Body Pump (3)

Het is nu een dikke vijftien maanden geleden dat ik mijn eerste bodypumples volgde (hoe dat in zijn werk ging, kun je lezen in Bodypump (1) en (2) op deze blog). En ik moet zeggen, zeker het laatste half jaar begin ik echt resultaat te zien. Vooral de voormalige gevarenzone van mijn bovenarmen is onherkenbaar veranderd.

Ik weet nu eindelijk hoe een Jean-Claude van Damme zich voelt want ook mijn T-shirtjes beginnen verdacht strak aan te voelen bij de mouwen. Af en toe moet ik ze zelfs oprekken omdat mijn imposante biceps/triceps er anders niet meer in passen.

Dat dit geen grootspraak is, blijkt afgelopen april als H. en ik op een cruiseschip in het Caribisch gebied rondvaren. Ik zit nietsvermoedend in een mouwloos topje te genieten van het diner aan een grote tafel met vier andere koppels als ik zie dat de vrouw tegenover me aandachtig naar me kijkt. Als ik haar blik vang, vraagt ze op die typisch Amerikaanse, o zo directe manier: “Do you lift weights?”

Ik stik ter plekke bijna in mijn ossenhaas. “Yes, as a matter of fact I do!”, weet ik bijna ademloos uit te brengen. “You mean that you can actually notice it?”, kan ik niet nalaten te vragen naar de bekende weg.

Are you kidding? You look so toned!”

Ik moet me uit alle macht inhouden om niet ter plekke op de tafel te springen, mijn vuisten te ballen in een overwinningsgeste en een triomfantelijk “Yeeeeeeeeeeesssss!” door de eetzaal te roepen. Al dat harde werken en peentjes zweten zijn dus niet voor niks geweest.

Eigenlijk heb ik dit alles aan mijn dochter te danken die op een mooie zomerdag in een onbewaakt ogenblik zachtjes tegen mijn ontblote bovenarmen aantikte en zei: “Hmmm, dat beweegt wel erg op en neer, hè?”. Dat was de bekende druppel want ik had toen zelf ook al gemerkt dat die kipfilets langzamerhand wel erg prominent werden. Ik deed namelijk geregeld de zelfzwaaitest: ik ging voor de spiegel staan in een topje en zwaaide dan uitbundig met beide armen terwijl ik met haviksogen keek naar waar mijn triceps zouden moeten zitten. Anatomisch gezien wist ik natuurlijk dat ik ze had, ik zag ze alleen niet. Daarom is deze test ook alleen weggelegd voor de allermoedigsten onder ons, anders geldt: don’t try this at home!

Maar bodypump is voor mij veel meer dan alleen een uur mijn spieren trainen. Ik ben na de les weliswaar half dood, maar mijn andere helft krijgt een enorme boost van al die positieve energie die onze instructrices uitdragen. “Doe er gerust een kilootje bij. Waarom? Omdat het kan! We worden er alleen maar mooier en sterker van!”. Daar word je toch vanzelf blij van, niet dan?

Het is ook een sociaal gebeuren met al die dames van zestien tot zestig (mannen zijn doorgaans dun gezaaid, die hangen liever aan die vreselijke apparaten). Er wordt voor de les dan ook druk gekletst en gelachen.

Maar bovenal is het een ideale manier om mijn hoofd leeg te maken. Want als ik die gewichten in een razend tempo op de dreunende muziek op en neer moet bewegen, is het nog slechts een kwestie van zien te overleven tot het einde van elk nummer.

Ik word er dus helemaal happy van.

En niet in het minst omdat ik inmiddels met vlag en wimpel slaag voor mijn zelfzwaaitest.

© Pascale Bruinen

En, slaag jij voor de ‘zelfzwaaitest’?

Vat vol tegenstrijdigheden

Het heeft zo zijn voordelen om 50 te zijn. V i j f t i g. Op de een of andere manier lijkt het ouder als je het woord helemaal uitgeschreven ziet.

Maar niet getreurd, de voordelen vind ik tot dusverre ruimschoots opwegen tegen de nadelen. Want na jaren van mezelf de vraag stellen of ik wel voldoe aan mijn eigen én andermans verwachtingspatroon, weet ik eindelijk hoe ik in elkaar steek, wie ik echt ben. Voor mij voelt het alsof de laatste stukjes van de puzzel als vanzelf op hun plek zijn gevallen.

Ik weet feilloos wat mijn meest in het oog springende karaktereigenschappen zijn en durf die ook hardop te benoemen. Maar het blijkt dat het niet per se zo hoeft te zijn als ik van te voren had gedacht. Het is bij mij namelijk helemaal niet zwart óf wit, maar gewoon zwart én wit.

Ik ben sentimenteel én rationeel, sociaal én graag op mezelf. Ambitieus maar soms hoeft het ook niet zo. Geduldig als iets écht de moeite waard is maar zo nu en dan ook ongedurig. Bij hoge uitzondering een tikje bevooroordeeld maar voor het overgrote deel open minded. Doorgaans bescheiden en toch een enkele keer haantje de voorste. Zelfbewust maar ook ineens weer onzeker. Hautain als het mij zo uitkomt maar van huis uit wars van rangen en standen. Prat gaan op mijn zelfstandigheid en toch niet zonder mijn soulmate kunnen.

Voor mij dus niet meer het dilemma om te moeten kiezen. Ik beleef evenveel plezier aan Oprah Magazine als aan een literair meesterwerk. Ik ben gek op de hectiek van de stad maar ook weg van de serene rust van de natuur. Ik ben van huis uit een lachebek maar als ik een dierbaar iemand zie huilen, huil ik al snel met hem of haar mee. Ik ben een huismus die niet kan wachten om zo vaak en zo ver mogelijk op reis te gaan. Ik kan volop genieten van de genialiteit van Mozart, maar ga even graag uit mijn dak bij de ongecompliceerde meezinglol van Top Veertig hits.

Ik ben trots op deze vreemde opsomming want dit hoort allemáál bij mij. Ik hoef niet meer te voldoen aan een fictief ideaalbeeld. Ik ben er eindelijk achter gekomen dat ik alleen maar mezelf hoef te zijn. Ik hoef niets leuk te vinden alleen maar omdat mijn beste vriendin of heel Nederland dit ook leuk vindt. En andersom is het prima als ik iets mooi vind dat door de rest van de wereld wordt verketterd.

De grote Amerikaanse schrijfster Maya Angelou verwoordde het als volgt: “You don’t need another person, place or thing to make you whole. God already did that. Your job is to know it.” En of je nu gelooft – in welke God dan ook –  of niet, jezelf zijn is meer dan genoeg.

Ik ben ik.

Een vat vol tegenstrijdigheden.

© Pascale Bruinen

Nautische Mijmeringen

De zee is nagenoeg glad. Her en der rimpelt ze lieflijk, alsof een vrouwenhand zachtjes over blauw fluweel strijkt. Het water is als een schilderspalet waarop de kunstenaar los is gegaan in alle mogelijke kleuren blauw. Dichtbij zie ik azuur, turkoois en aquamarijn. Als mijn blik verder weg dwaalt over de reling ontwaar ik saffier, staal- en hemelsblauwe tinten, om aan de einder tenslotte te eindigen in een mengeling van de kleur van korenbloemen, kobalt en de inhuldigingsjurk van Máxima.

Ons schip lijkt niet zozeer te varen, maar eerder volslagen moeiteloos te glijden over een onmetelijke zilte vlakte. Hier wordt stilte hoorbaar.

Het eindeloze ritme van het water heeft een hypnotisch effect op me. Ik staar en staar en staar. Mijn ogen, gewend als ze zijn aan het ingeklemd zitten tussen de vier muren van huis, kantoor en zittingszalen, kunnen er maar geen genoeg van krijgen. De weidsheid van de zee geeft me een enorm gevoel van vrijheid. Mijn gelukshormonen zijn nog de enige die werken. Die maken nu zelfs overuren.

De zon zakt langzaam richting horizon. Voordat ze straks helemaal verdwijnt, laat ze mij  eerst nog genieten van een onvoorstelbare lichtshow. Als haar stralen de golven raken,  lijken ze eerst in miljoenen glazen stukjes te breken om vervolgens in een glinsterende sterretjesregen neer te dwarrelen.

Cruisen is ideaal voor moderne nomaden zoals ik. Voor mij niks ergers dan verplicht twee weken op één en dezelfde locatie te moeten zitten. De eerste avond met zijn allen even naar dat gezellige stadje. Leuk! De tweede avond ook, al heb ik het stadje dan al in een kwartiertje gezien want alles is nu een stuk bekender. En de derde avond verveel ik me er doorgaans al dood, zeker als er alleen maar van die toeristenwinkeltjes zijn.

Nee, dan cruisen! Het is heel dubbel: ik zie altijd reikhalzend uit naar de volgende bestemming maar ben evenzeer in mijn nopjes als we ’s avonds weer uitvaren, het onbekende tegemoet. Volgens de ongeschreven wetten van het cruiseleven wordt er dan altijd gezwaaid naar mensen op passerende bootjes (en geloof me, in vergelijking met ons schip lijken álle andere vaartuigen eerder van speelgoedformaat). En het leuke is: die zwaaien ook zonder uitzondering terug. Dat heeft gewoon wat. Volslagen onbekenden op weg naar totaal verschillende bestemmingen wiens zeewegen zich dat ene moment even kruisen en die elkaar enthousiast begroeten…Ik krijg er, ook na al die jaren, nog steeds kippenvel van.

Het blijft een heerlijk gevoel om na een opwindende ontdekkingsdag aan wal weer terug te keren op het schip, dat in feite een bestemming op zich is. De bemanning heeft gelijk als ze ons vriendelijk begroeten met “Welcome home!” want zo voelt het ook echt. En ’s ochtends is het steeds een feest om aan dek te gaan en te zien naar welke prachtige nieuwe plek het schip me nu weer heeft gebracht.

Ah, het leven op zee is mooi.

© Pascale Bruinen

Oei, ik groei!

Als je midden in een groot veranderingsproces zit, of dit nou op het persoonlijke vlak is, in de relatiesfeer of op je werk, kan het helpen om het beeld op te roepen van hoe een kuikentje wordt geboren. Helaas heb ik deze prachtige tip niet zelf bedacht, maar komt deze voort uit het brein van Mark Nepo, de Amerikaanse bestsellerauteur.

In “The Book of Awakening; Having the Life You Want by Being Present to the Life You Have“, legt hij deze vergelijking als volgt uit (vertaling in mijn eigen woorden):

“Bekeken vanuit het gezichtspunt van het kuikentje, is zijn geboorte een verschrikkelijke strijd. Opgesloten en opgerold liggend in een donker omhulsel, nog maar half gevormd, eet het kuikentje al zijn voedsel op om vervolgens ingeklemd te raken. Het begint zich hongerig te voelen en benauwd. Steeds sterker voelt het kuikentje dat het bijna geen lucht meer krijgt in zijn almaar kleiner wordende wereldje.

