voren. Ik kijk op het display en bij 140 knopen trek ik de sidestick naar me toe en stijgen we op. Her en der passeren we schapenwolkjes. Ik vlieg!!! Ik kan maar ternauwernood de neiging onderdrukken om heel hard “Jiiiiihaaaaaaaaaa!” te roepen. Dit is geweldig! Waarom ben ik geen piloot geworden?

Door goed op te letten toen H.aan de beurt was, heb ik gezien dat het vliegtuig iets vertraagd reageert op stuurbewegingen. Dus als je naar links stuurt, moet je kort erna weer iets bijsturen naar rechts om hem recht te houden. Het is een heel subtiel spel.

Ik laat het toestel op commando van Robert klimmen tot zo’n 8000 voet (de echte kruishoogte van zo’n 30.000 voet bereiken we hier helaas niet) en dan moet ik het toestel recht zien te houden en het betere bochtenwerk gaan uitproberen. Nou, dat valt nog niet mee.

Ik kijk gebiologeerd op de metertjes of ik niet een te grote hoek maak (ja dus) en moet snel corrigeren. Mijn ingreep is echter te wild zodat het toestel vervolgens opnieuw akelig veel dreigt uit te breken. Slechts met de grootst mogelijke moeite krijg ik mijn Airbus weer in het gareel. Dankzij mijn stuurmanskunsten moeten de inzittenden nu allemaal acuut aan de kotszakjes, denk ik nog voordat ik de volgende bocht inzet. En dan te bedenken dat mijn “vlucht” ook nog plaatsvindt onder de best denkbare weersomstandigheden. Hoe zou deze ervaring dan wel niet zijn bij een vliegende storm, een onweersbui of met verschrikkelijke turbulentie? Niet aan denken nu. Ik heb al mijn concentratie nodig om überhaupt in de lucht te blijven.

“Ik ga het toestel nu in de buurt van de landingsbaan brengen”, kondigt Robert na nog een paar van mijn bibberende bochten aan. Even later zie ik de strip in de verte. Hij ligt nu nog recht voor me. “Houden zo-houden zo-houden zo”, prevel ik als een soort van obsessieve mantra. Ik moet en zal bij die landingsbaan uitkomen, koste wat het kost.

“Hou het toestel recht en verminder de snelheid”, commandeert mijn co-piloot.  “Breng de neus langzaam omlaag”. Ik druk de sidestick naar voren. Maar nu zie ik dat ik veel te snel daal. Dus moet de neus weer omhoog. In de tussentijd zie ik dat ik helemaal van mijn koers ben afgeweken en – nee hè! – de landingsbaan in plaats van dichterbij, nu een stuk verder af ligt. Zo kom ik nooit aan de grond.

“Kijk niet de hele tijd op de metertjes, maar vlieg ook geregeld op zicht”, instrueert Robert me. En inderdaad! Als ik tussen het getuur op de metertjes door ook af en toe naar de landingsbaan kijk, lukt het me op de een of andere manier veel beter om recht ernaar toe te vliegen. “Geleidelijk dalen nu”, zegt hij en ik duw voorzichtig de sidestick naar voren. Wonder boven wonder blijft de strip ongeveer recht voor me liggen, terwijl ik er min of meer zigzaggend op af vlieg. “Je vliegt nog te snel”, hoor ik Robert rechts naast me zeggen. Gehoorzaam neem ik meteen gas terug. Tot mijn onbeschrijflijke vreugde kan ik nu de gebouwen al goed zien. “Langzamer! De neus meer naar beneden”, roept Robert. Ik duw de stick verder naar voren en neem snelheid terug.

Ik wil nog aan Robert vragen of hij het landingsgestel wel heeft uitgeklapt, als ik het volgende moment tot mijn eigen verbijstering zie dat “mijn” Airbus keurig de grond raakt. Weliswaar net naast de tarmac van de landingsbaan op een groenstrook, maar toch. Mijn passagiers hebben het overleefd! “Niet slecht voor een eerste keer”, prijst Robert. Ik barst zo ongeveer uit elkaar van trots.

Ik mag dan wel klotsende oksels van het angstzweet, een hoofd als een pioen van de spanning en trillende handen van de stress hebben, maar ik heb het hem toch maar mooi geflikt!

Ik heb mijn roeping eindelijk gevonden.

© Pascale Bruinen

airbus5

De landingsbaan is al in zicht…en…

airbus6

…bijna touchdown!!! En dan te bedenken dat je dit apparaat met een snelheid van zo’n 250 km per uur aan de grond zet, wow! Dit is weer eens wat anders dan een dagje gaan bowlen of steengrillen. Een echte aanrader dus. Wil je het zelf ook eens beleven, ga dan naar Flitesim Roermond.

Mayday! Mayday! (1)

Als ik – zelfverklaarde controlfreak eerste klasse- dan toch per se moet vliegen, vlieg ik dat ding het liefst zelf. In hoogsteigen persoon. Als ik deze ontboezeming hardop in het bijzijn van mijn zoon zeg, verklaart die me spontaan voor gek. “Nou, dán moet je pas echt bang zijn, als jij zelf achter die stuurknuppel zou zitten!”. Tja. Maar er is sowieso nog een ieniemienie probleem: ik heb geen vliegbrevet. Maar geen nood, gelukkig zijn er mogelijkheden om dit vervelende detail te omzeilen.

Dus op naar de flight simulator waar een heuse Airbus A320 op H. en mij wacht. In lichtelijk opgefokte toestand loop ik met steeds snellere pas door het onooglijke straatje waar ik zo meteen mijn luchtdoop als gezagvoerder zal meemaken.

