Betaling in Natura

Het is hennephaaldag. De hele zitting staat volgepland met verdachten die een weedplantage hadden. Omdat de groei van de verboden planten stroom vreet, hebben sommigen ook nog elektriciteit gestolen door de meter te (laten) manipuleren. Dat kan tot levensgevaarlijke situaties leiden, bijvoorbeeld kortsluiting gevolgd door brand.

De volgende verdachte is een vrouw die er een stuk ouder uitziet dan haar kalenderleeftijd van 29 aangeeft. Ze heeft een bleek, vlekkerig gezicht. De uitgroei van haar blondering is tot aan haar oren gezakt. De slobbertrui kan niet verhullen dat ze graatmager is. Ze ziet er ongezond uit.

Ze bekent de hennepplanten op zolder te hebben gehad, zo’n 150 stuks. Het was de eerste keer. En ja, voor de stroom buiten de meter om te laten leggen heeft ze een mannetje laten komen. “Ik had afgesproken dat ik die man € 500,- zou betalen”, zegt ze terwijl ze luidruchtig haar neus ophaalt.

“Hoe heeft u die man dan betaald?”, vraag ik haar omdat ik in het dossier heb gelezen dat ze ruim € 15.000,- schuld heeft. “U had toch helemaal geen geld maar alleen schulden?”

“Toen hij een paar dagen later kwam, had ik mij uitdagend gekleed. Ik wilde het er op aan laten komen dat ik in natura zou betalen. Ik heb die man vier uur lang bezig gehouden. Ik vond hem wel aantrekkelijk”.

Soms kun je als officier ook te veel informatie krijgen. Ik vraag me onwillekeurig af hoe die elektricien er dan wel niet uitzag, want onze verdachte is bepaald niet moeders mooiste. Als ik een snelle blik werp in de richting van de politierechter – die toch wel wat gewend is – zie ik dat zij de verdachte aanstaart.

“Zo, zo, vier uur lang. Dat is een hele tijd”, hoor ik de rechter droogjes zeggen. “Dat hij dan ook nog tijd heeft gehad om de stroom om te leiden. Knap hoor”.

“Ja hè? Hij had het zó gefikst!”, roept verdachte.

“Dat geloof ik graag”, antwoordt de rechter.

Ik vorder dat verdachte een werkstraf krijgt. Een geldboete zie ik bij deze verdachte niet zitten. Niet alleen omdat ze financiële problemen heeft, maar vooral vanwege haar instelling.

Want voordat je het weet, staat ze ook uitdagend gekleed op de stoep bij het Centraal Justitieel Incassobureau.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

3adf1f0a-3e1f-11e5-982d-c6ae4a83349e

Jammer genoeg voor de elektricien zag de dame in kwestie er niet zo uit…

Vers lijk

Ik zit nietsvermoedend achter mijn bureau als mijn opleider ineens aankondigt dat ik naar een gerechtelijke sectie moet. Pardon? Even denk ik nog dat een grapje is, maar het blijkt een serieus voorstel. Hoort bij de opleiding.

Het idee om lijfelijk aanwezig te moeten zijn als een dode van boven tot onder wordt opengesneden vind ik niet bepaald aanlokkelijk. Ik verdring deze informatie in de veronderstelling dat het toch al heel raar moet lopen, wil er zich binnenkort een dergelijke onverkwikkelijke situatie voordoen. Vanaf nu mogen er gewoon geen niet-natuurlijke doden meer vallen.

Twee dagen later ben ik met kramp in mijn maag onderweg naar het mortuarium van het ziekenhuis. Eentje is toch verscheiden, hoogstwaarschijnlijk door een overdosis harddrugs. De politie troost me met de mededeling dat ik ontzettend veel geluk heb. Mijn eerste lijk is namelijk een vers lijk. Om vervolgens in geuren en kleuren te verhalen over de staat waarin een oud waterlijk pleegt te verkeren.

Naar goed plaatselijk gebruik wordt er voorafgaand aan het snijfestijn eerst gezellig samen vlaai gegeten met de politie, de patholoog-anatoom en zijn slagershulpje. Een beer van een vent met handen als kolenschoppen. Ik krijg nauwelijks een hap door mijn keel.

Maar dan moet ik er aan geloven. Het lijk van de onfortuinlijke man ligt op een stalen tafel. Kort na de incisie in Y-vorm begin ik een penetrante rotte eieren lucht te ruiken. De patholoog zegt dat we allemaal zo ruiken van binnen. Lekker!