Zijn eigen groei leidt uiteindelijk tot het barsten van de schaal, waarmee de wereld zoals het kuikentje die kende tot een einde komt. Als het kuikentje zich tussen de barsten in de schaal een weg naar buiten zoekt – groeiend maar kwetsbaar, bijna verhongerd en verkrampt, zijn wereldje dat vergaat – moet het kuikentje welhaast denken dat het doodgaat.

Maar juist dan, als al het vertrouwde wegvalt, wordt het kuikentje geboren.

De les hieruit is duidelijk: transformatie brengt altijd met zich mee dat dingen waarop je eerst kon rekenen verdwijnen. Hierdoor blijven we achter met het gevoel dat de wereld zoals wij die kennen tot een einde komt. En dat is ook zo. Het kuikentje biedt ons echter de wijsheid dat wij tijdens ons leven opnieuw geboren kunnen worden.

Een soortgelijk veranderingsproces wordt beschreven door Martha Beck, ook al zo iemand die regelmatig op nummer 1 van de The New York Times Bestseller lijst staat. In “Finding your own North Star“, omschrijft zij transitie als een proces dat diep van binnen begint omdat je niet je eigen “Poolster” volgt, oftewel: omdat je niet jezelf bent of kunt zijn.

Martha Beck onderscheidt vier fases van transitie. De eerste is die van dood en wedergeboorte (denk aan het kuikentje!); in deze fase gebeurt er iets waardoor je niet langer de persoon kunt zijn die je was. Dus rouw je om je oude leven en begin je langzaam je nieuwe wereld te onderzoeken. Hierbij kan als neveneffect optreden dat mensen in je omgeving afhaken. Je naasten, vrienden en bekenden snappen je niet meer. Sommigen zullen jaloers of boos zijn omdat zij ook zouden willen veranderen maar dat – meestal uit angst – niet durven. Typerend voor deze fase is dat je zelf een enorme angst om te falen kunt ontwikkelen. Maar tegelijkertijd voel je je opgewonden en blij omdat je diep van binnen voelt dat je het enige juiste doet. In deze fase moet je dus blijven luisteren naar je “essential self” zodat je blijft bewegen in de richting van jouw eigen Poolster. Als je jezelf helemaal kunt verliezen in een activiteit dan weet je dat je je Poolster gevonden hebt.

In de tweede fase, “dreaming and scheming” genoemd, maak je een blauwdruk voor alles wat je in je nieuwe leven wilt. Deze periode begint met een puur innerlijke visie die langzaam over gaat in handelingen die je doet in de echte wereld. Je zult zien dat je steeds vaker tips en suggesties vindt of krijgt over hoe jouw toekomst er uit zal zien. Je voelt je hoopvol, vrolijk en creatief. Je droomt over hoe je nieuwe leven er uit zal zien. Als je  je droom in deze fase toevertrouwt aan mensen uit je omgeving, kun je de volgende reacties krijgen: “Waarom zou je dát in godsnaam willen doen?”; “O, zeker! Alsof jij zo’n talent hebt!”; “Dat heeft nog nooit eerder iemand gedaan”; “Weet je wel hoeveel werk dat is?”; “Dat lukt je alleen maar als je ontzettend veel geluk hebt”; “Dream on, ha ha ha!”. Martha noemt dit de dream dashers oftewel mensen die andermans dromen graag afkraken. Haar advies? Jouw dromen komen pas uit als je hun vooroordelen tegen jouw dromen niet gelooft maar juist afwijst. Je droom c.q. je doel opschrijven helpt trouwens ook; ons brein maakt dan een zoekopdracht aan dat ervoor zorgt dat je onderbewustzijn alert wordt op alles wat je hoopt te vinden.

Fase drie is de fase in de cyclus van verandering die nogal eens frustrerend kan zijn. Hier probeer je je plannen die je in fase 2 hebt gemaakt uit en kom je er nogal eens achter dat ze in de praktijk niet werken. Dit kan langer duren en is dus een kwestie van volhouden. Het helpt als je taken die veel te groot lijken uiteen laat vallen in kleine stukjes. Zo kun je telkens kleine stappen, turtle steps, zetten die je uiteindelijk ook daar brengen waar je moet zijn. Maar vergis je niet; in deze fase moet je ook gewoon keihard werken voor je droom. Maar omdat je doet wat je het allerliefste doet, zul je lange dagen maken zonder dat je dat doorhebt.

De laatste fase tenslotte markeert de overgang naar een nieuwe realiteit, de fase waarin je dromen eindelijk uitkomen en je de tijd kunt nemen om te genieten van je harde werken. Dit is de fase die Martha Beck “the promised land” noemt. Hier aangekomen kun je wat gas terugnemen. Je kleine stapjes zullen stilaan steeds groter en gemakkelijker worden. Blijf vertrouwen hebben in jezelf. Gun het jezelf echte blijdschap en trots te voelen over wat je hebt bereikt. Maar realiseer je ook dat niets voor altijd is.

Of, om in de woorden van Martha Beck te blijven: “Change is the one constant feature of human life (…) Security lies in adapting to constant change (…). You and I and everything in our environment are continously, permanently, relentlessly in transition (…). People who refuse to change are stagnant and old by their twenties. People who actually pursue change are (…) like flowing water, forever refreshed and refreshing”.

Als je dat, samen met dat beeld van het kuikentje, maar voor ogen houdt, komt alles uiteindelijk goed.

Want iedere barst in je omhulsel is ook een opening naar een nieuw begin.

© Pascale Bruinen

Van grazende nijlpaarden en parende pinguïns

Ter gelegenheid van mijn vijftigste verjaardag heb ik geen surprise party, groots opgezet familiefeest of een soortgelijk sociaal gebeuren. Nee, bij deze speciale gelegenheid zorg ik ervoor dat ik héél ver weg ben, zodat enige heimelijke Sarah-activiteiten aan mijn voordeur al op voorhand wreed in de kiem worden gesmoord. Want ik reis met H. naar Zuid-Afrika, iets dat we al veel langer wilden doen maar er nog niet van was gekomen. Dit keer gaat het gebeuren want een beter moment is er niet (zie voor eerdere columns over deze trip “Wat ruist er door het struikgewas?” (1), (2) en (3) op deze blog).

In de aanloop naar onze droomreis krijgen we nogal wat commentaar als we aangeven dat we daar met zijn tweetjes gaan rondreizen in een huurauto. In no time stapelen zich de horrorverhalen op. Vrienden, collega’s en familieleden waarschuwen dat we een levensgroot risico lopen op verkrachting, overval en moord of dikke kans maken om opgevreten te worden door op mensenvlees beluste katachtigen (aan land) danwel the great white (op zee). En mochten we dat allemaal niet meemaken c.q. wel overleven, hetgeen zo goed als ondenkbaar is, dan worden we vast geveld door malaria of geplet door een opgefokte mannetjes olifant met een overdosis aan testosteron.

Dat laatste blijkt overigens misschien nog wel het minst onwaarschijnlijke scenario, getuige het nieuwsbericht dat we tegenkomen luttele dagen voor ons vertrek. In het Krugerpark (yep, daar gaan wij ook naar toe) blijkt een dolgedraaide dikhuid een koppel dat er in hun huurautootje reed te hebben aangevallen. De onfortuinlijke safarigangers zijn beiden gewond geraakt, van wie de vrouw zelfs ernstig. En, jawel, uiteraard heeft iemand het hele dramatische gebeuren op youtube gezet. En nee, ik heb niet gekeken want dat is niet bepaald mijn idee van voorpret.

Een van onze bestemmingen is St. Lucia, een plaatsje aan de Indische Oceaan dat ligt temidden van het natuurreservaat iSimangaliso Wetland Park en bekend staat om zijn krokodillen en nijlpaarden. Laatstgenoemden zouden zelfs na het invallen van de duisternis door de straatjes van het stadje lopen… Als ik ’s ochtends bij het ontbijt in onze gezellige Bed & Breakfast van een Engelse gast hoor dat zij gisteravond met succes in het donker is gaan zoeken naar nijlpaarden, kunnen wij natuurlijk moeilijk achterblijven. Dus besluiten we gezamenlijk (nou ja, H. wil ook na enig aandringen mijnerzijds) dat dit ons avondvermaak zal worden.

En zo geschiedt het dat we in onze huurauto de pikdonkere straten van St. Lucia opzoeken. We denken dat we de meeste kans maken langs het water (toegegeven, hiervoor hoef je bepaald geen raketgeleerde te zijn) dus rijdt H. daar extra langzaam en met groot licht aan rond. Als we na ruim een kwartier nog steeds geen nijlpaard hebben gevonden, begint het lollige gevoel plaats te maken voor teleurstelling. Hier rijden we dan de duistere straten op en af zonder ook maar één hippo tegen te komen. Maar dan roept H. luid: “Daar zijn ze!” en even later baden twee nijlpaarden in de zee van onze koplampen. Ze staan langs de oever (dus toch!) op een grasveld en grazen net als een Nederlandse koe dat zou doen. Het is een potsierlijk gezicht, die logge beesten met hun belachelijk korte dikke pootjes die zich te goed doen aan het gras. En, o ironie, ze staan met zijn tweeën pal onder het bord dat passanten waarschuwt voor…juist ja, nijlpaarden.

Onze reis voert ons later nog naar de regio rondom Kaapstad, alwaar een ander bijzonder dier resideert: de Afrikaanse pinguïn. Deze leeft, in tegenstelling tot de meeste van zijn soortgenoten, niet tussen sneeuw en ijs maar op een fantastisch wit zandstrand (als ik pinguïn was, zou ik ook wel weten waar ik liever rond zou willen waggelen). Op het oogverblindend mooie Boulders beach vinden we ze terwijl ze druk bezig zijn met paren en vooral nesten maken voor hun donzige jongen. Ze zijn zo koddig en aandoenlijk dat ik, ook na behoorlijk lange tijd staren, fotograferen en filmen, nog steeds geen zin heb om te gaan.

Terwijl ik daar in de stralende zonneschijn aan dat hek sta en deze prachtige dieren mag aanschouwen in hun natuurlijke habitat van strand en zee, voel ik me intens gelukkig. Dit is waarom ik zo graag reis. Zo voel ik me vrij. Zo voel ik me rijk. Zo voel ik dat ik lééf.

Augustinus verwoordde het zo: “De wereld is een boek. Wie niet reist, leest enkel één bladzijde”.

Geef mij maar dat hele boek.

© Pascale Bruinen.

Think pink!

Loyal readers of this blog already know it: my trademark is a pink tulip and there sure is a reason for this. To say I have a soft spot for pink is putting it mildly. I loooove pink. Not only the pastel colours, but also and especially fuchsia. I can’t help it but pink makes me happy.

Nonetheless I have long since resisted succumbing to the lure of fifty shades of red-mixed-with-white (or the other way around.) Maybe because I’m supposed to be a grown woman and pink usually is associated with an immature girly kind of taste in, well, everything.

In fashion I noticed this problem pretty soon. I had a nice skirt in soft pastel colors and was yearning to find matching soft pink tights. Well, forget it. They just didn’t seem to exist in women’s sizes. But as I am not one to give up easily, I finally found them between the children’s clothing items at H & M just when I was about to collapse from sheer physical exhaustion (mental note to self: next time, go there first since they carry young girls’ sizes that also fit slim women.)

