Call me Heidi

Het is een mooie avond aan boord van ons cruiseschip. We zijn in geanimeerd gesprek met onze tafelgenoten John en Nancy uit New York. Een gezellig koppel met wie we meteen een klik hebben. We eten nu de tweede avond samen en het lijkt alsof we elkaar al jaren kennen.

“We vroegen ons gisteravond af op wie wij jou toch vinden lijken”, zegt John tegen me als ik de menukaart bestudeer. Verrast kijk ik even op.

“En zijn jullie er uit?”, vraag ik nieuwsgierig. Maar John houdt het nog even spannend.

“Wij zaten te denken aan een actrice of zo, je hebt iets bekends over je”.

”Een actrice?  Hmm, dan ben ik benieuwd!” Al kan ik geen A-lister oproepen op wie ik zou lijken, gevleid ben ik wel.

“Maar we kwamen tot de slotsom dat je meer lijkt op een zangeres”, vult Nancy aan. Oh. Dat klinkt op de een of andere manier al beduidend minder spannend. Terwijl ik in gedachten vaststel dat ik niet lijk op Madonna, niks weg heb van Shakira en zeker nooit kan doorgaan voor Rihanna, roept John triomfantelijk het verlossende antwoord.

“Wij vinden je sprekend lijken op Olivia Newton-John!”. Ok. Ik kan zeker slechtere vergelijkingen bedenken.

“Nou, dank je wel!”, zeg ik gemeend en zet meteen hun vergelijking kracht bij door aan tafel uit te barsten in de eerste strofen van Hopelessly Devoted To You. Olijfje is zo gek nog niet. In de vorige eeuw was ze een paar hele weken mijn idool. En dat wilde wat zeggen. Ik heb zelfs nog foto’s waar ik op sta met zo’n achterlijk kortgeknipte Sandy-pony, die toen helemaal hot was.

‘”Maar je laat ons ook denken aan Heidi Klum”, gaat John vrolijk verder. Ik verslik me bijna in mijn drankje. Oh oh oh, wat zou ik deze goede man graag willen geloven. Maar zelfs bij zeer flatterend licht zou een slechtziende zonder bril mij helaas nooit kunnen verwarren met dit topmodel. Maar ik moet toegeven, in één adem genoemd worden met Heidi Klum is ondanks het zeer geringe waarheidsgehalte toch een enorme egobooster. En dus koester ik de absurde vergelijking  tegen beter weten in. Mijn avond kan in ieder geval niet meer stuk.

De volgende dag gooi ik alles in de strijd om de mooie illusie nog een tijdje in stand te houden. Ik besluit dat ik zo glamorous mogelijk aan dek wil verschijnen. Dus maak ik mijn haren mooi recht met de stijltang en laat ik ze daarna los hangen in plaats van in zo’n onelegant alleen-maar-bestemd-om-te-zonnen-knotje en doe ik lipgloss en twee lagen mascara op.  Ik hijs me in een veelkleurige tuniek, zet de grootste zonnehoed op en trek mijn open sleehakschoenen van zes centimeter hoog aan. Dan kom ik pakweg nóg zo’n vijf centimeter te kort om überhaupt qua lengte voor Heidi door te kunnen gaan, maar ach. Een kniesoor die daar op let. Bovendien plan ik om in een zo gunstig mogelijke pose op mijn ligbed te blijven liggen.

Noodzakelijk is ook een grote, donkere zonnebril want mijn ogen zijn – in tegenstelling tot die van Heidi – licht van kleur. Ik zou natuurlijk hazelnootbruin gekleurde lenzen kunnen overwegen, ware het niet dat we midden op zee zitten en die dus niet verkrijgbaar zijn.

H. bekijkt me ondertussen met opgetrokken wenkbrauwen. “Wat ben je allemaal aan het doen? We gaan toch alleen aan dek liggen?”, vraagt mijn wederhelft.

“Ja, dat weet ik wel maar het oog wil ook wat”, zeg ik omdat me in de gauwigheid niks anders dan dit cliché te binnen schiet. “En trouwens”, vervolg ik op zogenaamd serieuze toon, “ik wil graag dat je me vanaf nu als Heidi aanspreekt”. We kijken elkaar aan en barsten dan allebei in lachen uit.

“Oh dát is het”, roept H. “Ik ben benieuwd hoe lang je dit” – hij gebaart nu naar mijn flamboyante verschijning – “volhoudt met die harde wind buiten!”. Hè bah, dat had hij nu niet moeten zeggen. Ik zit net zo lekker op mijn roze Klum-wolk.

“Dat zullen we nog wel eens zien!”, roep ik provocerend. “Die sterren zitten allemaal over the top uitgedost op het strand, ik zou niet weten waarom ik niet zo aan dek zou kunnen”.

“Ik kan wel een paar redenen bedenken”, zegt H. op zijn irritant logische toon. “Zoals daar zijn: jij hebt geen eigen kapper, styliste en visagist onder handbereik 24/7. Net zo min als een persoonlijke assistente die het zweet telkens van je gezicht dept. En het is wel lekker warm maar er zijn af en toe flinke rukwinden boven”.

Vastbesloten hem ongelijk te geven, ga ik naar dek veertien, het pooldeck. Zodra de automatische deuren open gaan, waaien mijn zorgvuldig gestijlde haren alle kanten op. En blijven vervolgens prompt plakken aan mijn glossy lippen. Ik weet gewoon zéker dat dit Heidi nooit gebeurt, denk ik geërgerd. H. ziet het wel maar geeft wijselijk geen commentaar. Al zie ik wel verdachte trekjes aan een van zijn mondhoeken.

Als ik tegen de hevige wind in naar een vrij ligbed loop, krijgt de wind plots vat op mijn zonnehoed en rukt die moeiteloos van mijn hoofd. Ik geef een gil. H. rent er, galant als hij is, met succes achteraan. Fijn! Het zorgvuldig gestylede totaalplaatje is nu al naar de filistijnen.

Ik worstel met mijn wapperende haren, in het rond vliegende handdoek en opwaaiende tuniek. Als de handdoek eindelijk heel even stilligt, laat ik me weinig charmant bovenop het bed vallen. Ik weet dat ik het niet zou moeten doen, maar ik kan het niet laten. Snel pak ik een spiegeltje uit de strandtas en controleer met angst en beven mijn reflectie.

Vanuit het zilveren rondje staart een totaal verwaaide vogelverschrikker me met grote ogen aan. Mijn haren staan bijna recht omhoog en zijn niet langer stijl, maar vertonen hun gebruikelijke irritante slagen. Overal op mijn gezicht zie ik de glitters van de lipgloss, behalve op mijn mond. En er loopt een zwarte veeg van mijn mascara over mijn linkerwang.

Het is overduidelijk.

Ik ben weer gewoon Pascale.

© Pascale Bruinen

heidi2

Om misverstanden te voorkomen: dit is de echte Heidi. Op het strand, met zonnehoed, zonnebril en – ja! – zo te zien óók worstelend met een handdoek! En wil je meer weten over cruisen, kijk dan ook eens op mijn andere blog, http://www.cruisecraver.com!

Slakkengang naar Barcelona

Slakkengang naar Barcelona

Het is 1951. Mijn avontuurlijk ingestelde ouders willen graag naar Spanje, maar daar kom je alleen binnen met een visum. Ze zijn een van de eersten in Nederland die speciaal naar Rotterdam afreizen om dit reisdocument te gaan halen.

Omdat ze wel reislust hebben maar niet veel geld, besluiten ze reisgenoten te zoeken die met hun mee willen reizen naar Barcelona om zodoende de kosten te delen. Uiteindelijk gaan zij met een bevriend koppel en nog twee anderen in hun Citroên Traction Avant op pad.

Ze vertrekken op een vrijdagmorgen. Einddoel die dag is Verdun, zo’n 250 kilometer verderop in Lotharingen. Geld voor hotels of pensions is er nauwelijks, dus is het de bedoeling dat ze ’s nachts met zijn vieren in de auto slapen. De andere twee overnachten buiten onder een zelfgemaakt afdekzeiltje, dat aan de imperial van de wagen wordt vastgemaakt.

Als de duisternis invalt, zetten ze de auto die eerste nacht noodgedwongen neer in een weiland. Campings bestaan nog niet. Bij het eerste ochtendgloren worden de nietsvermoedende schone slapers ruw gewekt door een legerofficier, die hun bars mededeelt dat ze zich midden in een manoeuvreveld bevinden. Als ze om zich heen kijken blijkt dit, gelet op de talloze soldaten die tot de tanden bewapend door het weiland lopen, aardig te kloppen. Hij beveelt het geschrokken gezelschap onmiddellijk op te breken.

De tweede dag rijden ze tot in Chevray Chambertin, op ongeveer 500 kilometer. Door schade en schande wijs geworden bellen ze dit keer ’s avonds aan bij een boerderij, om te vragen of ze in het weiland van de boer mogen overnachten.

De agrariër vindt het prima en haalt hen naar binnen om samen subiet aan de wijn te gaan. De godendrank bevalt mijn ouders en de andere twee koppels zo goed, dat ze graag een aantal flessen willen kopen. Omdat ze niet al te veel geld te besteden hebben, offreren ze de Franse boer gul een paar flinke stukken Goudse kaas om hem gunstig te stemmen en een zacht prijsje te bedingen.

De boer neemt de kaas dankbaar in ontvangst, maar rekent vervolgens doodleuk de normale prijs voor de wijn. Danig teleurgesteld over zoveel gierigheid vertrekt het hele gezelschap. Dit incident verleidt mijn vader tot het slaken van de hartenkreet: “C’est dommage du fromage!”

De derde dag – het is inmiddels al zondag – voert hen naar het Rhônedal, tot iets voor Lyon. Daar aangekomen willen ze graag weer op een boerenterrein staan. Maar omdat er een hels onweer losbarst, staat de heer deze huizes erop dat ze allemaal binnen komen overnachten.

Ze mogen, nee móeten prompt aanschuiven in de keuken van de eenvoudige boerenhoeve. Gevraagd naar hun reisplannen voor de volgende dag zeggen ze al om zeven uur ’s morgens te zullen vertrekken.

Al snel komen er melkkleurige drankjes op tafel die ze nog nooit eerder hebben gezien. Ze smaken naar anijs en drinken lekker weg. De boerin zet zelfgemaakte stoofpot op de robuuste houten tafel. Alles gaat op. Het leven is goed.

Tot de dag erna, als ze alle zes pas laat op de maandagochtend met zo’n houten kop wakker worden dat ze even niet meer weten hoe ze het hebben. De geplande vertrektijd van zeven uur ’s morgens wordt drie uur ’s middags. Maar niemand die er om maalt.

Ze gaan dus pas op pad als de vierde dag al meer dan half om is. Omdat ze eigenlijk te veel gewicht bij zich hebben om de bergen in te rijden, vragen ze aan het boerenkoppel of ze een deel van hun bagage daar zolang achter mogen laten. Vanzelfsprekend mag dat. Niemand die in het in zijn hoofd zal halen om daar iets van te stelen. Het is een kwestie van eer en gastvrijheid.

Die maandag voert hun tot in de Pyreneeën. Ze gaan met zijn zessen in die kleine auto bergop niet harder dan zo’n tien tot twintig kilometer per uur. Ze passeren kleine bergdorpjes en klimmen alsmaar hoger met de Citroên. Als ze de zoveelste haarspeldbocht met succes hebben genomen, duikt langs de kant van de weg een verkeersbord op dat ze al vaker hebben gezien op deze bergpas. Een van de dames achterin roept verbaasd: “Oohh, dat Danger de Mort, dát is pas een grote stad! We zijn er nog steeds doorheen aan het rijden!” Hilariteit alom in het autootje bij de andere leden van het gezelschap die wel voldoende Frans begrijpen.

Na een afmattende dag in de bergen en zonder boerderij of weiland in de buurt, besluit mijn vader bij het vallen van de avond de auto dan maar langs de kant neer te zetten. Uit veiligheidsoverwegingen parkeert hij de auto zoveel mogelijk aan de uiterste kant van de weg.

De eerste die ’s ochtends zijn ogen open doet en de stramme leden – na een nacht opgevouwen in de wagen te hebben doorgebracht – buiten de auto wil gaan strekken, krijgt de schrik van zijn leven. De auto blijkt op zo’n dertig centimeter van een diep ravijn te staan, een kleinigheid die mijn vader de avond tevoren door de duisternis en vermoeidheid over het hoofd heeft gezien.

Maar vandaag, op de vijfde dag van hun grote avontuur, is het zover: ze zullen allemaal voor het eerst van hun leven de Spaanse grens passeren.

Barcelona lonkt.

© Pascale Bruinen

slakkengang naar Barcelona2

Nou, zo moet het er ongeveer hebben uitgezien, zij het dat mijn ouders niet over de luxe van een echte tent beschikten. Als je ook mooie familie-verhalen kent van avontuurlijke reizen, kun je die hier delen met anderen.

Verdacht op het Vliegveld

Ik weet niet hoe jij erover denkt, maar ik kan niet wachten totdat eindelijk die achterlijke beperkingen voor de handbagage bij vliegreizen worden opgeheven.

Sinds die keer dat die ene malloot een vloeistof aan boord heeft gesmokkeld die kennelijk in combinatie met een ander vloeibaar goedje een explosief mengsel opleverde, zijn de regels – tot mijn oneindig chagrijn – flink aangescherpt.

Begrijp me niet verkeerd: natuurlijk wil ik dat vliegen zo veilig mogelijk is. Maar of je dat met dit soort draconische maatregelen ook bereikt is vers twee. Bovendien gaat ons “bevallige” duo Valerio Zeno en Dennis Storm in Proefkonijnen wellicht nog bewijzen dat je ook een explosief met maximaal 100 ml vloeistof kunt maken. Enfin. Als ik op vakantie ga, en dat gebeurt nog wel eens, ondervind ik er in ieder geval alleen maar nadelen van.

Zo zit ik altijd te pielen met die tien flesjes van maximaal 100 ml waar ik dan de inhoud van diverse andere flessen in over moet gieten. En dan maar zien hoe ik ze allemaal in dat doorzichtige plastic tasje krijg gewurmd. Gewoon stom!

En dan dat geëmmer met nagelvijltjes, schaartjes, scheermesjes en pincet. Niks van dat alles mag in de handbagage, want stel je voor ik zou die al te harige wenkbrauwen van de piloot eens willen epileren midflight. Dát is pas gevaarlijk. In vergelijking met dit giga veiligheidsrisico valt zelfs de kerosinegierigheid van een zekere Ierse prijsvechter totaal in het niet.

Ondanks dat er zoveel waarschuwingsborden hangen over verboden spullen dat zelfs lijders aan Alzheimer de boodschap niet zouden kunnen vergeten, beklijft het lang niet bij iedereen. Zo keek ik onlangs raar op toen ik bij de controle achter een boomlange kerel in de rij stond die doodleuk een groot mes bij zich bleek te hebben. En ook nog, ik lieg niet, verontwaardigd was toen hij het moest inleveren. Hmmm, wat zou hij daarmee nu aan boord hebben willen doen? Zijn tandsteen verwijderen?

Uiteraard hou ík me altijd keurig aan de regels. En ging er voetstoots van uit dat de rest van het gezin dit ook zou doen. Not so.

Flashback naar een aantal jaren geleden. We vliegen met de kids naar Mallorca. Mijn tienjarige dochter wil haar hele hebben en houden meenemen als handbagage (goh, van wie zou ze dat toch hebben?). Geduldig leg ik haar uit dat ze het zal moeten doen met haar rugzak. Opgewekt propt ze die vol met spulletjes om zich mee te vermaken aan boord.

Bij de controlepost aangekomen vraagt een beveiliger geroutineerd aan mij of we geen verboden spullen in de tassen hebben. Blakend van zelfvertrouwen verzeker ik hem van niet en geef hem mijn stralendste glimlach. Een medewerker zit ondertussen verveeld op zijn schermpje te turen. Ineens zie ik dat deze rechtop gaat zitten. Zijn ogen vernauwen zich. Als hij nog een paar seconden op het scherm heeft gekeken, zie ik dat hij aanwijzingen geeft aan een collega.

Ik sla het tafereel met stijgende ongerustheid gade. Hier word ik nu zenuwachtig van. Túúrlijk, ik weet dat we niks verbodens bij ons hebben, maar toch. Waarom kijkt die man zo raar? En – oh God! – waarom wordt mijn dochters rugzak ineens van de band geplukt? Ik probeer te slikken maar dat lukt niet erg met een  mond die ineens kurkdroog is geworden.

De uitpuilende rugzak van dochterlief wordt tergend langzaam en met veel vertoon leeggehaald. Tot mijn eigen verbazing en die van het gretig toekijkende publiek zie ik een onwaarschijnlijke hoeveelheid spullen uit het ding komen. Nadat de arme kerel al drie knuffels, een kaartspel, een pet, een zakje knikkers, een tennisbal, een notitieblokje en diverse boekjes uit de rugzak heeft gehaald, komt haar schooletui tevoorschijn. De man opent het en – néé hè! – haalt daar doodleuk een enorme schaar uit, die hij demonstratief aan mij (en de rest van de rij achter me) laat zien.