De ervaring valt uiteindelijk mee. Ik val niet flauw, hoef niet over te geven en vind het zelfs interessant om menselijke organen van zo nabij in het echt te zien.

Bij thuiskomst sla ik de spaghetti bolognese voor één keertje over.

Kwestie van verkeerde associaties.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad en heeft geleid tot de titel van mijn eerste boek, Mijn eerste lijk is gelukkig vers.

1280px-Rembrandt_Harmensz._van_Rijn_007

Dit is een wat minder vers lijk…

“Zeg, ken ik u niet ergens van?”

Mijn vrij anonieme bestaan als officier van justitie eindigt abrupt nadat ik ben gefilmd voor het tv-programma De Volgende Zaak van SBS 6. Veronderstel ik eerst dat er toch bijna niemand naar kijkt, blijkt vervolgens dat het meteen achter het kijkcijferkanon van “Peter R. De Vries, misdaadverslaggever” is geprogrammeerd. Daar gaat mijn low profile.

Gelukkig ben ik telkens maar een paar seconden in beeld en niet eens van dichtbij. Maar ik heb de macht van televisie schromelijk onderschat. Want hele volksstammen hebben mij gezien én herkend. En dat zal ik weten ook.

Als ik in een kiosk nietsvermoedend een tijdschrift wil kopen, kijkt de man achter de kassa me ineens aandachtig aan. “Ken ik u niet ergens van?”, vraagt hij. Ik zeg dat ik denk van niet. Even later roept hij door de zaak: ”Hé, u was gister op tv! U bent officier van justitie!”. Ik ben verbijsterd, want ik heb nu nota bene mijn haren in een paardenstaart en niet los, zoals op televisie.

“Hmm”, mompel ik zo onopvallend mogelijk. De klanten die achter me in de rij staan, stappen opzij en gapen me aan. “Jahaa”, roept er eentje, “ze is het!” Nieuwsgierig kijken ze naar het gekochte tijdschrift dat de verkoper tergend langzaam oprolt. Ik wil zo snel mogelijk weg. “Ze leest Oprah Magazine!”, fluistert eentje triomfantelijk tegen de rest in de rij. Even weet ik hoe de harige bewoners van de Apenheul zich moeten voelen. Of een willekeurige BN-er.

Ik slaak daarom een zucht van verlichting als de serie uitzendingen is afgelopen. Alles weer terug naar normaal. Ware het niet dat ze de reeks in de slappe zomermaanden herhalen zodat ik wéér wekelijks met mijn snufferd op tv kom.

En ja hoor, ook de weken erna moet ik van de onwaarschijnlijkste mensen tot vervelens toe horen dat ik officier van justitie ben. Alsof ik dat nog niet wist. Zelfs een verre neef die ik sinds mijn kindertijd niet meer heb gezien, houdt me staande in de stad.

Maar net als ik die aandacht stiekem wel een beetje leuk begin te vinden, zijn ook de herhalingen voorbij. Dat waren ze dan.

Mijn fifteen minutes of fame.

© Pascale Bruinen

15-minutes-of-fame

Een blunder op nationale televisie

“Jij hebt morgen toch die kantonzitting?”, vraagt de persvoorlichter fijntjes. Zijn toon bevalt me niet. Ik ruik onraad.

“Ja, hoezo?”

“Ik was vergeten te zeggen dat SBS 6 komt filmen voor hun nieuwe programma”.

Hmmm, daar zit ik niet echt op te wachten.

“Word ik dan zelf ook gefilmd?” Het komt er wat gepikeerder uit dan gepland.

“Ja, dat is wel de bedoeling. Het wordt vast leuk. En de rechter heeft al toestemming verleend”, zegt hij op zo’n manier dat daarmee de kous af is.

Na een nacht waarin ik wat minder goed heb geslapen dan normaal, kom ik aan bij het kantongerecht. De busjes van de filmploeg zijn al gearriveerd. Jongens in zwarte kleding lopen af en aan. In de zittingzaal staan extra lampen opgesteld. Fijn. Zo kan heel tv-kijkend Nederland mijn wallen niet alleen in close-up, maar ook in het felle licht zien. Het scheelt overigens maar een haar of mijn tv-debuut gaat helemaal niet door omdat ik bijna mijn nek breek over grote trossen kabels.

“Ben je er klaar voor?”, vraagt de kantonrechter. Zo klaar als ik maar zijn kan om op nationale tv te komen terwijl ik dat niet wil, denk ik mokkend. Maar hardop zeg ik: “Ja hoor”. Mijn rustige toon staat in schril contrast met mijn gemoedstoestand.

