Een blunder op nationale televisie

“Jij hebt morgen toch die kantonzitting?”, vraagt de persvoorlichter fijntjes. Zijn toon bevalt me niet. Ik ruik onraad.

“Ja, hoezo?”

“Ik was vergeten te zeggen dat SBS 6 komt filmen voor hun nieuwe programma”.

Hmmm, daar zit ik niet echt op te wachten.

“Word ik dan zelf ook gefilmd?” Het komt er wat gepikeerder uit dan gepland.

“Ja, dat is wel de bedoeling. Het wordt vast leuk. En de rechter heeft al toestemming verleend”, zegt hij op zo’n manier dat daarmee de kous af is.

Na een nacht waarin ik wat minder goed heb geslapen dan normaal, kom ik aan bij het kantongerecht. De busjes van de filmploeg zijn al gearriveerd. Jongens in zwarte kleding lopen af en aan. In de zittingzaal staan extra lampen opgesteld. Fijn. Zo kan heel tv-kijkend Nederland mijn wallen niet alleen in close-up, maar ook in het felle licht zien. Het scheelt overigens maar een haar of mijn tv-debuut gaat helemaal niet door omdat ik bijna mijn nek breek over grote trossen kabels.

“Ben je er klaar voor?”, vraagt de kantonrechter. Zo klaar als ik maar zijn kan om op nationale tv te komen terwijl ik dat niet wil, denk ik mokkend. Maar hardop zeg ik: “Ja hoor”. Mijn rustige toon staat in schril contrast met mijn gemoedstoestand.

“Als het rode lampje brandt, loopt de camera. Doet u gewoon wat u altijd doet. Dus niet recht in de camera kijken”, instrueert een van de men in black. Blijkbaar went alles want na een tijdje lijkt het een doodgewone zitting en ben ik zelfs bijna vergeten dat ik word gefilmd.

Tot het moment dat ik even niet oplet waardoor ik een vrijspraak krijg die ik misschien had kunnen voorkomen door tijdig de tenlastelegging te wijzigen. Ik word vuurrood. Dit is me nog nooit gebeurd. Gelukkig gaat het om een gering feit. Maar toch. Nu kan de hele natie hiervan meegenieten. Ik hoop vurig dat het eruit wordt geknipt. Zo niet, kan ik beter doen alsof er niks bijzonders is gebeurd. Ik moet ferme taal spreken.

“Ik beraad me op hoger beroep”.

Het komt eruit met een piepstem.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images

Anderhalve turf hoog

Een klein jongetje is de laatste verdachte van de kinderzitting van vandaag. Hij is dertien maar hij oogt veel jonger. Ondanks zijn prille leeftijd heeft hij een harde uitstraling. Hij gaat op de stoel voor het hekje zitten. Zijn voeten raken amper de grond.

“Waarom heb jij met een brandende aansteker gedreigd naar die andere jongen?” vraagt de kinderrechter, terwijl ze oogcontact probeert te maken. “Gewoon,” zegt hij, nonchalant zijn smalle schouders ophalend. “Hij verveelde me.”

Ik kijk eens goed naar hem. Anderhalve turf hoog. Zijn emotieloos gezicht verraadt dat hij al veel heeft meegemaakt in zijn jonge leven. Vader is dood, moeder heeft een nieuwe vriend en wil niks meer met hem te maken hebben. Hij is al vaak weggelopen uit de jeugdinstelling. De laatste keer is hij toch naar zijn moeder gegaan. Tegen beter weten in. Hij moest er een halve dag voor reizen. Ze stuurde hem zonder pardon meteen weer weg.

“Wat vind je er van dat je daar niet mocht blijven?”, vraagt de rechter. Wij kijken hem aandachtig aan. En ineens zie ik het masker van onverschilligheid in stukken breken. Er biggelt een grote traan naar beneden. En nog een. Er is geen houden meer aan.

Als officier zie ik een jeugdige verdachte die een ernstig feit heeft gepleegd. Als moeder breekt mijn hart voor deze jongen, die alleen maar wil dat zijn moeder van hem houdt. Het is één groot gapend gat in zijn kleine hart. Het is mijn beurt voor het requisitoir, maar ik worstel nog steeds met de strafmaat. Tot mijn eigen verbazing hoor ik hoeveel warmte en compassie in mijn stem zijn geslopen. Alsof ik in deze paar minuten iets van zijn gemis wil goed maken. Hem het gevoel wil geven dat hij wél meetelt. Ik leg uit waarom hij straf verdient. Ik zie hem knikken. De kinderrechter is het met me eens en neemt de straf over. Ik zie hoe zijn kleine gestalte door de grote deur verdwijnt.

De zitting is klaar. Terwijl ik mijn tas inpak, vraagt mijn hart zich af of er ooit nog een wonder in zijn leven zal gebeuren.

Mijn verstand doet er wijselijk het zwijgen toe.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

PAS hurts children

 

In colonne rijden we door de uitgestorven stad

Mijn wekker geeft 04.20 u aan. Op naar het politiebureau!

In het zaaltje zitten zo’n vijftien stoere mannen van wie een stuk of acht helemaal in het zwart gekleed. Ze dragen allemaal een kogelvrij vest en zijn tot de tanden toe bewapend.

Na een korte briefing vertrekken we naar een locatie waar een vuurwapengevaarlijke verdachte woont die moet worden aangehouden. Hij wordt verdacht van doodslag en moet zo snel mogelijk van de straat.

Ik voel de spanning toenemen als iedereen in verschillende voertuigen plaatsneemt en in colonne door de uitgestorven stad rijdt. Bij de verzamellocatie stappen de acht uit het busje. Ze voorzien zich van bivakmutsen, helmen en levensgrote schilden. Twee anderen nemen de ram mee.

Pal erachter kom ik, samen met een politieman in een gewoon uniform. We lopen geluidloos in formatie. Opeens zie ik een voorbijganger die zijn hond uitlaat. Zijn mond valt open en hij blijft stokstijf staan om te kijken naar deze surrealistische optocht in de vroege ochtenduren. De blik van de man bezorgt me bijna een lachbui.

De commandant van het arrestatieteam (AT) blijft vlakbij een woning staan en gebaart naar de anderen. Het is muisstil. Een aantal AT-ers gaat aan de voordeur staan, de rest vat post aan de achterzijde. Na een teken wordt de ram tegen de voordeur gebeukt. Voordat ik het in de gaten heb, zijn ze al binnen. Ik hoor een hoop gestommel, gegil en “Politie! Politie!”

De commandant gebaart dat ik de woning in mag. In een kleine slaapkamer ligt een man op zijn buik op de grond met een blinddoek voor. Zijn handen zijn geboeid op zijn rug. Hij heeft alleen een onderbroek aan. In bed ligt een vrouw, die met grote wilde ogen rondkijkt en hartverscheurend snikt, terwijl ze de groezelige lakens tot aan haar kin opgetrokken houdt. De man wordt afgevoerd.