When I surf the net looking for the meaning of the color pink, I encounter the site of Perron 11. There, Jennifer van der Meer descibes it as follows: “Pink is the color of passion, love, kindness, femininity, truth, peace, care, sweetness, trust, pragmatism, initiative, rational and calm power, humor, compliance, self-respect and appreciation for another, faithfulness, independence and tolerance.” Oh well, you won’t hear me complaining about all that, no sir! And could it be a mere coincidence that next to this definition I find the image of a cute little pink owl?

roze uiltje

Thinking about my special experience with my “own” owl in the tree of my backyard I tend to think not (to readers who don’t know what I’m talking about, I recommend that you read the columns on this blog with the title “Het jaar van de uil” (1) en (2) – in that order – and then you’ll understand why (unfortunately though, these columns have not yet been translated to English).

Reinforced by this characterization of my favorite colour, I decided to make up for all these years that I didn’t dare to admit I love pink. So what if everyone thinks I have never outgrown my teens? I refuse to be ashamed (anymore).

And thus I decided that I could very well turn my study into an oasis of pink. After all, it is my study so I can do with it as I please, thank you very much (ok, so H., my significant other, also uses the computer there once in a while, but that doesn’t count). So I fearlessly bought a carpet in a bright shade of pink that I put right smack in the middle of the room. No evading that one.

Fortunately, the rest of the room is very light: the walls, curtains and desk are all white and one wall is from floor to ceiling covered in white high gloss cabinets. The shelves are filled with lots of books and pictureframes (and yes, some of them are fuchsia. Not the pictures, but the frames). Therefore, I decided the room could do with different kinds of pink. So I put a fuchsia laptopholder on my desk that instantly makes it look a lot nicer, dotted the window-sill with pink candles and put some bright pink cardboard boxes on the shelves. The result? A welcoming, happy and vibrant working environment that radiates a lot of positive energy and pizzaz.

I even dared to put some pink shades in my livingroom (as in: throw pillows, paintings and flower pots), but because H. also resides here and has to be comfortable (and he sure is, ask him), I combined it for his sake with some fresh limegreen just to be on the safe side. For spring and summer that is, because when daylight saving time ends, so does the summery colour in my interior decorating  so in October it will be replaced by warm and rich dark brown hues (I’ll get back to you on that one later on on this blog).

Pink continues to show up in different places, though. In my garden, you’ll look in vain for yellow, orange or red flowers but what you will encounter are pink, purple and white ones.

All-in all, I found out that turning fifty is great.

If only for the prerogative to finally think pink.

© Pascale Bruinen

I see the world in pink, even without my sunglasses on…

Kleur bekennen

Trouwe lezers van mijn blog weten het al lang: mijn logo is de roze tulp en dat is niet voor niets. Om te zeggen dat ik een speciaal plekje in mijn hart heb voor de kleur roze is namelijk een understatement. I loooove pink. Niet alleen de pastelkleuren, maar ook en vooral fuchsia. Ik kan er niets aan doen maar roze maakt me gelukkig.

Desalniettemin heb ik de drang om toe te geven aan de roep van 50 tinten rood gemengd met wit (of andersom) lang kunnen weerstaan. Misschien omdat ik word verondersteld een volwassen vrouw te zijn en roze meestal wordt geassocieerd met een kinderachtige smaak in, wel, alles.

In de mode zag ik dit probleem al snel opdoemen. Zo heb ik een leuke rok in zachte pasteltinten en was ik naarstig op zoek naar een bijpassende lichtroze maillot. Nou, vergeet het maar. In een vrouwenmaat scheen een dergelijke beenbekleding niet te bestaan. Maar omdat ik van nature een nogal vasthoudend typetje kan zijn, heb ik zo’n maillot – juist op het moment dat ik de totale uitputting nabij was – uiteindelijk gevonden…op de kinderafdeling van de H & M (mentale reminder aan mezelf: volgende keer daar eerst beginnen met mijn zoektocht omdat ze meisjeskleren hebben die slanke vrouwen ook goed passen).

Sinds ik vijfitg ben geworden, ben ik op verschillende manieren boven mezelf uitgestegen. Een ervan is dat ik nu niet langer wil doen alsof ik niet van roze houd. Nou én als anderen daardoor denken dat ik mijn tienertijd nooit ben ontgroeid. Ik schaam me er niet (meer) voor.

Als ik op internet zoek naar de betekenis van de kleur roze, kom ik uit bij de site Perron 11. Jennifer van der Meer omschrijft het daar als volgt: “Roze is de kleur van passie, liefde, vriendelijkheid, vrouwelijkheid, waarheid, vrede, zorg, zoetheid, vertrouwen, pragmatisme, initiatief, rationele en kalme kracht, humor, meegaandheid, zelfrespect en waardering voor de ander, trouw, onafhankelijkheid en tolerantie.” Mwah, daar doe ik het wel voor, hoor. En zou het toeval zijn dat daarbij dit symbool van een schattig roze uiltje staat?

Gelet op mijn bijzondere ervaring met mijn “eigen” uil in de boom van mijn achtertuin ben ik geneigd te denken van niet (lezers die niet weten waar ik het over heb, raad ik aan om op deze blog de column “Het jaar van de uil” (1) en (2), in die volgorde, te bekijken en dan begrijpen jullie wel waarom).

Enfin, gelet op mijn respectabele leeftijd gooi ik me nu dus in de bocht om al die verloren jaren in te halen en heb ik onlangs besloten dat ik recht heb op een studeer/werkkamer die ruimhartig is gedecoreerd met allerlei tinten roze. Het is immers mijn werkkamer dus kan ik daarmee doen en laten wat ik wil (OK, H. zit er ook af en toe achter de computer maar dat telt niet).

Om te beginnen heb ik een vloerkleed gekocht in een heldere en vrolijke kleur roze dat ik wham bam! midden in de kamer heb neergelegd. Daar kan niemand meer omheen. De rest van de kamer is heerlijk licht dus dat kan deze ruimte echt wel hebben. De muren, gordijnen en meubels zijn allemaal wit. De open planken staan vol met boeken en ingelijste foto’s. En ja, sommige daarvan zijn fuchsia (de lijstjes, niet de foto’s).

Op mijn bureau staat een fuchsia laptophouder die er onmiddellijk voor zorgt dat ik goede zin krijg. Het hele bureau fleurt ervan op. De roze theelichtjes op de vensterbank en roze kartonnen dozen op de planken zorgen voor een warme maar tegelijk vrolijke omgeving die me in de armen sluit zodra ik binnen kom. De positieve energie die er van uitgaat is onmiskenbaar en draagt bij aan een groot gevoel van tevredenheid.

Ik heb zelfs de nodige roze tinten in onze huiskamer geïntroduceerd (bijvoorbeeld op kussens, schilderijen en bloempotten), al heb ik ze daar gecombineerd met limoengroene accessoires omdat H. zich daar ook nog prettig moet kunnen voelen (en dat doet hij, écht, vraag het hem anders maar). Maar sowieso is dit slechts de zomerkamer, want als straks in oktober de klok weer een uur wordt teruggezet verandert ook de totale inrichting en schakel ik over op warme en donkerdere kleuren (maar daar kom ik nog wel een ander keertje op terug).

Roze doemt ook op buitenshuis. Zo zul je in de tuin tevergeefs zoeken naar gele, oranje of rode bloemen. Daarentegen zul je wel witte, rose en paarse bloeiers in vol ornaat kunnen bewonderen.

Tot dusverre ben ik van mening dat vijftig worden fantastisch is.

Al is het alleen maar vanwege het voorrecht om eindelijk kleur te durven bekennen.

© Pascale Bruinen

Herinneringen aan lange lome zomerdagen

Ineens zie ik haar. Ze heeft nog dezelfde haarcoupe met weelderige krullen en haar gezicht lijkt ook nauwelijks last te hebben gehad van de tand des tijds. Maar de echte herkenning komt als ik haar lachende ogen zie. M. mag dan inmiddels zo’n 36 jaar ouder zijn dan toen ik haar de laatste keer zag, ze ziet er nog steeds meisjesachtig uit en heeft nog precies dezelfde sprankelende uitstraling als eind jaren zeventig.

Eén blik op haar en ik ben weer terug in de tijd dat mijn ouders ieder voorjaar hun caravan tot oktober neerzetten op een camping op zo’n 15 kilometer van huis. Ieder weekend dat het enigszins redelijk weer was, wat in mijn (gekleurde?) beleving best wel vaak was, togen we er heen. Iedereen was er welkom en dus was het er de spreekwoordelijke zoete inval. Mijn zussen en broer namen hun wederhelften en jonge kinderen mee, mijn ouders nodigden vrienden en goede bekenden uit en ook mijn vriendinnetjes waren altijd meer dan welkom.

Die periode associeer ik met lange lome zomerdagen die ik grotendeels aan het opgespoten strandje of in het meertje doorbracht. Zonnebaden, zwemmen of met een hele bubs volleyballen in het water, waarbij ik als preutse puber na iedere duik naar de bal zekerheidshalve even controleerde of mijn bovenstuk en bikinibroekje nog goed zaten. Op een oranje badhanddoek luisteren naar muziek die schetterde uit de cassetterecorder, eindeloos met mijn hartsvriendinnen kletsen over jongens of steelse blikken werpen op die hunk die een paar handdoeken verderop stoer zat te doen. Af en toe een balletje trappen op het voetbalveldje, een ijsje halen in de kantine of een potje jeu-de-boulen of badmintonnen met eender wie daar op dat moment zin in had. Eenvoudige pleziertjes die je een leven lang bij blijven.

Als de avond langzaam viel, ging ik met mijn toiletmapje en een handdoek naar de douches om even later fris gewassen met natte haren en gestoken in een Adidas trainingspak terug naar onze caravan te lopen (en, o, wat dacht ik dat ik hip was.) Die typische geur van een zwoele zomeravond, het aroma van een warme stoffige aarde vermengd met de frisse tonen van de langzaam afkoelende lucht en de dennenbomen, is voor altijd verbonden aan mijn jeugdjaren op deze camping.

’s Avonds was het uiteraard tijd voor de barbecue. Mijn vader, zwagers en vrienden gooiden de kolen erop en zorgden met een luchtbedpomp (!) ervoor dat het vuurtje goed werd opgepookt. Als de kolen eindelijk zo heet waren dat ze grijs kleurden, kwamen de vrouwen met eindeloze hoeveelheden shashlik-stokjes met gemarineerde stukjes vlees afgewisseld met gesneden ui en paprika. Het rijgen van al dat lekkers voor zo’n twintig man duurde soms wel uren en was een taak van de dames (tja, het waren wel de jaren zeventig en de emancipatie was toen nog niet zo ver als nu.) Daarna werd er lekker gegeten, het een en ander gedronken en vooral heel veel gepraat en gelachen. Iedereen had volop aandacht voor elkaar (en het zou gelukkig nog decennia duren voordat we massaal zouden worden afgeleid door de terreur van mobiele telefoons.)