“Als het rode lampje brandt, loopt de camera. Doet u gewoon wat u altijd doet. Dus niet recht in de camera kijken”, instrueert een van de men in black. Blijkbaar went alles want na een tijdje lijkt het een doodgewone zitting en ben ik zelfs bijna vergeten dat ik word gefilmd.

Tot het moment dat ik even niet oplet waardoor ik een vrijspraak krijg die ik misschien had kunnen voorkomen door tijdig de tenlastelegging te wijzigen. Ik word vuurrood. Dit is me nog nooit gebeurd. Gelukkig gaat het om een gering feit. Maar toch. Nu kan de hele natie hiervan meegenieten. Ik hoop vurig dat het eruit wordt geknipt. Zo niet, kan ik beter doen alsof er niks bijzonders is gebeurd. Ik moet ferme taal spreken.

“Ik beraad me op hoger beroep”.

Het komt eruit met een piepstem.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images

‘En wanneer krijg ik dat geld dan?’

Een bejaarde man komt de rechtszaal binnen schuifelen. Hij wordt verdacht van het beledigen van zijn buurman, met wie hij al jarenlang ruzie heeft om een erfafscheiding. Hij kijkt naar ons, doet vervolgens met een sierlijke zwaai zijn hoofddeksel af en stapt met uitgestoken hand van het formaat kolenschop op de rechter af. Hij zegt beleefd zijn naam en schudt de verbouwereerde rechter weinig zachtzinnig de hand.

Handen schudden is allesbehalve gebruikelijk tijdens een zitting, maar niet alle verdachten kennen de gebruiken in een rechtszaal. Soms tot heimelijke hilariteit van rechter, officier van justitie en griffier.

Voordat ik een passende reactie kan geven op het handengeschud, heeft hij ook mijn hand en die van de griffier bijna verbrijzeld.

De zitting verloopt nogal kolderiek omdat hij hardhorend is. Eerst komt hij zowat bovenop mijn lessenaar staan. Als het mijn beurt is voor het requisitoir, moet ik bijna schreeuwen wat ik van het bewijs en de strafmaat vind. Omdat hij het nog steeds niet goed hoort, vraagt hij telkens of ik het kan herhalen. En of dat allemaal nog niet genoeg is, kijkt hij mij tijdens mijn hele luidruchtige betoog angstvallig in de ogen, waarbij hij zijn hand als een kommetje om zijn linkeroor houdt.

De rechter besluit mijn eis over te nemen en veroordeelt hem tot een geldboete: “U krijgt 200 euro, maar daarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar”. De man fronst zijn wenkbrauwen, waarop de rechter vraagt of hij het wel begrepen heeft. “Wanneer krijg ik dat geld dan?”, roept hij luid. Ik kijk steels ter linkerzijde en zie de rechter rood aanlopen. Zelf probeer ik onsuccesvol mijn gezicht in de plooi te houden.

Nadat de rechter het uitgelegd heeft, kijkt hij oprecht teleurgesteld, maar hij herstelt zich snel. Hij neemt zijn pet in zijn hand, maakt daarna een buiging en roept bij het naar buiten gaan richting ons drietal: “En bedankt, hè!”

Hij meent het nog ook.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad

images

Modepolitie

Als officier van justitie hoefde ik me zelden te bekreunen over wat ik nu weer eens aan moest trekken. Want als de zittingzaal riep, was ik het overgrote deel van de dag onder de pannen in mijn vrijwel alles verhullende toga.

Voordeel: ik had niet veel werkkleding nodig. Hoewel dit bij nader inzien meer een nadeel was, want zo had ik ook geen excuus om vaker te gaan shoppen. Nog een pré: eventuele post-vakantiekilootjes vielen niemand op in mijn oversized toga maatje XXXL. Voorwaar géén little black dress. Als ik ook nog verplicht getooid met een pruik naar zitting had gemoeten, zou ik zelfs geen last meer hebben gehad van een bad hair day. Ideaal toch?

Maar nee, hier in Nederland moeten officieren met hun eigen haar naar zitting. En die zwarte toga was en is, nou ja, heel erg zwart. Vooruit, de witte bef doorbreekt het nog een klein beetje, maar voor de rest… Het is al met al een wonder dat officieren – zelf nota bene hoeders van de wet – nog niet massaal zijn opgepakt door de modepolitie.