Het pand waar we moeten zijn, is bedrieglijk klein. Hmmm, hier past inderdaad alleen maar ternauwernood de cockpit in, denk ik bij mezelf als ik als eerste de niet al te grote ruimte binnenstap. Aan de rechterkant is er een soort incheck-balie (grappig!). Recht voor me zijn twee rijen tegenover elkaar geplaatste stoelen zoals je die bij de gate pleegt aan te treffen (lachen!). Ik kijk nog snel even naar mijn boarding pass, die naar waarheid vermeldt dat de plaats van aankomst van deze vlucht precies dezelfde is als die van vertrek (hilarisch!).

De hele linkerhelft van de ruimte wordt in beslag genomen door de simulator, die er aan de buitenkant zeker niet uitziet als de snuit van een Airbus. Al snel meldt zich de echte piloot, compleet in officieel tenue met wit hemd voorzien van de bijpassende epaulet met vier strepen. Robert heet hij, zie ik aan zijn naamplaatje. Het is nog een jonge vent en daarbij bepaald niet lelijk, merk ik in de gauwigheid op. Goh, ik krijg het nu toch langzaam aan wel wat benauwd (nee, niet vanwege Robert). Want dit begint wel erg echt te lijken.

Robert nodigt ons uit voor een pre flight briefing op de stoelen bij de gate. Maar voordat hij kan beginnen, kan ik het niet laten hem eerst aan een spervuur van vragen te onderwerpen. Want ja, ik ben nu toch hier. Dus wil ik wel effe weten of hij zelf ook vaker zuinigjes heeft getankt (euh…, nee, nooit), hoeveel turbulentie een vliegtuig nu écht aan kan (dat hangt van het vliegtuig en de mate van turbulentie af…ja duh, daar word ik niet veel wijzer van) en (de mooiste!) hoe snel je op grote hoogte bewusteloos raakt bij plotseling optredend drukverlies (fasten your seatbelts: 15 tot 20 seconden). Die laatste mededeling, die Robert bij het zien van mijn gezichtsuitdrukking snel aanvult met de opmerking dat daarvoor nu juist de zuurstofmaskers dienen, moet ik mentaal even verwerken.

Maar veel tijd daarvoor krijg ik niet, want Robert gaat nu echt van start. Hij begint met wat details over “ons” vliegtuig, de Airbus A320. Hij legt uit dat we zo dadelijk mogen plaatsnemen achter de stuurknuppel, die in werkelijkheid overigens een joystick is die “sidestick” wordt genoemd. Hij waarschuwt ons dat het een heel gevoelig systeem is, dus we mogen vooral niet te wild zijn. Niet dat ik dat van plan was. Het toestel heeft een maximaal startgewicht van zo’n 77.000 kilo en in deze simulator zal het ook echt voelen alsof je zo’n kolos bestuurt, gaat hij vrolijk verder. Pfff, spannend…

Hij legt uit dat we in de geboekte tijd allebei kunnen gaan opstijgen, dan een paar rondjes mogen vliegen om vervolgens idealiter ook weer te gaan landen. Hij zal er als co-piloot naast zitten, voegt hij ten overvloede nog toe. De bestemming mogen we zelf kiezen. De keuze valt op JFK Airport in New York. Lijkt ons fantastisch om te zien hoe je komt aanvliegen met die skyline in de verte. Helaas wil de boordcomputer er niet aan, dus kiezen we Miami als goede tweede.

Na nog wat aanwijzingen is het moment supreme nu toch echt aangebroken en begeven we ons naar de cockpit. Zodra ik een voet binnen zet, ben zelfs ík even stil. De cockpit is waarheidsgetrouw nagebouwd. Het cliché van een overweldigend aantal knopjes, hendels, knipperende lampjes en allerhande oplichtende schermpjes is helemaal waar. Ik vraag me vertwijfeld af waar ik aan begonnen ben en heb acuut spijt dat ik me niet beter heb voorbereid. Ik had vast wel wat youtube-filmpjes kunnen bekijken over hoe je zo’n Airbus veilig aan de grond kunt zetten. Too late now.

Ik gun H. dan ook galant de eer om te beginnen. Bijkomend voordeel is dat ik zo alvast stiekem kan meekijken zodat ik iets meer voorbereid ben als ik zelf aan de bak moet.

H. neemt plaats op de linkerstoel. Ik kijk over zijn schouder mee. Links van hem zit een kleine hendel, die taps toeloopt. Ha, dat zal de sidestick zijn. Die kan naar voren, achteren, links en rechts bewogen worden. Robert, die op de rechterstoel is gaan zitten, bedient geroutineerd een hele reeks knoppen. Op de computer voert hij Miami International Airport in. Even later tonen de panoramische ramen van de cockpit als bij toverslag de startbaan.

Robert legt uit dat in het midden de gashendels zitten, die zo meteen voluit mogen. Hij geeft aan dat we voortdurend scherp moeten letten op de metertjes die hoogte, snelheid en de horizon aangeven. Want het toestel moet liefst niet alleen goed op koers blijven, maar ook nog mooi recht blijven vliegen. Niet te hard maar ook zeker niet te langzaam want dan val je echt als een baksteen omlaag.

Robert zet het toestel van de rem af, verzet nog wat knoppen en spreekt dan de magische woorden:

“We are cleared for take-off!”

© Pascale Bruinen

Airbus3

Zo echt ziet het er dus uit. Tof hè? Als je wilt weten hoe het verder gaat, lees dan volgende week deel 2!