Ik voel dat ik een hoofd krijg als een biet. Net als dochterlief trouwens. Ik stamel dat ik dit écht niet wist. De man, gewend als die ongetwijfeld is aan de meest uiteenlopende rotsmoezen waarvan dit met afstand de állerslechtste is,  kijkt me alleen maar meewarig aan. De schaar wordt met veel tam tam geconfisqueerd. Na nog de nodige vermanende woorden nederig te hebben geïncasseerd mogen we eindelijk verder lopen.

En terwijl ik met gebogen hoofd zo snel mogelijk richting gate loop, voel ik de ogen van de andere passagiers in mijn rug prikken.

Verdacht op het vliegveld.

Daar gaat mijn reputatie als brave luchtreiziger.

© Pascale Bruinen

Verdacht op Vliegveld

Ook eens zo’n gênant moment meegemaakt? Laat dan hier een reactie achter en deel het met anderen.

Walvisvaart maar dan anders

Het is zomer 2011 en we zijn in Monterey, Californië. Een klein, rustiek kustplaatsje zo’n kleine 200 kilometer ten zuiden van San Francisco. De grootste trekpleister van dit oord is walvissen spotten. Dat kan er het hele jaar door. Maar in de maand juli, als wij er zijn, komen de bultruggen en de blauwe vinvissen zich ter plekke tegoed doen aan de nodige tonnen plankton.

De trip heb ik al een half jaar eerder via internet vastgelegd want die is snel uitverkocht. Ik heb gekozen voor een halve dagtocht waarbij er een gespecialiseerd biologe aan boord is die uitleg geeft. We verheugen ons de hele ellendige winter lang op onze walvisvaart.

Als eindelijk de dag is aangebroken dat we het grootste zoogdier ter wereld gaan ontmoeten, zijn we al vroeg uit de veren. Een blik door het raam leert dat het druilerig weer is. De lucht is staalgrijs. Het is vrij koud buiten, maar er waait bijna geen wind. Oef, dat scheelt al weer. Want ik vind het bepaald geen aanlokkelijk vooruitzicht om met zo’n kleine schuit woeste golven te moeten trotseren, zelfs al is het doel van de tocht nog zo mooi.

Ik doe nog even snel een controle-rondje. Camera (opgeladen en wel)? Check. Extra batterij? Check. Extra sd-kaartje (voor het geval we in vier uur tijd meer dan 3000 foto’s willen maken of dat het kaartje onverhoopt overboord waait)? Check. Reisziekte-tabletten (voor alle zekerheid, je weet immers maar nooit of op zee niet ineens een storm opsteekt)? Check. Ijsmuts (voor mij natuurlijk, niet voor H.)? Check.

Ijsmuts? Jawel. Want hoewel het juli is en dus eigenlijk hartje zomer, is het rond deze tijd van het jaar vaak koel of zelfs kil en koud in noord-Californië. Vergeet ook dat lied van The Mamas and the Papas over een bloem in je haar doen als je naar San Francisco gaat. Dat is je reinste hippie-bullshit. In plaats daarvan kun je beter een (nep!) bontmuts opzetten, zo koud is het er soms ’s zomers.

Er is namelijk een levensgroot verschil tussen het klimaat in het noorden en het zuiden van deze prachtige staat. San Francisco is berucht vanwege de kou in de zomer. Hierbij moge worden volstaan met het citaat van Mark Twain die schreef dat de koudste winter die hij ooit had beleefd de zomer in San Francisco was. Waarvan akte. Want hoewel ik me gedegen heb voorbereid op de reis, vond zelfs ík het vooraf te ver gaan om een van mijn tig wollen mutsen mee te nemen.

Al snel na aankomst had ik daar spijt van. Want ik had het geregeld koud genoeg om er een op te doen. En bij het vooruitzicht dat we in deze temperaturen ook nog de volle zee op zouden gaan, leek het me een strak plan om op de valreep nog een ijsmuts aan te schaffen.

H. kon zijn ogen niet geloven toen hij me in een winkeltje in het nabijgelegen Carmel, waar we een schattige Bed & Breakfast hadden geboekt, zag staan graaien in een bak met allerhande winterse hoofddeksels. “Dat meen je toch niet serieus?,” kreunde hij. “Je gaat hier toch niet zo over straat lopen?”

“Nee, zeker niet,” stelde ik hem opgewekt gerust, “ik heb deze nodig voor op de boot.” Zijn gezichtsuitdrukking verried dat dit in zijn beleving niet heel veel verschil maakte. Maar ik, zelfbenoemde koukleum eerste klas, zette koppig door en koos uiteindelijk voor een donkerblauw exemplaar.

Terwijl ik stiekem moet glimlachen om deze herinnering, prop ik mijn felbevochten ijsmuts in de rugzak. Zo, nu ben ik – walvisvaarder nieuwe stijl – klaar voor vertrek. Met mijn paar truien over elkaar, een gevoerde jas met daarover nog een bodywarmer en sjaal zie ik er uit alsof ik op poolexpeditie ga.

Omdat het zelfs nog te vroeg is om in ons logement te ontbijten, begeven we ons met rammelende magen op weg. Al snel hebben we de auto geparkeerd in het kleine centrum van Monterey, vlakbij de pier van waar onze boot zal vertrekken.

Aan iemand die op dit vroege uur al druk bezig is met de groenvoorziening, vragen we waar we een lekker ontbijtje kunnen nuttigen. De man is uiterst vriendelijk en behulpzaam en wijst ons de weg naar een hippe eettent die twee straten verderop al open zou moeten zijn. En inderdaad. We zijn bepaald niet de eersten.

Terwijl we aan de blueberry pancakes met een gloeiend hete cappuccino zitten, komen er nog meer hongerige mensen binnen. Zo te zien allemaal walvisvaarders, getuige de dikke jassen, fototoestellen om de nek en – jawel! – wollen mutsen op het hoofd. Ha, ik bevind me in goed gezelschap! Triomfantelijk kijk ik naar H., die net doet of hij het niet ziet.

Nadat onze magen zijn gevuld, begeven we ons naar de pier. Als ik de boot zie waar we een halve dag mee de zee op gaan, moet ik even slikken. Wat is hij klein! Maar ja, wat wil je ook, gewend als ik ben aan cruiseschepen van 16 verdiepingen hoog en een paar voetbalvelden lang.

We schuifelen aan dek en gaan op een bankje zitten, dicht bij de reling. Als de boot uit vaart, passeren we talloze pelikanen en zeehonden. Wat zijn ze schattig! Maar goed, we zijn gekomen voor de walvissen. Als we na een dikke drie kwartier varen nog steeds alleen maar een enkele watervogel en een verdwaalde zeeotter hebben gezien, begin ik stilletjes te wanhopen.

En met mij de rest van de opvarenden. Iedereen zit wat voor zich uit te staren of speelt verveeld met zijn camera of mobiele telefoon. Totdat de biologe, die voorop in de kajuit zit, ineens door de microfoon roept: “A whale, at twelve o’clock!”. Een waar pandemonium breekt los. Iedereen schreeuwt en lacht opgewonden door elkaar heen. Als één man stormen we allemaal naar voren om een glimp te kunnen opvangen. Tegen de tijd dat ik me er ook tussen heb gewurmd en menig elleboog of hand heb moeten ontwijken, is niks meer te zien. Gespannen tuur ik op zijn Indiaans van links naar rechts.

Niks. Alleen de kalme, kabbelende golfslag en voor de rest…PPSSCHHHHIIIIIIIIITTTTTT!!! Een oorverdovend gesis doorbreekt de relatieve stilte. Als mijn ogen razendsnel het geluid volgen, zien ze nog net hoe er een torenhoge straal waterdamp de lucht in wordt geblazen. Meteen gevolgd door een gigantisch groot bovenlijf dat zich een stuk boven het water in een elegante boog verheft.

Het publiek is in één klap stilgevallen. Ook ik ben sprakeloos. Onwillekeurig houd ik mijn adem in. Ik heb gelukkig nog de tegenwoordigheid van geest om tijdig op het knopje “record” van de digitale camera te drukken. Maar ik kijk tegelijkertijd zelf live over de reling omdat ik niet wil dat er iets tussen mij en deze ervaring in staat.

Terwijl de biologe uitlegt dat we nog maar een klein stukje dichterbij mogen komen en dan verplicht de motor moeten afzetten om de walvis niet te storen, kijk ik met intense concentratie over het grijze water. Al snel zijn er een stuk of zes walvissen die recht voor onze boot zwemmen, in een soort van halve cirkel. Het is een magisch, plechtig gezicht.

Als de motor uit gaat, is de stilte aan boord oorverdovend. Het enige geluid dat ik hoor, is het water dat zachtjes tegen onze boot aanklotst. Iedereen is in awe. Ontroerd kijk ik naar deze majestueuze beesten, de grootste zoogdieren ter wereld, die ik in het wild van zo’n korte afstand mag bewonderen. De biologe doorbreekt de welhaast sacrale stilte door te zeggen dat we geluk hebben dat we er zo veel te zien krijgen.

En terwijl ik dit sensationele spektakel gelukzalig gade sla, tilt een van die reusachtige dieren plotseling zijn magnifieke staart uit het water als bracht hij mij een nautische groet.

Het leven wordt niet veel mooier dan dit.

© Pascale Bruinen

IMG_9834

Qua foto heb ik helaas niks beters dan dit, wat natuurlijk een slap aftreksel is van wat er in werkelijkheid was te zien. De filmpjes krijg ik jammer genoeg niet geupload.

Daarom ter compensatie nog een foto van deze olijke tweeling …

IMG_9875

 

en…

IMG_9892

… deze luie jongen!

Italiaanse Toestanden

Ons cruiseschip komt aan in de imposante haven van Napels. Na een ontspannen ontbijtje op het achterdek maken we ons op voor een excursie naar het überromantische Capri. Aan de kade worden we opgewacht door de gids van de dag. Hij ziet er uit als het prototype van de Italiaanse fatterige gentiluomo. Niet al te groot, diepgebruind en gekleed in een wit linnen hemd met dito broek, compleet met bordeelsluipers, wandelstok en Borsalino-hoed.

“Maaie neeme ies Ro-ma-no”, stelt hij zich met veel gevoel voor drama en sterk Italiaans accent aan ons voor. Hij neemt er zelfs even zijn hoed bij af. Zijn voornaam spreekt hij in slow motion uit. En voor het geval we het nog niet begrepen hebben: “Ai emme jorre toergaaide for de deie”. Iets zegt me dat het wel eens een hele lange deie kan gaan worden, daar op Capri.

Terwijl ik hem eens goed bekijk, vraag ik me onwillekeurig af wat hij in de slappe tijd van het jaar in Napels zoal doet. Ik zou me zomaar kunnen voorstellen dat hij her en der wat bijklust voor de Camorra. Ik zie het meteen voor me: Romano, chic gesoigneerd en gezeten op een Vespa scooter, die vanuit de binnenvoering van zijn design colbertje in alle rust een geweer met afgezaagde loop en geluidsdemper produceert en zijn target zonder zelfs maar met de ogen te knipperen omlegt. Wel vanaf zo’n afstandje dat zijn strakke maatpak er niet onder heeft te lijden, natuurlijk. En daarna op naar la mamma, die nietsvermoedend op hem wacht met een bord dampende pasta.

Ondertussen begeleidt het onderwerp van mijn criminele dagdroom ons groepje ostentatief rokend tot een paar honderd meter verderop, waar we ons op zijn aanwijzing gehoorzaam posteren bij de Superjet boot die ons naar Capri zal brengen. Ter plekke wenkt hij met een sigaret in zijn hand dat we allemaal dicht om hem heen moeten komen staan. Vervolgens deelt hij met brede armgebaren audiosets uit, waarmee we ook op een afstandje in verbinding blijven staan met onze “gaaide” als die de bezienswaardigheden wil toelichten.

Romano smoest wat met iemand die door moet gaan voor de plaatselijke kapitein Schettino en zie! Even later begeleidt hij onze kudde behendig langs de lange rij wachtenden de boot op, wat ons op de nodige valse blikken komt te staan. Maar daardoor kunnen we wel de mooiste stoeltjes bemachtigen: die bovenop het dek, in de zon met prachtig uitzicht.

De overtocht duurt zo’n 40 minuten. Zodra de boot snelheid begint te maken, voel ik de  afkoelende zeebries door mijn haren gaan. De middellandse zee flonkert en glinstert als een saffier. Aan de einder is het heiig. Het belooft een hete dag te worden. Dromerig kijk ik over de reling. Ik zie kleine vissersboten, catamarans en zeilschepen met wapperende witte zeilen die scherp afsteken tegen de diepblauwe lucht. Het monotone gedreun van de motoren werkt slaapverwekkend zodat ik een paar keer flink moet knipperen om mijn ogen open te houden.

Na een tijdje alleen maar zee te hebben gezien, doemen nu ineens hoge, steile rotsen op uit de nevel. Ik ga aan de reling staan en ontwaar in de verte de contouren van Capri. Bij iedere zeemijl dat we dichterbij komen, geeft het eiland meer details van zichzelf prijs. Ik zie nu dat de rotsen deels groen zijn. Mijn ogen dwalen over de luxueuze villa’s die zich aaneenrijgen op de heuvels als parels aan een ketting.

De boot mindert vaart. We gaan de haven in. Het eerste dat in me opkomt is dat het lijkt op Saint Tropez in vroeger tijden. De jachthaven is mooi maar vooral gezellig. En hoewel er genoeg juweeltjes van schepen liggen die alleen voor de allerrijksten der aarde te betalen zijn, is het niet zo over the top als de Zuid-Franse badplaats met al die megajachten met helicopterdek.

Romano is ook weer onder de levenden, zo blijkt al snel als ik het geknerp hoor van zijn lijzige stem over de audioset. Hij dirigeert ons met strakke hand naar buiten. We gaan eerst met minibusjes naar boven, naar Anacapri. De busjes bieden plaats aan 8 personen en zijn – slik! – zonder airco. Al snel wordt duidelijk waarom de busjes mini zijn: de slingerende, bochtige weg naar boven is supersmal.

Dat levert spannende, soms zelfs James Bond-achtige taferelen op. Zo neemt onze chauffeur met ware doodsverachting een haarspeldbocht en wordt in de curve plots geconfronteerd met én iemand die doodleuk midden op de weg scootert én een tegenligger. Nodeloos op te merken dat de “oehs” en “aahs” in ons flink verhitte busje niet van de lucht zijn. En dat komt niet alleen door het oogverblindende panorama.

Boven aangekomen gebaart Romano een ieder de audiosets in te doen. Maar al na een paar minuten blijken die krengen ware ondingen. Het met zwaar Italiaans accent doorspekt Engels van Romano werkt eerst nog op mijn lachspieren maar in no time vooral op mijn zenuwen. Zijn bedoeling is namelijk dat je de oortjes te allen tijde inhoudt, het ontvangstkastje aan je kleding hangt en vooral ademloos luistert naar het inhoudsloze gewauwel dat hij volcontinu uitzendt.

Ik besluit daarom al snel stiekem burgerlijk ongehoorzaam te zijn en de schoonheid van Capri zonder die irritante oortjes te gaan ervaren. Maar Romano, die als een havik waakt over zijn volgelingen, heeft al gezien dat ik de oortjes uit heb getrokken en is “notte emjoesed”. Vanuit zijn positie vanaf een metertje of twintig sommeert hij zogenaamd iederéén de oortjes steeds te blijven dragen, maar richt daarbij zijn Ray Ban blik recht op mij waarbij er geen glimlachje af kan. Met mijn dagdroom nog vers in herinnering doe ik ze gauw weer in. Zij het met frisse tegenzin.

Anacapri is schilderachtig met smalle, kronkelende straatjes geplaveid met kasseien, overal geurende bougainville en veel palmen. Tot mijn verrukking zijn hier veel winkeltjes die authentieke spulletjes verkopen van plaatselijke kunstenaars in plaats van het gebruikelijke made in Taiwan spul.

Hoewel er hordes toeristen lopen, valt de oprechte vriendelijkheid van de Capresi me op. Als ik H. enthousiast wijs op een enorme basilicumplant die in een hofje staat, wenkt de eigenaar ons om dichterbij te komen kijken. Ik complimenteer de oudere man in het Italiaans met zijn prachtige kruidenplant. Het volgende moment roept hij zijn vrouw erbij en laten ze ons – glunderend van trots –  ook andere zelf gekweekte groenten zien. Ze hebben alle een grillige vorm maar de zongerijptheid straalt er van af. Er ontspint zich een geanimeerd gesprek over de smaak van Italiaanse courgettes, aubergines en reuze tomaten. Als we afscheid nemen van dit hartelijke koppel, duwt de man ons ieder een flinke tak basilicum in de handen en wenst hij ons nog een goede reis. Ze zwaaien ons na alsof we elkaar al heel lang kennen.

Precies dit soort momenten is de reden waarom ik reizen zo fantastisch vind.

Even later rijden we terug naar beneden, naar Capri. Dat heeft een mooi centrum van witgekalkte huizen, luxe hotels en dure winkels te midden van veel mooie begroeiing en citroenboompjes. Niet voor niks dat je hier op iedere straathoek de wereldberoemde limoncello kunt proeven én kopen. Ondanks dat Capri zelf vrij klein is, zijn in het pittoreske stadje alle wereldberoemde modemerken vertegenwoordigd. Ook zie ik buitenproportioneel veel banken en geldautomaten. Het is duidelijk: Capri is gericht op de rich and famous.