Na de debriefing praat ik nog even met de sectiecommandant. Hij vertelt dat zo’n arrestatie in het “milieu” statusverhogend werkt. Prompt zie ik de slogan al voor me.

“Als crimineel tel je pas mee, als je bent opgepakt door het AT!”

© Pascale Bruinen

48d2790a-c89a-4542-9356-1598b57c03c9

 Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

 

 

Literaire zwangerschap

Ik ben in verwachting. Niet van een baby, maar van mijn boek. Met nog zes weken te gaan tot de deadline ben ik momenteel hoogzwanger. Mijn spruit is bijna volledig gevormd, klaar om straks het levenslicht te zien.

Mijn zintuigen staan allemaal open. Geconcentreerd kijk ik naar het scherm van mijn laptop. In rap tempo tik ik letters, woorden, zinnen. Het lijkt vanzelf te gaan. Zoals altijd als ik in een flow zit, vergeet ik de tijd en alles om me heen. Wel voel ik hoe mijn wangen gaan branden en mijn hartslag versnelt. Dat zijn goede tekens want dan ben ik op mijn best.

Mijn probleem is niet writer’s block maar juist dat ik te veel ideeën heb en maar beperkt tijd om ze allemaal uit te werken. In november 2015  ben ik voorzichtig begonnen aan het schrijven van mijn tweede boek, ‘Het Jaar van de Uil’. Op dat moment wist ik nog niet of ik een boekcontract zou krijgen. Dat werd pas eind januari 2016 duidelijk toen uitgeverij Kosmos mij berichtte dat ze graag met mij in zee wilden gaan. Onlangs was het officiële moment aangebroken: het tekenen van het boekcontract! Een gezellig, feestelijk en gedenkwaardig moment. En nu, op deze eerste dag van juni, ben ik druk aan het schrijven want de deadline – het moment waarop mijn manuscript kant en klaar moet worden ingeleverd – is 15 juli a.s.

Altijd al eens willen weten hoe mijn schrijfdag er uit ziet? Nou, zo dus. Ik sta vroeg op en ga dan eerst een lichamelijke inspanning doen. Twee keer per week is dat een activiteit in de sportschool (lekker een uurtje flink zweten bij de bodypump), op andere dagen trek ik naar buiten voor een stevige wandeling of een uurtje schoffelen en snoeien in de tuin (gelukkig is het heel groeizaam weer zodat er steeds genoeg te doen is). Daarna is het tijd om de blik naar binnen te keren en ga ik een half uur mediteren. Dat zorgt voor rust, ontspanning en focus.

Vervolgens ga ik me installeren. Tegenwoordig schrijf ik veel beneden, aan de eettafel met zicht op mijn tuin en een inspirerend schilderij dat geheel in stijl is met het onderwerp van mijn boek. Benodigdheden: mijn laptop, liefst vers opgeladen. Mijn notitieblok, pen en highlighter zodat ik bij aanpassingen van de tekst zonodig aantekeningen kan maken.   Een kop vers gezette thee of een groot glas water (wel op veilige afstand van mijn computer). En tenslotte een mooie orchidee voor mijn neus om me tussendoor te verwonderen over de schoonheid ervan.

Dan begin ik te schrijven, meestal tot (ver) in de avond, uiteraard wel onderbroken door eet- en drinkpauzes alsmede de nodige sanitaire stops. Soms schrijf ik op zo’n dag een behoorlijk deel van een hoofdstuk, maar vaker loopt het echte schrijven vertraging op door het zoeken naar dat ene, perfecte, woord, alleen maar om het even later – als ik het eindelijk heb gevonden – alsnog eruit te gooien, samen met de rest van een hele alinea. Of ik bedenk me dat in een van de al voltooide hoofdstukken nog een passage erbij moet worden gezet, waarna het een heel zoekplaatje wordt waar deze het beste tot zijn recht komt. Alles moet immers vloeiend in elkaar overlopen. Dat kost veel tijd. En ja, er zijn ook de nodige dagen dat er maar bitter weinig aan geschreven woorden uit mijn handen komt omdat ik gedeeltes heb herlezen en overdacht.

Zo verloopt de ene schrijfdag bepaald niet als de andere. Maar ik ben altijd volledig in mijn element. Ik geniet met volle teugen van de vrijheid, van het creatieve proces, van die momenten waarop alles lijkt te kloppen. Het hele traject voelt als een literaire zwangerschap, met mijn manuscript als stralende liefdesbaby. Zelfs de draagtijd is hetzelfde. Al zit het ‘kindje’ dit keer niet in mijn buik, maar in mijn hart.

Ik ben, kortom, helemaal happy. In ieder geval nog tot 15 juli, mijn uitgerekende datum, als mijn kind voldragen is en de weeën zullen zorgen voor een digitale ontsluiting. Lang zal ik niet van mijn dierbare pasgeborene kunnen genieten, want ik zal haar gelijk aan Kosmos moeten afstaan voor adoptie.

De gedachte doet me nu al pijn.

© Pascale Bruinen

Afbeelding

 

 

 

‘En wanneer krijg ik dat geld dan?’

Een bejaarde man komt de rechtszaal binnen schuifelen. Hij wordt verdacht van het beledigen van zijn buurman, met wie hij al jarenlang ruzie heeft om een erfafscheiding. Hij kijkt naar ons, doet vervolgens met een sierlijke zwaai zijn hoofddeksel af en stapt met uitgestoken hand van het formaat kolenschop op de rechter af. Hij zegt beleefd zijn naam en schudt de verbouwereerde rechter weinig zachtzinnig de hand.

Handen schudden is allesbehalve gebruikelijk tijdens een zitting, maar niet alle verdachten kennen de gebruiken in een rechtszaal. Soms tot heimelijke hilariteit van rechter, officier van justitie en griffier.

Voordat ik een passende reactie kan geven op het handengeschud, heeft hij ook mijn hand en die van de griffier bijna verbrijzeld.

De zitting verloopt nogal kolderiek omdat hij hardhorend is. Eerst komt hij zowat bovenop mijn lessenaar staan. Als het mijn beurt is voor het requisitoir, moet ik bijna schreeuwen wat ik van het bewijs en de strafmaat vind. Omdat hij het nog steeds niet goed hoort, vraagt hij telkens of ik het kan herhalen. En of dat allemaal nog niet genoeg is, kijkt hij mij tijdens mijn hele luidruchtige betoog angstvallig in de ogen, waarbij hij zijn hand als een kommetje om zijn linkeroor houdt.

De rechter besluit mijn eis over te nemen en veroordeelt hem tot een geldboete: “U krijgt 200 euro, maar daarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar”. De man fronst zijn wenkbrauwen, waarop de rechter vraagt of hij het wel begrepen heeft. “Wanneer krijg ik dat geld dan?”, roept hij luid. Ik kijk steels ter linkerzijde en zie de rechter rood aanlopen. Zelf probeer ik onsuccesvol mijn gezicht in de plooi te houden.

Nadat de rechter het uitgelegd heeft, kijkt hij oprecht teleurgesteld, maar hij herstelt zich snel. Hij neemt zijn pet in zijn hand, maakt daarna een buiging en roept bij het naar buiten gaan richting ons drietal: “En bedankt, hè!”