Saved by the bell

Lichtbeige wanden staren me aan. Wie die doodse kleur heeft bedacht om een wachtkamer mee op te leuken moet wel een pure sadist zijn. Niks geen fris lentegroen op de muren, want stel je eens voor dat je iets opgewekter zou worden terwijl je op je beurt wacht. Wie nog niet depressief is bij binnenkomst wordt dit wel zodra die hier tien minuten heeft moeten zitten. Misschien is het ook wel expres, bedenk ik ineens, als een soort van werkverschaffing. Ook de toko van de huisarts moet per slot van rekening blijven draaien.

Ik kijk om me heen. Nergens ook maar een schilderij, tekening of foto te bekennen in deze bedompte ruimte. Geen plant te zien. Wat ik wel ontwaar, is een vitrage voor het raam recht tegenover me met links en rechts afzichtelijk gestreepte gordijntjes uit het jaar nul.

In een hoekje van de kamer ligt een houten, inmiddels ietwat afgekloven, legpuzzel. Incompleet, natuurlijk. Arm kind dat daar met pijn en moeite een paar stukken goed neer heeft weten te leggen en dan de laatste nergens zal kunnen vinden.

De afzichtelijke felgele en blauwe stoeltjes hebben overduidelijk betere tijden gekend. Her en der is de verf eraf gebladderd, alsof die het ook niet meer zag zitten op die onooglijke fauteuiltjes. Mijn ogen dwalen verder en stoppen bij de beduimelde tijdschriften. Zelfs van deze afstand nodigen ze niet uit vastgepakt of doorgebladerd te worden. Dan nog liever verder afgestompt raken met niksen.

Links van mij is een vrouw druk aan het friemelen met de franjes van haar sjaal. Zij vouwt er vlechtjes in om ze het volgende moment weer uit elkaar te rafelen. Tussendoor hoest en proest ze dat het een lieve lust is. Onwillekeurig probeer ik mijn adem een beetje in te houden want haar bacillen zijn airborne en ik zit er pal naast. Met een beetje pech vliegen ze recht mijn luchtpijp in. Zo onopvallend mogelijk dek ik mijn mond en neus af met mijn hand, alsof ik diep nadenk over een ingewikkeld probleem.

Voor de prachtige vitrage zit het type “drukbezette-zakenman-die-zijn-kostbare-tijd-aan-het-verdoen-is”. Om de twee minuten kijkt hij zwaar zuchtend op zijn oversized horloge  en scrollt aan één stuk door op het scherm van zijn smartphone. Met zijn krokodillenleren voet tapt hij een ongeduldig dansje op een ritme dat alleen hij kan horen.

Sommigen hebben de moed bijeen geraapt om een gesprek aan te knopen. Maar veel verder dan “Hoe lang zit u hier nu al”? en “Het loopt weer eens uit!” komen ze echter niet. Een koppel dat dicht tegen elkaar aan zit, heeft de onterechte indruk dat ze niet beluisterd worden als ze op fluistertoon converseren. Zodra de eerste heel zacht uitgesproken woorden hun monden verlaten, spitsen alle wachtenden gelijktijdig hun oren. Het gesprokene had evengoed met een megafoon kunnen worden gecommuniceerd, zo geconcentreerd is iedereen plots aan het luistervinken. Inclusief ondergetekende, moet ik bekennen. Want ja, wat moet je anders doen?

Na zo’n twintig minuten slaat mijn grenzenloze verveling om in vermoeidheid. Maar met gesloten ogen wordt het er ook al niet beter op. De irritante achtergrondmuzak kan het voortdurende gesnotter en gekuch van mijn buurvrouw niet overstemmen.

Plotseling doorklieft het snerpend geluid van een zoemer al het gefluister, gehoest en getik. Mensen kijken eerst verschrikt op, om daarna met nauwelijks verholen afgunst naar mij te kijken. Tot mijn kinderachtige genoegen rukt zelfs mr. Big Shot zijn drukbezette hoofd voor heel even weg van zijn gsm. Mijn lethargische staat is in één klap weggevaagd.

Dit is mijn ticket naar de vrijheid. Weg van al die mensen met wie ik te lang onvrijwillig in een veel te kleine ruimte heb verkeerd.

Typisch gevalletje van saved by the bell!

© Pascale Bruinen

Wie heeft soortgelijke ervaringen met eindeloos wachten?

Liefdesverklaring (herpublicatie)

Carnaval. Het feest van meedoen. Van aanstekelijke uitgelatenheid. Schateren van het lachen, ongegeneerd flauwekul maken, je weer voor even kind voelen, oude bekenden zien, helemaal uit je dak gaan, je onderdompelen in de vrolijke mensenmassa’s buiten en binnen. Café’s binnen gaan waar je anders nooit komt, met wildvreemden de grootste lol hebben, met iedereen overal een praatje aanknopen. De zon die het licht weerkaatst van duizenden pailletten, de kakelbonte mengeling van kleuren, de vaandels en de vlaggen. Je als een vogel zo vrij voelen, de zalige zorgeloosheid, even nergens aan hoeven denken.

De vertrouwde muffe geur van de carnavalskleren in de koffer, de nostalgische reuk van schmink, de optochten uitlopen of er al halverwege uitgaan omdat het café lonkt, spontaan meegaan met een voorbijkomende polonaise, dansen en springen, inhaken met degene die toevallig net naast je staat, de ongelooflijke saamhorigheid, de ongekende humor. Altijd een warm bad, ongeacht de buitentemperatuur.

Muziek maken. Achter de muziek aan gaan. Swingen op de hypnotiserende schelle en doffe dreunen van een sambaband, allemaal samen hetzelfde liedje woord voor woord meeblèren aan de bar. De blije opwinding voelen als je het geschal van de trompetten hoort echoën tegen de eeuwenoude muren van de smalle sfeervolle straatjes, de overgave waarmee zelfs de slechtste muzikant de laatste noot uit zijn instrument perst. De bastonen van de grote trom die tot in je buik trillen. Muziek beleven in elke vezel van je lijf maar vooral in je ziel.