De toerist uithangen maakt moe en hongerig. Gelukkig krijgen we van Romano maar liefst een heel uur vrij om een echte Napolitaanse pizza te gaan nuttigen. Via mijn oordopjes hoor ik hem tot wel driemaal toe benadrukken dat we alléén onze tanden mogen zetten in eentje die gebakken is in een houtoven. Gelet op de tijd is onze flamboyante gids gelukkig zo goed om een restaurant aan te raden en – oh toeval – laten we daar nou net vlakbij zijn!

Aangespoord door onze rammelende magen besluiten H. en ik niet te dralen en gelijk  naar binnen te gaan. Het is een gezellig restaurant met prachtig uitzicht op de baai. Maar wat nog belangrijker is: het ruikt er goddelijk en er zitten ook Italiaanse gezinnen aan de dis. Altijd een goed teken. Nu we hier toch zijn, gaan we voor de plaatselijke specialiteiten: de klassieke insalata caprese en een pizza margherita. Als ik om me heen kijk, zie ik nog vier tafeltjes volstromen met mensen uit onze groep.

“Volgens mij heeft Romano een deal met dit restaurant”, zeg ik tegen H. terwijl ik in een sappige tomaat bijt en tegelijkertijd met mijn hoofd knik in de richting van een stel uit ons groepje twee tafels verderop. Ik heb de woorden nog niet uitgesproken of ons gespreksonderwerp komt de zaak binnen lopen. Ik zie dat hij zijn hoed en zonnebril afzet. Daarna gaat zijn spiedende blik door de ruimte en zelfs vanaf mijn plekje kan ik hem bijna zien hoofdrekenen wat zijn reclame hem dit keer gaat opleveren. Even later heeft hij een onderonsje met de eigenaar. Bella Italia, waar de ene mano de andere wast.

Die Romano.

Onze gaaide heeft zo zijn kostje weer bijeen gegraaide.

© Pascale Bruinen

Romano

Hier is hij dan, compleet met die verdraaide audioset. Ondanks dat heb ik genoten op Capri. Het eiland is echt de moeite waard om te bezoeken, alleen al voor het fabelachtige uitzicht van bovenaf op de schitterende baai beneden. En als je er een keer mocht komen: vraag dan naar de enige echte Romano!

Skiën (2)

Terwijl ik steeds sneller en sneller achterstevoren op mijn ski’s de besneeuwde berg afglijd, staat H. boven nietsvermoedend te keuvelen met onze skileraar. In een reflex roep ik heel hard om hulp.

Het volgende moment zie ik dat ze allebei naar me kijken en hoor ik de geblondeerde Heineken-reclame-kloon met een sappig Zwitsers accent roepen dat ik me moet laten vallen.

Ik besluit dit advies meteen op te volgen voordat er echt ongelukken gebeuren dus gooi ik me weinig stijlvol opzij in de sneeuw. Au! Dat wordt een blauwe plek. Ik zie dat ik ongeveer één derde van de piste naar beneden gegleden ben. Tjonge, jonge, hoe moet ik nu weer boven komen?

Maar dat is nog het minste van mijn problemen, merk ik als ik probeer op te staan. Want mijn stokken liggen her en der verspreid en zodra ik recht probeer te komen, glij ik weer een stukje verder naar achteren. Oh oh, dit is een ramp. Wat moet die skileraar wel niet denken? Stel je niet aan, zegt een stemmetje dat mijn onbezorgde ik moet voorstellen, je hebt toch niet voor niks skilessen geboekt? Je bent een beginneling, dan gebeuren deze dingen. Ja, maar ondertussen heb ik een achterlijke eerste indruk gemaakt en dat kan ik niet uitstaan.

Net als ik weer een heldhaftige poging wil doen om op te staan, word ik bedolven onder een sneeuwdouche als skileraar Rudi op een paar centimeter afstand flitsend tot stilstand komt. “Grüssli!”, roept hij vriendelijk naar mijn in een nogal onnatuurlijke houding gestrekt liggende gestalte. Nou, ook gegroet. Heel prettig dat mijn eerste ontmoeting met degene die mij de fijne kneepjes van het lange lattenwerk moet gaan bijbrengen, er eentje is waar ik het schaamrood van op mijn kaken krijg.

Hij reikt mij mijn stokken aan, instrueert dat ik dwars op de helling moet gaan liggen en mijn ski’s op de kanten moet zetten. Pluspunt: ik kan opstaan en glij ook niet weg. Minpunt: ik moet dat hele klere-eind terug naar boven lópen. En wel zoals een krab. Dwars, ski voor ski.

Tegen de tijd dat ik eindelijk boven ben aangekomen, ben ik bezweet en buiten adem van de inspanning. H. heeft er daarentegen al een halve les op zitten. Ik zie dat hij al kan remmen en zelfs een klein beetje sturen. Bah. Het is gewoon niet eerlijk.

Maar er is geen tijd meer om te mokken. Heineken Rudi blijkt in het echt Enrico te heten en heeft er zin in. Hij spreekt met zo’n sterk Zwitsers accent dat ik in het begin goed mijn best moet doen om überhaupt te verstaan wat hij zegt. Wat me trouwens laat denken aan die kennis die eens de blunder van zijn leven maakte door aan een rechtgeaarde Zwitser te vragen of deze “kein normales deutsch” kon praten. Omdat ik niet levensmoe ben, zal ik deze vraag maar niet aan Enrico stellen. Geroutineerd legt hij uit wat de ski-houding inhoudt en hoe je moet remmen. Even later maak ook ik keurige stops in een v-vorm.

De volgende dag begint het serieuzere werk. Vandaag moet ik leren sturen en bochten maken. Liefst meteen zo’n vloeiende die ik overal op de pistes tot vervelends toe heb mogen aanschouwen. Enrico instrueert en doet het voor. Het lijkt zó simpel. Maar schijn bedriegt ook deze keer.

Want als het mijn beurt is, kan ik wel naar links en rechts sturen, maar krijg ik het maar niet voor elkaar om vloeiende bochten te maken. Ik zet mijn stok precies zo neer als Enrico zegt, verplaats mijn gewicht keurig op tijd en kom even iets meer rechtop. Ik draai inderdaad maar desondanks blijft het er houterig uitzien. Terwijl ik voortploeter, zie ik tot overmaat van ramp dat zelfs kleuters – nota bene zonder stokken! – de piste met ware doodsverachting af zoeven. Waarom kan ik dat dan niet? Na elke bocht die ik met horten en stoten maak, raak ik gefrustreerder. En Enrico heeft dat feilloos in de gaten.

“Sie müssen ein anstrengender Beruf haben”, zegt hij fijntjes terwijl hij mij onderzoekend aankijkt als ik verbeten aan mijn zoveelste poging begin. Verdraaid, onze Enrico heeft meer mensenkennis dan ik dacht. Met dank aan de cliché-beeldvorming in de Heineken-reclame. “Ja, das stimmt”, zeg ik daarom maar, zonder precies te zeggen wat ik in het dagelijks leven doe. Maar ik ben nu gewaarschuwd. Enrico herkent mijn A-typetje als geen ander.

Hij besluit ons een nieuwe opdracht te geven. Als we bovenaan de berg staan, moeten we in een rechte lijn naar beneden skiën. Ik gaap hem aan alsof ik water zie branden. “Hoe bedoel je, in een rechte lijn? Geen bochten?”, vraag ik naar de bekende weg om tijd te winnen. Ik voel mijn ongerustheid als een lawine op me af komen. Maar nee, Enrico is onverbiddelijk. De ski’s moeten parallel met de punten naar het dal wijzen en dan gaan met die banaan. Enrico legt nog vrolijk uit dat dit de “Fall-linie” heet. Goh, waarom ben ik daar nou niet verbaasd over?

Als hij vervolgens vraagt wie van ons tweeën als eerste wil,  roep ik natuurlijk meteen “Ich”,  hoewel ik verrek van de angst. Maar ik stik nog liever in de sneeuw dan dat ik dit hier ga toegeven. Beter vol bravoure op mijn snufferd gaan dan dat ik als watje word weggezet.

Ik verschuif mijn skibril nog maar eens, omklem mijn stokken en zet met een ferme beweging van mijn armen af. Ik zal Enrico en H. eens een poepie laten ruiken. Ik mag dan wel het betere bochtenwerk niet beheersen, me als een baksteen naar beneden storten kan ik als de beste. Ik hoor de wind steeds harder langs me gieren, zie medeskiërs alleen nog als gekleurde vlekken en voel de ijskoude lucht in mijn longen stromen. Naarmate ik langer overeind blijf, word ik zelfs een beetje overmoedig. Dieper en dieper buig ik in de skihouding door, zodat ik nog minder luchtweerstand ervaar. Met deze snelheid en mijn stokken geklemd onder mijn armen ben ik de vleesgeworden aërodynamica. Robert Redford’s down hill skier is er niks bij. Wow, wat een kick!

Even later staat Enrico naast me. Hij kijkt me verrast en – zie ik het goed? – zelfs ietwat bewonderend aan. Há! Dát had hij zeker niet achter mij gezocht. “Das haben Sie aber gut gemacht!”, complimenteert hij me. Als ik niet al vuurrode wangen had van de kou, zou ik ze nu wel krijgen van pure blijdschap. Heb ik toch nog íets goed gedaan.

Met dank aan mijn “anstrengender Beruf”.

© Pascale Bruinen

Kek plaatje, niet? Nou, zo ging ik ook die berg af, met een waar killer instinct. Misschien zijn er meer lezers, met of zonder anstrengender Beruf, die als een speer op de ski’s naar beneden zijn gegaan. Ben benieuwd naar jullie ervaringen! 

Skiën (1)

Als ik iets doe, wil ik het goed doen. Nee, correctie. Liever nog perfect en wel meteen. Zo had ik een tijd terug het idee opgevat om weer eens te gaan skiën, dit keer voor het eerst samen met H. en de kids. Lekker sportief in de tintelfrisse buitenlucht en tegen de adembenemende achtergrond van besneeuwde alpentoppen naar beneden zoeven in soepele s-bochten. Wat is er heerlijker, gezonder en ontspannender dan dat?

Klein puntje is wel dat ik inmiddels al dik thirty-something was en mijn recentste ski-herinnering dateerde van toen ik een fietsenrek in mijn mond had. Mijn laatste heroïsche daad op de wintersport bestond er uit dat ik als zevenjarige pisnijdig mijn skistokken over de piste smeet uit protest dat de les al was afgelopen. Ze scheerden rakelings langs mijn skileraar. Over ambitieus gesproken.

Zoveel jaar later is mijn hernieuwde kennismaking met de lange latten geen, hoe zal ik het zeggen, onverdeeld succes.

Het begint er al mee dat het verdomd hard werken is, dat skiën. Ongelofelijk hoe je moet slepen, sjouwen en sjorren. Niet alleen met je eigen gewicht dat door thermisch ondergoed, lange sokken, zo’n charmant gewatteerd skipak, fleecetrui, sjaal, muts, wanten en niet te vergeten die fijne lichtgewicht schoenen zo goed als verdubbeld is. Maar ook met die zware, absurd lange en dus onhanteerbare latten, om nog maar te zwijgen over die stokken die alle kanten op slingeren.

Zo gebeurt het dus dat ik – ingepakt als een eskimo – in de verwarmde kelder van het hotel eerst probeer om in mijn ski-schoenen te komen. Met de nadruk op probeer want het is voorwaar geen sinecure met alles wat ik aan en om heb. Zodra ik die krengen dichtklik, heb ik er al spijt van. Ik voel namelijk een onaangename druk op mijn scheenbenen die alleen wegebt als ik de skihouding aanneem. Maar ja, ik kan moeilijk met gebogen knieën en pront uitstekend achterwerk door het dorp gaan lopen.

Inmiddels zweet ik onder mijn thermisch ondergoed als een otter van alle inspanningen in die benauwde kelder en ik heb nog geen meter geskied. Nu de latten en stokken nog even erbij nemen en hop, de wei in met die alpengeit.

Ik kom er al gauw achter dat het lopen met skischoenen een vak apart is. Als ik in een overdreven hak-teen hak-teen gang voort zwoeg op dat middeleeuws martelwerktuig, voel ik me net Neil Armstrong die op de maan loopt. Alleen de astronautenhelm ontbreekt nog. It’s one small step for a woman, but a giant leap for Pascale. Zoiets.

Volgend puntje is dat het bar koud is buiten met een wind die de gevoelstemperatuur tot antarctische temperatuur omlaag brengt. Als ons gezelschap op de ski-bus wacht en ik ondanks mijn imposante gestalte bijna wegwaai, vraag ik me af waarom ik dit ook alweer zo nodig wilde.

Ik strompel de bus in en sla bij het instappen met mijn ski’s per ongeluk tegen het raam aan, wat mij prompt op verontwaardigde blikken van mijn medepassagiers komt te staan. Ik mompel “Entschuldigung” en tracht te gaan zitten. Mijn skischoenen zorgen er echter voor dat ik alleen in een onderuitgezakte “kan-me-niks-schelen” houding kan zitten. Als mijn buurman bij het uitstappen bijna zijn nek breekt over mijn asociaal gestrekte benen, ben ik blij dat ik de bus gezond en wel kan verlaten zonder gelyncht te zijn.

Nadat we ons kroost hebben achtergelaten in een skiklasje, kijk ik eens om me heen naar het gekrioel van mannen, vrouwen en kinderen die allemaal maar één doel voor ogen hebben: de dichtstbijzijnde skilift bereiken en wel zo snel als je skischoenen je dragen kunnen. Wat niet erg snel is. Maar zie, de slimmeriken stappen alvast in hun ski’s en begeven zich naar de lift, een eindje verderop.

Omdat wij met onze skileraar boven hebben afgesproken, besluiten we dit voorbeeld te volgen. Ik gooi de latten neer en klop geroutineerd de sneeuw van mijn schoenen voordat ik ze vastklik in de ski’s. Zo, dat is een makkie. Dat ziet er alvast geroutineerd uit. Ik zet me af met mijn stokken en glijd soepeltjes in de richting van de sleeplift. Daar héb ik toch een hekel aan. Achter mekaar in de rij als een stelletje makke schapen en dan één voor één zo’n stomme stang tussen je benen duwen. Maar ja, je zult toch eerst die berg óp moeten voordat je eraf kunt.

Bij de lift glibber ik natuurlijk meteen te ver door, zodat ik met de punten van mijn ski’s over de achterkant van die van mijn voorganger schuur. Hij werpt me een dodelijke blik toe. Ik mompel weer “Entschuldigung”, wat deze reis mijn stopwoordje dreigt te worden.

Zo goed en zo kwaad als dat gaat met mijn wegglijdende ski’s en twee onwillige stokken die ik onder mijn arm moet klemmen manoeuvreer ik me in het daarvoor bedoelde spoor. Ik kijk over mijn schouder, gefocust op de eerstvolgende stang. Je moet namelijk goed opletten dat je dat metalen anker niet tegen je harses krijgt en dan ook nog de tegenwoordigheid van geest hebben om dat ding precies op het juiste moment te pakken.

Ja! Daar komt ‘ie! Ik grijp de stang alsof het mijn laatste strohalm is en even later voel ik een kleine ruk als ik word voortgetrokken. Mijn euforisch gevoel dat het meteen gelukt is, duurt niet lang want het volgende moment gaan mijn ski’s uit elkaar, ieder een andere kant op. Even dreig ik zó’n onvrijwillige spagaat te gaan maken dat compleet inscheuren na een bevalling daarmee vergeleken een piece of cake is. Maar met wat halsbrekende toeren slaag ik er wonder boven wonder toch in mijn latten terug te dringen in het spoor.

Bijna boven aangekomen let ik scherp op mijn voorgangers. Hoe verlaten die de lift? Ik zie het al, het is gewoon een kwestie van op tijd loslaten! En meteen weg skiën, stel ik ongerust vast. Als dat maar goed gaat. Ik ben er nu bijna. De clou is dat je niet  te vroeg loslaat (want dan glij je achteruit de berg af en komt er een kettingbotsing in de sleeplift), maar zeker ook niet te laat (want dan ga je in een noodgang de berg aan de verkeerde kant af).

Ik haal de stang tussen mijn benen uit, laat me nog even verder trekken en laat dan los. Ik zet me met mijn stokken af, naar ik hoop naar rechts waar de piste wacht. Maar mijn ski’s lijken een eigen leven te leiden want de bocht lukt niet echt. Zodoende kom ik loodrecht op de berg te staan en begin ik tot mijn schrik achterstevoren naar beneden te glijden. “H., héllup! Help me!”, roep ik nog, maar H. is wél keurig opzij geskied en staat zelfs al gezellig met een man te keuvelen.

Ik kijk naar het overduidelijk geblondeerde haar, het felrode skipak en de überflitsende skibril van de man in kwestie.

Oh mijn God. Ook dat nog.

Het is onze skileraar.

© Pascale Bruinen

Om nou te zeggen dat ik er precies zo uitzag is een tikkeltje overdreven maar wel ongeveer. Enige verschil was dat dit figuur er kennelijk wel nog mee kon lachen. Nu de tijd van wintersport weer gaat aanbreken, zou het leuk zijn om jullie skiverhalen te horen. Dus als je iets wilt delen, laat dan een reactie achter!