Hij meent het nog ook.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad

images

Hannibal

“Laat de verdachte maar naar boven komen”, zegt de politierechter. Mentaal zet ik me schrap voor wat komen gaat. Deze verdachte is anders dan anders. Vanwege zijn agressieve en onvoorspelbare gedrag zal hij tijdens zijn rechtszitting geboeid blijven. Een zeldzaam fenomeen in Nederlandse zittingzalen.

Omdat hij bovendien besmet is met het HIV-virus en bekend staat graag te bijten en spugen naar iedereen die in zijn buurt komt, is hij voor deze gelegenheid voorzien van een kunststof gezichtsmasker à la Hannibal Lecter, de kannibalistische creep uit The Silence of the Lambs.

Ik hoor het bekende gestommel op de trap, een teken dat hij er aan komt. Even later zie ik een kleine gestalte, met handboeien om en aan beide kanten geflankeerd door parketpolitie, de zaal binnen komen. Het masker over zijn mond en neus zorgt voor een bizarre aanblik. Onwillekeurig associërend produceert mijn brein meteen flitsen van de akeligste fragmenten van de film.

Het verschil? Deze verdachte wordt gelukkig voor een beduidend minder ernstig feit – een winkeldiefstal – aangeklaagd. De overeenkomst? Hij heeft ook iets opgegeten. Zij het geen mensenvlees maar twee gestolen broodjes. Terwijl hij nog in de winkel was, vóórdat hij had afgerekend. Dat is diefstal.

Als ik tijdens mijn requisitoir aangeef dat ik het tenlastegelegde feit bewezen acht en mijn eis uitspreek, kijk ik verdachte recht aan. Ineens kan ik een lichte huivering niet onderdrukken. Overtrokken reactie of typisch gevalletje van bad vibes? Misschien toch het laatste. Dit soort lichaamssignalen, waar je zelf geen invloed op hebt, komt immers vaak voort uit het onderbewuste dat beter én eerder dan je normale bewustzijn doorheeft dat er iets niet in de haak is.

Na het aanhoren van zijn veroordelend vonnis voert de parketpolitie onze Hannibal, die inmiddels lichtelijk opgefokt is geraakt, weg. Hij kijkt nog één keer over zijn schouder . Zelfs vanaf deze afstand lijken zijn ogen zich in de mijne te boren. Hij roept wat in mijn richting maar het masker, dat zorgt voor een permanente grimas, smoort het geluid zodat ik het niet kan verstaan.

Iets zegt me dat het beter is zo.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images

 

Buiten klettert het gereedschap op het wegdek

Het dossier voor de zitting van de Meervoudige Strafkamer ligt opengeklapt voor me. Al lezend rijgen de processen-verbaal zich aaneen tot een vloeiend verhaal. Een verhaal dat dankzij de politiefoto’s ook visueel tot leven komt.

Het is een zonnige maar frisse voorjaarsdag. Een bejaarde man gaat op zijn fiets naar het kerkhof om het graf van zijn overleden echtgenote te verzorgen. Hij draagt een gleufhoedje op zijn bijna kale hoofd. Witte viooltjes in een plastic zak hangen aan het stuur. Daar hield ze zo van. In een andere zak heeft hij wat tuingereedschap. Hij heeft van haar graf een juweeltje gemaakt, dat hij iedere week bijhoudt.

Aan de andere kant van de stad stapt een jongeman in zijn vrachtwagen om een lading pallets af te leveren. Hij fluit een vrolijk deuntje. Nog twee ritten en dan heeft hij vakantie. Hij heeft er zin in. Snel zet hij nog even een kopje koffie. Hij schenkt zijn mok vol en vertrekt.

De bejaarde man is er bijna. Hij hoeft alleen de straat nog over te steken. Van links komt een vrachtwagen volgeladen met pallets aanrijden. Hij ziet dat die afremt, daarom loopt hij – met zijn fiets aan de hand – de weg op.

De chauffeur kan vanaf zijn positie achter het stuur de kleine bejaarde man niet zien. Denkende dat de weg vrij is, trekt de chauffeur stapvoets op en rijdt over de man en zijn fiets heen. In de cabine golft de koffie niet eens uit zijn mok. Buiten klettert het gereedschap op het wegdek. Bloemen en aarde vliegen in het rond. De bejaarde man is op slag dood.

Ik staar naar de foto van zijn hoedje, dat is weggerold en eenzaam op het asfalt ligt. Zo alleen. Deze foto raakt mij nog meer dan alle andere. Misschien omdat het hoedje me doet denken aan mijn eigen opa.

Ik zucht eens diep. Een oude man is dood. Een jonge man voor het leven getekend. Hun wegen kruisten zich.

Met verwoestende afloop.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images

Modepolitie

Als officier van justitie hoefde ik me zelden te bekreunen over wat ik nu weer eens aan moest trekken. Want als de zittingzaal riep, was ik het overgrote deel van de dag onder de pannen in mijn vrijwel alles verhullende toga.

Voordeel: ik had niet veel werkkleding nodig. Hoewel dit bij nader inzien meer een nadeel was, want zo had ik ook geen excuus om vaker te gaan shoppen. Nog een pré: eventuele post-vakantiekilootjes vielen niemand op in mijn oversized toga maatje XXXL. Voorwaar géén little black dress. Als ik ook nog verplicht getooid met een pruik naar zitting had gemoeten, zou ik zelfs geen last meer hebben gehad van een bad hair day. Ideaal toch?

Maar nee, hier in Nederland moeten officieren met hun eigen haar naar zitting. En die zwarte toga was en is, nou ja, heel erg zwart. Vooruit, de witte bef doorbreekt het nog een klein beetje, maar voor de rest… Het is al met al een wonder dat officieren – zelf nota bene hoeders van de wet – nog niet massaal zijn opgepakt door de modepolitie.

Daarom is het de hoogste tijd dat dit kledingstuk ein-de-lijk eens wordt gepimpt. Ik roep alle fashiondesigners daarom hierbij op hun tanden eens te zetten in Project Courtroom. Eens zien wat dat gaat opleveren. Al zal er eerst een heuse wetswijziging nodig zijn omdat zelfs de eisen waaraan een toga moet voldoen wettelijk zijn vastgelegd.

Misschien wordt het wel een toga in ingetogen beige voor een zedenzaak, een veelkleurige toga met speciaal draaideur-effect voor veelplegers en een witte toga met in het midden een uit de kluiten gewassen lieveheersbeestje voor geweldzaken. Ik zie het meteen voor me.

En natuurlijk kunnen aanklagers niet zonder een his and hers-versie voor formele gelegenheden, bijvoorbeeld bij de officiële installatie van een nieuw lid van de rechterlijke macht. Voor de dames zachtroze, uiteraard afgewerkt met de nodige glitters. Voor de heren nachtblauw, voorzien van een satijnen bies. Vanzelfsprekend afgemaakt met een customized bef voor iedereen.