Kindertjes die het met de paplepel ingegoten krijgen, baby’s die te midden van de kakofonie van geluiden slapen als een roos in een tot mini-kasteel omgebouwde bolderkar. De heerlijk ouderwetse geur van knakkers uit een speelgoedpistooltje, de onvoorstelbaar mooie zelfgemaakte creaties, de ingewikkelde en soms loodzware constructies die mensen al die dagen meesjouwen, barbecuen midden op straat, de giechelende gezelligheid als je met z’n allen in de rij staat voor de wc, de boel op stelten zetten bij de Chinees, goedwillende “Hollanders” en buitenlanders liefdevol inwijden in de geheimen van onze allermooiste traditie.

De grappen en de grollen, straattheater op iedere hoek, spontaan met zijn allen touwtje springen in een steeg. Publiek wordt entertainer, de entertainer wordt publiek.

Maar ook het feest van kapot moe zijn, niet meer vooruit kunnen, het ijskoud hebben, door en door nat zijn, je gebroken voelen, pijn aan je voeten van het vele lopen, last van je rug van het staan en het gewicht van je carnavalspak, een keel als schuurpapier hebben, de gloeiende hitte als je met al je kledinglagen ergens naar binnen gaat, de doffe ellende als je in een veel te klein wc hokje al die lagen één voor één moet zien uit te doen waarbij je tamboerijn en andere toebehoren in de weg hangen.

De vette happen aan de kraam, de onvoorstelbare hoeveelheden rotzooi op straat, toch nog veel te veel glazen die kapot gaan (per ongeluk of expres), mensen die het nog altijd niet begrepen hebben en menen dat het “leuk” is een hoedje van iemand af te trekken of in iemands billen te knijpen. Sommigen, jong of oud, die ten onrechte denken dat in recordtijd dronken worden hier ook maar iets mee van doen heeft.

De pruik die al na vijf minuten jeukt als de ziekte, je portemonnee verliezen, de rest van de groep kwijt zijn (en dat soms niet eens erg vinden), de schmink en glitters er ’s nachts niet meer af krijgen, je huis bezaaid met afgevallen pailletten, plakkerige veren van boa’s, stukjes glas die uit je schoenzolen zijn gevallen, natte confetti-stukjes, modderige sneeuw. Overal kleren die ruiken naar de bekende mengeling van rook, bier en zweet.

Het feest van beschouwen. Zelf toeschouwer zijn. Je verwonderen. Bewonderen. Relativeren, filosoferen, diepe en serieuze gesprekken hebben terwijl je een kanariekooi op je kop hebt staan. Een duivel die kust met een bisschop. Rangen en standen die wegvallen. De verlegene toont zich extravert, de poetshulp is koningin. Mannen worden vrouwen, vrouwen worden mannen. Ongestoord zijn wie of wat je maar wilt. Het belangrijke wordt onbelangrijk en andersom. De ontroering als je kijkt naar al die lachende gezichten, naar mensen die onbekommerd plezier hebben.

Het is het allemaal en tegelijk is het zo veel meer dan de som der delen.

Een sentiment van chauvinisme, van oneindige liefde voor je stad, voor waar je vandaan komt. Een heel sterk gevoel van verbondenheid. En van trots. Trots op dit prachtige feest. Het gevoel van: dit is van en voor ons, voor iedereen die wil meedoen, dit pakt niemand ons meer af. Het gevoel van extase dat zich puur natuur van je meester maakt als duizenden kelen tegelijk uitbarsten in samenzang op een sprookjesachtig verlicht plein, het overweldigende gevoel ergens echt bij te horen.

Het surrealistische van de stilzwijgende afspraak om deze dagen uit alle windstreken verkleed samen te komen op een paar vierkante kilometer heilige grond. Net een suikerspin: zo hap je er in en zo is het weer weg. De vurige hoop er volgend jaar weer bij te mogen zijn. Telkens een paar stapjes vóór proberen te blijven op je eigen onontkoombare vergankelijkheid. Een gevoel van urgentie want alles kan zomaar ineens voorbij zijn. De tranen die onwillekeurig komen als je weer voor een jaar afscheid moet nemen van dit “feest der feesten”. Moegestreden van de vijfdaagse uitputtingsslag die je samen met al die andere gelijkgestemden onder alle denkbare weersomstandigheden hebt volbracht. Het doet pijn tot in het diepst van je wezen maar in je hart weet je: het is goed geweest. Je hebt je accu opgeladen, je hebt weer intens mogen beleven hoe het is om hiervan deel te mogen uitmaken. Je bent er weer bij geweest.

Het is een voorrecht. Elk jaar opnieuw. Geniet ervan.

© Pascale Bruinen

Dit prachtige schilderij van Robert Jan van Melle beeldt het carnavalsgevoel treffend uit. De vrolijkheid, uitgelatenheid en kleurenpracht. Ik zal ongetwijfeld nog vele andere ervaringen niet genoemd hebben die jullie hebben opgedaan met carnaval. Het is eigenlijk sowieso bijna onmogelijk om de geest van carnaval in woorden te vatten. Het is een cliché maar je moet het inderdaad zelf beleven om het te kunnen voelen. Toch kunnen jullie ook een poging wagen om je persoonlijke carnavalservaring te beschrijven. Geïnspireerd geraakt? Laat hier dan je reactie achter!