Naarmate de avond vorderde werden de moppen steeds schuiner, de giechelbuien van de dames steeds luider en mijn geluks-en tevredenheidsgevoel steeds intenser. Ik zat er immers bij, omringd door mijn familie, vrienden en kennissen en genoot met volle teugen. Het waren prachtige, onvergetelijke zomeravonden.

Na een tijdje dijde de groep die ons op de camping met een bezoek kwam vereren nog verder uit. Zo kwam ook M., die destijds de vriendin van de broer van een van mijn zwagers was, bij het gezelschap te horen. Ik was toen veertien en M., zo schat ik, een jaar of twintig, eenëntwintig. Op die leeftijd is dat een onoverbrugbaar verschil. Ik keek dan ook ongelofelijk tegen haar op en was zelfs stiekem ontzettend jaloers op haar. Zij was immers een mooie volwassen vrouw en wat was ik nou helemaal? Een schoolgaande tiener met puberkuren. Zij moest daarentegen welhaast het leven leiden dat ik ook zó graag wilde: geen bemoeienis van ouders, lekker doen waar je zin in hebt en vooral: zij mocht vast uitgaan, zo veel, zo vaak en tot zo laat als ze wilde. Ik zou op dat moment nog twee lange jaren moeten wachten voordat ik uit zou mogen en dan nog alleen tot 23.00 uur ’s avonds (nu gáán ze niet eens rond die tijd). Gelukkig wist ik dat op dat moment nog niet, want als je puber bent lijkt een week al een eeuwigheid, laat staan twee jáár.

Mijn gemijmer wordt abrupt onderbroken als M. mij ook blijkt te herkennen. We zeggen elkaar enthousiast gedag. Na veel oh’s en ah’s en “Wat gek dat we elkaar nooit meer ergens gezien hebben!” komen we tot dezelfde conclusies: wat gaat de tijd akelig snel en wat zijn we niks veranderd (nou ja, bijna niks). In een paar minuten tijd weten we de kloof van bijna veertig jaar te overbruggen en zijn we min of meer “bij” betreffende relatie. wel of geen kinderen en werksituatie.

Maar wat wel anders is, is de dynamiek tussen ons. Hoewel het leeftijdsverschil exact hetzelfde is, zijn we nu – eindelijk! – gelijken. Voor mij voelt dat heel raar maar wel prettig. We beloven contact te houden via Facebook.

Mooi hoe een hele reeks dierbare herinneringen aan zorgeloze, lang vervlogen zomers kan worden getriggerd door één enkele blik van herkenning.

© Pascale Bruinen

 

herinneringen aan lange lome zomerdagen

Hebben jullie ook zulke mooie herinneringen aan vervlogen zomers? Deel ze dan hier!

 

Toyboy

Het is warm. Zelfs op de fiets is er nauwelijks een briesje te voelen. Ik moet nu een stukje bergop en het gaat nog maar langzaam. Gelukkig heb ik alleen een mouwloos topje en zo’n capri-broek aan. Alleen heb ik er achteraf spijt van dat ik mijn lange haren niet even in een staartje heb gedaan.

Door de blauw getinte glazen van mijn Rayban ontwaar ik een stukje verderop een groepje kinderen. Als ik iets dichterbij kom, valt mijn oog op een van hen, een in oranje-shirt gestoken jongetje. Hij zal niet ouder zijn dan een jaar of acht, negen. Hij valt mij op omdat ik hem een beetje vind lijken op de zoon van Catalaanse vrienden toen deze ongeveer dezelfde leeftijd had.

Ach, denk ik vertederd terwijl ik bijna bij hem ben, wat schattig, zo’n onschuldig manneke. Tijdens het voorbij fietsen glimlach ik vriendelijk naar het jochie. Net op dat zelfde moment zie ik dat hij ook naar mij kijkt om vervolgens tot mijn verbijstering zijn duim- en wijsvinger in zijn mond te steken en – nog steeds met zijn blik op mij gericht  – als een volleerde bouwvakker op mij te fluiten.

Snel kijk ik om me heen of soms ergens een meisje (van zijn leeftijd) te bekennen valt, maar nee. Ik val nog net niet van mijn fiets. Ik barst spontaan in lachen uit en kom nu bijna helemaal niet meer vooruit.

Het moet nu niet veel gekker meer worden, denk ik terwijl ik schuddebuikend verder probeer te trappen. Ik bedoel, als vijftigjarige geadoreerd worden door een toyboy kán onder omstandigheden natuurlijk hartstikke leuk en eervol zijn (en nee, zelf heb ik er geen en hoef ik er ook geen), maar je kunt het ook overdrijven. Dit exemplaar is nog maar net de zandbak ontgroeid. Zal wel aan die zonnebril gelegen hebben dat het ventje dacht dat ik ergens in de twintig (???), dertig (??) was.

Ik vraag me ineens af of dit manneke soms wat al te vaak heeft gekeken naar die reclame met Lieke van Lexmond; je weet wel, die van dat merk waar iedereen telkens begon te gillen als ze een pakketje kregen afgeleverd. In de nieuwere reeks gooien ze het over een andere boeg. Eerste shot: Lieke komt haar woning uit in een sexy combi en een jongetje van ongeveer dezelfde leeftijd als mijn bewonderaar staat buiten met een step en fluit op haar. Lieke kijkt verrast en daarna blij.

Tweede shot: Lieke komt andermaal uit haar woning, dit maal in een stijlvolle zwarte jurk, draait koket naar links en naar rechts voor het jochie dat haar weer opwacht en…ja hoor, hij fluit weer op haar én geeft haar een knipoog. Lieke glimlacht stralend terug en gaat haars weegs.

Derde shot: Lieke stapt parmantig haar voordeur uit in weer een andere look, kijkt verwachtingsvol naar het ventje maar er gebeurt dit keer he-le-maal niets. Omdat het knulletje niet fluit, kijkt ze ontzet. Misschien ligt het aan die afgetrapte spijkerbroek? Maar nee, want in de volgende scène zien we waarom het kereltje verontschuldigend zijn frêle schoudertjes ophaalt omdat hij niet heeft gefloten: er verschijnt een lieftallig vriendinnetje – van zijn eigen leeftijd – met twee ijsjes. Camera zwenkt naar Lieke, die het nu eindelijk ook snapt en (getuige haar minzame glimlach) het hem vergeeft. Eind goed, al goed.

Heel even kon ik me bijna een echte cougar wanen.

Alleen was mijn toyboy er helaas eentje die echt nog met speelgoed speelt.

© Pascale Bruinen

Wabi sabi

Nee, wabi sabi is niet een extreem pittig sushigerecht, een niet eerder bekend geworden Star Wars figuur of een of ander Arabisch emiraat maar een Japanse levensfilosofie die uitgaat van een drietal principes: niets is voor eeuwig, niets is ooit af en niets is perfect. En laat ik nou precies het tegendeel hiervan iedere dag najagen.

Want als ik gelukkig ben, wil ik liefst dat er nóóit meer iets verandert, als controlfreak annex Lena Lijstje ben ik compleet verloren zonder mijn ellenlange opsommingen van dingen die ik bijna dwangmatig moet afhandelen (vink! vink! vink!) en van huis uit ben ik juist een perfectionist die altijd alles in orde wil hebben.

Sinds ik vijftig ben, heb ik besloten dat het goed is dat ik eindelijk eens uit mijn comfort zone kom. Misschien dat ik daarom net een vreemde aantrekkingskracht voel als ik stuit op dit soort intrigerende en o zo ver van mijn persoontje af staande denkbeelden.

Hoewel moeilijk te vertalen, betekende wabi oorspronkelijk zoiets als het alleen leven in de natuur, ver van de beschaafde wereld en stond sabi voor verschrompeld, doorleefd. Later kreeg wabi meer de betekenis van rustieke eenvoud, stilte of minimalistische elegantie. Toegepast op voorwerpen ziet het woord op onregelmatigheden die bijdragen aan het unieke karakter ervan. Sabi omschrijft de schoonheid van een object waaraan je de ouderdom en dus zijn eindigheid af kunt zien, bijvoorbeeld door slijtage of reparaties.

Al surfend op het net stuit ik op de site www.simplifylife.nl, die de Amerikaanse Japanoloog Leonard Koren aanhaalt. ‘Wabi sabi vind je niet in de natuur op momenten van bloei en overdaad, maar juist op momenten van teruggang en soberheid. Wabi sabi gaat niet over schitterende bloemen, majestueuze bomen of meeslepende landschappen, het gaat veeleer over het kleine en verborgene, het weifelende en vergankelijke; dingen zo subtiel en voorbijgaand dat ze onzichtbaar zijn voor de alledaagse blik.’

Prachtig gezegd. En wellicht eens de moeite waard om mijn blikveld op deze voor westerlingen toch vrij onorthodoxe wijze te verruimen. De website citeert ook Christopher Weidner, schrijver van het boek “Niet perfect en toch heel gelukkig”: “Wabi sabi voorwerpen kunnen je helpen het perspectief van je huidige leven te veranderen als je de tijd neemt ze op je in te laten werken. Ze herinneren je aan het feit dat je niet op alles een antwoord hoeft te hebben, dat schoonheid vaak in details zit en zich in de onvolkomenheid van de wereld manifesteert. Ze tonen je dat je problemen van voorbijgaande aard zijn en dat je op het verloop van de tijd kunt vertrouwen. En ze bewijzen dat jij uniek bent, juist omdat jouw tekortkomingen je van alle anderen onderscheiden”.

Het mooie in het vergankelijke en onvolmaakte zien, dát is dus de kunst van wabi sabi. Maar hoe doe ik dat? Ik wil best ver gaan buiten mijn comfort zone, maar als ik wabi sabi alleen kan bereiken door trommelend en met een kaalgeschoren kop in vale oranje-rode-roze vodden op sandalen (!) door de straten te gaan lopen, trek ik daar toch echt de grens.

Maar nee, gelukkig is een bekering tot Hare Krishna niet nodig. Want ik beleef een authentiek aha-moment (én realiseer me ontgoocheld dat ik met mijn eeuwige to do lijstjes juist helemaal verkeerd bezig ben) als ik lees wat Weidner verder over dit onderwerp schrijft: “In een leven vol verplichtingen ontbreekt wabi sabi want dat zit juist verstopt in de tijdleemtes waarin niets anders bestaat dan de schoonheid van het moment: herfstbladeren die door de straat dwarrelen, water dat glinstert in de zon. Dan komen we los van onze plannen opeens weer in contact met de schoonheid en het unieke van iets wat nu gebeurt. In feite moeten we dan niets anders doen dan de tijd stoppen en ons met al onze zintuigen op dat moment concentreren.”

Ha! Dát kan ik toevallig ook. Sterker nog, dat deed ik intuïtief al lang (lees voor bewijs van deze stelling maar eens mijn column “Wake up and smell the roses” op deze blog). Die is alvast binnen. Vink! Of nee, vergeet dat ik dit geschreven heb.

Wabi sabi gaat er verder van uit dat je nooit iets afkrijgt: “Het gaat erom dat je dat wat je doet, van ganser harte doet. Door jouw hand wordt iets uniek. En omdat het uniek is, zal het onvolmaakt zijn. Perfectie sluit verandering en ontwikkeling uit en is het tegengestelde van het leven.”