Zeker weten dat het Openbaar Ministerie voortaan de blits zal maken in elke zittingzaal.

Aldus zou ik requireren tot spoedige aanbesteding van dit project.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

IMG_1068

Paarse regenbui

Als hommage aan de onlangs overleden muziekgrootheid Prince publiceer ik vandaag nogmaals de column die ik ruim vier jaar geleden heb geschreven voor mijn coolcolumns blog.

Ik heb de gewoonte om luidkeels te zingen in de auto. Onlangs nog Purple Rain van Prince in de cd-speler en op volle sterkte meekwelen met His Royal Badness. Een moment helemaal voor mezelf. Volledige vrijheid om me vocaal uit te leven in de knusse privacy van mijn micro-wereld op wielen. Niemand die tegen me klaagt, niemand die me vraagt om het volume zachter te zetten. Alleen Prince en ik, samen in een intieme paarse regenbui.

Bij ieder gitaarakkoord en elke lyric waan ik me meer in de jaren tachtig. In mijn gedachten zie ik alle beelden van de videoclip, afkomstig uit de gelijknamige film, weer voorbij komen. Prince met zijn witte gitaar op het podium in die donkere en ietwat louche nachtclub, omgeven door sigarettenrook. Een klein en frêle mannetje in een potsierlijke prinselijke outfit op schoenen met plateauzolen. Ogen aangezet met eyeliner, vlassig snorretje, glitterspray in zijn krullenkapsel. Op enig moment tijdens het optreden geeft hij Wendy, vaste gitariste van zijn band The Revolution, een broederlijke kus op de wang. Ze blijft er onbewogen onder. Gek hoe je je dit soort details jaren later nog exact weet te herinneren.

Ik vind het pas echt leuk worden als deze geniale compositie bijna ten einde loopt. Eerst komt nog die magistrale elektrische gitaarsolo, dat klaaglijke maar tegelijk prachtige gejank. Hoewel het onnavolgbaar is, probeer ik tegen beter weten in zelfs dat mee te blèren.

Maar dan. Eindelijk, eindelijk komt het moment waarop ik 5 minuten en 19 seconden heb gewacht. Prince gaat nu over op hartverscheurende uithalen met zijn falsettostemmetje. Het klinkt bijna pijnlijk, alsof hij zojuist met zijn koninklijk klokkenspel klem is komen te zitten tussen de gitaarsnaren. Maar tegelijkertijd is het zó mooi dat ik er kippenvel van krijg. In mijn ontroering heb ik geen andere keus dan zo hard mogelijk met hem mee te janken.

Ik neem een enorme ademteug, sper mijn mond wagenwijd open en geef vanuit mijn middenrif ongenegeerd alles wat ik in me heb, als ware het voor de finale van The Voice of Holland. Mijn volume en toonhoogte zorgen er in mijn compacte middenklasser bijna voor dat ik acuut die engerd van Carglass moet bellen. Op exact hetzelfde moment gaat het stoplicht op rood.

Voor één keer kijk ik maar niet links of rechts naast me.

© Pascale Bruinen

purple-rain1

 

Over mietjes, vogels en takkewijven

Vrouwen veroveren stormenderhand de rechterlijke macht. Was dit vroeger nog een (grijze) mannenbolwerk, tegenwoordig is het percentage vrouwen gestegen tot meer dan vijftig procent.

Grasduinend op internet kom ik bij opzij.nl een oud artikel over deze materie tegen. Daarin vat een rechtbankverslaggeefster de reputatie van vrouwelijke magistraten kort en bondig samen: “Je hebt mietjes en takkewijven”. Het is maar dat ze het weten.

Tot de jaren vijftig werden vrouwen overigens niet eens toegelaten tot deze nobele ambten omdat ze “ongeschikt waren vanwege hun natuurlijke aanleg en geestelijke eigenschappen”. Zo werden ze verondersteld “emotioneler dan mannen” en “minder abstract denkend” te zijn waardoor ze “te weinig beoordelingsvermogen” hadden en het beroep “minder aanzien gaven”.

Waren ze als vrouwelijke beroepsgroep destijds al niet populair onder de heren juristen, anno nu zijn ze dit bij verdachten in sommige zaken nog steeds niet.

“Als het om zedenzaken gaat, hebben verdachten liever een man omdat ze denken dat vrouwen strenger zijn”. Aldus Erik van der Maal van de Bond van Wetsovertreders, een vereniging die opkomt voor (ex-)gedetineerden.

En ja, soms sprak het gezicht van een mannelijke verdachte inderdaad boekdelen als hij binnen kwam voor de behandeling van zijn zaak en tegen vijf vrouwen – drie rechters, de griffier en ondergetekende – op rij aan keek.

Toch waag ik te betwijfelen dat deze gedachte correct is. Op basis van mijn jarenlange beroepsmatige ervaring eisen vrouwelijke officieren bij zedenzaken niet hoger dan mannelijke officieren, noch zag ik dat vrouwelijke rechters strenger straffen dan hun mannelijke collega’s.

Hoe zakelijk, zelfstandig en geëmancipeerd wij als hoog opgeleide professionals ook mogen zijn, ik heb de indruk dat we allemaal wel eens worstelen met de mate waarin we onze vrouwelijkheid in ons werk durven uit te dragen. Misschien wel uit angst om voor dat “mietje” versleten te worden.

Maar kennelijk laten vrouwelijke magistraten hun XX-chromosomen op zitting toch meer spreken dan ze zelf denken. Zo ziet Van der Maal wel degelijk een verschil in aanpak met hun mannelijke collega’s: “Vrouwen stellen persoonlijke vragen, laten je uitpraten, stellen je meer op je gemak. Best belangrijk als je terechtstaat voor een rij vogels in zwarte jassen die vanaf een podium op je neerkijken”.

Ok. Zo had ik mijzelf als magistraat in de rechtszaal nog nooit eerder bekeken.

Maar voor het geval ik alsnog mag kiezen ben ik met terugwerkende kracht toch liever een vogel dan een takkewijf.

© Pascale Bruinen

http://pascalebruinen.com

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

takkewijf

Hmmm, ik weet niet of dit een tegelwijsheid is die ik aan de muur zou willen hangen…

Cirkel van stilte en geweld

In Nederland rukt de politie gemiddeld elke tien minuten (!) uit voor huiselijk geweld. Daartoe behoort ook kindermishandeling. In actie komen tegen dit ingrijpende fenomeen is dringend nodig want alleen al in Nederland worden zo’n 119.000 kinderen per jaar mishandeld. Een duizelingwekkend cijfer. Anders gezegd: in iedere schoolklas van 30 leerlingen is gemiddeld één kind slachtoffer.

Het gaat dan niet alleen over lichamelijk geweld, maar ook over andere vormen van mishandeling. Daaronder valt ook emotionele mishandeling ( een volwassen persoon scheldt het kind regelmatig uit, doet vaak afwijzend en vijandig tegen het kind of maakt het kind opzettelijk bang), emotionele verwaarlozing (doorlopend tekort aan positieve aandacht voor het kind, het negeren van de behoefte van het kind aan liefde, warmte en geborgenheid, de situatie dat een kind getuige is van geweld tussen ouders of verzorgers en alle vormen van seksueel misbruik.