Victoria’s Secret Revisited

Nee, dit keer gaat het niet over de supermodels (zie daarvoor mijn column “Het Geheim van Victoria”), maar over de winkels van Victoria’s Secret. Bij elk bezoek aan de Verenigde Staten speur ik vooraf op internet naar de locaties waar deze lingerie/badmode/parfum- en make-up gigant te vinden is.

Meestal ben ik binnen pakweg zes uur nadat we zijn geland al aardig in de buurt van het Heilige der Heiligen. Zo ook nu. We zijn nog niet goed en wel geïnstalleerd in ons hotel of we gaan in de hete namiddagzon al goedgeluimd op weg naar Lincoln Road, zeg maar de Rodeo Drive van Miami. Ik rek mijn nek zover mogelijk uit om te kijken of ik de manshoge posters van Doutzen, Adriana of Alessandra al op een of andere chique gevel bespeur.

Ineens zie ik een vrouw die me tegemoet loopt met de trademark fuchsiarose-pastelrose gestreepte tas met gouden letters. Ja! Ik moet nu vlakbij zijn. De adresgegevens van internet geven aan dat het niet ver meer is. Ik versnel mijn toch al niet zo langzame pas. Ik kijk geconcentreerd voor me en dan zie ik ze. De twee woorden waar ik op gewacht heb.

Ik stuif naar binnen met H. in mijn kielzog en word prompt bijna bedwelmd door een mix van de heerlijkste geurtjes. Ergens in het nog werkende deel van mijn hersens krijg ik vaag het bericht door dat dit een bekende marketingtool is die de kooplust pleegt aan te wakkeren. Maar mijn ander deel, dat van de beloningen, negeert dit meteen en gooit alle remmen los.

Ik graai een van die supergrote, zwarte tassen mee die bedoeld zijn om al je aankopen in te gooien en loop verder de winkel in. Bij het zien van al die mooie, geurende en hebberig makende spullen raak ik in een soort van flow die nog het dichtst komt bij een meditatieve staat van trance. Niet dat ik ooit in een dergelijke staat heb verkeerd, maar dit moet het wel ongeveer zijn. Want ik kom als het ware los van mezelf en zweef meer door de enorme winkel dan dat ik loop. Zo glijd ik lichtvoetig van het ene deel naar het andere.

Ik zie veel te veel. Schappen en schappen vol met make-up en nagellak in té leuke verpakkingen, super de luxe uitziende bodylotions en bodymists en vooral heel veel parfums en eau de toilettes. Ik voel me als een kind in een snoepwinkel. Een gevoel dat nog versterkt wordt door alle snoeperige kleurtjes die ik her en der ontwaar.

Ik besluit systematisch te werk te gaan. Daarom begin ik bij het eerste rek meteen maar in rap tempo aan de diverse parfumflesjes te ruiken. “Déze is zalig”, roep ik naar H. “En moet je díe ruiken, heerlijk gewoon! Of nee, ik geloof dat ik deze nóg lekkerder vind. Die ruikt naar een frisse fruitsmoothie, alsof ik het zo zou kunnen opdrinken!”. In vijf minuten tijd steek ik zoveel geurstrookjes onder zijn neus, dat hij er helemaal confuus van wordt. “Welke was die eerste nou ook al weer?”. De waarheid is dat ik, inmiddels omgeven door een waar slagveld van flesjes, monsters en geurstrookjes, het zelf niet meer weet.

“Het kost allemaal bijna niks, dus ik neem gewoon een stuk of zes verschillende. En…oh! Kijk, als je die drie mini’s er ook bij neemt, krijg je dit enveloptasje cadeau. Té schattig gewoon. Die wil ik wel. Voor hoeveel hebben we nu in de tas zitten? Want als we voor meer dan 100 dollar kopen, krijg je deze übercoole strandtas ook nog voor niks. En de dollar staat al op een historisch dieptepunt, dus…”. H. roept nog in herinnering dat dit mega-voordeel wel meevalt als ik straks op de terugvlucht een boete moet betalen wegens overgewicht, maar dat is nu even tegen dovemansoren gezegd.

Maar wat wil je ook met parfums met namen als Bombshell, Desire of Love Spell Blush? Of wat te denken van Heavenly Summer, Pure Seduction en Pear Glacé? Het zullen niet ’s werelds meest unieke geurtjes zijn, maar ik vind ze zalig en zo kan ik lekker vaak afwisselen.

Omdat de zwarte tas inmiddels nagenoeg niet meer te dragen is, heb ik hem liefdevol overgedragen aan H. Omdat hij mij mijn pleziertjes gunt, draagt hij de zware last zonder te klagen, de schat. Er zit zoveel in dat hij bijna scheef loopt.

We zijn al op weg naar de kassa als ik uit een ooghoek opeens de badmode-afdeling ontwaar. Ik weet niet hoe snel ik daarheen moet draven. De bikini’s, badpakken, pareo’s en bijpassende andere hebbedingetjes zijn helemaal te gek. Begerig trek ik een stuk of vier bikini’s uit een grote la om te gaan passen. Ondertussen prijs ik me gelukkig dat ik nog geen nieuwe in Nederland heb gekocht. Over vooruitziende blik gesproken.

Net op het moment dat ik me om wil draaien om tegen H. te zeggen dat ik nu de bikini’s ga proberen, hoor ik een doffe dreun achter me die meteen wordt gevolgd door gejammer. “Au, au, allemachtig, dat doet pijn!”, hoor ik H. kreunen. Ik kom tot een abrupte stop want dit klinkt toch wel ernstig. “Wat is er in hemelsnaam gebeurd?”, vraag ik. Maar dan zie ik dat hij een bloedende snee heeft ter hoogte van zijn linkerknie. “Ik ben verdomme tegen de scherpe rand van deze uitstekende lade met bikini’s opgelopen”, antwoordt H. verongelijkt. “Welke halve gare laat die ook zo wagenwijd open staan?”.

Ik voel eerst het bloed uit mijn gezicht wegtrekken, waarna het vervolgens in razend tempo terugkeert en ik er hoogstwaarschijnlijk uit zie als een biet met zonnebrand. Ik besluit ter plekke dat het beter is om maar niet op te biechten dat ik in mijn enthousiasme om te gaan passen die la misschien niet helemaal dicht heb gedaan.

De commotie zorgt wel voor extra aandacht, want meteen staat een bloedmooie verkoopster naast H., mét ontsmettingsmiddel, verbandrol en een megapleister. Ze put zich uit in excuses. Ik voel me met de minuut ongemakkelijker. H. laat het zich daarentegen allemaal maar wat graag aanleunen. “We zouden eigenlijk tegen Victoria’s Secret moeten procederen”, zegt H. monter tegen mij, terwijl hij gefascineerd toekijkt hoe zijn knie met Amerikaans gevoel voor drama wordt ingepakt door de Doutzen-meets-Florence Nightingale-lookalike. Hmmm, nu hoor ik ineens niks meer over pijn. “Per slot van rekening zijn we in Amerika en zouden we misschien miljoenen kunnen vangen voor zo’n grove onoplettendheid van het personeel”, vervolgt hij grinnikend. “Ach, weet je”, mompel ik, “misschien kunnen we in plaats daarvan beter vragen of we een parfumflesje voor niks krijgen. Zo erg is je sneetje nou ook weer niet”. Ik hoop vurig dat hij er nu over ophoudt.

Na dit medische intermezzo kom ik dan toch nog aan bij de paskamers. Die zijn een verhaal apart. Om te beginnen zijn ze strictly off limits voor mannen waardoor er een heel speciaal, vertrouwelijk “boudoir”-sfeertje hangt. Daarbij is het vrouwelijk personeel uitermate deskundig, supervriendelijk en behulpzaam. Een ware verademing. Vijf minuten passen en het lijkt wel of je er een nieuwe best friend forever bij hebt. Tenslotte is de term “pashokje” een grove belediging voor de grote, luxueuze wit-roze ruimtes die je van binnenuit op slot kunt draaien voor optimale privacy als je aan het passen bent. Ze zijn uitgerust met een schattige canapé, hoge spiegels aan twee wanden zodat je jezelf ook van achteren kunt aanschouwen (mocht je dat al willen) en – halleluja! – lampen die een flatterend licht afgeven. Zouden alle winkels moeten doen.

Een poosje later kom ik met twee nieuwe aanwinsten de paskamer uit. Nadat we hebben afgerekend en ik inderdaad het enveloptasje én een enige strandtas “voor niks” erbij heb gekregen, lopen we naar buiten. Tot onze verbazing is zowaar al de zwoele schemering van de vroege avond ingevallen.

We zijn ruim twee uur binnen geweest.

© Pascale Bruinen

Hier zie je mijn verzameling. Het is snoeperig, zoet en heel erg roze. Maar voor zo af en toe is dat helemaal niet erg…

Catalonië

Catalonië. Hele kaaskopse volksstammen kiezen ’s zomers deze bestemming om er coma te zuipen of tweedegraads brandwonden op te lopen bij het uitslapen van hun roes op het strand (de jeugd) of lekker op de camping te staan (al de rest).

Veel verder dan Blanes, Rosas en Lloret de Mar komen ze meestal niet. Vooruit, misschien nog even een dagtochtje met de bus naar Barcelona, waarbij ze dan ook nog de meeste tijd  doorbrengen in het stadion van Barça. Dan heb je het ook wel gehad. Maar wat weet de gemiddelde Nederlander nu eigenlijk van dit misschien wel bekendste onbekende deel van Spanje?

Als je de volksaard van de Catalanen wilt doorgronden is het goed je te realiseren dat ze zich niet Spaans voelen. Of zoals een sticker op de deur van een kinderkamer bij dierbare vrienden daar al verraadt: “Catalonia is not Spain”.

De Catalanen zijn in hun onafhankelijkheidsdrift dan wel niet zo fanatiek als de Basken en al helemaal niet gewelddadig, ze beschouwen hun Catalonië wel degelijk als een eigen entiteit. Met hun eigen geschiedenis, taal, tradities en gewoontes. Catalonië is de moeite waard om eens op andere manieren te ontdekken.

Waar in de rest van Spanje de corrida (stierengevecht) en de grote zwarte stier de trotse machoziel van de Iberiërs verbeelden, vind je deze kenmerken in Catalonië nergens terug. De Catalanen hebben er zelf gewoon niks mee. Het werd hen opgedrongen. Het is dan ook geen toeval dat Barcelona een van de eerste steden is waar het stierenvechten werd verboden.

De scherpte en het machismo van de Spanjaarden komt ook letterlijk tot uiting in hun taal. Die klinkt hard en weinig melodieus. Daarmee vergeleken is het Catalaans, internationaal erkend als aparte taal, veel gemoedelijker en zachter. Al zal de rest van Spanje daar wellicht de kwalificatie “boers” aan toevoegen.

Als je je nader verdiept in de Catalaanse mentaliteit vind je, gek genoeg, ook opvallende overeenkomsten met die van ons. Zo staan de Catalanen in eigen land bekend als harde werkers, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Andalusiërs. Het is niet voor niets dat laatstgenoemden graag en veel de spot drijven met de Catalanen door ze weg te zetten als mensen die leven om te werken en niet weten te genieten van de goede dingen des levens.

Ze hebben ook lak aan schone schijn of veel uiterlijk vertoon. Vinden het eenvoudigweg niet belangrijk. Ze vallen niet graag op. Zijn geen schreeuwers maar juist heel bescheiden. Net als in Nederland zijn ze hier aanhangers van het adagium: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.

Wat ook erg Nederlands aan de Catalanen is: de reputatie om gierig te zijn. In Catalonië is het daarom niet de gewoonte om een fooi achter te laten. Alleen als je echt exceptionele service hebt gekregen of out of this world hebt gegeten, wijken ze hier wel eens van af. Maar liever niet.

Ze houden van eerlijke, simpele dingen. Als die dan ook nog mooi of lekker zijn, is dat meegenomen. Dat wordt ook weerspiegeld in de Catalaanse keuken. Je kunt een Catalaan dan ook niet harder treffen dan hem zijn dagelijkse pa amb tomàquet te onthouden. Een stuk vers afgesneden brood, een ultrasappige tomaat eroverheen wrijven zodat de tomaat als het ware over het brood wordt uitgesmeerd, afgemaakt met een scheut geurige olijfolie. Heerlijk, gezond en zonder poespas.

Catalanen zijn verzot op het sportieve buitenleven en hebben een nogal apart gevoel voor humor. Rondom Kerst, tijdens de feesten van de Fires de Santa Llúçia verkopen ze overal de caganers, letterlijk kakfiguurtjes. Dat zijn beeldjes in een poephouding en dan nog liefst met het hoofd van een beroemd iemand er op. De Catalanen kopen ze massaal en zetten ze vervolgens onder de kerstboom. Niet in plaats van de kerststal, maar ernaast.

Op die kerststallen oftewel pesebres zijn ze ook dol. Op een kerstmarkt zag ik ze in alle soorten en maten, vaak ongelooflijk gedetailleerd uitgewerkt. Grappig weetje is overigens dat in Catalonië – in tegenstelling tot de rest van Spanje – net als in Nederland Tweede Kerstdag wordt gevierd.

Ze zijn ook het enige volk dat het klaarspeelt om de catastrofale dag waarop ze hun onafhankelijkheid hebben verloren tot nationale feestdag uit te roepen. Zo kunnen ze dit pijnlijke gegeven ieder jaar opnieuw beleven. Misschien welbewust, in een masochistisch verlangen om de nationalistische smart van weleer ook nu nog tot in de diepste vezels van hun ziel te kunnen voelen?

Catalanen zijn niet een-twee-drie te doorgronden. Beschouwen iemand niet snel als vriend en laten iemand niet gauw toe in hun privésfeer. Maar als je volhardt, met oprechte interesse en open blik kijkt en een beetje je best doet ze te begrijpen, breek je door die barrières heen. Dan zie je wat er nog meer is behalve de mooie kuststreken, prachtige steden en een fabelachtige voetbalclub. Hoor je hun echte verhalen. Voel je de warme hartslag van een eeuwenoud volk dat op een ingetogen manier trots is.

Onvergetelijke ervaringen, hondstrouwe vriendschap en ongekende gastvrijheid zullen je ten deel vallen. Want uit eigen ervaring weet ik dat áls je eenmaal de status van vriend hebt bereikt, je ook écht bij ze binnen bent. Niet alleen in hun huis, maar bovenal in hun hart.

Voor altijd.

© Pascale Bruinen

Hier zie je de caganers die ik op een kerstmarkt tegenkwam. Is weer eens wat anders voor onder de kerstboom, toch?

Simba(2)

We zijn met een bevriend stel en vijf kinderen op vakantie in Spanje en hebben tijdelijk een adoptiehond, Simba genaamd. Hij is van de overbuurvrouw, Montse, die hem liever kwijt dan rijk is. Of eigenlijk is hij van haar man, die hem enkel een paar keer per jaar gebruikt om te gaan jagen. Typische macho Spanjaard, denk ik boosaardig. Alleen daar vindt hij de hond goed genoeg voor, voor de rest bekommert hij zich niet om hem.

De kids zijn helemaal weg van hem. En om eerlijk te zijn, de volwassenen ook. We hebben hem pas een paar dagen over de vloer van onze gehuurde villa, maar ik begin al de eerste tekenen van hechting te merken. Het dier smacht overduidelijk naar een beetje aandacht en liefde. Beide krijgt hij van ons in overvloed. Een grote, lieve en super aanhankelijke hond went heel snel, kan ik je zeggen.

Gevolg hiervan is dat Simba ons, overal waar we gaan of staan, volgt. Daarbij laat hij zich geduldig aaien en borstelen, speelt hij als een jong en dartel veulen en is hij niet van plan eigener beweging terug te gaan naar zijn baasje. Zijn eerst zo stugge en harde vacht is dankzij al ons geborstel zacht en glanzend. Tijdens onze regelmatige trips naar de supermarkt nemen we speciale hondenbrokken, botten om op te kauwen en hondenspeeltjes mee terug. Simba vindt het allemaal prima en heeft de tijd van zijn leven.

Op een avond gaan we uit eten in een aangrenzend stadje. Omdat we een tijdje weg zullen zijn, besluiten we om Simba ’s avonds terug naar Montse te brengen. We leggen haar uit dat hij morgenvroeg weer welkom is. Zij neemt de hond van ons over en duwt hem – veel te hardhandig naar onze smaak – achter het hek van de tuin. Simba jankt hartverscheurend als we wegrijden. De kinderen houden de handen op hun oren. We voelen ons allemaal niet erg happy hierbij, maar kunnen hem moeilijk meenemen naar het restaurant.

Als we een aantal minuten gereden hebben, hoor ik ineens opgewonden geschreeuw vanaf de achterbank. “Daar is ‘ie…Simba! Hij rent achter de auto aan, mama, stoppen, stóp!!!” Als ik me omdraai, weet ik niet wat ik zie. Hij ligt nog een heel end achter maar inderdaad, hij rent met platliggende oren achter onze auto’s aan zoals ik hem nog nooit heb zien rennen. En we zijn al de nodige kilometers verwijderd van huis. Het lijkt wel of ik midden in een tearjerkerige Disneyfilmzit, zo ontroerend is het.