Tja, daar zit wel wat in. Bovendien heb ik ook hierover nog niet zo lang geleden al een column geschreven (zie “Kairos”).

Ik ben dus wel al een stukje op de goede weg. En als ik de eerstvolgende keer bij fel licht in mijn vergrotingsspiegel kijk en een gil van ontzetting wil slaken bij het zien van een nieuwe kraaienpoot, zal ik in plaats daarvan volmaakt rustig en tevreden mijn nieuwe mantra aanheffen: “Schoonheid zit in het onvolmaakte en vergankelijke”.

Dat belooft nog wat voor de toekomst.

© Pascale Bruinen

Een schwalbe, een paal en een teen

Ik wou dat ik kon zeggen dat ik deze pakkende titel zelf had bedacht, maar helaas. Deze woorden, die refereren aan de respectievelijke redenen voor de drie verloren WK-finales, komen uit de mond van Bert van Oostveen, directeur betaald voetbal bij de KNVB.

Drie WK-finales, driemaal tweede. Een triest record. En wat een eventuele vierde finale had opgeleverd, zullen we nu nooit weten. Met dank aan het geboorteland van onze Koningin.

Mijn gevoel, altijd befaamd om zijn gelijk, heeft me dit keer faliekant in de steek gelaten. Ik was namelijk heilig ervan overtuigd dat we niet alleen de finale zouden halen, maar het dit keer écht zouden gaan flikken.

Waarom? Omdat het kon. Omdat dit elftal een hecht team was dat voor elkaar tot het uiterste wilde gaan. Omdat ik dit elftal met iedere wedstrijd zag groeien, hetgeen onmisbaar is voor toernooivoetbal zoals een WK dat nou eenmaal is. Omdat deze 23 man het geluk, dat ook nodig is, met z’n allen – zowel op het veld als op de bank – keer op keer afdwongen. Omdat we een bondscoach hebben die niet bang is om onorthodoxe ingrepen te doen. Omdat het allengs tijd was om die Coupe Jules Rimet mee naar huis te nemen. En omdat soms, heel soms, ook het meest onwaarschijnlijke scenario werkelijkheid wordt.

Het heeft niet zo mogen zijn. Lag het aan het niet inbrengen van Tim Krul waardoor de Argentijnen, nu de geniale keeperswisseltruc dit maal uitbleef, psychologisch gezien al op voorsprong stonden terwijl er nog geen strafschop was genomen? Kwam het door de onmacht van RVP die zich als een gedrogeerde zombie over het veld voortsleepte in slow motion? Of was het toch misschien wel de verdienste van een Argentijns team dat steeds wel met 20 veldspelers leek te spelen in plaats van met 10?

Het eindeloos op en neer gaande schaakspel – balletje breed, voorzichtig passje naar voren, niet doorkomen, tikkie terug – dreef me af en toe tot wanhoop. Zelfs Arjen Robben was bijna niet zichtbaar, op een paar dribbelacties in de tweede helft na waarbij hij wéér de wedstrijd tijdens de laatste speelminuten had kunnen beslissen, ware het niet dat de voet van Mascherano nét wat te ver werd uitgestoken.

Geen titel dus. Maar wat wel blijft, zijn de mooie herinneringen. Zeker, het voetbal was eerder nagelbijtend spannend dan wonderschoon (op de tweede helft tegen Spanje na dan). Maar het plezier dat dit verrassende Nederlands elftal ons de voorbije weken heeft gebracht, mag ook wel wat waard zijn.

Op voorhand gaf immers niemand – ondergetekende incluis – ook maar een stuiver voor dit veredelde eredivisie-elftal vol onervaren jonkies met een keeper die vorig seizoen nog in de eerste divisie voetbalde. “We” konden niet verdedigen. De bondscoach werd met de grond gelijk gemaakt of zelfs – door sommigen, al dan niet op nationale televisie  – ver de grond in getrapt. De vedettes hadden veel te grote ego’s. “We” hadden daar in Brazilië niks te zoeken.

Eerst afzeiken, dan de hemel in prijzen. Typisch Nederlands trekje dat wellicht voortkomt uit de wonden van ons roerige WK-verleden. In 1974 leidde de veronderstelde, breed in de (Duitse!) pers uitgemeten, schwalbe van Bernd Hölzenbein tot een benutte penalty waardoor West-Duitsland op 1-1 kwam en ons uiteindelijk het wereldkampioenschap kostte. Al moet daar eerlijkheidshalve bij gezegd worden dat Hölzenbein later door de rechter in het gelijk werd gesteld toen hij hiervan een rectificatie eiste én dat het Nederlands elftal ook zelf schuld had aan deze nederlaag door na die vroege voorsprong al te denken de titel op zak te hebben.

De paal was nog de enige hindernis op weg naar eeuwige roem voor Rob Rensenbrink en het Nederlands elftal in de heksenketel van de WK-finale in Buenos Aires. Die paal heeft nog menig Nederlands tv-toestel op gewelddadige wijze het leven gekost.

En dan, vier jaar geleden, die vermaledijde teen van de Spaanse keeper Iker Casillas. Arjen zal er menig nachtje niet van hebben kunnen slapen.

Weer geen wereldkampioen. Maar na een paar dagen van bezinning waarin ik de teleurstelling een plek heb kunnen geven, ben ik tot de conclusie gekomen dat dit niet eens zo erg is. Want dit keer waren er geen schandalen over spelers die tot in de vroege uurtjes gingen stappen, met stoeipoezen in het zwembad zaten, per se hun eigen merk wilden dragen in plaats van dat van de sponsor, een kabel vormden, niet met de pers wilden praten, karatetrappen uitdeelden, anderen kaarten wilden aannaaien of alles tot meerdere eer en glorie van zichzelf altijd maar alleen wilden doen. Nee, deze 23 deden het sámen en gaven zo het stralende sportieve voorbeeld voor al die kleine spelertjes en spelers die straks weer onze Nederlandse voetbalvelden bevolken (en waar het gras nog écht groen is en niet het resultaat van een verfbeurt). Daarom sierde het Arjen Robben ook zeer toen hij op tv publiekelijk zijn excuses aanbood voor een schwalbe. Arjen heeft – als papa – nu ook begrepen hoe het in de praktijk zit met zijn voorbeeldfunctie.

Morgen mogen ze nog eens aantreden tegen het gastland, dat na die vernedering tegen Duitsland gebrand zal zijn op een eclatante overwinning. Maar wat de uitkomst van deze troostfinale ook mogen zijn, voor mij heeft Nederland al gewonnen sinds het moment dat Arjen bij Jack van Gelder bijna de tranen in zijn ogen kreeg toen hij geëmotioneerd sprak over hoe trots hij was op alle spelers van deze selectie. Waarmee gelukkig maar weer eens bewezen is dat voetbal meer emotie is dan oorlog.

Nee, die Coupe Jules Rimet komt ook in 2014 niet naar Nederland. Maar onze jongens zijn de beste ploeg van dit WK op een veel belangrijker vlak.

Want wij zijn de onbetwiste wereldkampioen teamspirit. 

© Pascale Bruinen

Teigetje versus Iejoor

Je kent ze vast wel. De types die altijd wel iets te mekkeren, te zeiken of te zaniken hebben. Het kan je immer pessimistische buurman zijn, je voortdurend in de klaagstand verkerende schoonmoeder of – als je echt pech hebt – je eigen echtgeno(o)t(e), partner of kind(eren) bij wie het glas nog niet eens voor een kwart vol te krijgen is.

De Amerikaanse bestseller auteur Gretchen Rubin noemt ze plastisch “happiness leeches”, oftewel de geluks-bloedzuigers. Door hun niet aflatende negativiteit rond te spuien putten ze zelfs de meest optimistische mensen zo uit, dat er van enig geluksgevoel nauwelijks nog sprake is.

Gretchen onderscheidt drie soorten bloedzuigers:

De lanterfanters, die niet hun eerlijk deel van het werk doen en soms expres een slecht resultaat afleveren of voortdurend op een negatieve manier aandacht vragen;

De hufters, die geen respect voor anderen hebben, voortdurend tarten of bekritiseren, zich onfatsoenlijk of brutaal gedragen, kwaadaardige roddels verspreiden, anderen expres in verlegenheid brengen, pesten of commanderen, met andermans veren strijken, noodzakelijke informatie achterhouden of de conversatie domineren.

De kankeraars, die altijd ongelukkig, pessimistisch, angstig of steun zoekend zijn. Omdat negatieve emoties besmettelijker zijn dan positieve en ook langer aanhouden, kan één kankeraar de stemming van een hele groep beïnvloeden. Het probleem met deze bloedzuigers is dat ze, waar ze ook maar opduiken, de sfeer voor iederéén verpesten.

Een prototype van de kankeraar is Iejoor, de ezel uit het verhaal van Winnie de Poeh. Hij is Winnie’s vriend maar o zo pessimistisch, somber en gedeprimeerd van aard. Iejoor loopt daarom ook altijd met zijn hoofd omlaag.

Diens tegenhanger is Teigetje, de kleine onbezonnen en hyperactieve tijger uit hetzelfde verhaal. Hij houdt juist heel erg van blij rond stuiteren. Teigetje is een beetje gek en altijd vrolijk. Hij heeft naar alle waarschijnlijkheid ADHD en een overdosis optimisme.

En hoe verleidelijk het voor een Teigetje ook is om zo’n Iejoor proberen op te vrolijken, het devies is: doe het niet! Trap niet in die val want je kunt andermans stemming niet veranderen. Het tegendeel is waar: bloedzuigers worden doorgaans juist minder stellig in hun negatieve uitspraken als ze voelen dat de ander hun uitgangspunt erkent in plaats van aanvalt of weg redeneert.

Als ik dit advies van Gretchen lees, beleef ik een waar Aha-moment. Want ik heb inderdaad precies dezelfde ervaringen. Als ik wel eens per toeval een geluks-bloedzuiger tegenkom, kan ik het scenario al uittekenen:

Bloedzuiger: kijkt met permanent gefronste wenkbrauwen de wereld in, mondhoeken staan naar beneden, gepijnigde blik op zijn gezicht.

Ik, zo jolig en energiek mogelijk: “Héé, hallóóó! En, hoe is t’ie?”, met glimlach van oor tot oor.

Bloedzuiger (nauwelijks verstaanbaar en zonder ook maar een spier te vertrekken): “Niet zo goed.”

Ik, in ware cheerleader stand: “O…, jóh! Nou, dat zal toch wel allemaal meevallen, niet? Moet je zien wat een heerlijk weer het is, lekker hè, zo buiten?”

Bloedzuiger: “Ik haat het als het zo warm is. Het felle licht doet me pijn aan mijn ogen. Ik zweet om niks. Ik ben blij als het eindelijk afkoelt. Geef mij maar regen.”

Ik, nu ietwat geforceerd: “Ha, ha! Grappig! Nee maar even serieus, zalig dat het nu zo lang licht is, niet? Kun je nog lekker veel doen buiten! Even terrasje pikken, een eind gaan fietsen of wat rommelen in de tuin. Aaah…” (zucht van tevredenheid), “niks mooier dan een lange zomeravond, vind je niet?”