De impact van kindermishandeling is gigantisch. Kinderen zitten in een afhankelijkheidspositie; ze zijn – zeker als ze nog heel jong zijn – overgeleverd aan hun mishandelende ouders, andere familieleden of verzorgers. Ze ervaren pijn, lopen (soms ernstig) letsel op en raken psychisch beschadigd. Sommige meisjes raken ongewenst zwanger van hun geweldpleger, maar kindermishandeling kan ook leiden tot gedwongen verhuizingen (bijvoorbeeld naar een Blijf-van-mijn-lijf huis samen met de moeder) en schooluitval- of verzuim. Bij oudere kinderen kan het leiden tot verslaving. In extreme gevallen leidt kindermishandeling zelfs tot zelfmoord of pogingen daartoe of eindigt het anderszins met de dood van het kind. Zo is becijferd dat elke maand één kind of volwassene sterft door huiselijk geweld. Maar in 2012 maakte huiselijk geweld maar liefst 52 dodelijke slachtoffers, dus een gemiddelde van één per week.

Inmiddels weten we uit onderzoek ook dat kinderen die slachtoffer worden van mishandeling op langere termijn een grotere kans lopen om zelf dader te worden. Zodoende legt kindermishandeling een zware en uiterst pijnlijke claim op de volgende generatie.

Redenen genoeg dus om in actie te komen. Want er is maar één iemand nodig om de cirkel van stilte en geweld te doorbreken. Dat kan een hulpverlener zijn, maar evengoed een familielid, buurman, onderwijzer, vriendinnetje of clubgenoot.

Of misschien wel een betrokken lezer van mijn blog?

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images

 

 

Een chronisch gebrek aan tijd

Als ik één ding zou moeten noemen waar ik een chronisch gebrek aan heb, is het wel aan tijd. Tijd intrigeert me. Het is enerzijds hartstikke abstract (je kunt het niet zien), maar anderzijds o zo concreet (bijvoorbeeld als je ergens te laat komt).

De mooiste, bijna poëtische, definitie van dit begrip vond ik op nl.wiktionary.org, waar tijd wordt omschreven als de “onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden”. De meest gangbare betekenis is echter dat tijd niets meer of minder is dan een “opeenvolging van momenten”. Kijk, dát herken ik wel. Want momenten heb ik de hele dag door juist in overvloed. En ze volgen zich inderdaad in een razend tempo op.

Zo ook toen ik nog officier van justitie was. Op die zeldzame dagen dat ik geen zitting of ZSM-dienst (afdoen van zaken vanuit een centrale lokatie) had, was ik vanaf mijn flex-plek druk bezig met de afhandeling van mijn (ouderwetse en elektronische) post, het bijwonen van overleggen en de voorbereiding van mijn volgende zittingen. Dat waren zoveel momenten dat de tijd voorbij vloog.

Soms schoot mijn pauze er helemaal bij in, maar als het enigszins kon, ging ik altijd naar buiten om een rondje te wandelen of snel wat boodschappen te doen. Toen mijn zoon een tijd geleden op zichzelf ging wonen, rende ik als drukbezette maar rechtgeaarde moeder tijdens mijn korte break gauw op en neer naar de Blokker om even banale als onmisbare huishoudelijke attributen voor hem te kopen zoals een emmer, een aardig formaat vuilnisbak, diverse dweilen, stofdoeken, afwasborstels, een trits schoonmaakmiddelen en een heuse “Swiffer vloerwisser starterkit”.

En zo kon het gebeuren dat ik, getooid met een onhandig lange stok en drie mega uitpuilende plastic zakken (toen kreeg je die nog gratis) op de terugweg naar het parket een collega tegen kwam. Bij haar vragende blik riep ik in het haastige voorbijgaan alleen maar “Zoon gaat op kamers!” (stil blijven staan was echt geen optie). Haar begripvolle glimlach was het laatste dat ik zag voordat ik even later met mijn bovenmaatse buit muurvast kwam te zitten in het draaihekje bij onze ingang. Nog een geluk dat er geen bezoek voor mij in de hal zat te wachten.

Dat krijg je er dus van als je uit tijdgebrek jezelf letterlijk en figuurlijk voorbij wilt rennen.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images

Fantoomverdachte

Als officier van justitie bekroop me geregeld het gevoel dat niemand de waarheid vertelde. Zo ook in een zaak die begon met een Meld Misdaad Anoniem tip dat er in een gehuurd deel van een bedrijfspand ruim 500 hennepplanten zouden staan. De politie startte een nader onderzoek, waarna ze op de genoemde locatie op een bovenverdieping inderdaad een grote en professioneel ingerichte hennepplantage aantrof. Ter plaatse bleek niemand aanwezig.

De eigenaren van het pand, die zelf beneden zaten, toonden een contract waaruit bleek dat mijn verdachte de betreffende ruimte drie maanden eerder was gaan huren. Verdachte bezweerde echter dat hij de huur al na twee maanden zou hebben opgezegd. Ook zou hij nooit de sleutel van het pand hebben gekregen. Best bijzonder, aangezien hij wel het huurcontract had getekend en een borgsom had betaald. Hij zou er het laatst zijn geweest vóórdat het huurcontract was ingegaan.

De eigenaren beweerden tegenover de politie dat ze niets hadden gemerkt van een grote hennepplantage die recht boven hun deel van het pand moest zijn opgezet. Ze hadden evenmin ooit iets geroken van die typische hennepgeur of geobserveerd dat er mensen in en uit liepen. Mijn verdachte hadden ze sinds het tekenen van het huurcontract nooit meer gezien, al had hij volgens hun verklaring inderdaad een borgsom betaald én wel degelijk de sleutel gekregen. Maar nee, verdachte had het huurcontract nooit formeel beëindigd.

Tja. Mijn leven als officier ging bepaald niet altijd over rozen want probeer hier maar eens uit wijs te komen.

Als ik deze verhalen moest geloven zou er dus een fantoomverdachte bestaan die in zijn eentje, onzichtbaar voor de directe omgeving, het hele circus van planten, potgrond, ventilatoren, filters, elektrische- en dompelinstallaties en wat al niet meer had geïnstalleerd én ook nog regelmatig had onderhouden. The invisible man, de hoofdfiguur uit de gelijknamige tv-serie van de jaren zeventig die een uit de hand gelopen experiment deed met “moleculaire desintegratie”, is er niets bij.

Als ik nu nadenk over dit fenomeen en dit afzet tegen mijn andere beroepsmatige ervaringen kan het haast niet anders of dit moet dezelfde spookachtige en immer ongrijpbare figuur zijn die bolletjes met cocaïne of heroïne op straat gooit, zomaar (!) grote sommen contant geld geeft aan drugsdealers en vrouwen bont en blauw slaat als hun man even niet thuis is.