Verdacht op het Vliegveld

Ik weet niet hoe jij erover denkt, maar ik kan niet wachten totdat eindelijk die achterlijke beperkingen voor de handbagage bij vliegreizen worden opgeheven.

Sinds die keer dat die ene malloot een vloeistof aan boord heeft gesmokkeld die kennelijk in combinatie met een ander vloeibaar goedje een explosief mengsel opleverde, zijn de regels – tot mijn oneindig chagrijn – flink aangescherpt.

Begrijp me niet verkeerd: natuurlijk wil ik dat vliegen zo veilig mogelijk is. Maar of je dat met dit soort draconische maatregelen ook bereikt is vers twee. Bovendien gaat ons “bevallige” duo Valerio Zeno en Dennis Storm in Proefkonijnen wellicht nog bewijzen dat je ook een explosief met maximaal 100 ml vloeistof kunt maken. Enfin. Als ik op vakantie ga, en dat gebeurt nog wel eens, ondervind ik er in ieder geval alleen maar nadelen van.

Zo zit ik altijd te pielen met die tien flesjes van maximaal 100 ml waar ik dan de inhoud van diverse andere flessen in over moet gieten. En dan maar zien hoe ik ze allemaal in dat doorzichtige plastic tasje krijg gewurmd. Gewoon stom!

En dan dat geëmmer met nagelvijltjes, schaartjes, scheermesjes en pincet. Niks van dat alles mag in de handbagage, want stel je voor ik zou die al te harige wenkbrauwen van de piloot eens willen epileren midflight. Dát is pas gevaarlijk. In vergelijking met dit giga veiligheidsrisico valt zelfs de kerosinegierigheid van een zekere Ierse prijsvechter totaal in het niet.

Ondanks dat er zoveel waarschuwingsborden hangen over verboden spullen dat zelfs lijders aan Alzheimer de boodschap niet zouden kunnen vergeten, beklijft het lang niet bij iedereen. Zo keek ik onlangs raar op toen ik bij de controle achter een boomlange kerel in de rij stond die doodleuk een groot mes bij zich bleek te hebben. En ook nog, ik lieg niet, verontwaardigd was toen hij het moest inleveren. Hmmm, wat zou hij daarmee nu aan boord hebben willen doen? Zijn tandsteen verwijderen?

Uiteraard hou ík me altijd keurig aan de regels. En ging er voetstoots van uit dat de rest van het gezin dit ook zou doen. Not so.

Flashback naar een aantal jaren geleden. We vliegen met de kids naar Mallorca. Mijn tienjarige dochter wil haar hele hebben en houden meenemen als handbagage (goh, van wie zou ze dat toch hebben?). Geduldig leg ik haar uit dat ze het zal moeten doen met haar rugzak. Opgewekt propt ze die vol met spulletjes om zich mee te vermaken aan boord.

Bij de controlepost aangekomen vraagt een beveiliger geroutineerd aan mij of we geen verboden spullen in de tassen hebben. Blakend van zelfvertrouwen verzeker ik hem van niet en geef hem mijn stralendste glimlach. Een medewerker zit ondertussen verveeld op zijn schermpje te turen. Ineens zie ik dat deze rechtop gaat zitten. Zijn ogen vernauwen zich. Als hij nog een paar seconden op het scherm heeft gekeken, zie ik dat hij aanwijzingen geeft aan een collega.

Ik sla het tafereel met stijgende ongerustheid gade. Hier word ik nu zenuwachtig van. Túúrlijk, ik weet dat we niks verbodens bij ons hebben, maar toch. Waarom kijkt die man zo raar? En – oh God! – waarom wordt mijn dochters rugzak ineens van de band geplukt? Ik probeer te slikken maar dat lukt niet erg met een mond die ineens kurkdroog is geworden.

De uitpuilende rugzak van dochterlief wordt tergend langzaam en met veel vertoon leeggehaald. Tot mijn eigen verbazing en die van het gretig toekijkende publiek zie ik een onwaarschijnlijke hoeveelheid spullen uit het ding komen. Nadat de arme kerel al drie knuffels, een kaartspel, een pet, een zakje knikkers, een tennisbal, een notitieblokje en diverse boekjes uit de rugzak heeft gehaald, komt haar schooletui tevoorschijn. De man opent het en – néé hè! – haalt daar doodleuk een enorme schaar uit, die hij demonstratief aan mij (en de rest van de rij achter me) laat zien.

Ik voel dat ik een hoofd krijg als een biet. Net als dochterlief trouwens. Ik stamel dat ik dit écht niet wist. De man, gewend als die ongetwijfeld is aan de meest uiteenlopende rotsmoezen waarvan dit met afstand de állerslechtste is, kijkt me alleen maar meewarig aan. De schaar wordt met veel tam tam geconfisqueerd. Na nog de nodige vermanende woorden nederig te hebben geïncasseerd mogen we eindelijk verder lopen.

En terwijl ik met gebogen hoofd zo snel mogelijk richting gate loop, voel ik de ogen van de andere passagiers in mijn rug prikken.

Verdacht op het vliegveld.

Daar gaat mijn reputatie als brave luchtreiziger.

© Pascale Bruinen

Ook eens zo’n gênant moment meegemaakt? Laat dan hier een reactie achter en deel het met anderen.

Walvisvaart maar dan anders

Het is zomer 2011 en we zijn in Monterey, Californië. Een klein, rustiek kustplaatsje zo’n kleine 200 kilometer ten zuiden van San Francisco. De grootste trekpleister van dit oord is walvissen spotten. Dat kan er het hele jaar door. Maar in de maand juli, als wij er zijn, komen de bultruggen en de blauwe vinvissen zich ter plekke tegoed doen aan de nodige tonnen plankton.