Bloedzuiger: “Ik kan niet slapen als het niet donker is. Daardoor word ik nog vermoeider als ik al was. Ik word ook altijd gestoken door muggen. Daarom zul je mij niet buiten zien als het avond wordt, voor geen goud! Kan niet wachten totdat de klok weer terug gaat en alles weer normaler wordt. Ik vind sowieso dat zomer altijd overschat wordt. Ik snap niet wat jij er aan vindt. Ik haat de zomer.”

Ik, uit het veld geslagen: “Euh…” Gebeurt niet zo vaak, maar dan kan ik zelfs soms geen woorden meer vinden. In mijn pogingen dit soort bloedzuigers te overtuigen optimistisch in het leven te staan, blijf ik er tegen in gaan. Fout, fout, helemaal fout.

Onze Gretchen ontwaarde ook al dit patroon. Teigetjes steken juist hun überpositivo kopjes op in reactie op Iejoors en andersom. Mensen die nadrukkelijk positief zijn ingesteld en mensen die nadrukkelijk negatief zijn ingesteld polariseren elkaar. Als een Teigetje een Iejoor tegenkomt, wordt de eerste nóg dwingender opgewekt en laatstgenoemde nóg negatiever. Zo proberen ze elkaars invloed te neutraliseren maar ondertussen putten ze elkaar compleet uit. Met ieder vrolijk uitgesproken “Kop op! Het zal echt niet zo erg zijn!”, zakt de ander verder weg in zijn eigen loopgraaf vol met ellende.

Deze patstelling kun je alleen doorbreken door de gevoelens van de ander te erkennen zonder deze te corrigeren of te ontkennen. Hierdoor zal de spanning verminderen.

Mijn advies aan alle Teigetjes? Geef de strijd op en accepteer dat je de ander niet zult kunnen bekeren.

En misschien, héél misschien, zal Iejoor zijn kop dan ietsie pietsie minder laten hangen.

© Pascale Bruinen

Vakantieherinneringen (3)

De tijd: ergens begin jaren tachtig van de vorige eeuw. De plaats: een Novotel, ergens in het midden van Frankrijk.

Mijn vader, bon vivant en lekkerbek pur sang, heeft de gewoonte om nogal wat Franse kazen te verschalken als dessert. Dit tot grote ergernis van mama, die zich steevast schaamt omdat ze vindt dat hij te veel van deze hartige hapjes opeet. Na de zoveelste discussie is hij het zat. Om zeker te weten wat de etiquette in deze nu precies voorschrijft, besluit hij aan een Franse ober advies te vragen over hoeveel hij nu echt mag kiezen van zo’n kaasplateau. Het antwoord? “Tant que vous voulez, monsieur!” (Zoveel als u maar wilt, meneer!).

Dat is natuurlijk niet aan dovemansoren gezegd. En dus bestelt hij de eerstvolgende keer op vakantie in Frankrijk met enig gevoel van triomf weer het kaasplateau en… ja hoor, de ober is zo onverstandig het ook nu weer onbeheerd op tafel achter te laten. Papa doet zich dan ook zonder enige schuldgevoel tegoed aan het ene na het andere heerlijk stukje fromage. Als hij eindelijk klaar is liggen nog zegge en schrijve anderhalf schijfje Brie, drie walnoten en zes (= alle!) druiven op de chique etagère.

Papa roept de ober voor de rekening. Als de garçon onze tafel nadert zie ik hem van kleur verschieten. Hij kijkt nadrukkelijk naar het bijna leeggeplunderde plateau, neemt het sierlijk bij het zilveren stangetje in zijn hand en draait het – demonstratief en extra langzaam – pal voor paps neus in de rondte. Ik zie dat dit schouwspel ook de aandacht trekt van de andere gasten in de eetzaal.

Mama’s gezicht staat op onweer. Ze heeft grote rode blossen op haar wangen en weet niet waar ze moet kijken. Het zou mij niet verbazen als papa’s scheenbeen nu ieder moment kan worden geraakt door een welgemikte trap van onder het tafelkleed. Ondertussen zit papa er, indachtig het gegeven advies, zo te zien helemaal niet mee. Hij lijkt de onschuld zelve.

Een variant op dit kaasdrama is de keer dat we in een ander Novotel overnachten op weg naar onze eindbestemming in Spanje. We gaan ’s avonds dineren in het restaurant. Bij het gekozen menu hoort een dessertbuffet. Mama ziet de bui al weer hangen, kijkt pap waarschuwend aan en zegt dat hij zich dit keer in moet houden. Advies van Franse obers of niet,  maar een publiekelijke vernedering zoals die vorige keer trekt ze niet meer.

Tot ons beider verbazing gedraagt papa zich echter meer dan keurig. Zo neemt hij deze keer slechts twee bescheiden plakjes kaas en zelfs helemaal geen fruit.

Mama’s opluchting is dan ook groot maar duurt slechts tot in de gang naar de hotelkamer. Op dat moment zien we papa namelijk ineens schuddebuiken van het lachen. Omdat we het niet vertrouwen, vragen we hem enigszins achterdochtig wat er in hemelsnaam zo grappig is.

“Nou, dit hier!”, weet hij nog net hikkend uit te brengen.

En dan opent hij de palm van zijn hand zodat deze de verborgen inhoud ervan prijs geeft: een klokkenhuis van iets wat ooit een peer en een appel is geweest was en een heel stel druivenpitten…

© Pascale Bruinen

Kairos

Herken je dat? Dat je, naarmate je ouder wordt, steeds vaker op zoek gaat naar een concreet levensdoel? Dat je steeds meer “Zen” wordt naarmate je grotere verbanden gaat zien en dichterbij je “poolster”, oftewel je eigen ik, komt?

Die poolster heb ik geleend van Martha Beck, een Amerikaanse psychologe die al jaren een zeer succesvolle life coach is. Ik kwam haar op het spoor dankzij het maandelijkse artikel dat ze schrijft in O, het tijdschrift van Oprah Winfrey.Tijdens het lezen werd ik telkens overmand door een sterk Aha Erlebnis. Zij weet als geen ander complexe psychologische fenomenen met een gezonde portie humor en wijsheid te vertalen naar begrijpelijke en o zo praktische tips voor alledag.

Martha Beck bleek bij nader onderzoek (lees: na googlen) ook auteur te zijn van een aantal bestsellers. Haar boek, Expecting Adam, over de periode dat ze zwanger bleek van een zoontje met Down-syndroom, betekende haar grote doorbraak. Hierin beschrijft ze op ontroerende, authentieke en humorvolle wijze haar eigen worsteling met het idee dat ze geen “perfect” kind op de wereld zal zetten.

Maar het boek gaat vooral over haar ontdekking dat Adam zo ontzettend puur blijkt te kunnen genieten van de “kleine” dingen die wij vanzelfsprekend vinden. Een ontdekking die haar hele bestaan op de kop zal zetten, omdat ze daardoor leert dat zij verkeerde keuzes in haar leven heeft gemaakt. Zo besluit ze abrupt te stoppen met de academische carrière die haar zo ongelukkig maakt en gaat ze eindelijk datgene doen waar haar hart ligt en waar ze zo goed in is: mensen helpen het beste uit hun leven te halen.

Nadat ik haar boek in één ruk uit had gelezen, hunkerde ik naar meer. Dus bestelde ik ook haar andere boeken. Zo kwam ik “Finding your own North Star” op het spoor, het boek waarin ze de Poolster aanduidt als datgene wat ieders eigen lotsbestemming is.

Het goede nieuws: iedereen heeft een eigen poolster, die onveranderlijk aangeeft waar je naar toe moet als je gelukkig wilt worden. Je vindt hem door te doen wat je goed doet en wat jou plezier geeft.

Het slechte nieuws: niet iedereen kan hem altijd even duidelijk zien, bedekt als de lucht is met dichte mist (bij lieden die wel heel ver zijn afgedwaald), laaghangende bewolking (bij personen die wel al een vaag idee hebben van waar ze naar toe willen) of schapewolkjes (bij mensen die ontdekt hebben wat ze het liefst willen doen maar nog af en toe obstakels tegenkomen) die hem meer of minder aan het zicht onttrekken.

Hoe weet je nu wat jouw poolster is? Martha heeft daar 365 bladzijden voor nodig maar ik zal het hier noodgedwongen kort houden. Als er iets is waarin je je helemaal kunt verliezen als je ermee bezig bent, als je iets doet waardoor je geen besef van tijd meer hebt en je je daarbij helemaal happy, vrij en ontspannen voelt, dán is die activiteit jouw poolster.

Voor mij is dat schrijven, al duurde het dan wel een tijdje voordat ik dit ook door had. Achteraf gezien lag dat vooral aan het bewust negeren c.q. niet oppikken van allerhande signalen die mij al eerder op dit pad zouden hebben gebracht, tenminste als ik toen had gedurfd danwel daarvoor open had gestaan.

Natuurlijk geldt voor iedereen dat hoe eerder jij je poolster hebt gevonden, hoe beter het voor je is. Dat gaat zelfs zover dat je niet alleen ongelukkig, maar zelfs letterlijk (lichamelijk of geestelijk) ziek kunt worden als je te ver van jezelf af bent gedreven. En daar komt weer een andere term om de hoek kijken. Nee, dit keer geen van Martha, maar eentje die ik – hoe banaal – stiekem uit het Inflight Magazine van Ryanair heb gescheurd (dat doe ik anders nóóit).

Dit ieniemienie stukje tekst ging over prachtige Griekse woorden waarvoor geen goed Engels equivalent bestaat. Zoals Meraki, iets met liefde doen vanuit je ziel waarbij je een stuk van jezelf erin investeert; Eudaimonia, het begrip dat je eigen geluk rechtstreeks voortkomt uit zoveel mogelijk mensen helpen (dit is dus wat Martha al langer door heeft én wat haar geen windeieren legt); Filotimo, respecteren en eren van je vrienden en Kairos, de juiste tijd in je leven om iets te doen.

Vooral deze laatste term intrigeert me. Ik heb namelijk sterk het idee dat het voor mij, dankzij Meraki, nu Kairos is. 

Het artistieke bewijs daarvan heb je net gelezen.

© Pascale Bruinen

Enkeltje Mars, anyone?

Maar liefst 200.000 mensen hebben zich naar verluidt tot dusverre wereldwijd aangemeld voor een enkeltje Mars. Ze reizen allen zonder retourticket want terugkeren naar Moeder Aarde is onmogelijk, of ze zouden ter plekke zelf een raketbasis moeten gaan bouwen.

Bij mij borrelt meteen de vraag op wat die duizenden personen in hemelsnaam bezielt om onze prachtige planeet voorgoed de rug toe te keren. In de krant lees ik dat het zou gaan om individuen die hier “alles al gezien hebben” of die “de mensheid echt willen leren kennen”. Deze toelichting schept bij mij echter alleen maar meer verwarring.