Ik hoop vurig dat de veelgeplaagde Minister van Justitie nog ergens wat extra geld heeft liggen want als het Openbaar Ministerie dit onvatbare sujet toch eens te pakken zou kunnen krijgen, is in één klap een groot deel van alle strafzaken opgelost.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

PS: als jullie je afvragen waar het gebruikelijke plaatje is: dat staat hieronder.

 

 

Boter bij de vis

“Wat eten jullie?”, vraagt mijn zoon. Hij heeft me zojuist gebeld en dat betekent meestal dat hij óf eindelijk zin heeft in een verantwoorde warme maaltijd óf wel wat extra pecunia kan gebruiken.

Vandaag is het dus optie 1. Aaahhhh, als ik voor iedere keer dat ik deze vraag heb gekregen een euro had ontvangen, kon ik nu rentenieren.

“Zelfgemaakte frietjes met een lekker mals biefstukje, vergezeld van ambachtelijk bereide appelmoes en een rijk gevulde salade”, antwoord ik. Het klinkt alsof ik iets van de menukaart van een eetcafé oplees, realiseer ik me. Maar het klopt wel.

“Hmmmm…”. En na een korte stilte: “Dan kom ik wel even langs vanavond”.

Gezellig! Hij woont inmiddels al bijna twee jaar op zichzelf. Weliswaar in dezelfde stad, maar toch.

Als hij even later zijn fiets achterom stalt, blijkt hij goed nieuws te hebben. Hij heeft geld ontvangen van het Centraal Justitieel Incassobureau. Ja, je leest het goed. Hij hoeft niets áán het CJIB te betalen, maar hij kríjgt geld van deze instelling.

Een paar jaar geleden heeft hij zich, ondanks onze waarschuwingen, toch laten verleiden om iets te bestellen bij een onbekende via Marktplaats. Daarbij had hij de pech om een notoire oplichter te treffen. En daar gingen zijn zuurverdiende centen…

Hoewel hij het nut niet ervan inzag om aangifte te doen, hebben we hem daarvan gelukkig wel kunnen overtuigen. Enige tijd hoorden we niets, totdat er ineens bericht kwam van een parket van het Openbaar Ministerie in het noorden des lands met de mededeling dat hij zich als slachtoffer kon voegen in de strafzaak. De verdachte was uiteindelijk tegen de lamp gelopen en had een reeks oplichtingen bekend, waaronder die van zoonlief.

Vervolgens vernam hij van het parket dat de verdachte was veroordeeld en zijn schade moest vergoeden.

En nu krijgt hij dus elke maand een deel terug van het destijds door hem betaalde bedrag. Inmiddels heeft hij bijna de hele som vergoed gekregen. Een meer dan welkome aanvulling op zijn studenteninkomsten.

Niets zo goed om het vertrouwen in Justitie terug te winnen dan als slachtoffer boter bij de vis krijgen terwijl je dacht dat je nooit meer iets van je geld terug zou zien.

Het heeft even geduurd, maar dan heb je ook wat.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

images

Zelfs rechters weten niet alles van hennepplantjes

Ook rechters kunnen wel eens de plank mis slaan. Ik heb als officier van justitie eens een politierechter getroffen die op wel heel bijzondere wijze oordeelde over een zitting met allemaal hennepplantages op de tenlasteleggingen.

Die gedenkwaardige dag zit de zaal uitgerekend vol met een klas studenten. Tijdens de eerste zaak vraagt de politierechter mij plotseling: “Mevrouw de officier, heeft u wel goed naar de tenlastelegging gekeken?”

Enigszins gealarmeerd scan ik snel de tekst maar ik zie niets bijzonders.

Ja hoor. Hoezo?”. Ik voel me niet op mijn gemak want deze politierechter ken ik als iemand die wel vaker met iets vreemds uit de hoge hoed komt.

Ik zal er straks op terugkomen”.

Hoewel zijn antwoord me niet bevalt, leg ik even later uitgebreid uit waarom ik het feit bewezen vind en deze verdachte straf verdient.

Als de politierechter uitspraak doet, kan ik mijn oren niet geloven.

Ik acht het feit wel wettig en overtuigend bewezen, maar het bewezene levert geen strafbaar feit op”.

Prompt ontstaat er reuring in de zaal. De klas veert als één man tegelijk op en kijkt gebiologeerd naar de rechter. Ondertussen val ik zowat van mijn stoel.

In de tenlastelegging staat “hennepplanten” en die staan niet op Lijst II van de Opiumwet. Zodoende is het geen strafbaar feit en ontsla ik de verdachte van alle rechtsvervolging”.

Nadat hij deze figuurlijke bom heeft laten ontploffen, valt mijn mond open. Ondertussen vraagt hij vriendelijk of de klas soms nog vragen heeft. Er steken er een paar tegelijk hun vinger op. Eentje krijgt de beurt.

Hebben jullie nu ruzie?”

Nee hoor!”, weet ik uit te brengen. Tegelijkertijd hoor ik de rechter naast me echter volmondig “Ja!” door de zaal roepen. Op de tribune breekt nog net niet de pleuris uit.

Ook in alle volgende hennepzaken komt de politierechter telkens tot ontslag van rechtsvervolging.  De studenten moeten de tijd van hun leven hebben terwijl ik me afvraag waarom ik dit werk ook al weer zo graag wilde doen.

Na de lunchpauze zijn de studenten vertrokken. Ongetwijfeld worden de verhalen over die arme sullige officier van justitie as we speak onder het genot van een koud pilsje doorverteld aan de rest van de studentenpopulatie.

De politierechter komt binnen.

Ik geloof dat ik een vergissing heb begaan”, zegt hij koeltjes terwijl hij zijn toga dichtknoopt.

O?’, zeg ik. Dat moet het understatement van het jaar zijn.

Ja, ik heb het even opgezocht maar hennepplanten vallen ook onder hennep.”

Vertel mij wat. Net als ik denk dat het niet nog erger kan worden, voegt hij er aan toe:

Ik heb een kopie ervan gemaakt. Wil je er ook een?”

Ik kan alleen maar heftig “nee” schudden.

Zul je altijd zien.

Als het recht zegeviert is er geen publiek bij.

© Pascale Bruinen

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

20150626_124435_1

 

Het leed dat piket heet

Toen ik nog officier van justitie was, had ik geregeld piketdienst. Dat betekende dat ik doordeweeks na kantoortijd en in de weekenden standby moest zijn voor allerlei dringende telefoontjes van de politie, die vaak genoeg bij nacht en ontij kwamen. In zo’n dienst werd ik geleefd door mijn mobiel. En voor iemand die altijd zelf graag de regie heeft, zoals ik, is dat allerminst een feestje.

Maar ook voor mijn gezinsleden was zo’n bereikbaarheidsdienst geen onverdeeld genoegen. Toen mijn kinderen klein waren, begrepen ze nog niet zo goed waarom ze stil moesten zijn als ik eindeloze telefoongesprekken voerde. En de telefoon rinkelde juist altijd op de vervelendste momenten. Bijvoorbeeld als ik mijn zoon en dochter gezellig aan het voorlezen was, het badwater net op temperatuur had of bij de geitjes in het park was aangekomen.