De trip heb ik al een half jaar eerder via internet vastgelegd want die is snel uitverkocht. Ik heb gekozen voor een halve dagtocht waarbij er een gespecialiseerd biologe aan boord is die uitleg geeft. We verheugen ons de hele ellendige winter lang op onze walvisvaart.

Als eindelijk de dag is aangebroken dat we het grootste zoogdier ter wereld gaan ontmoeten, zijn we al vroeg uit de veren. Een blik door het raam leert dat het druilerig weer is. De lucht is staalgrijs. Het is vrij koud buiten, maar er waait bijna geen wind. Oef, dat scheelt al weer. Want ik vind het bepaald geen aanlokkelijk vooruitzicht om met zo’n kleine schuit woeste golven te moeten trotseren, zelfs al is het doel van de tocht nog zo mooi.

Ik doe nog even snel een controle-rondje. Camera (opgeladen en wel)? Check. Extra batterij? Check. Extra sd-kaartje (voor het geval we in vier uur tijd meer dan 3000 foto’s willen maken of dat het kaartje onverhoopt overboord waait)? Check. Reisziekte-tabletten (voor alle zekerheid, je weet immers maar nooit of op zee niet ineens een storm opsteekt)? Check. Ijsmuts (voor mij natuurlijk, niet voor H.)? Check.

Ijsmuts? Jawel. Want hoewel het juli is en dus eigenlijk hartje zomer, is het rond deze tijd van het jaar vaak koel of zelfs kil en koud in noord-Californië. Vergeet ook dat lied van The Mamas and the Papas over een bloem in je haar doen als je naar San Francisco gaat. Dat is je reinste hippie-bullshit. In plaats daarvan kun je beter een (nep!) bontmuts opzetten, zo koud is het er soms ’s zomers.

Er is namelijk een levensgroot verschil tussen het klimaat in het noorden en het zuiden van deze prachtige staat. San Francisco is berucht vanwege de kou in de zomer. Hierbij moge worden volstaan met het citaat van Mark Twain die schreef dat de koudste winter die hij ooit had beleefd de zomer in San Francisco was. Waarvan akte. Want hoewel ik me gedegen heb voorbereid op de reis, vond zelfs ík het vooraf te ver gaan om een van mijn tig wollen mutsen mee te nemen.

Al snel na aankomst had ik daar spijt van. Want ik had het geregeld koud genoeg om er een op te doen. En bij het vooruitzicht dat we in deze temperaturen ook nog de volle zee op zouden gaan, leek het me een strak plan om op de valreep nog een ijsmuts aan te schaffen.

H. kon zijn ogen niet geloven toen hij me in een winkeltje in het nabijgelegen Carmel, waar we een schattige Bed & Breakfast hadden geboekt, zag staan graaien in een bak met allerhande winterse hoofddeksels. “Dat meen je toch niet serieus?,” kreunde hij. “Je gaat hier toch niet zo over straat lopen?”

“Nee, zeker niet,” stelde ik hem opgewekt gerust, “ik heb deze nodig voor op de boot.” Zijn gezichtsuitdrukking verried dat dit in zijn beleving niet heel veel verschil maakte. Maar ik, zelfbenoemde koukleum eerste klas, zette koppig door en koos uiteindelijk voor een donkerblauw exemplaar.

Terwijl ik stiekem moet glimlachen om deze herinnering, prop ik mijn felbevochten ijsmuts in de rugzak. Zo, nu ben ik – walvisvaarder nieuwe stijl – klaar voor vertrek. Met mijn paar truien over elkaar, een gevoerde jas met daarover nog een bodywarmer en sjaal zie ik er uit alsof ik op poolexpeditie ga.

Omdat het zelfs nog te vroeg is om in ons logement te ontbijten, begeven we ons met rammelende magen op weg. Al snel hebben we de auto geparkeerd in het kleine centrum van Monterey, vlakbij de pier van waar onze boot zal vertrekken.

Aan iemand die op dit vroege uur al druk bezig is met de groenvoorziening, vragen we waar we een lekker ontbijtje kunnen nuttigen. De man is uiterst vriendelijk en behulpzaam en wijst ons de weg naar een hippe eettent die twee straten verderop al open zou moeten zijn. En inderdaad. We zijn bepaald niet de eersten.

Terwijl we aan de blueberry pancakes met een gloeiend hete cappuccino zitten, komen er nog meer hongerige mensen binnen. Zo te zien allemaal walvisvaarders, getuige de dikke jassen, fototoestellen om de nek en – jawel! – wollen mutsen op het hoofd. Ha, ik bevind me in goed gezelschap! Triomfantelijk kijk ik naar H., die net doet of hij het niet ziet.

Nadat onze magen zijn gevuld, begeven we ons naar de pier. Als ik de boot zie waar we een halve dag mee de zee op gaan, moet ik even slikken. Wat is hij klein! Maar ja, wat wil je ook, gewend als ik ben aan cruiseschepen van 16 verdiepingen hoog en een paar voetbalvelden lang.

We schuifelen aan dek en gaan op een bankje zitten, dicht bij de reling. Als de boot uit vaart, passeren we talloze pelikanen en zeehonden. Wat zijn ze schattig! Maar goed, we zijn gekomen voor de walvissen. Als we na een dikke drie kwartier varen nog steeds alleen maar een enkele watervogel en een verdwaalde zeeotter hebben gezien, begin ik stilletjes te wanhopen.