Want waarom zou je – op aarde alles al gezien hebbende – ruim 250 dagen met drie anderen opgepropt in een ruimtesonde onderweg gaan naar die ijskoude rode planeet? Volgens de stichting die het allemaal mogelijk maakt, Mars One, moeten de avonturiers namelijk de nodige ontberingen ondergaan.

Zo is het tijdens deze ellenlange reis onmogelijk om te douchen. In plaats daarvan zullen de astronauten zich moeten behelpen met van die natte doekjes zoals ze kennelijk ook doen in het internationale ruimtestation. Een lekkere steak met frietjes kunnen ze ook vergeten, want gevriesdroogd en ingeblikt voedsel zal hun lot zijn. De ventilatoren, computers en diverse technische systemen die de astronauten in leven moeten houden, zullen voortdurend geluid maken. Bovendien moeten ze maar liefst drie uur per dag verplicht oefeningen doen om hun spiermassa in stand te houden.

En ik maar denken dat een 12 uurs non-stop vlucht naar Los Angeles met van die opgewarmde magnetron maaltijden al afzien is.

Dit laat me trouwens denken aan dat liedje van The Rah Band, getiteld “Clouds across the moon”. Een vrouw probeert om via de intergalactic operator contact te houden met haar man op Mars. Door “violent storm conditions in the asteriod belt” vervalt de verbinding. Waarop de vrouw zegt: “I‘ll try again next year…next year…next year….“. Zoiets zal het daar wellicht ook worden. Had die band in 1985 toch al een vooruitziende blik.

En hoezo kun je je medemensen op deze aardbol pas doorgronden nadat je zo’n slordige 60 tot 380 miljoen kilometer, afhankelijk van de positie van Mars en de Aarde ten opzichte van de zon, hebt afgelegd? Volgens mij kun je evenveel mensenkennis opdoen door naar alle afleveringen van Utopia te kijken, gewoon vanaf je eigen vertrouwde en o zo veilige bank.

Nieuwsgierig geworden naar de “sollicitatiecriteria”, neus ik rond op internet. Op http://www.scientias.nl vind ik de volgende voorwaarden: “Wie in aanmerking wil komen voor een reis naar Mars moet zeker achttien jaar oud zijn, in staat zijn om gezonde relaties op te bouwen en te onderhouden, anderen kunnen vertrouwen, nieuwsgierig en creatief zijn. Ook is het zeer belangrijk dat u kunt reflecteren op uw eigen gedrag, een zogenoemde ‘Can do!’-houding heeft, flexibel bent, uw grenzen kent en weet wanneer het geoorloofd is deze te overschrijden”.

Ik realiseer me met een schok dat ik al deze hokjes zélf kan afvinken. Ik ben immers dit jaar vijftig geworden, heb al vijftien jaar dezelfde man, vertrouw op mijn familie en vrienden, heb een zeer brede belangstelling en ben ook nog schrijfster, een creatief vak bij uitstek. Verder denk ik voortdurend na over wat ik allemaal doe, pak ik alles met het nodige optimisme aan, kan ik me goed aanpassen en weet ik als officier van justitie natuurlijk als geen ander wanneer het geoorloofd is grenzen te overschrijden. Ik ben, kortom, niet alleen een geschikte maar zelfs de gedroomde kandidate! Zij het dat de potentiële gegadigden inmiddels al bekend zijn.

Want na twee selectierondes zijn van die 200.000 mensen nog slechts 705 kandidaten over, waaronder drie Nederlanders. Op http://www.nos.nl stuit ik op een van de afvallers, ene Joshua. Hij omschrijft zijn wens om mee te dingen naar een enkeltje Mars als volgt: “Als klein jongetje was ik al met de ruimte bezig, het is alsof ik hier altijd naar toe heb gewerkt.” In reactie op het gegeven dat hij, eenmaal daar, niet meer terug kan en zijn familie dus nooit meer zal zien, zegt onze Joshua: “Het zal in het begin moeilijk zijn. Niks persoonlijks, maar ik kan de knop omdraaien en mijn familie en vrienden gewoon vergeten. Mijn moeder vindt het rot, maar ze beseft wel dat ik dan mijn grootste droom heb waargemaakt.”

Een toonbeeld van diplomatie, die Joshua. En, niks persoonlijks Joshua, maar hoogstwaarschijnlijk is jouw tactvolle manier van optreden ook de reden dat jij nu toch verplicht bij je familie en vrienden op aarde moet blijven. Ik hoop voor jou dat zij dit hele interview “gewoon vergeten”.

In 2024 moet de eerste bemanning van vier personen vertrekken naar Mars. Eenmaal daar aangekomen, zullen die mogelijk hun intrek moeten nemen in iets dat nog het meest lijkt op een enorme zilverkleurige vingerhoed. Per persoon hebben de pioniers ruim vijftig vierkante meter ruimte. In de vingerhoed bevindt zich een opblaasbare component met een slaapkamer, werkruimte, een woonkamer en een soort moestuintje. Naar verluidt kunnen de astronauten daar wel normaal douchen, vers voedsel bereiden en gewone kleren dragen. Alleen als ze naar buiten gaan, moeten ze een Mars pak aan.

Ik zie ineens ongekende marketingmogelijkheden opdoemen. Want hier ligt een nog onaangeboorde markt en 2024 is het nog lang niet.

Tijd zat dus voor Roy Donders om een spacy versie van zijn oranje juichpak te maken.

Want ik vond zijn kwaliteiten als stylist altijd al buitenaards.

© Pascale Bruinen

Hulp in de huishouding

Jaren geleden had ik een fantastische hulp in de huishouding die eigenlijk meer vriendin was dan wat anders. Bij haar wist je zeker dat je met een gerust hart de deur achter je dicht kon trekken. Zij was er zo een die precies wist hoe je het wilde zonder dat je iets hoefde te zeggen. Koffiedrinken vond ze eigenlijk maar een vervelende onderbreking van haar noeste arbeid. En áls ze al even ging zitten, zat ik er graag bij want dan was het ook echt gezellig.

Helaas heeft ze op een gegeven moment vanwege problemen met haar arm ander werk moeten kiezen. Sindsdien raas ik zelf als een tornado door het huis.

Niet dat ik geen andere hulp heb geprobeerd. Na een tip van een kennis (“Ze is echt aan te raden en is van nette komaf!”) besluit ik het te proberen. Omdat ik van nature wel enigszins wantrouwend ben, dek ik me bij de potentiële kandidate in door – in flagrante strijd met de waarheid – iets vaags te roepen over rugklachten waardoor ik in eerste instantie misschien tijdelijk een poetshulp nodig heb. Dit met het idee dat als ze niet goed en betrouwbaar genoeg is, ik altijd nog kan zeggen dat ik ineens op miraculeuze wijze genezen ben. Een leugentje om bestwil moet per slot van rekening kunnen.

Ik besluit de eerste keer de hele tijd erbij te blijven want ik laat een nieuwkomer natuurlijk niet meteen aan haar lot over. De hulp in kwestie blijkt bij binnenkomst al aardig op leeftijd. Monter houd ik mezelf voor dat dit nog niks zegt. Vriendelijk nodig ik haar uit te gaan zitten voor een kort kennismakingspraatje.

Als ik tien minuten later al volledig op de hoogte ben van de niet geringe problemen van haar kennelijk asociale buren kan ik me wel voor mijn kop slaan. Maar eerlijk is eerlijk, wie weet wat ze voor poetswonder is want ik heb haar nog niet in actie gezien. Na een korte toer door het huis en wat instructies van mijn kant gaat ze aan de slag.

Nou ben ik zo’n neurotisch type dat ik geen rustig moment heb als mijn hulp voor mij aan het werk is. Ik voel me niet alleen niet vrij in mijn eigen huis maar, erger nog, ik heb evenmin de rust om iets voor mezelf te doen. Zo kán ik bijvoorbeeld niet met een boek gaan zitten en – zonder ook maar op te kijken – mijn benen even van de vloer doen als de hulp om mij heen aan het stofzuigen is. Zo van: kijk mij hier decadent zitten niksen terwijl jij lekker al het werk doet.

Om te voorkomen dat ze denkt dat ik een aartslui en super verwend nest ben, zorg ik er dus voor dat ik voortdurend binnen haar gezichtsveld druk bezig ben met precies dezelfde dingen waarvoor ik haar toch niet verkeerd betaal.

Op een gegeven moment ben ik in de woonkamer in sneltreinvaart het dressoir aan het afstoffen als ik een gepuf, gekreun en gesteun hoor dat nog het meeste lijkt op een vrouw in barensnood die bezig is met de allerlaatste persweeën. Verbaasd kijk ik op, alleen maar om te constateren dat het mijn kennelijk zeer kortademige hulp is die in slow motion een keukenkastje sopt. Gealarmeerd loop ik in haar richting, onderwijl koortsachtig proberend om me te herinneren hoe ik ook alweer moet reanimeren. Maar nee, er blijkt niks ernstigs aan de hand.

Mijn nieuwe hulp is zo langzaam dat ik haar taken al af heb op het moment dat zij de stofzuiger nog moet uithalen. Ik heb mijn min of meer knarsentandend gedane aanbod koffie te zetten nog niet uitgesproken of ze zit – met een snelheid die duidelijk omgekeerd evenredig is aan haar poetstempo – al buiten in het zonnetje, wachtend op het moment dat ze door mij bediend zal worden. Na ruim een kwartier vind ik het welletjes, vooral omdat ze onophoudelijk aan het woord is en het daardoor nogal begint op te vallen dat ze een irritant nasaal stemgeluid heeft.

Hoewel ik demonstratief kopjes en schoteltjes naar binnen begin te brengen is ook dat voor haar nog onvoldoende aansporing weer te beginnen. Pas als ze na een aantal minuten ziet dat ik niet meer naar buiten kom, gaat ze met veel gehijg, ge-oei-oei en demonstratief gestrek van haar rug weer aan het werk.

Als ik haar vraag om verder te gaan met dweilen, krijg ik als antwoord dat dit niet goed is voor de vloer. Als ik haar uitleg dat mijn vloer deze behandeling al jaren zonder noemenswaardige schade doorstaat én ik uit oogpunt van hygiëne echt wil dat gedweild wordt, houdt ze stug vol dat het toch beter is van niet.

Ik voel mijn geduld in rap tempo op raken en kan maar ternauwernood de neiging onderdrukken om de hele onderverdieping stante pede zelf te gaan dweilen. Als ik mijn verzoek (ditmaal met opeen geperste kaken) herhaal, zie ik haar hoofdschuddend naar de kraan lopen. Als ik haar even later steels observeer, dweilt ze de woonkamervloer met een gezicht waar de afkeuring van af spat en hoor ik haar in zichzelf mompelen. Ik spits mijn oren en meen iets op te vangen als “eigenwijs” en “die moderne vrouwen”, maar zeker weet ik het niet.

Als haar tijd er eindelijk op zit, is ze aan de bovenverdieping niet eens toegekomen. Als ik naar mijn hoogglans keukenkastjes gluur, zie ik overal nog strepen en vingers erop. Spullen die ze heeft weggepakt om onder protest te kunnen dweilen, blijken (met opzet?) niet te zijn teruggezet.