Als peuters/kleuters hadden ze er dan ook een handje van om me juist voortdurend wat te vragen als ik met de politie aan de lijn hing. Dat ging als volgt:

Politieman: “We hebben net een dode man aangetroffen in gemeente X. Het lijkt op een ongelukkige val van de trap maar dat…”

Kind 1: “Mama? Mama? Mámááááá!” (snel in volume toenemend).

Politieman: “Zei u iets?”

Ik (terwijl ik mijn wenkbrauwen streng frons en mijn vinger even op mijn mond leg richting Kind 1 om het tot stilte te manen): “Nee hoor, gaat u verder.”

Politieman: “Ja, zoals ik al wilde zeggen, dat moet nog onderzocht worden”.

Ik (terwijl ik met Kind 2 om mijn been geklemd probeer te lopen naar een plek waar ik rustig kan schrijven): “Wie betreft het? Is de Technische Recherche al ter plaatse?”

Kind 1: “Maaaamaaaaa!!! Moet plasje doen!”

Politieman: “O, ik hoor dat er bij u ook een crisis is!”

Ik: “Ja, euh, zoiets inderdaad. Euh, ik noteer even zijn gegevens en dan bel ik u zo terug, OK?” Kind 1 stond inmiddels op springen zodat ik haastig de naam van de onfortuinlijke man opschreef. Kind 2 was ondertussen verwoede pogingen aan het doen om mij de telefoon afhandig te maken.

Ik, sissend fluisterend tegen Kind 2: “Niet doen! Dat is stout, hoor. Mama moet nog even bellen”.

Hoorde ik die politieman nou zachtjes grinniken?

Tegen de tijd dat ze pubers waren, snapten ze het wel degelijk maar deden ze net alsof ze gek waren. Zo riepen zoon- respectievelijk dochterlief keihard “Nou houdt zij alweer de badkamer zo lang bezet, doe iets!”, “Ik heb geen schone sokken meer!” of “Het wc-papier is bijna op!”, dwars door ernstige gesprekken met de recherche heen.

Godzijdank heb ik dat inmiddels allemaal achter de rug. Nu mag de volgende generatie officieren de borst nat maken voor deze piketdiensten. Ik wens ze daarbij veel wijsheid.

En tegen aanklagers met (jonge) kinderen zou ik willen zeggen: hou vol want het komt uiteindelijk allemaal goed!

© Pascale Bruinen

moeizame gesprekken2

Deze column is eerder verschenen in het Algemeen Dagblad.

 

True Colors

Heel soms gebeurt het onwaarschijnlijke: ik raak ontroerd door een reclamespotje. In dit geval gaat het om – ik durf het bijna niet te zeggen – een wasmiddelcommercial van een grote discount supermarkt. Voor de enkeling die ‘m nog niet gezien heeft volgt hier een omschrijving:

De muziek van True Colors van Cindy Lauper zet in, dit keer gezongen door een welluidende en gevoelige mannenstem. 

You with the sad eyes…

Shot 1: moeder (haar hoofd komt niet in beeld) duwt deur wasmachine dicht, Schattig Klein Meisje gekleed in zalmkleurig jurkje met witte maillot (verder te noemen: SKM) zit op haar knietjes voor het apparaat en kijkt aandachtig ernaar. PB: Mijn nieuwsgierigheid is meteen gewekt. Waarom zou het kind zo geïnteresseerd zijn in een wasbeurt?

Shot 2: we zien SKM weer pal voor de wasmachine zitten staren, alleen dit keer wordt ze van achteren gefilmd. PB: het beeld van dat wachtende onschuldige meisje met haar haren gevangen in twee aandoenlijke staartjes grijpt me onverwacht naar de strot. Het doet me zo denken aan mijn eigen dochter op die leeftijd. Waar is toch de tijd naartoe dat ik haar haartjes mocht borstelen en haar staartjes mocht versieren met de mooiste elastiekjes?

…don’t be discouraged, though I realize…

Shot 3: SKM ligt nu een stukje verderop op de grond en speelt verveeld met wat wasknijpers.

…in a world full of people, you can lose sight of it all

Shot 4: nu zit SKM met een verdrietig gezichtje pal voor de glazen deur van de wasmachine. Ze staart intens, haar hoofdje draait mee in hetzelfde ritme als de trommel. PB: ik weet op dat moment nog steeds niet waarom ze daar zit, maar ik vind haar zo zie-ie-lig.

Shot 5: we zien SKM staan voor de wasmachine, in haar handen heeft ze een speelgoedsaxofoon. Ze kijkt treurig.

And the darkness inside you will make you feel so small

Shot 6: nu ligt SKM op haar rug met haar hoofd richting de wasmachine, haar armen gespreid, terwijl ze met een serieus snoetje naar de draaiende trommel achter haar kijkt;

Shot 7: de was is eindelijk klaar, moeder (nog steeds zonder hoofd) heeft een vrolijk gekleurde knuffelgiraffe in haar hand. Bij SKM breekt voor het eerst een stralende lach door.

(Muziek zwelt aan). But I see your true colors shining through…

Ze rent op haar moeder af, sluit met een zielsgelukkige blik haar knuffel – waarvan nu blijkt dat die dus al die tijd in de wasmachine zat – in de armen en drukt hem met een dikke kus tegen zich aan. PB: nu kun je me wegdragen. Ik knipper wat al teveel met mijn ogen en moet ineens vaker slikken. Dit is Ontroering met hoofdletter O.

True colors…

Ik heb geen verstand van marketing maar dit lijkt me reclame-technisch een hoogstandje. Zó knap om dit te bedenken rondom zoiets banaals als een wasmiddel. Ter vergelijking hoef je alleen maar die nagesynchroniseerde draken van andere commercials op te roepen, bijvoorbeeld van die witte gigant waar ze megagrote lakens aan een helikopter hangen en die niet verder komen dan “totaal vernieuwde waskracht/vlekformule”. Nee, dan dit spotje. Zeker als je nagaat dat het ook anno 2016 nog steeds zo is dat vrouwen doorgaans de was doen gaat dit filmpje WHAM-BOEM-BAAF recht het hart in van iedere vrouw/moeder (tenzij dat je van steen bent).

Briljant!

© Pascale Bruinen

images

Schermafbeelding 2016-03-08 om 09.08.05

images-1.

Korte broeken dag

Het is weer die tijd van het jaar. Zodra de eerste krokussen hun kopjes uit het gras steken, de racefietsen weer tevoorschijn komen en de temperatuur nipt boven de tien graden kruipt, begint de ellende die Rokjesdag heet. Natuurlijk in verkleinende vorm want stel je voor dat wij vrouwen op het onzalige idee zouden komen om in plaats daarvan een rok aan te trekken. Daar zit mannelijk Nederland kennelijk niet op te wachten.