We maken een noodstop (gelukkig zitten we nog op een redelijk verlaten binnenweggetje) en weten niet hoe snel we allemaal uit de auto moeten klimmen. Het weerzien is zo hartstochtelijk alsof het niet net vijf minuten geleden is dat we hem noodgedwongen hebben achtergelaten. Simba heeft zijn tong uit zijn bek hangen en springt in één vloeiende beweging in onze auto. Er zit niks anders op dan om hem weer terug te brengen.

Montse is not amused over dit openlijke verraad van hun hond en sleept hem dit keer het huis in. Nodeloos te zeggen dat ons gezellig bedoelde etentje allesbehalve gezellig is.

De dagen verstrijken in zomerse zaligheid. Nog een paar dagen vakantie en we moeten vertrekken. Het is me al opgevallen dat dochterlief soms wat stilletjes is. Dan komt het hoge woord er uit. “Kunnen we hem alsjeblieft mee naar huis nemen, mama? Alsjeblieft?” Hier was ik al bang voor. Ik kijk naar haar verdrietige gezichtje en voel zelf waterlanders opkomen. Zelf speelde ik ook al met deze gedachte. Maar ja, het is andermans hond.

Ik knipper snel een paar keer met mijn ogen en antwoord gemaakt opgewekt dat we dat niet kunnen maken voor Montse en haar man. “Ze zullen hem erg missen, schatje, dat wil je toch ook niet?”, lieg ik met gekruiste vingers. Een leugentje om bestwil moet kunnen, zeker nu. “Helemáál niet!”, roept ze ongekend fel uit. “Ze houden niet eens van hem en hij ook niet van hen, dat weet ik zeker.  Dat zie je toch zo? Alsjeblieft?”, smeekt ze. “Ik zal het eens met H. bespreken”, hoor ik mezelf tot mijn eigen ongeloof aan haar beloven.

H. blijkt ook al aangestoken met het Simba virus. “Ik zou hem het liefst meenemen”, vertrouwt hij me toe buiten gehoorsafstand van de kinderen. “Het is zo’n lief beest. Ik ben helemaal verknocht aan hem”. “We kunnen ze aanbieden de hond van hun te kopen”, stel ik voor, “ze doen toch bijna niks met hem. Hij wordt min of meer verwaarloosd en het lijkt eerder alsof hij een blok aan hun been is”. “Ja”, antwoordt H, “doe dat. Vraag of ze hem aan ons willen verkopen! Dan zoeken we een mooie halsband uit en nemen hem lekker mee naar huis”. Hij ziet het al helemaal voor zich.

Ik besluit de daad meteen bij het woord te voegen voordat ik de moed verlies. En zo klamp ik even later Montse aan en leg haar uit dat we Simba graag willen kopen. Aanvankelijk denkt ze dat het een misplaatste grap is, maar als ze doorkrijgt dat het bloedserieus bedoeld is, zie ik twijfel in haar ogen. “Dat moet ik aan mijn man vragen”, zegt ze. Even later komt ze terug en hoor ik dat wat ik niet wil horen. “Hij wil de hond niet verkopen, het spijt me”, zegt ze. Ik dring nog aan om zelf met haar man te mogen praten, vraag haar hoeveel geld ze willen hebben voor de hond (noem maar een prijs!) en zeg als wanhoopsdaad zelfs schaamteloos dat het geluk van mijn kinderen hiervan afhangt. Maar ze laat zich niet vermurwen. Het is en blijft nee.

Met lood in mijn schoenen ga ik terug naar de overkant. H. leest het antwoord al op mijn gezicht. We moeten ons erbij neerleggen. En erger nog, afscheid gaan nemen. “En, wat zei ze?”, vraagt dochterlief die naar binnen komt stormen, natuurlijk met Simba in haar kielzog. “Ze willen het niet, schatje, ik heb het gevraagd. Ik heb echt mijn best gedaan, maar we kunnen hem niet meenemen”. Even blijft ze stokstijf staan, maar dan barst ze in tranen uit en holt, voordat ik nog iets troostends kan zeggen, de kamer uit.

De avond voor ons vertrek brengen we Simba met pijn in het hart terug naar Montse. We moeten ’s ochtends heel vroeg weg en alles nog inladen, dus daarbij zou hij alleen maar in de weg lopen. We huilen allemaal tranen met tuiten, knuffelen hem dat het een lieve lust is en vragen ons in stilte af of we hem ooit nog terugzien. Uitgeput van alle emoties vallen we in een onrustige slaap.

Het is héél vroeg in de morgen, de wekker is nog niet eens gegaan, als ik buiten een rammelend geluid hoor. Als H. gaat kijken, staat Simba aan de poort. Dezelfde waar ik hem twee weken eerder voor het eerst zag staan. Hij duwt ongeduldig met zijn snuit tegen het hekwerk alsof hij wil zeggen: laat me binnen. Alsof hij aanvoelt dat we zo dadelijk weggaan. En dit keer voorgoed.

H. maakt de poort open en even later ligt Simba midden op ons bed. Inmiddels zijn de kinderen ook wakker geworden en hun uitgelaten blijheid hem weer te zien snijdt me door de ziel. Zo goed en zo kwaad als het gaat met een hond die iedere voetstap volgt, laden we de auto in. H. doet de klep van de kofferbak open. Voordat we weten wat er gebeurt, springt Simba achterin tussen de weekendtassen en bordspellen. En wat we ook doen, hij komt er niet meer uit. Lokken met dingen die anders feilloos werken, helpt niet. Hij blijft liggen waar hij ligt. Alsof hij wil zeggen: neem me alsjeblieft mee! Het is hartverscheurend en ik voel een enorme brok in mijn keel.

“Hij wéét het. Hij voelt gewoon dat we gaan vertrekken!”, roept mijn zoon met verstikte stem uit. Ik zie dat hij snel door zijn ogen veegt. Zijn gezicht spreekt boekdelen. “Laten we gewoon wegrijden!”, roept hij, “Als we over de grens zijn, zijn we veilig!”. Tja, het leven is een stuk simpeler als je acht jaar bent. Uiteindelijk vergt het de nodige vereende krachten en zachte dwang om Simba uit de kofferbak te krijgen. We brengen hem, dit keer echt voor het laatst, terug naar Montse die hem wijselijk meteen naar binnen brengt en de deur dicht doet.

Onder begeleiding van door merg en been gaand gejank van Simba én van onze kinderen rijden we de straat uit. Tot aan de Franse grens spreekt niemand ook maar één woord. Het gesnik en gesnuif gaat maar door. Ik heb ook al het zoveelste papieren zakdoekje versleten. Zelfs H. heeft rooddoorlopen ogen.

Dit wordt een lange, lange rit.

© Pascale Bruinen

Hier ligt hij dan. Hij kijkt recht in de camera alsof hij wil zeggen: krijg mij hier maar eens uit! We hebben hem nooit meer gezien maar hij zal altijd een plekje in onze harten houden als “onze” lieve Spaanse hond.

Simba(1)

Een spitse, donkerbruine hondensnuit wringt zich nieuwsgierig door de spijlen van het tuinhek van onze Spaanse vakantievilla, die we samen met een bevriend koppel gehuurd hebben. Grote, donkere ogen kijken me vragend aan. Het lijkt alsof hij niet kan wachten om naar binnen te komen, alsof hij daar alle recht toe heeft. Als ik in eerste instantie niet reageer – het is een grote, onbekende hond en we hebben (onze toen nog) jonge kinderen bij ons – blaft hij een paar keer klagelijk en duwt met zijn neus tegen het hek.

Ik besluit de hond aan het hek te laten staan, maar het is al te laat. Mijn dochter heeft hem gezien. In een vloek en een zucht staat ze bij het hek en steekt haar arm al door de spijlen om hem te aaien. Ik roep nog dat ze van hem af moet blijven, bang als ik ben dat ze gebeten wordt. Maar hij is zo mak als een lammetje en kwispelt er zo enthousiast op los, dat ik voel dat ik smelt. Al komt dat laatste ook door de blik van dochterlief in combinatie met het feit dat ik al een tijdje in de onbarmhartige Spaanse zon sta te treuzelen.

Ik open het hek en de hond stormt naar binnen. Hij rent rond in de tuin, snuffelt aan het zwembad en gaat dan  – alsof het de gewoonste zaak van de wereld is – de openstaande tuindeuren door naar binnen. Uit een aantal verrukte kreten leid ik af dat de andere kinderen hem nu ook ontdekt hebben. Als ik binnen poolshoogte ga nemen, ligt de hond op zijn zij op de grond. Pontificaal in de woonkamer met vijf kinderen en drie volwassenen die om hem heen gehurkt zitten en hem beurtelings aaien. Hij ondergaat deze massages met gesloten ogen en op en neer gaande staart.

“Wat is zijn vacht hard!”, roept J., een van de zonen van onze vrienden. En inderdaad, vergeleken met de Nederlandse huishond lijkt het er op dat dit exemplaar niet al te vaak aangehaald wordt. De korte haren zijn stug en voelen ruw aan. “Nou, het lijkt er op dat we er een bewoner bij hebben gekregen”, zeg ik als de hond na enige tijd hoegenaamd geen aanstalten maakt om te vertrekken. Nee, dank je de koekoek met dit openlijk vertoon van adoratie. Maar hij is dan ook ongelooflijk lief en aanhankelijk.

“Van wie zou hij zijn?,  vraag ik me hardop af als ik zie dat hij een halsband om heeft. “Wij willen dat hij hier blijft!”, roepen de vijf kids luidkeels in koor. “Als hij van iemand is, moet hij terug naar zijn baasje”, zeg ik, hoewel ik het stiekem eigenlijk ook wel gezellig vindt met deze hond die zich zo snel thuis bij ons lijkt te voelen.

Of het zo moet zijn, hoor ik opeens iemand luidkeels roepen vanuit de tuin. “Sieieieiemba?” De hond spitst zijn oren maar blijft vervolgens, tot mijn verbazing, demonstratief liggen. Ik besluit naar buiten te gaan. In de tuin staat de Spaanse overbuurvrouw, die als beheerster van de villa is aangesteld. En jawel hoor, zij is op zoek naar hem. Het blijkt de hond van haar man te zijn en hij heet Simba. Op haar vraag waar hij is, neem ik haar mee naar binnen. Daar treft ze hem in een staat van extase aan tussen het kindergrut, dat hem inmiddels tot een soort van project heeft gemaakt. Hij wordt geborsteld (hee, is dat míjn haarborstel?!), gekamd en geaaid dat het een lieve lust is.

Zij kijkt verbijsterd naar dit tafereeltje. Ze verexcuseert zich voor het gedrag van de hond, pakt hem aan zijn halsband en trekt hem zo’n beetje mee naar buiten. De kinderen jammeren dat hij toch best mag blijven en porren me met de nodige ellebogen om haar hiervan (in mijn beste Spaans) te overtuigen.

Ik snel haar achterna en roep dat we het leuk vinden als hij mag blijven, mits het van haar mag. De vrouw kijkt nu naar mij of ze water ziet branden. Maar dan laat ze hem los met de belofte dat ze hem komt ophalen zodra we genoeg van hem hebben.

Simba spurt linea recta terug naar binnen. Een fractie van een seconde later hoor ik een luid gejuich losbreken. Ik zucht tevreden.

Deze vakantie wordt anders dan anders.

© Pascale Bruinen

En hier ligt hij dan, onze huisvriend, midden in de woonkamer alsof hij er thuis hoort. En dat was ook zo, hij werd meteen liefdevol opgenomen. Als je wilt weten hoe het verder gaat, lees dan volgende week het vervolg!

Berlijn

De meivakantie zit er voor mijn pubers net op en wat denk je? Staat er al wéér een vakantie van vijf dagen voor de deur. “Ik heb helemaal geen zin om naar Berlijn te gaan. Berlijn! New York of Londen, dáár gebeurt het. Zelfs Parijs zou nog kunnen. Maar Berlijn? Gewoon stom!” Zoonlief loopt mokkend naar boven. Vandaag moet hij toch echt zijn tas gaan inpakken voor de schoolreis die hem tegen zijn zin naar de Duitse hoofdstad zal voeren.

Laat me denken aan mijn eigen uitstapje op de middelbare school, een eeuwigheid geleden. Wij mochten een kleine week naar Zuid-Frankrijk. Geloof het of niet, maar mijn vriendinnen en ik hadden daar toen om mij nu volstrekt onduidelijke redenen ook weinig zin in. Nodeloos te zeggen dat we, misschien juist daardoor, een fantastische tijd hebben gehad die me altijd is bijgebleven. Met als enige minpuntje een roemrucht incidentje waarbij de plaatselijke dorpsgek – gewapend met een roestige schaar – een van onze vrouwelijke medescholieren van haar lange haar af wilde helpen.

Inwendig moet ik grinniken als ik daar aan terug denk, maar ook vooruit kijk naar wat hem de komende vijf dagen te wachten staat. Zijn reisschema is werkelijk overvol, zelfs naar mijn maatstaven. Het credo is bezichtigen en nog eens bezichtigen, letterlijk van ’s morgens vroeg (reveille om 06.30 uur!) tot ’s avonds laat.

“Dit is geen reis meer maar eerder een strafexpeditie!”, roept hij uit na een eerste snelle blik op het lijvige programmaboekje. Zijn gezicht krijgt een steeds ongeloviger uitdrukking als hij de dagelijks ingeplande activiteiten voor het eerst echt doorneemt. “WTF! We hebben in al die dagen in totaal amper vier uurtjes vrije tijd!”.

“Het is ook bedoeld als educatieve trip”, werp ik plichtmatig tegen. “En een bezoek aan de discotheek is toch ook vrije tijd?”, voeg ik er nog aan toe, terwijl ik op mijn onderlip moet bijten om mijn lach in te houden.

“Disco is óók een verplichte activiteit. Dat noem ik geen vrije tijd. Bovendien is het maar van 22.00 u tot 24.00 u. Twee lullige uurtjes. Wat heb je daar nou aan?”

Ja, dat heb ik ook al gezien. Gelukkig is zijn oog nog niet gevallen op de passage die daarná komt. Het programma voorziet na afloop van de turbodisco namelijk in een maar liefst anderhalf uur durende nachtelijke wandeling terug naar hun studentenhotel. Ongetwijfeld met het idee dat de scholieren bij aankomst in hun uiterst bescheiden onderkomen weer allemaal broodnuchter zijn. Als ze al überhaupt de kans hebben gekregen om alcoholische versnaperingen tot zich te nemen. Want ook daarvoor zijn de regels, althans op papier, erg streng.

Volgens het programma gaan ze elke avond bij dezelfde eenvoudige tent eten. Dankzij internet weet ik dat je daar héél veel krijgt voor weinig geld en het menu allesbehalve volgens de schijf van vijf is. Ideaal dus voor alle tienerslungels om onverantwoord veel foute vetten en zout te bikken na een ellenlange vermoeiende dag.

Tuut-tuut-tuut. Mijn wekker gaat. Het is half zes, over drie kwartier moet zoonlief in de bus zitten. Als ik de auto start, gooit hij zijn rugzak en tas nog gauw met een ferme zwaai achterin en geeft mij en passant een vluchtige kus. “Je bent nog niet weg hoor!”, zeg ik terwijl ik de auto in zijn achteruit zet. “Nee, maar dan hoef ik dit bij het uitstappen niet meer te doen”.

Ik kan dit niet meteen plaatsen. Mijn ietwat door slaap beneveld brein moet nog op gang komen. Maar dan valt toch het kwartje. Aah. Juist ja, de medereizigers mogen dit ultieme teken van zwakte natuurlijk niet zien.

Bij school is het een gekrioel van onuitgeslapen tieners, montere en minder montere ouders die met tassen zeulen en leraren die druk bezig zijn allerlei paperassen te controleren. Arme docenten en chauffeur, denk ik, als ik zelfs vanaf een behoorlijke afstand de oorverdovende herrie al hoor. En ze zijn de stad nog niet eens uit.

Zoonlief heeft me in de auto nogmaals ten strengste verboden hem uit te zwaaien dus sjouwt hij zelf met zijn bagage naar de gereedstaande bus. Hij heeft zijn weekendtas zo vol gepropt dat hij wat scheef loopt onder het gewicht. Zijn rugzak slingert achter hem aan. “Laat nog eens wat van je horen!”, kan ik niet nalaten hem na te roepen. Zonder om te kijken steekt hij zijn duim omhoog.

Tot mijn verbazing krijg ik meteen al de eerste avond inderdaad een sms-je: “Hoi mam. Ga zo eten. Vandaag wel veel gewandeld maar toch best wel leuk”.

Best wel leuk? Mijn zoon die wandelen háát omdat dit “supersaai” is? Als hïj dat schrijft betekent dit – vrij vertaald vanuit pubertaal – dat het dus wel heel erg gaaf was. Goed dat ik dat weet. Na thuiskomst heeft hij dus in ieder geval nooit meer een excuus om niet mee te gaan op een van ónze wandeltochten.

Ik voel dat het wel goed komt met die schoolreis naar Berlijn. Hij zal er een geweldige tijd hebben.

Iedere dag is voor hem een mooie herinnering in wording.

© Pascale Bruinen

Dit zullen ze wel vaker naar binnen hebben gewerkt tijdens de schoolreis. Mijn puber kwam thuis zoals het een middelbare scholier betaamt na een vijfdaagse uitputtingsslag: kapot moe, bleekjes en met megawallen onder zijn ogen. Maar wel met een rugzak vol prachtige verhalen.