Daarom is het de hoogste tijd dat dit kledingstuk ein-de-lijk eens wordt gepimpt. Ik roep alle fashiondesigners daarom hierbij op hun tanden eens te zetten in Project Courtroom. Eens zien wat dat gaat opleveren. Al zal er eerst een heuse wetswijziging nodig zijn omdat zelfs de eisen waaraan een toga moet voldoen wettelijk zijn vastgelegd.

Misschien wordt het wel een toga in ingetogen beige voor een zedenzaak, een veelkleurige toga met speciaal draaideur-effect voor veelplegers en een witte toga met in het midden een uit de kluiten gewassen lieveheersbeestje voor geweldzaken. Ik zie het meteen voor me.

En natuurlijk kunnen aanklagers niet zonder een his and hers-versie voor formele gelegenheden, bijvoorbeeld bij de officiële installatie van een nieuw lid van de rechterlijke macht. Voor de dames zachtroze, uiteraard afgewerkt met de nodige glitters. Voor de heren nachtblauw, voorzien van een satijnen bies. Vanzelfsprekend afgemaakt met een customized bef voor iedereen.

Zeker weten dat het Openbaar Ministerie voortaan de blits zal maken in elke zittingzaal.

Aldus zou ik requireren tot spoedige aanbesteding van dit project.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

IMG_1068

Over mietjes, vogels en takkewijven

Vrouwen veroveren stormenderhand de rechterlijke macht. Was dit vroeger nog een (grijze) mannenbolwerk, tegenwoordig is het percentage vrouwen gestegen tot meer dan vijftig procent.

Grasduinend op internet kom ik bij opzij.nl een oud artikel over deze materie tegen. Daarin vat een rechtbankverslaggeefster de reputatie van vrouwelijke magistraten kort en bondig samen: “Je hebt mietjes en takkewijven”. Het is maar dat ze het weten.

Tot de jaren vijftig werden vrouwen overigens niet eens toegelaten tot deze nobele ambten omdat ze “ongeschikt waren vanwege hun natuurlijke aanleg en geestelijke eigenschappen”. Zo werden ze verondersteld “emotioneler dan mannen” en “minder abstract denkend” te zijn waardoor ze “te weinig beoordelingsvermogen” hadden en het beroep “minder aanzien gaven”.

Waren ze als vrouwelijke beroepsgroep destijds al niet populair onder de heren juristen, anno nu zijn ze dit bij verdachten in sommige zaken nog steeds niet.

“Als het om zedenzaken gaat, hebben verdachten liever een man omdat ze denken dat vrouwen strenger zijn”. Aldus Erik van der Maal van de Bond van Wetsovertreders, een vereniging die opkomt voor (ex-)gedetineerden.

En ja, soms sprak het gezicht van een mannelijke verdachte inderdaad boekdelen als hij binnen kwam voor de behandeling van zijn zaak en tegen vijf vrouwen – drie rechters, de griffier en ondergetekende – op rij aan keek.

Toch waag ik te betwijfelen dat deze gedachte correct is. Op basis van mijn jarenlange beroepsmatige ervaring eisen vrouwelijke officieren bij zedenzaken niet hoger dan mannelijke officieren, noch zag ik dat vrouwelijke rechters strenger straffen dan hun mannelijke collega’s.

Hoe zakelijk, zelfstandig en geëmancipeerd wij als hoog opgeleide professionals ook mogen zijn, ik heb de indruk dat we allemaal wel eens worstelen met de mate waarin we onze vrouwelijkheid in ons werk durven uit te dragen. Misschien wel uit angst om voor dat “mietje” versleten te worden.

Maar kennelijk laten vrouwelijke magistraten hun XX-chromosomen op zitting toch meer spreken dan ze zelf denken. Zo ziet Van der Maal wel degelijk een verschil in aanpak met hun mannelijke collega’s: “Vrouwen stellen persoonlijke vragen, laten je uitpraten, stellen je meer op je gemak. Best belangrijk als je terechtstaat voor een rij vogels in zwarte jassen die vanaf een podium op je neerkijken”.

Ok. Zo had ik mijzelf als magistraat in de rechtszaal nog nooit eerder bekeken.

Maar voor het geval ik alsnog mag kiezen ben ik met terugwerkende kracht toch liever een vogel dan een takkewijf.

© Pascale Bruinen

http://pascalebruinen.com

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

takkewijf

Hmmm, ik weet niet of dit een tegelwijsheid is die ik aan de muur zou willen hangen…