Volgens ons aller Wikipedia is “Rokjesdag (…) de dag waarop een groot deel van de Nederlandse vrouwen voor het eerst in het jaar zomerse kleding zoals een korte rok zou dragen (op blote benen – geen panty’s en dergelijke), doorgaans midden april.” Midden april? Nu de paaseieren al meteen na de kerstspullen in de schappen van de supermarkten liggen en de terrasstoelen medio februari worden neergezet, wordt ook dit tijdstip allengs naar voren gehaald, ben ik bang.

Ondertussen vraag ik me af of ik nu de enige ben die dit verschijnsel zó niet 2016 vindt? Iedere vrouw mag wat mij betreft aantrekken wat ze wil, maar de hele sfeer om rokjesdag heen riekt toch wel een beetje naar een collectieve vleeskeuring.

Columnist Martin Bril, die de benaming ‘rokjesdag’ bekend maakte bij een breed publiek, beweerde dat zijn interesse hierin niets te maken had met erotiek, maar met zijn observatie dat vrouwen als bij toverslag tegelijkertijd de straat op gaan met blote benen en een rok. Kan kloppen natuurlijk, maar ik heb zo’n flauw vermoeden dat de mannelijke volksstammen die rokjesdag een warm hart toedragen daar niet zo mee bezig zijn.

Maar goed, laten we voor het gemak ervan uitgaan dat er geen seksistisch kwaad schuilt in rokjesdag. Met het oog op de broodnodige gelijkheid zou de tijd dan rijp zijn voor Korte Broeken Dag. En nee, daarmee bedoel ik dus níet die wijde (sport)broeken die tot op of over ’s mans knie komen. Als ik zeg kort, dan bedoel ik ook kort. Lichtend voorbeeld hiervan zijn de (voetbal)broekjes die in de jaren zeventig in zwang waren. Voor iedereen die dit leest en (ver) daarna geboren is: dit broekje eindigt grofweg zo’n dertig centimeter boven de knie.

Maar dan duikt meteen een probleem op. Want een dergelijk kledingstuk vergt (net als het rokje trouwens) een redelijk perfect lijf. Of toch minstens een stel gestroomlijnde ledematen. Gegeven de statistieken dat in Nederland iets meer dan de helft van alle mannelijke Nederlanders van 19 jaar en ouder overgewicht heeft, is de kans dus best groot dat wij vrouwen op Korte Broeken Dag worden geconfronteerd met blubberige bovenbenen. Of juist met van die zielige dunne en/of kromme stelten. En zitten wij dames te wachten op het ultieme horrorbeeld van mannen wier spierwitte benen eindigen bij witte sokken in sandalen? Neuh. Niet echt.

Dus ja, het wordt gelukkig weer voorjaar.

Maar nee, laat die Korte Broeken Dag maar zitten.

© Pascale Bruinen

Zo moet het dus niet…

images

en zo wel…!

holland1

 

 

 

De Gunfactor

Als je in Nederland je kop boven het maaiveld uitsteekt, zijn er maar al te veel gegadigden die hem met liefde af willen hakken.  Ik vind dit een fascinerend fenomeen. Waar komt dit wijdverspreide gevoel om anderen hun succes te misgunnen toch vandaan?

Als eerste denk ik dat dit komt omdat wij het land zijn van “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.” Met andere woorden: blijf vooral braaf in je hok en verroer je niet. En ga zéker niet buiten de gebaande paden, want er is een heel legioen out there dat dit niet kan uitstaan en je maar al te graag terughaalt en neersabelt. Want als mensen zichzelf klein houden, willen ze liefst dat iedereen om hen heen hetzelfde doet zodat ze niet het idee hebben dat ze achterop raken.

Al lezende in de meest uiteenlopende boeken duikt er al snel een tweede mogelijke reden op: als mensen anderen niets gunnen is dit vanuit het diepgewortelde idee dat er “niet genoeg is voor iedereen”. Bezien vanuit een economisch perspectief, dat immers ook uitgaat van het principe van “schaarste”, is dit standpunt alleszins begrijpelijk. Er is nu eenmaal geen onbeperkte markt voor dezelfde soort producten of diensten dus wordt de concurrentie hevig. Dit stimuleert het “ieder voor zich” gevoel, hetgeen ertoe leidt dat men geen kennis en ervaring wil delen met anderen,  zich bedient van “ellebogenwerk” en er in het uiterste geval zelfs niet voor terugdeinst om anderen rücksichtslos van de carrièreladder te duwen als dat zo uitkomt op de weg omhoog.

In de westerse wereld is dit “schaarsteprincipe” zo ingebakken in onze cultuur, dat we er niet bij stilstaan dat men op vele plekken elders op de wereld – met name in de oosterse beschavingen – juist het principe van overvloed aanhangt. Zoals het woord al zegt gaat deze tegenhanger van ons schaarstebegrip ervan uit dat er altijd meer dan genoeg is voor iedereen, dit tegen de achtergrond van de overtuiging dat alles en iedereen met elkaar verbonden is. Het vergt niet veel inlevingsvermogen om je voor te stellen dat afgunst dan veel minder kans krijgt om zijn onsympathieke kop op te steken.

De mooiste omschrijving van afgunst of jaloezie tref ik aan in de Happinez Scheurkalender 2015: “Jaloezie betekent dat je je geluk laat afhangen van het geluk of ongeluk van een ander, maar dan in omgekeerde zin; het maakt jou gelukkig als de ander ongelukkig is, verdrietig als de ander gelukkig is.” Als ik deze definitie zwart op wit lees, wordt de lelijkheid van dit gevoel extra benadrukt. Want hoe diep moet je vallen om gelukkig te worden door andermans ongeluk?

“Voor het omgekeerde: gelukkig zijn om andermans geluk, hebben de boeddhisten een woord: mudita. Wij hebben dat niet en ook de andere westerse talen niet. We kennen wel vervangende schaamte, maar geen vervangende blijdschap. Dat geeft te denken.”, lees ik verder. Ik ben het hiermee roerend eens.

Gelukkig zijn om andermans geluk. Hoe mooi zou het zijn als ook wij in onze westerse competitieve samenlevingen dit gevoel zouden kunnen internaliseren? Noem me naïef maar ik heb het sterke gevoel dat de wereld er dan een stuk mooier uit zou zien. Niet alleen voor degenen iets moois hebben of meemaken en daar gelukkig van worden. Maar ook voor degenen die deze “gelukkigen” aanmoedigen en hen dit geluk van ganser harte gunnen. Dit zorgt immers voor positieve gevoelens omdat je zo deelt in andermans gevoel van succes en blijdschap. Gevoelens van afgunst kosten daarentegen alleen maar negatieve energie dankzij alle bijbehorende boosheid en frustraties.

Herken je iets van je afgunstige zelf in dit verhaal, weet dan dat het nooit te laat is om het over een andere boeg te gooien. De eerstvolgende keer dat je een succesverhaal van iemand anders hoort, probeer je dan in die ander te verplaatsen en je blij te voelen voor die ander. Je krijgt namelijk altijd terug wat je geeft.

Daarom zeg ik: lang leve de gunfactor!

© Pascale Bruinen

images