En met mij de rest van de opvarenden. Iedereen zit wat voor zich uit te staren of speelt verveeld met zijn camera of mobiele telefoon. Totdat de biologe, die voorop in de kajuit zit, ineens door de microfoon roept: “A whale, at twelve o’clock!”. Een waar pandemonium breekt los. Iedereen schreeuwt en lacht opgewonden door elkaar heen. Als één man stormen we allemaal naar voren om een glimp te kunnen opvangen. Tegen de tijd dat ik me er ook tussen heb gewurmd en menig elleboog of hand heb moeten ontwijken, is niks meer te zien. Gespannen tuur ik op zijn Indiaans van links naar rechts.

Niks. Alleen de kalme, kabbelende golfslag en voor de rest…PPSSCHHHHIIIIIIIIITTTTTT!!! Een oorverdovend gesis doorbreekt de relatieve stilte. Als mijn ogen razendsnel het geluid volgen, zien ze nog net hoe er een torenhoge straal waterdamp de lucht in wordt geblazen. Meteen gevolgd door een gigantisch groot bovenlijf dat zich een stuk boven het water in een elegante boog verheft.

Het publiek is in één klap stilgevallen. Ook ik ben sprakeloos. Onwillekeurig houd ik mijn adem in. Ik heb gelukkig nog de tegenwoordigheid van geest om tijdig op het knopje “record” van de digitale camera te drukken. Maar ik kijk tegelijkertijd zelf live over de reling omdat ik niet wil dat er iets tussen mij en deze ervaring in staat.

Terwijl de biologe uitlegt dat we nog maar een klein stukje dichterbij mogen komen en dan verplicht de motor moeten afzetten om de walvis niet te storen, kijk ik met intense concentratie over het grijze water. Al snel zijn er een stuk of zes walvissen die recht voor onze boot zwemmen, in een soort van halve cirkel. Het is een magisch, plechtig gezicht.

Als de motor uit gaat, is de stilte aan boord oorverdovend. Het enige geluid dat ik hoor, is het water dat zachtjes tegen onze boot aanklotst. Iedereen is in awe. Ontroerd kijk ik naar deze majestueuze beesten, de grootste zoogdieren ter wereld, die ik in het wild van zo’n korte afstand mag bewonderen. De biologe doorbreekt de welhaast sacrale stilte door te zeggen dat we geluk hebben dat we er zo veel te zien krijgen.

En terwijl ik dit sensationele spektakel gelukzalig gade sla, tilt een van die reusachtige dieren plotseling zijn magnifieke staart uit het water als bracht hij mij een nautische groet.

Het leven wordt niet veel mooier dan dit.

© Pascale Bruinen

NB: de bijbehorende foto is helaas niet van mij. Het moment suprème heb ik helaas niet kunnen vastleggen.

IMG_9834

Qua foto heb ik helaas niks beters dan dit, wat natuurlijk een slap aftreksel is van wat er in werkelijkheid was te zien. De filmpjes krijg ik jammer genoeg niet geupload.

Daarom ter compensatie nog een foto van deze olijke tweeling …

IMG_9875

Love Actually

In deze barre tijden die, zeker rond de Kerst, smeken om een beetje liefde en zorgzaamheid voor elkaar mag je hopen dat “Love is all around”  – Wet Wet Wet’s muzikale ode aan de liefde – nog steeds van toepassing is. Dit liedje is de rode draad in de film “Love Actually”. Als er nou één ultieme feel good kerstfilm bestaat, is het deze wel.

De afgelopen jaren heb ik hem zeker al een keer of vier rond Kerstmis gezien, maar op de een of andere manier raak ik er maar niet op uitgekeken. Iedere keer dat ik dit visuele meesterwerkje bekijk, vallen me weer andere verrukkelijke details op. De grappige momenten zie ik inmiddels al van mijlenver aankomen. Wat me er overigens niet van weerhoudt om wéér hardop te lachen als het zover is. En dan de kleffe fragmenten…Laat ik het er op houden dat de doos Kleenex onder handbereik moet blijven.

Maar wat is dan het geheim van deze heerlijk pretentieloze rolprent? Ik heb mijn gedachten er eens over laten gaan en het antwoord is dat er gewoon alles, maar dan ook álles in zit.

De pijnlijke liefde van een prachtige jongen voor een dito meid die net met zijn beste vriend is getrouwd (waarover later meer). Onmetelijk verdriet van de jonge weduwnaar die achterblijft met een schattige stiefzoon die net begint te puberen. Welke puber overigens op zijn beurt weer smacht naar een oogverblindend mooi leeftijdgenootje dat, als ze elkaar eindelijk leuk beginnen te vinden, terug naar de Verenigde Staten verhuist.

En wat te denken van de zeer onwaarschijnlijke liefde tussen de Britse premier (een rol op het lijf geschreven van glamourboy Hugh Grant) en een jong en ontwapenend staflid dat nogal grofgebekt is? Het moment dat hij zich onbespied waant en op muziek van “Jump” van de Pointer Sisters door de majestueuze zalen van Downing Street number 10 swingt (oh, dat kontje!) is alleen al de moeite van het bekijken waard. Of de glorieuze comeback van een al afgeserveerde oude rocker die met Kerstmis tegen alle verwachtingen in op nummer één van de hitlijst terecht komt met een “verkerste” versie van “Love is all around”? Of die doodgewone Britse jongen van het type ruwe bolster, blanke pit die zijn seksuele geluk met eclatant succes gaat proberen in de US of A?