LA Law (2)

Ik werk inmiddels twee weken als litigation paralegal, een soort advocaat-assistent, op een advocatenkantoor in Los Angeles dat wemelt van de wereldberoemde cliënten en mijn prachtige droom is al uitgedraaid op een nachtmerrie.

Het begon al op dag één. Ik word door een nurks kijkende secretaresse begeleid naar wat mijn onderkomen voor de komende maanden zal worden: een raamloze kamer met iets grotere afmetingen dan een gemiddeld toilet op het einde van een lange gang. Het kille tl-licht zorgt ervoor dat het hok baadt in een rare blauwige gloed. In de verste verte is er geen spoor van daglicht te zien, laat staan de Stille Oceaan.

Ook krijg ik al op dag vier ongenadig op mijn falie van een van de secretaresses omdat ik het in mijn provinciale onschuld heb gewaagd om – nota bene in opdracht van een advocaat – een vergaderruimte te boeken zonder dit in Het Belangrijke Grote Boek te noteren. Dat niemand mij verteld heeft dat dit moet, doet niet terzake.

Ga ik de eerste dagen nog op en top gekleed en hooggehakt naar mijn cubicle (je weet immers maar nooit of je niet op een onbewaakt ogenblik Harrison Ford tegen het robuuste lijf loopt), nadat ik mijn tijd voornamelijk in het schemerduister op mijn knieën grasduinend in stoffige dossiers heb doorgebracht doe ik al snel geen enkele moeite meer. En zou ik al toevallig een film- of popster tegenkomen, dan is het mij volgens de bedrijfsregels ten strengste verboden Zijne of Hare Heiligheid alleen al aan te kijken of – stel je voor! – aan te spreken. Nodeloos te zeggen dat een handtekening vragen gelijk staat aan ontslag op staande voet.

De middaglunch blijk ik ook al niet te nuttigen in een chique restaurant, maar snel snel aan een mobiele vette happen-kraam die tijdens de lunchpauze staat geparkeerd om de hoek en waar je je kostbare vrije minuten vooral doorbrengt met in de rij staan.

Het droomscenario van de ideale collega’s of begripvolle baas ligt meteen in de eerste week al in duigen. Ik blijk niet één, maar zelfs twee bazen te hebben. Eentje die wel echt aardig is maar met wie ik helaas maar weinig te maken heb en eentje die zich ontpopt tot een narcistische psychopaat (wellicht een pleonasme). En nog dik en lelijk bovendien, dus bepaald géén filmsterrenmateriaal.

Deze man gelooft niet in normale omgangsvormen zoals goedemorgen of dank je wel zeggen. In plaats daarvan gromt, bromt en schreeuwt hij zijn bevelen in het rond, eist bij voorkeur het onmogelijke en drijft daarbij iedereen in zijn directe nabijheid tot wanhoop. Iets netjes aan iemand vragen of opdragen is hem volkomen vreemd. Verwend als ik ben door de geweldige verstandhouding met mijn vorige baas, die gezellig en gemoedelijk was, ben ik de eerste keren in een soort van shock als ik volwassen mensen met de regelmaat van de klok totaal overstuur uit zijn kamer zie komen.

Dat mijn baas een kwaadaardige gek is, blijkt al ras als hij zijn twee secretaresses – van wie er eentje ook nog hoogzwanger is – in mijn bijzijn om een uur of vijf ’s middags toebijt dat hij perse morgenvroeg om zes uur (!!!) een lijvig document kant en klaar uitgetypt op zijn bureau moet hebben liggen. En dat niet alleen, hij eist dat ze zelf ook allebei op dat vroege tijdstip op kantoor aanwezig zijn, mocht hij nog last minute wijzigingen willen aanbrengen. De arme meiden schieten in een enorme stress want ze zullen hierdoor tot laat in de avond keihard moeten doorwerken. Eentje (de zwangere) vlucht even weg naar het toilet, het huilen nader dan het lachen.

De ochtend erna staan de twee dames, inmiddels op de rand van een nervous breakdown, stipt om zes uur in zijn enorme corneroffice met het uitgetypte document. Maar van de botte bruut  (BB) zelf geen enkel teken van leven. Pas tegen de lunch komt hij binnenzeilen alsof niks aan de hand is en kijkt vervolgens zelfs niet op of om naar het stuk.

Diep verontwaardigd over zoveel machtsmisbruik en onbeschoftheid besluit ik op dat moment officieel om ook de knop om te zetten. Vanaf nu no more miss nice girl! Wat BB kan, kan ik ook. Zo neem ik me voor om hem ook geen blik meer waardig te keuren, hem niet te groeten en alleen nog bij uiterste noodzaak in staccato-termen te converseren. Als me dat mijn baan kost, dan moet dat maar. Mijn kookpunt is bereikt.

Los van dit soort akkefietjes moet er ook nog, je zou het bijna vergeten, gewerkt worden. Het hoogtepunt van mijn werkdag is niet zozeer juridisch, maar literair van aard. Het oersaaie bestaan van het maken van taaie juridische vertalingen in mijn daglichtloze hok wordt namelijk voor een paar minuten draaglijk als ik het dagelijkse kantoorkrantje op mijn bureau krijg. Het leest bijna als een mini-glossy waarin steevast met veel trompetgeschal vermeld wordt welke nieuwe supersterren nu weer cliënt zijn geworden, wie jarig is, welke procedures er zoal lopen en diverse andere wetenswaardigheden. Zowel juridische (die ik meestal oversla omdat daar alleen maar te pas en te onpas veren in de kont van de hot shot lawyers worden gestoken) als  personeelsgerelateerd.

Ademloos lees ik de namen van cliënten die mijn kantoor vertegenwoordigt in contractbesprekingen voor speelfilms en mega-popconcerten, high profile vechtscheidingen (in de trant van Ivana Trump’s welgemeend advies: “Don’t get mad, get it all!”) en zakelijke conflicten waarbij je de miljoenenclaims om de oren vliegen.

Alleen zo jammer dat mijn persoontje daaraan nul en generlei bijdrage mag leveren. Eén keertje dreigde ik zowaar tot in de rechtszaal te komen met een slepende zaak waar ik heel veel tijd in had gestoken. En wat denk je? Wordt uitgerekend die zaak echt op het állerlaatste moment geschikt. Wég kans om ook eens uit mijn hok te komen.

Ik ben dus gedoemd tot een bestaan in de marge waar ik af en toe een vertaling van een wer-ke-lijk oersaai bankcontract mag afleveren en me voor het overige mag buigen over de banale juridische conflicten van de nobodies. Het meest memorabele is nog de zaak van een jaloerse minnares die erin geslaagd was om bij haar rivale ontharingsmiddel in de shampoofles te doen. Kun je nagaan.

De enige reden waarom ik na een dikke maand nog niet gillend gek ben geworden, is de aanwezigheid van een groepje leeftijdsgenoten die op de postkamer werken. Samen hebben we in de pauzes altijd de grootste lol. Zeker als we volop roddelen over de baas (de psychopaat, niet die leuke) of soms stiekem tussen de bedrijven door een extra pauzetje inlassen in de vergaderruimte, the warroom. In die ruimte gebeurt het, daar komen de hoge pieven samen als er ineens met spoed iets moet gebeuren of als er koortsachtig overlegd moet worden. Maar wij tappen er moppen, delen ruimhartig hele zakken Dorito’s en gniffelen over de laatste nieuwtjes uit het krantje.

Carolyn, een donker meisje met van die mooie kroesharen, heeft een geweldig gevoel voor humor en een hele reeks typische uitdrukkingen in haar dagelijkse repertoire. Een daarvan, “Devil be gone!” is verreweg favoriet. Liefst nog vergezeld van zo wijd mogelijk opengesperde ogen en wilde armgebaren, als een soort van voodoo-imitatie. Hilarisch. En erg handig want inmiddels zou ik de psychopaat best met alle sadistische plezier een speld door zijn alter ego poppetjeslijfje willen rammen.

Maar zie! Sinds ik de rotzak nu al enige tijd met dezelfde munt terugbetaal en hem zelfs één keer recht in zijn gezicht heb durven te zeggen wat ik ervan vond dat hij wéér iemand tot huilens aan toe had afgebekt, bekijkt hij me met andere ogen.

Ik zal nooit vergeten hoe hij opeens naar me keek alsof hij me voor het eerst echt zag en mij op bewonderende toon toevoegde: “You’re a tough one!” Ik heb daarna nooit meer last van hem gehad.

Los Angeles. City of Angels. Maar ook de stad waar de nodige duiveltjes rondwaren.

Al dan niet gestoken in een net kostuum en met de uiterlijke verschijningsvorm van een dure advocaat.

© Pascale Bruinen

Komt jullie vast en zeker bekend voor. Iedereen kent immers wel iemand in zijn of haar directe omgeving die er ongeveer zo uit ziet (in ieder geval in jouw gedachten) en zich ook zo gedraagt. Misschien heb je in mijn column de inspiratie gevonden die je nodig hebt om met deze duiveltjes om te gaan. Meer tips? Deel ze gerust door een reactie achter te laten!

LA Law(1)

In de tijd dat het nog cool is om cool te zeggen, ik schoudervullingen draag waardoor ik op een American Footballplayer lijk en Duran Duran (wier kapsels trouwens verdacht veel op het mijne lijken) hoog in de hitlijsten staat, woont en werkt yours truly een tijd in het mekka van Hollywoodsterren, afslankgoeroes en fotomodellen. Jawel. In Los Angeles, stad der engelen.

Na mijn rechtenstudie en aansluitend een baan bij de universiteit lonkt al snel het buitenland. Meer in het bijzonder the US of A. Geïnspireerd door de dan razend populaire serie LA Law (veertigplussers – met name van het vrouwelijk geslacht – herinneren zich die ongetwijfeld nog, met lekker ding Harry Hamlin als onwaarschijnlijk knappe advocaat) ben ik vastbesloten het recht te gaan dienen aan de westkust van de VS. Bijna altijd lekker weer, de oceaan onder handbereik en steeds de gerede kans een superster tegen te komen op iedere hoek van de straat. Nou ja, in sommige wijken dan.

Ter voorbereiding op mijn Amerikaanse avontuur heb ik uitgezocht welke advocatenkantoren dringend verlegen zouden kunnen zitten om mijn juridische diensten. Aangezien dit het pre-internettijdperk is, kan dit helaas nog niet met behulp van een paar muisklikken. Uiteindelijk heb ik een lijstje met een stuk of vijf grote advocatenkantoren die een Nederlandse juriste zouden kunnen gebruiken. Ik besluit er een oriënterende trip op te wagen.

Tijdens mijn vakantie annex sollicitatieronde blijkt er in LA al snel één kantoor dat zeer geïnteresseerd is in mijn Nederlandse afkomst omdat het veel zaken doet met Crédit Lyonnais, in die tijd een van dé banken die flink investeert in de entertainment business. Daardoor heeft het veel contracten die juridisch vertaald moeten worden van het Nederlands naar het Engels en vice versa. Ze willen me daarom graag in dienst nemen. Ieniemienie detail is alleen dat ik nog een tijdelijke werkvergunning moet zien te krijgen.

Dus moet ik mijn vakantie ook nog besteden aan het scoren van een heuse immigration lawyer. Die moet de procedure in gang zetten waarbij ik moet aantonen dat ik deze baan niet afsnoep van een willekeurige Amerikaanse onderdaan. Dankzij mijn perfecte beheersing van het Nederlands – iets dat natuurlijk geen enkele rechtgeaarde United States citizen mij nadoet – hoor ik enige tijd na terugkomst in Nederland dat de werkvergunning is verleend.

Yes!!! Niets staat nu nog in de weg aan een glansrijke juridische carrière in de ultieme glitter -en glamourstad. Nota bene heeft het kantoor als specialiteit entertainment law en een onuitputtelijke voorraad wereldberoemde cliënten. Wow! 

’s Nachts droom ik van een super elegant kantoor waarin ik als stralend Europees middelpunt in een oversized corneroffice, vanzelfsprekend met ramen van de echt houten vloer tot het strak witte plafond, dag in dag uit geniet van het overweldigende uitzicht over Beverly Hills met in de verte de Stille Oceaan.

Tijdens mijn welverdiende pauzes ga ik naar de hairdresser for the stars, pik een mani- en pedicuurtje mee bij de Thaise dames om de hoek en shop ik op Rodeo Drive bij Louis Vuitton voor dat fijne tasje. Aansluitend verpoos ik op een zonovergoten terras waar ik me vergaap aan het voor de deur geparkeerde wagenpark van Bentleys, Ferrari’s en Porsches.

Tussen het genieten door werk ik vanuit mijn design fauteuil aan het roestvrijstalen bureau af en toe totaal relaxed een vertalinkje weg, ga als onmisbare en super efficiënte juridische assistente mee naar high profile OJ Simpson-achtige rechtszaken en word in mijn eerste half jaar zeker eenmaal gekroond tot medewerker van de maand, waarbij ik op levensgrote billboards overal in en buiten kantoor te bewonderen ben als lichtend voorbeeld.

Tijdens de toch broodnodige lunchbreak vertoef ik uiteraard in het speciale bedrijfsrestaurant voor de happy few waar ik mijn tafeltje welwillend deel met Prinses Stéphanie van Monaco, gier van het lachen om de zoveelste grap van Steve Martin en nonchalant zwaai naar Jack Nicholson.

Mijn kantoorgenoten, inclusief de bazen, lijken zelf wel filmsterren en zijn gevat, voorkomend en zeer collegiaal. En uiteraard – waar het de mannen betreft – ook allemaal vrijgezel (en hetero).

s Ochtends word ik wakker met een enorme grijns op mijn gezicht als ik me de zoete droom herinner.

Oh, ik kan niet wachten!

LA here I come!

© Pascale Bruinen

Ja, sweet memories. Benieuwd naar het vervolg? Lees dan volgende week deel 2!

Stormy Weather (2)

Ik zit op een cruiseschip midden op de Caribische zee met een storm in aantocht. Afgelopen nacht waaide het al flink en voelde ik meer deining dan anders, maar ik heb er nog geen last van gehad.

Inmiddels is het ochtend. Een blik door onze patrijspoort leert dat het, zoals voorspeld,  bewolkt is en dat het hard regent. Op zee zijn schuimkoppen en behoorlijke golven te zien, opgestuwd door de harde wind.

Ik ben onrustig want vandaag vaart onze cruiseboot de storm, die door het Caribisch gebied raast, tegemoet. Voor alle zekerheid doe ik alvast twee polsbandjes om die geacht worden mijn evenwichtsorgaan in bedwang te houden door acupressuur. Omdat we door de jetlag toch al vroeg wakker zijn, besluiten we – nu we nog honger hebben – snel te gaan ontbijten. Niks zo slecht voor zeeziekte als een lege maag.

Een paar uur later begint het schip echt flink te bewegen. Als ik loop, lijkt het alsof ik stomdronken ben. Ik wankel meer dan dat ik wandel. Het ene moment loop ik ineens een stukje bergop, om het volgende weer snel bergafwaarts te gaan. Behalve de rolbeweging trilt het schip om de zoveel tijd ook even hevig, alsof ze een koude rilling krijgt.  Het is een gek gevoel, maar niet akelig. So far so good. Uit preventief oogpunt slikken we gembercapsules, door een bevriende apotheker aangeraden als het beste middel tegen misselijkheid. De bemanning raadt aan groene appels en crackers te eten.

Als ik tegen de middag nog steeds niet doodziek ben, besluit ik samen met H. aan dek te gaan op de 12e verdieping om eens te kijken hoe hard het nu eigenlijk echt waait. Meteen nadat ik een voet buiten heb gezet, word ik bijna omver geblazen. De wind rukt woest aan mijn kleren en blaast mijn haren alle kanten uit. Het gierende geluid overstemt alles zodat ik moet schreeuwen om verstaanbaar te zijn.

Als ik over de reling kijk, zie ik dat het schip eerst behoorlijk daalt om daarna weer flink te stijgen ten opzichte van de horizon. Het water in het zwembad wordt zo hoog opgezwiept dat het bij tijd en wijle aan alle kanten over de rand slaat. De regen geselt het dek. Af en toe is er zo’n felle rukwind dat ik, zonder iets te doen, een stukje vooruit geblazen word. Tegen de wind in lopen, kost me echt moeite. Ondanks al dit geweld is het aangenaam warm buiten. Een vreemde gewaarwording.

Vanaf het hooggelegen dek is niet goed te zien hoe hoog de golven nu zijn. Vanuit onze hut op dek 2, toch nog zo’n zes meter boven het zee-oppervlak, is dat veel beter te beoordelen. Daar zie ik dat er in zee telkens overal grote “gaten” ontstaan waarlangs zich steile wanden van water vormen. Die wanden zijn de golven en die zijn hoog. In verhouding tot de sterkte van de wind en de hoogte van de golven beweegt het schip niet eens zo veel als je zou verwachten. Weliswaar rolt ze af en toe behoorlijk, maar het is goed te doen want ik heb nog steeds geen toevlucht hoeven nemen tot echte medicatie waarvan je zo suf wordt als een garnaal. Ik betrap me erop dat ik het zelfs best wel leuk begin te vinden, die storm. Ik voel me net een stoere zeebonk, maar dan zonder de plakplaatjes. Ik kan een échte storm trotseren en ben weer een spannende ervaring rijker.

En een illusie armer, zo blijkt als we de dag erna – als het schip in rustiger vaarwater is gekomen – met een groepje van vijftien man een excursie doen langs de gebieden van het schip die normaliter off limits zijn voor de passagiers. Op de brug legt de kapitein uit dat het schip beschikt over stabilisatoren die het schip beschermen tegen de rolbeweging. Laat ik me die nu altijd voorgesteld hebben als een soort van super-ultra-megaroeispanen die aan weerskanten van het enorme schip met tientallen tegelijk naar buiten komen. De ontluisterende werkelijkheid is dat het er maar twee zijn (twéé, nu vraag ik je) die elk, en nu komt het, vijf hele meters lang zijn. Víjf meter. Ik voel een hysterische lachbui opkomen als ik me afvraag hoe twee van zo’n lullige minispaantjes in hemelsnaam zo’n enorme joekel recht moeten houden in een storm. Maar goed, ik ben niet zeeziek geworden dus zal het toch wel voldoende zijn. Zal wel aan mijn ontstellend gebrek aan technisch vernuft liggen dat ik dat niet snap. “Nog bedankt dat u ze gebruikt heeft gisteren in die storm”, zeg ik daarom goedgemutst tegen de kapitein, “dat heeft wel geholpen”.

“We hebben ze helemaal niet gebruikt”, antwoordt hij terwijl hij enigszins geamuseerd naar me kijkt. Ik krijg een hoofd als een boei (hoe toepasselijk). Ik hoor gegrinnik opstijgen uit de rest van het groepje. Inclusief H. Ik werp hem een dodelijke blik toe. Mooie boel is dat, denk ik bozig, hebben ze van die dingen en dan gebruiken ze die niet eens. En dan te bedenken dat die pief van de bemanning me dat vooraf wel had wijsgemaakt.

“Dit was wel een storm, maar in verhouding nog maar een kleintje. Het kan natuurlijk nog veel erger”, doet die verdraaide kapitein nog een extra duit in mijn vernederingszakje. “Als het echt loos gaat, helt het schip zodanig dat de golven over de hoogste dekken komen en stuur ik iedereen verplicht naar zijn hut”. Oh. Dat wist ik niet. Sommige dingen kun je, als cruiseverslaafde, beter niet weten.

Dit is er een van.

© Pascale Bruinen

Tja, stabilisatoren zijn ongetwijfeld heel handig maar dan moet je ze natuurlijk wél gebruiken. Ik hoop dat ik mensen die nog van plan waren ooit eens te gaan cruisen niet heb afgeschrikt met mijn nautische stormavontuur. Maar zoals gezegd: dit waren heel hoge golven en het viel echt wel mee. Dit soort schepen zijn gewoon niet te vergelijken met bijvoorbeeld de veerboten naar Engeland. Ik heb de volgende cruise alweer geboekt. Wie volgt? Overigens kun je voor meer informatie over cruisen terecht op mijn andere blog, www.cruisecraver.com

Stormy Weather(1)

Nee!!! Nee, dat zal toch niet waar zijn! Dit moet een vergissing zijn. Mijn ogen zijn gefixeerd op de weerkaart van het westelijk Caribisch Gebied, waar een flinke depressie met stormachtige winden te zien is. Onheilspellende oranje en rode vlekken voeren de boventoon en gaan de komende vierentwintig uur precies daar naar toe, waar ons cruiseschip ook heen moet.

De Amerikaanse Helga van Leur zet haar ernstigste gezicht op en strooit met termen als severe weather warning, floodings, dangerously high winds en het ergste van al: rough seas with 12 to 18 foot waves. Snel reken ik om naar meters. Golven van 4 tot 6 meter. Of tot wel twee etages hoog. Oh. Mijn. God.

Onmiddellijk roepen mijn hersenen de bijbehorende beelden op van een boot, aan wal nog enorm, maar op een woeste zee nog slechts een nietig stipje. Willoze speelbal van  gierende wind en van immense golven die eindeloos beuken tegen het machteloos rollende en deinende schip.

Met het zweet in mijn handen bel ik de cruisemaatschappij met de vraag of ze de route veranderen. Maar nee, het schip gaat gewoon de geplande koers varen, luidt het antwoord. Hoezo “gewoon”? Er is verdorie een enorme storm op komst!

Het volgende uur breng ik surfend door op internet. Ik zoek alle mogelijke weersites op in de hoop dat er eentje tussen zit die aangeeft dat het – zoals al die andere keren – windstil en heerlijk zonnig wordt. No such luck. Ze voorspellen allemaal dezelfde ellende. Dus twijfel ik ernstig of ik wel wil inschepen. Het grootste probleem is immers dat ik, eenmaal aan boord, er niet meer af kan als het echt tegenvalt. En onze route voorziet de eerste 36 uur non-stop varen voordat niet-schommelend land in zicht is. Ik ben weliswaar gek op cruisen maar liefst wel op een spiegelgladde zee.

Na koortsachtig overleg besluiten we naar de cruiseterminal te rijden en ter plekke te kijken of we meer informatie kunnen krijgen van de bemanning. Het liefst van de kapitein zelf uiteraard, maar een van zijn officieren kan er zonodig ook mee door.

Tot mijn verbazing heerst bij de terminal de gewoonlijke blije en opgewonden sfeer van mensen die denken een heerlijke onbezorgde cruisevakantie tegemoet te gaan. Het is wel duidelijk dat niemand van deze nitwits de laatste uren naar het nieuws heeft gekeken. Zalig de onwetenden.

H. gooit het hoge woord er maar meteen bij de incheckbalie uit. Hij zegt dat ík graag een gesprek wil met iemand van de bemanning omdat er een storm op komst is en ík daar bang voor ben. Ha! Nou wordt ‘ie mooi. Nou ben ik het ineens alléén die een storm op zee niet zit zitten. En dat wordt gezegd door iemand die het zelfs nog presteert om zeeziek te worden op een luchtmatras. Maar goed, ik zou inderdaad wel wat informatie willen, bevestig ik desgevraagd. En kan het dan niet laten er nog snel aan toe te voegen dat ik me realiseer dat ik misschien wat lastig ben (dûh).

De mevrouw aan de balie verzekert me in alle ernst dat dit geen enkel probleem is. En welnee, ik ben helemaal niet lastig! Tuurlijk haalt ze er effe iemand van de officieren bij die mij te woord zal staan. Saillant detail bij dit alles is overigens dat onze koffers ondertussen al lang en breed onderweg zijn richting schip. Dus mochten we besluiten niet mee te gaan, dan zullen we die ruim een week niet meer terugzien.

Oh jee. Daar komt echt een officieel uitziend iemand aanlopen. Recht op mij af. Zwarte broek, helderwit hemd met korte mouwen, allerhande versierselen op de schouders. Officierstype. Opeens vind ik het een belachelijke situatie en voel ik me beschaamd dat ik hem lastig wil vallen met mijn onnozele vragen. Het zal vast wel loslopen. Storm? Een beetje wind zullen ze wel bedoeld hebben, stel ik mezelf gerust.

Ik voel de neiging opkomen om me snel om te draaien en weg te lopen, maar het is al te laat. “You’re worried about the weatherforecast and wanted to ask me some questions?”, vraagt hij vriendelijk met naar mijn smaak veel te luide stem. Hoofden draaien nieuwsgierig in onze richting. Ook dat nog. “Well, yes“, antwoord ik met tegenzin en met beduidend minder volume. Hij kijkt me zonder een spoortje van spot aan en zegt: “Yes, It’s going to be a little rough and there’s going to be some rain, but that’s it. You’ll be just fine“.

A, a little … rough?”, stamel ik. “What do you mean?” Per slot van rekening is hij een doorgewinterd zeeman. God weet wat hij daaronder verstaat. Maar hij houdt overtuigend vol dat ik me geen zorgen hoef te maken. Iets wat hij nog ondersteunt door te zeggen dat het schip stabilisatoren heeft waardoor ik weliswaar wat schommelingen zal voelen, maar dat het echt zal meevallen. We hakken ter plekke de knoop door en besluiten het er op te wagen.

’s Avonds, als de boot net een paar uurtjes aan het varen is, klinkt de bekende ding-dong die aankondigt dat de kapitein zijn praatje gaat houden. Snel zet ik de volumeknop in de hut iets harder en luister gespannen naar wat komen gaat. De goede man zegt dat hij graag beter nieuws wil brengen, maar dat het jammer genoeg heel slecht weer wordt. Ik krijg een kurkdroge mond en probeer te slikken. Komende nacht, zo vervolgt hij, is het nog redelijk maar morgen wordt het “bumpy and noisy“, omdat het schip op volle snelheid tegen windsnelheden tot honderd kilometer per uur in moet varen. Honderd kilometer per uur. Mijn slikspieren weigeren nu elke dienst. Ik voel misselijkheid opkomen die nog niks met enige deining te maken heeft. De kapitein besluit zijn peptalk met het welgemeende advies om alvast met eventuele medicatie tegen zeeziekte te beginnen, mocht je daar gevoelig voor zijn.

Het worst-case scenario, vooraf nog ietwat lacherig bedacht, wordt nu werkelijkheid. Ik zit midden op zee op een schip dat met volle kracht een razende storm tegemoet vaart.

© Pascale Bruinen

Je zou het zo te zien misschien niet zeggen maar toen ik deze foto maakte ging het ongelooflijk tekeer buiten. Van bovenaf is het moeilijker te zien maar dit zijn golven van minstens vier meter hoogte. Hoe het me verging kun je de volgende week lezen in de vervolgcolumn…Wil je ondanks deze column toch meer lezen over cruisen, ga dan naar mijn andere blog www.cruisecraver.com

De Tien

In een tijd die geteisterd wordt door allerhande lijstjes, zowel in boekvorm als op tv, voeg ik er toch nog eentje aan toe. In vakantietijd stuit je overal op juichverhalen over glamourbestemmingen, heerlijk buitenlands eten, ontstressen en het opsnuiven van geweldige andere culturen.

Maar er is ook een keerzijde. Over de beduidend mindere dingen die je kunt meemaken als je op vakantie bent, gaat dit lijstje

In willekeurige volgorde volgt hier een (niet uitputtend) overzicht van tien gruwelen die je op vakantie kunnen overkomen:

Wegregenen op die fijne camping; opdringerige landgenoten; arrogant en onbeschoft personeel; er pas op de plaats van bestemming achter komen dat je reisgenoten toch minder leuk zijn dan gedacht; eindeloos onderhandelen over spullen die je eigenlijk helemaal niet wilt kopen; een collega op 1.200 km van huis tegenkomen net als je topless aan het zonnen bent; de portable dvd-speler die het op weg naar Zuid-Frankrijk begeeft als je met je kroost (dat elkaar naar het leven staat) nog maar net ter hoogte van Luik bent; de luxe villa die bij nader inzien meer op een kippenhok lijkt; kip à la salmonella op die gezellige barbecue en je stiekem doodvervelen omdat je geen RTL-4 kunt ontvangen.

Wegregenen op die fijne camping heb ik zelf meegemaakt. Na een lange reis met de sleurhut komen we eindelijk aan op een terrassencamping in the middle of nowhere van de Dordogne. Alles uitgepakt, voortent vastgemaakt, hele reutemeteut op de plaats gezet en op naar het zwembad met de kinderen. Het is lekker warm en we hebben daarvan ook maar liefst drie héle kwartieren kunnen genieten. Ineens lijkt het wel nacht te worden. Zwarte wolken pakken zich dreigend samen om daarna in een hels onweer los te barsten.

Het regent en onweert zó hard dat we in de caravan moeten schreeuwen om ons verstaanbaar te maken. Buiten heerst zo’n duisternis dat we binnen het licht moeten aanmaken. Behalve dan op de momenten dat het bliksemt en alles even in een felle zilveren gloed baadt. Met lede ogen kijken we toe hoe het water over de terrassen naar beneden loopt, dwars door onze voortent. Alles verandert in één klap in een modderbad.

Na afloop bekijken we de schade. Op dat moment komt onze Nederlandse buurvrouw (er zijn overigens alleen maar landgenoten op deze camping, een Fransman is nergens te bekennen) die zegt dat het al de hele week zo’n weer is. Ze adviseert ons hier maar alvast aan te wennen. Nou, ik dacht het niet. Dus na weer een dag met exact hetzelfde scenario donderen we alle natte spullen zo de caravan in en vertrekken naar de Costa Brava. En of de duvel ermee speelt, bij het passeren van de Spaanse grens begint de zon te schijnen om de rest van de vakantie er niet meer mee op te houden.

Arrogant en onbeschoft personeel ben ik vaker tegengekomen, maar die op een camping in de Provence spannen de kroon. De camping is ouderwets gezellig, het weer is fabuleus. Maar een érgernis telkens als je iets wilt vragen aan de receptie. Nu wil het toeval dat ik aardig Frans spreek, maar zelfs dat is niet genoeg om dit verveelde zootje ongeregeld gunstig te stemmen. Ze zijn alleen met de grootst mogelijke moeite uit hun semi-permanente staat van lethargie te halen en de afstand van maar liefst 1,5 meter van hun stoel naar de balie af te leggen. Eenmaal daar aangekomen wordt letterlijk uit de hoogte op de klant neergekeken met een blik alsof er zojuist een lading rotte vis is afgeleverd. Uiteindelijk weet men zich te verwaardigen tot een zo verveeld mogelijk uitgesproken “Oui?”. Het maakt vervolgens niet uit wát er gevraagd wordt, want het blijkt geen van alle mogelijk te zijn of men weet het niet. Klantvriendelijkheid, servicegerichtheid, dienstbaarheid staan duidelijk niet in hun vocabulaire.

De “luxe villa” die bij nader inzien meer op een kippenhok lijkt hebben we gehad op een camping aan de Spaanse Costa Dorada. De kinderen zijn nog klein en tripadvisor, zo’n internetsite waar je vooraf waarschuwende foto’s kunt zien, bestaat nog niet. Mijn beste vriendin, die er zelf geweest is, heeft me al een paar maal in nogal cryptische bewoordingen proberen te waarschuwen dat de accommodatie “echt heel eenvoudig” is. In mijn enthousiasme had ik daar geen boodschap aan. Less is more, nietwaar? Bovendien: wat is er mis met back to basics? Precies!

Eenmaal aangekomen kijken we raar op als we iets ontwaren wat je het beste als een miniscule houten hut kunt omschrijven. Ook na checken en dubbelchecken blijkt het inderdaad te gaan om de gehuurde “villa”. Het hok heeft twee piepkleine slaapkamertjes. Alles, maar dan ook alles, is van binnen bekleed met ruw kistjeshout waaraan je je roodverbrande huidje openhaalt als je je langs elkaar door moet persen. En dat moet voortdurend.

Bij nadere inspectie van onze master bedroom blijkt dat ons bed niet meer inhoudt dan een in elkaar geflanst houten geraamte waarvan één poot helemaal scheef hangt. Er op gaan liggen met twee volwassenen is dan ook geen optie. Aangezien mijn smeekbede voor iets beters bij de receptie in het hoogseizoen voorspelbaar is mislukt, moet er een andere oplossing gevonden worden. In een vlaag van geniale creativiteit binden we het geraamte met drie stukken waslijn tegen de muur en slapen we zelf op twee flinterdunne matrasjes op de grond van de hut. Tel bij deze luxe omstandigheid nog de vochtige hitte, de ontelbare muggen en de nachttrein op die zeker vier maal per uur op nog geen 75 meter van ons onderkomen langsraast, en het wordt duidelijk dat we deze vakantie ons chronisch slaapgebrek niet hebben kunnen verminderen.

Het speciale recept van kip à la salmonella is klaargemaakt op een barbecue in Spanje. De koks doen wedstrijdje om zo veel mogelijk gevogelte in zo kort mogelijke tijd te roosteren want hele volksstammen hongerige toeristen willen eten en snel. In het schemerdonker is helaas niet te zien dat het tokkelende beestje nog felroze is van binnen. Mijn moeder is de gelukkige die zich enkele uren later, terwijl ze uit alle mogelijke lichaamsopeningen leegloopt, onder medische behandeling moet stellen. De dokter heeft maar op het nippertje kunnen voorkomen dat ze voor de allereerste keer in haar leven slanker terugkeert van vakantie dan dat ze gegaan is.

© Pascale Bruinen

Ook wel eens zo’n vakantie gehad? Vast wel. Mochten jullie deze ellendige ervaringen willen delen, grijp dan nu je kans!

Coral by the Sea

Coral by the sea is wel een eenvoudige accomodatie. Maar het is goedkoop en jullie hoeven er toch maar één nachtje te slapen voordat jullie op cruise gaan”. O. is erg overtuigend. Een eigenschap die hem goed van pas komt als directeur van zijn eigen reisbureau. “Doe die dan maar”, besluiten we. Ik hoop dat we er geen spijt van krijgen.

Paar weken later. We zijn net vanuit New York in San Juan, Puerto Rico, aangekomen en zijn bekaf. Zodra we een voet buiten de airconditioned aankomsthal van het vliegveld zetten, valt de klamme hitte als een dikke deken op ons. In no time staat het zweet ons op het voorhoofd.

Als we tegen de taxichauffeur zeggen waar we heen willen, kijkt hij ons net iets langer dan gebruikelijk aan maar zegt niks en rijdt weg. Zwoele salsamuziek uit zijn autoradio waait door de vier geopende ramen naar buiten, de nacht tegemoet. Hij verrekt het de airco aan te zetten.