Om dan nog maar te zwijgen over de mooie maar zeer verlegen roodharige kantoormeid Sarah die in stilte hunkert naar de hunk van de afdeling en op het moment suprème van een mooi samenzijn ruw wordt gestoord door telefoontjes van haar verstandelijk beperkte broer; de donkerharige femme fatale met felrood gestifte lippen die haar oudere en zeer getrouwde baas het hoofd op hol brengt met een pose à la Sharon Stone tijdens haar legendarische politieverhoor in Basic Instinct of die onvergetelijke scène met Rowan Atkinson als irritante verkoper die tergend langzaam het stiekem door de getrouwde baas gekochte kerstcadeau voor deze minnares inpakt terwijl diens echtgenote ieder moment kan opduiken.

Deze totaal verschillende verhaallijnen gaan vloeiend in elkaar over en kennen vrijwel allemaal een eigen, gelukkig einde. Maar voor het zover is, moet er door de hoofdpersonen uiteraard nog menig misverstand, probleem en tegenslag worden overwonnen.

Hoewel het moeilijk kiezen is, zijn er twee fragmenten in de film die me altijd zullen bijblijven. Het ene is het moment dat eerdergenoemde Sarah eindelijk de moed heeft verzameld om een date te hebben met haar knappe maar even verlegen collega Karl. Als hij haar na afloop tot aan de deur van haar woning brengt, komt het – oh zoet cliché! – tot een eerste innige zoen. Onvergetelijk is de scène die meteen daarna komt. Sarah nodigt hem uit binnen te komen, zegt droog “een momentje, alsjeblieft”, gaat achter de deur staan en trappelt dan geluidloos als een kind van blijdschap. Meesterlijk!

Maar de absolute winnaar kan er maar één zijn. Het gebeurt bijna op het einde van de film. Juliet, een frêle schoonheid (gespeeld door Keira Knightley) zit vlak voor Kerstmis thuis met haar nieuwbakken echtgenoot Peter op de bank. De deurbel gaat. Manlief blijft zitten in de veronderstelling dat het kinderen zijn die Christmas Carols komen zingen. De jongedame gaat naar de deur. Daar treft ze haar zeer smakelijke maar nogal stille aanbidder Mark aan, die toevallig ook de beste vriend is van haar man. Een totaal onmogelijke liefde dus. Als ze iets wil zeggen, beduidt hij haar stil te zijn. Als afleidingsmanoeuvre voor de nietsvermoedende Peter zet hij kerstmuziek aan.

De schat heeft een respectvolle liefdesverklaring op diverse kartonnen bordjes geschreven, die hij op uiterst aandoenlijke wijze één voor één voor Juliet omhoog houdt. Zijn boodschap is duidelijk: hij houdt van haar maar legt zich neer bij de situatie. Als hij klaar is, zet hij de muziek uit, draait zich om en loopt weg. En net als je denkt: Juliet, jij stommerik, ren er achter aan!, doet Juliet precies wat je hoopt en beloont ze Mark met een klinkende kus. Maar daar blijft het dan ook bij. Toch nog een beetje gerechtigheid voor die lieve Mark. Want om eerlijk te zijn, had ik veel liever gezien dat híj met haar getrouwd was in plaats van Peter.

Als de aftiteling loopt, bekruipt mij opnieuw het inmiddels bekende, warme en gloedvolle gevoel. Een diepe, contente zucht ontsnapt me.

Mijn romantische ziel kan er weer een jaartje tegen.

© Pascale Bruinen

Bloem

Haar naam zegt alles.

Ze is als een mooie bloem. Een bloem die nog net niet helemaal open is. Een bloem die nog lang niet al haar geheimen heeft prijsgegeven. Zo’n bloem waar je altijd naar zou kunnen blijven kijken.

Haar beeltenis straalt me tegemoet vanaf het krantenpapier. Ik zie een jong, fris en open gezichtje. Ik moet even slikken.

Haar glimlach is beeldschoon. Welke poel van ellende heeft ze weten te verbergen met deze oogverblindende lach? Ik voel een steek in mijn hart.

Terwijl haar ogen lijken te twinkelen, worden de mijne vochtig.

Niemand die het zag aankomen.

Het lijkt een doodgewone dinsdag. ’s Ochtends drinkt ze zoals altijd thee met haar moeder en smeert ze haar boterhammen voor de lunch. Boterhammen die ze nooit meer zou opeten. Ze had immers een trein te halen.

Maar de trein haalde haar.

Een vrolijke meid, deels nog kind, deels al vrouw. Een slimme meid, die prachtige punten haalde op school. Een hartelijke meid, die nooit te beroerd was anderen te helpen als ze problemen hadden.

Maar wie hielp haar in haar donkerste uren?

Door mijn tranen heen dansen de letters van haar prachtige afscheidsgedicht voor mijn ogen. “Als het sneeuwt, ben ik het vlokje dat in jullie handen valt”. Deze zin snijdt me rauw door mijn moederhart.

Mijn gedachten tollen in het rond. Voor dit soort verlies bestaan geen woorden. Toch probeer ik ze te vinden. Ik moet wel.

Afschuw. Verdriet. Onrechtvaardigheid. Machteloosheid. Geen van alle bieden ze enige genoegdoening.

Ik voel nu iets anders zijn lelijke kop opsteken. Woede. Pure woede bij de gedachte dat een stel laffe pestkoppen dit drama op hun geweten hebben.

Haar schriften onthullen een gebroken jonge ziel. Gebroken door jarenlange pesterijen wilde en kon ze niet meer verder. De pijn was ondraaglijk. Die 11e december 2012 was het klaar. Ze zag geen andere uitweg meer dan een gewelddadige ontmoeting met dodelijk staal.

Haar naam zegt alles. Ze was als een mooie bloem. Een bloem die geknakt is nog voordat ze in volle bloei kon staan.

Sneeuwvlokjes zullen voor mij nooit meer hetzelfde zijn.

© Pascale Bruinen