Voordat we de kans krijgen hier iets over te zeggen, brengt hij abrupt de taxi tot stilstand. We zijn er al. Wat ik vooraf vreesde, wordt bewaarheid. Er is geen koraal of zee te bekennen. In plaats daarvan staat de luxe uitstraling van de naam van het hotel in schril contrast met de afgebladderde vermoeidheid van het gebouw dat ik in het duister ontwaar.

Bij gebrek aan portiers sjouwen we onze vier megakoffers, inmiddels zwetend als otters en met vuurrode hoofden, uit arren moede zelf maar naar binnen. Eenmaal in de hal lijkt het alsof we in een tijdmachine zijn gestapt en rechtstreeks het Cuba van de jaren vijftig in zijn gekatapulteerd.

Achter iets dat moet doorgaan voor balie zit een Puertoricaanse meneer van een jaar of zestig. Hij kan zo figureren als dubbelganger van Fidel Castro in ietwat jongere jaren. De sigaar achter zijn oor vervolmaakt het clichéplaatje.

Ik kijk eens rond. Nergens een computer te bekennen. Wel een oude typemachine. Op een krukje staat een zieltogende plant. De bladeren, in betere tijden frisgroen, nu grijs van het stof. Boven onze hoofden doet een wiekklappende ventilator vruchteloos pogingen ons enige koelte toe te wuiven.

We vertellen dat we een kamer geboekt hebben. Als enige reactie hierop steekt hij een leerachtige hand uit. Eerst denken we nog dat hij ons de hand wil schudden, maar uit zijn slissende gemompel blijkt dat hij alleen onze paspoorten wil. Snel geef ik ze hem, in de ijdele hoop dat het hem ook zal aansporen tot enige voortvarendheid. Maar hij heeft hoegenaamd geen enkele haast. Ik wel, want het zweet druppelt inmiddels in straaltjes langs mijn rug.

Het gegraai in en schuiven met bergen paperassen lijkt eindeloos lang te duren. Verveeld draai ik me intussen om richting hal. Ineens zie ik een donkere vrouw bij het gammele liftje staan. Ze draagt een ultrakort rokje, een tijgertopje dat haar blubberbuik in volle uitpuilende glorie onthult en zeker twaalf centimeter hoge stiletto’s. Ik stoot H. aan. “Dat is er een van de betaalde liefde!”, fluister ik gealarmeerd in zijn oor. “Wat is dat hier in hemelsnaam voor ballentent?” Juist op dat moment reikt Fidel ons de sleutel aan.

We passen met al onze bagage maar amper in het kippenhok dat als lift bijbeunt. De fijne combinatie van extreme vermoeidheid, verzengende hitte, een vohtigheidsgraad van 150% en de walm van weeïge parfum achtergelaten door mejuffrouw tijgerprint is genoeg om bijna van tegen de vlakte te gaan.

H. loopt voorop over de galerij. Bij de juiste deur aangekomen, blijkt dat we de lang verbeide sleutel nauwelijks nodig hebben. Het slot blijkt namelijk al eens geforceerd te zijn. Enige interessante vraag is door wie. Geflipte drugsdealers? Moordlustige pooiers? Zwaarbewapende swatteams van de politie? Mijn gevoelens van onveiligheid, eerst nog sluimerend, komen plots in alle hevigheid opzetten. Als je alleen al tegen deze deur bláást, sta je meteen binnen.

“Laten we de deur barricaderen met onze koffers!”, roep ik paniekerig tegen H. Zeker weten dat een potentiële indringer zich geen weg naar binnen kan vechten als er alleen al één propvolle koffer voor de deur staat (in ieder geval toch een van de mijne), laat staan alle vier. En mocht de onverlaat het onverhoopt toch proberen, loopt hij op zijn minst een dubbele liesbreuk op. Ha! Net goed!

Omdat het inmiddels in de kamer zo’n 45 graden is, zet ik snel de airco aan. Meteen breekt er een hels kabaal los waarbij het lijkt alsof een Boeing 747 opstijgt. Midden in onze kamer wel te verstaan. Da’s mooi. Nu hebben we de keuze: óf we kunnen niet slapen van de herrie óf van de hitte. Omdat niet eens een normaal  gesprek mogelijk is, kiezen we voor het laatste en zet ik de airco weer uit. Het gekke is alleen dat ik nu nog steeds die Boeing hoor. Een blik door het vuile, enkele glas van het enige raam leert dat dit wel kan kloppen. We zitten namelijk zo’n beetje recht onder de start- en landingsbaan van het internationale vliegveld. Het taxiritje was inderdaad verdacht kort.

We zijn inmiddels de uitputting nabij en willen nog maar één ding: slapen en wel zo gauw mogelijk. Een snelle blik op:

1. dat wat door moet gaan voor badkamer en

2. de lakens

maakt dat ik besluit ongewassen en geheel gekleed te bed te gaan. Mét oordoppen in en slaapmasker op.

’s Ochtends vier ik dat ik – hoewel gebroken, vies en met megawallen onder mijn ogen – niet verkracht of vermoord ben. Of misschien wel juist dankzij deze fysieke staat? Hoe het ook zij, ik heb een hele, hete en helse nacht in dit smerige rovershol overleefd.

Nooit eerder ben ik zo snel klaar geweest met mijn persoonlijke verzorging. Deootje, kam door piekharen, wolkje parfum en hup. Op naar de cruiseboot!

© Pascale Bruinen

https://i1.wp.com/media-cdn.tripadvisor.com/media/photo-s/01/1b/cd/1b/carolina.jpg

Dit is wel al ruim vijf jaar geleden dus misschien is het nu wat verbeterd. Hoewel, Coral by the Sea krijgt slechts tweeëneenhalve bol bij Tripadvisor. Mochten jullie in de buurt komen, laat mij dan eens weten wat jullie ervaringen zijn! Zoals jullie konden lezen gingen we hierna een cruise maken. Als jullie meer willen weten van cruisen, kijk dan ook eens op mijn andere blog, www.cruisecraver.com

Glamp Vamp

Glamp Vamp

Wil je wel graag kamperen maar niet op een plek zo groot als een postzegel in zo’n aftandse caravan of bungalowtent? Lees dan verder want de redding is nabij. De nieuwste trend is glamping. Oftewel glamourous kamperen. Zo heb je “the best of both worlds”. Er is zelfs een heus tijdschrift aan gewijd. “Glamping Magazine”, de nieuwe ANWB kampeerglossy.

Glamping is hot. Dankzij glamping zal zelfs de meest verstokte anti-kampeeractivist nooit meer in een vijfsterrenhotel willen. Zoek de verschillen in onderstaand vergelijkend onderzoek:

Camping (1)
Bij het door de modder op de plek duwen van je sleurhut ga je door je rug.

Glamping
Jij hoeft alleen maar de deur van je superdeluxe chalet te
openen met een vergulde sleutel

Camping (2)
Bij je zoveelste poging om die stomme haringen in de knoerharde rotsgrond te slaan, hamer je vol op je duim.

Glamping
Jij zit al op je loungebank aan de rosé en geniet van je immens grote terras mét vuurkorf.

Camping (3)
Omdat jij alleen nog een plekje in de volle zon kon bemachtigen, drijf je ’s morgens om 7 uur al je sheltertje uit.

Glamping
Jij staat natuurlijk met je airconditioned villa op wielen in de koele schaduw van een prachtige cipres.

Camping (4)
Je moet nodig midden in de nacht naar de WC en verzwikt je enkel op dat aardedonkere weggetje.

Glamping
Je gaat in alle rust op je comfy toilet mét ingebouwde luchtverfrisser.

Camping (5)
Na de lunch begint al die paella op te spelen. Je pakt een rol wc-papier en gaat op weg. Ondertussen bedenk je dat je evengoed een bord om kunt hangen met de tekst: “Ik ga nu poepen” in drie talen.

Glamping
Je gaat weer in alle rust op je comfy toilet mét ingebouwde luchtverfrisser.

Camping (6)
Die gezellige barbecue is achter de rug. Nu alle vette troep nog effe afwassen. Na een halve kilometer sjouwen met teiltje, borstel, afwasmiddel en vieze vaat kom je eindelijk aan bij de wasplek, alleen maar om te ontdekken dat er enkel ijskoud water is. |

Glamping
Die gezellige barbecue is achter de rug. Ontspannen
nagenietend stop je glimlachend het hele zwikje in
je state of the art afwasmachine. Hè hè, nu lekker
zitten met dat fijne boek.

Camping (7)
Er barst een hevig noodweer los. Jij, je man en zelfs je twee kleuters moeten met al hun kracht aan de tentstokken hangen om het vege lijf te redden.

Glamping
Er barst een hevig noodweer los. Jullie kijken elkaar aan in de zalige beschutting van je ruime slaapkamer en zeggen zuchtend: “Wat romántisch”!

Camping (8)
Het is bedtijd. Je bent kapot en wilt niks liever dan slapen in je tweedehands caravan en wel meteen. Alleen zo jammer dat je eerst nog pakweg drie kwartier aan de slag moet om: de tafel – tevens het bed – leeg te maken, dat rot ding in te klappen, je hand tien minuten onder koud stromend water te houden nadat die klem is komen te zitten onder de tafel, de korte poot (die dient om het bed stevigheid te geven) overal te zoeken omdat die weer eens kwijt is, het bed met die ppot vast te zetten, te puzzelen totdat alle kussens zo liggen dat het lijkt op een matras en het hele zooitje vervolgens ook nog te gaan opmaken. En dat allemaal in de wetenschap dat je morgenvroeg deze hele reutemeteut opnieuw mag doen maar dan in omgekeerde volgorde. Nog maar dertien nachten te gaan.

Glamping.
Het is bedtijd. Je slaat vergenoegd je lakens van zwaar Egyptisch katoen open en nestelt je in je trendy boxspring.

Camping (9)
Het is bedtijd. Jullie hebben wel zin in een lucky night. In je eitje dat in de showroom nog “ruime gezinscaravan” werd genoemd liggen je voeten echter halverwege het kinderbed. Hoezo privacy?

Glamping
Het is bedtijd. Jullie hebben wel zin in een lucky night. De koters liggen ver weg in hun separate kindervleugel.
Jullie kijken elkaar schalks aan en verbeteren moeiteloos jullie jaargemiddelde in één lange hete nacht.

Camping (10)
Het is ochtend. Dankzij de niet ergonomisch verantwoorde spaanplaatbodem van je tafelbed word je wakker met het gevoel alsof je door een vrachtwagen bent overreden. Daarbij heb je over je hele lichaam vreselijke jeuk. Één blik
in de spiegel bevestigt dat de plaatselijke muggenkolonie zich de afgelopen nacht vol heeft gezogen met jouw
bloed, zodat je er nu uitziet alsof je een besmettelijke ziekte hebt.

Glamping
Het is ochtend. Je rekt je uit en hebt je nog nooit zo fit en uitgerust gevoeld. Dankzij de horren ziet jouw huidje er
nog even mooi en ongeschonden uit als toen je ging slapen.

Conclusie: na twee weken ontberingen op de camping lijk je nog het meest op een uitgewrongen dweil, terwijl na veertien dagen glamping zelfs de meest gestreste Ma Flodder is gemetamorfoseerd in een toonbeeld van mooie, fitte en relaxte verleidelijkheid.

Kortom, de conclusie moge duidelijk zijn.

Lang leve de Glamp Vamp!

© Pascale Bruinen

glamping2

De überverwende vakantiesnobbisten onder ons kunnen hun hartjes ophalen als ze lekker luxe gaan loungen in de vrije natuur. Tot welke categorie behoor jij? Spreekt jou dit plaatje wel aan of slaap jij voor het echte werk toch liever op je leeggelopen luchtbed? Laat hier een reactie achter.

 

 

Cruisen

Mijn taxi nadert de haven van Miami. Ik kijk letterlijk reikhalzend uit naar het moment dat ik voor de allereerste keer in mijn leven het enorme schip met eigen ogen zal zien.

Tuurlijk, de folders, afbeeldingen en filmpjes op internet heb ik allemaal al gezien. Ettelijke keren. Toch ben ik totaal onvoorbereid op het ontzag dat zich van me meester maakt als de chauffeur plots stopt op de kade en ik een allereerste blik werp op Haar. Ik kan alleen maar met open mond kijken. Omhoog, omhoog, nog hoger. Ondanks Haar gigantische afmetingen word ik onmiddellijk getroffen door Haar stralend witte en ranke schoonheid.

Het welhaast verblindende zonlicht weerkaatst in de saffierkleurige golven die op hun beurt weerspiegelen op Haar sierlijke boeg. Aan dek wapperen de vlaggetjes van talloze landen vrolijk in de zwoele bries als teken van warm welkom aan alle verschillende nationaliteiten die weldra aan boord zullen gaan. Het is te veel om te bevatten. Een soort van nautische “Shock and Awe”.

Eenmaal aan boord is het al niet anders. Als in een zoete droom loop ik rond, bijna zwevend van het gelukzalige gevoel dat ik krijg bij het zien van zoveel moois. Een prachtig pooldeck met twee zwembaden, jacuzzi’s en loungehoeken. Een gezellig terras op de achtersteven, waar ik mezelf al zie zitten aan het ontbijt. Een spa waar je je gelijk helemaal Zen voelt.

Ik loop door de winkelstraat, gluur in de bibliotheek en verbaas me over het enorme theater. Mijn honger kan gestild worden in vier restaurants en sportieve neigingen kan ik kwijt op het basketbalveld, aan de klimmuur of op de atletiekbaan. En in de fitnessruimte natuurlijk, die voorzien is van de allernieuwste apparaten.

Al snel voel ik me een nieuwerwetse ontdekkingsreiziger die dan weer hier, dan weer daar stuit op onverwachte hoekjes, gezellige zitjes of een intiem barretje. De adrenaline giert door mijn lichaam van opwinding bij het idee dat ik hier een volle week van mag gaan genieten. En hoewel er in totaal zo’n vierduizend passagiers en bemanningsleden aan boord zijn, is het schip zo groot dat je zonder al te veel inspanning een rustig plekje kunt vinden. Buiten of binnen. Maar de echte luxe van dit majestueuze schip is het onovertroffen zeezicht.

Na de verplichte dril compleet met reddingsvesten ben ik maar net terug aan dek of er klinkt opeens een oorverdovend geluid uit de reusachtige scheepshoorn. De bijbehorende trillingen golven door mijn lichaam alsof iemand in mijn maag een drumsolo ten beste geeft. Tegelijkertijd voel ik een wave van gespannen verwachting gaan door de menigte, die zich als één man haast naar de reling aan de kant van de kade. Ik dring me er tussen en kijk als betoverd toe hoe het enorme schip zich schijnbaar moeiteloos zijwaarts van de kant af beweegt, als ware het een reuzenkrab.

Ik zie meer dat Ze vaart dan dat ik het voel. De streep water tussen de kade en de zijkant van het schip wordt allengs groter. Vanaf mijn vijftiende verdieping zwaai ik, net als mijn medepassagiers, naar onbekende achterblijvers van het formaat Legopoppetje op de kade. Ik voel een zilte bries door mijn haren gaan. De scheepshoorn loeit nogmaals zijn vaarwel. Ondanks de hitte voel ik dat ik kippenvel krijg.

Al mijn zintuigen staan op scherp. Alsof mijn radar, net als die van het schip, helemaal open staat. Klaar om iedere indruk als een spons te absorberen. Ik kijk om me heen. Iedereen lacht, ontdekt en slaakt verrukte kreetjes bij elke nieuwe verrassing. Onder de laatste zonnestralen van de dag speelt de band van rastamannen Bob Marley reggae. De langzaam deinende vrolijkheid van het ritme werkt aanstekelijk. De glimlach om mijn mond is een blijvertje. Ik kan niet anders.

Ik richt mijn blik op de kleine, wendbare boot van de pilot, die Haar begeleidt bij een veilige uittocht uit de haven. Daarginds lonkt de havenmond. Nog even en we zijn buitengaats. De veelbelovende vrijheid van volle zee.

Terwijl de skyline van Miami in de warmroze gloed van de snel ondergaande zon steeds verder uit het zicht verdwijnt, wordt mijn verwachtingsvolle gevoel bijna tastbaar. De belofte van onbekende verten, tropische oorden en uitbundige Caribische vegetatie die pijn doet aan je ogen. Van nieuwe vrienden maken, zwemmen met dolfijnen en het witter dan witte zand tussen je tenen. Van kristalhelder warm water, snorkelen tussen veelkleurige vissen en zorgeloos relaxen in een hangmat.

Ik zucht. Een zucht die uit mijn allerdiepste binnenste lijkt te komen. Het is een zucht van puur geluk. Ik lééf. Ik geniet.

Ik cruise.

© Pascale Bruinen

En jullie? Zelf al eens een cruise gemaakt? Ben heel erg benieuwd naar jullie ervaringen. Het is in ieder geval een bekend misverstand te denken dat je op een cruiseboot alleen maar 90-plussers met paars haar en een zuurstofapparaat tegenkomt. Niets is minder waar. Zie daarvoor mijn andere blog, www.cruisecraver.com. Ik zou zo nog een aantal columns kunnen volschrijven over mijn cruiseverslaving (en wellicht doe ik dat nog wel) maar laat voor nu graag het woord aan jullie.