Mijn opluchting is dan ook onbeschrijflijk als ik, na haar geforceerd glimlachend te hebben uitgezwaaid, de deur achter haar dicht kan doen. Ik maak zelfs een heus vreugdesprongetje. Daarna tackel ik mijn keukenkastjes, zet alles terug op zijn plek en poets ik de hele bovenverdieping in de tijd dat zij waarschijnlijk nog niet eens terug thuis is aangekomen.

Na een paar dagen bel ik haar op met de mededeling dat er nog net geen medisch wonder is gebeurd omdat mijn rugklachten kort na haar poestbeurt ineens zijn verdwenen. Als doekje voor het bloeden veins ik nog op vakkundige wijze de nodige teleurstelling, waarna ik inwendig juichend de verbinding verbreek.

Zelf je huis mogen poetsen zou een grondrecht moeten zijn.

© Pascale Bruinen

Wake up and smell the roses

Ik voel geregeld de dringende behoefte om me onder te dompelen in het geurende groen van een bos, me te verliezen in het bewonderen van glooiende heuvels of – op vakantie – eindeloos te wandelen langs de branding.

Het is een oerdrang waar ik maar al te graag aan toegeef. Ik kan nog zo veel stress hebben, zodra ik buiten ben en mijn aandacht focus op een bloem in de berm, een koe in een sappig groene wei of een merel op een boomtak voel ik me tot rust komen.

Ik neem de uitdrukking Wake up and smell the roses letterlijk; als ik ’s ochtends vroeg langs een rozenstruik loop, móet ik gewoon even stoppen en aan een van de bloemen ruiken. Vroeger zou ik dat waarschijnlijk niet gedurfd hebben, bang als ik was dat degenen die dit zouden zien me voor gek of toch minstens een tikje excentriek zouden verslijten. Nu ik heb geleerd om meer te leven in het moment ben ik alle schaamte voorbij en geef ik me met een gerust gemoed over aan deze olfactorische geneugte.

Ik voel me gesterkt in deze gewoonte als ik lees dat nu ook wetenschappelijk bewezen is dat je temidden van natuur sneller geneest. Zo concludeert sociologe Jolanda Maas in haar proefschrift getiteld “Vitamin G: Green environments-Healthy environments” dat mensen die in een groene omgeving wonen zich niet alleen gezonder voelen maar het feitelijk ook zijn. Haar onderzoek wijst uit dat deze mensen minder vaak naar de huisarts gaan, minder last hebben van depressie en gemakkelijker herstellen van stress.

De natuur heeft dus een positief effect op onze fysieke gesteldheid. Zo bleek in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer (what’s in a name!) meer groen – van 30% naar 40% – tot minder sterfte per jaar te leiden.

Maar er zou ook bewijs zijn voor de stelling dat patiënten die uitkijken op een groene omgeving sneller genezen en dus eerder ontslagen worden uit het ziekenhuis dan de stakkers die bijvoorbeeld slechts zicht hebben op een parkeerplaats. Nu ook in de gezondheidszorg duidelijk wordt dat natuur geld kan besparen, zijn zorgverzekeraars plotsklaps ook in alles wat groeit en bloeit geïnteresseerd. Zo stort Menzis 25 euro van elke afgesloten polis in het fonds van Natuurmonumenten.

Ik bevind me in de gelukkige omstandigheid dat ik een eigen tuin heb in een groene woonwijk. In mijn vrije tijd ga ik graag naar buiten om alle mogelijke soorten groen op te zoeken. Op vakantie is het extra genieten van fantastische natuurgebieden en exotische vegetatie met de wonderbaarlijkste geuren en kleuren. Dat geeft een enorme boost. Maar ik kan evengoed genieten van het stadspark, zo’n typische holle weg of van een eenzame klaproos in de berm.

Als je zelf de natuur niet (meer) kunt opzoeken, is het zaak dat de natuur jou een bezoek brengt. Dus omring je met bomen, planten en bloemen. Als je geen eigen tuin hebt, zorg dan dat je uitkijkt op andermans tuin, op een openbare groenvoorziening of voor mijn part op een met klimop begroeide muur. Kies kussenslopen, bedspreien en tafellakens met natuurtaferelen. Gebruik een prachtig begroeid berglandschap, een ongerepte steppe of een zo-groen-dat-het-pijn-doet-aan-je-ogen jungle als screensaver. En als je man of vrouw het niet voor je doet, koop dan in ieder geval geregeld eens een bloemetje voor jezelf.

Natuur heelt, ook al is het een slap aftreksel van het echte werk.

© Pascale Bruinen

De Sandwichgeneratie (2)

Als lid van de sandwichgeneratie, de generatie van veertig- tot zestigjarigen die zowel voor hun opgroeiende kinderen als voor hun vader en moeder die beginnen te kwakkelen moeten zorgen, maak ik als geen ander kennis met onze ouderen.

En zij met mij.

Ongemakkelijk ingeklemd liggend op dat broodje mag je je niet alleen verheugen op jarenlang puberleed, maar ook op het in- en uitlopen van verzorgings- of verpleegtehuizen en geregelde bezoekjes met je ouders aan de huisarts, vrijwel alle specialismen in het ziekenhuis, de hoorapparatenspecialist, de opticiën, de fysiotherapeut, de eerste hart hulp, de apotheek, de gemeente (voor alle papierrompslomp) en niet te vergeten MediReva. Je weet wel, die supertrendy, oergezellige zaak waar je allerlei kekke medische hulpmiddelen in de friste kleurtjes kunt scoren, namelijk vijftig tinten grijs.

Gelukkig zijn er ook bedrijven die die duffe en truttige rollators en scootmobielen kunnen leveren in fuchsiaroze, lichtgroen of pastelblauw. Of in een vrolijke print met bloemetjes, vogeltjes of polkadots. Neem gerust eens een kijkje op http://www.pimpmyrollator.nl. Niet dat ik persoonlijk ooit ook maar één oudere heb gezien die was uitgerust met een rollator met zebrastrepen.

Grote vraag is waarom niet. Omdat we Nederlanders zijn, heb ik een vaag vermoeden dat het wel weer over geld zal gaan. Of misschien willen onze ouderen juist graag met acuut depressief stemmende hulpmiddelen door het verzorgingstehuis strompelen omdat ze graag klagen en zo’n vreselijk grijze rollator nu eenmaal veel medelijden oproept.

Ook de rest van de standaarduitrusting van veel vijfenzeventigplussers, te weten een stok, een rolstoel of desnoods een zuurstoffles, zou zo verfraaid kunnen worden. En, nu ik toch bezig ben, laten we dan ook ein-de-lijk die steunkousen eens aanpassen. Want wáárom zie ik die bij ouderen toch altijd in zo’n schijtkleur beige terwijl er wel degelijk steunkousen zijn die van een vrolijker dessin zijn voorzien? Jahaa, er zijn zelfs steunkousen met hartjes, schaakbordmotief of witte sterren.

Vervolgens zou je die hulpmiddelen, afhankelijk van of er wel of niet is gefraudeerd met je persoonsgebondenbudget, nog verder kunnen versieren. Zo zou de oudere naar believen allerlei gadgets kunnen toevoegen. Zoals daar zijn: een houder met minstens vijfentwintig verschillende vakjes voor de dagelijkse dosis medicijnen, een gezellige kralen- of schelpenketting om die lelijke alarmknop aan te hangen en een handig plastic mapje – uiteraard gestyled door Maik de Boer – om in geval van nood het kunstgebit in op te bergen.

Cool, toch?

Dit is allemaal leuk en aardig, maar mijn ervaring als sandwichdeskundige leert me ook dat er bij 99,9% van de dames in verzorgingshuizen ook wel een haar make-over plaats zou mogen vinden. Wat zeg ik, een haarrrevolutie. Die één tiende procent bij wie dit niet hoeft, is mijn moeder. Zij gaat zo ongeveer vanaf het moment dat ze uit de luiers was eenmaal per week (!) naar de kapper (daar gaat mijn erfenis) en laat haar haren tot op de dag van vandaag nog steeds  in een ernstig verjongend zwart verven.

Dat zij zonder overdrijven zowat de enige is in het verzorgingshuis die niet wit/grijs/paars haar heeft, bleek onlangs nog toen er iets te doen was en de regionale krant een foto had geplaatst die van bovenaf was genomen in de grote hal waar iedereen naast elkaar zat. In de zee van grijze hoofden zag ik welgeteld één zwarte kruin. Ra ra wie dat was.

Maar ze heeft groot gelijk. Waarom zou je, alleen omdat je ineens bijna vijfentachtig bent, zo’n saaie, nietszeggende, oudmakende haarkleur willen hebben? Het leven is de moeite waard om tot het aller-, allerlaatste moment zo goed mogelijk te worden geleefd. Zo goed mogelijk uitzien, je haar verven en leuke kleren aan kan heus ook op gevorderde leeftijd. Ik zou niet weten waarom niet.

Stel je toch eens voor wat een fris kleurtje op al die ongezellige maar noodzakelijke hulpmiddelen én in de haarcoupes voor onmiddellijk effect zou sorteren in de samenleving. Al die blonde, rood-, bruin- of zwartharig geverfde hangouderen die buiten samenscholen met zuurstokroze of pimpelpaarse steunkousen in van die hippe, vette wagentjes of ondersteund door een stok met zonnebloem- of kolibrieprint. Nog wat strakke, gekleurde brilmonturen erbij in plaats van die ouderwetse goudomrande en…voilà, je zou je bijna gaan verheugen op je oude dag! Hoe cool is dat?

Ouderen zijn ondertussen dankzij de vergrijzing big business geworden. Er valt immers veel geld aan ze te verdienen. Verzorgingshuizen puilen uit. Nu ik daar ook geregeld kom, valt me op dat er nog steeds veel te veel betutteling van ouderen plaatsvindt. Zo sluit het gezellige restaurant met zitgedeelte om 19.30 uur (!). Als je daarna als oudere nog gezellig met je vrienden verder wilt borrelen onder het genot van wat onschuldige bitterballen, zul je je heil toch echt ergens anders moeten gaan zoeken.

Voor slimme ouderen is het gemiddelde verzorgingshuis helemaal een ramp. Die moeten het ineens doen met kienen of bingo als intellectueel hoogtepunt van de week. Alsof je, alleen omdat je ver boven de zeventig bent, ineens ook dommer bent geworden.

Let wel, ik misgun niemand zijn pleziertjes. Een halve haan winnen alleen maar omdat je als eerste alle omgeroepen getallen op je kaart hebt weggestreept kán heel leuk en opwindend zijn. Maar waarom wordt er standaard van uitgegaan dat mensen hun normale interesses die ze hadden toen ze jonger waren, verliezen als ze ouder worden?

Wat ik heb geleerd door regelmatig om te gaan met ouderen, is juist dat ze precies hetzelfde blijven. Mensen die vroeger graag de bloemetjes buiten zetten, vaak uit gingen en lol trapten, doen dit op gevorderde leeftijd ook nog het liefst. Ze mogen dan misschien wel gerimpeld zijn, die ondeugende twinkeling in hun ogen is er nog steeds.

Evenzo zijn degenen die als jongeren al een lang gezicht hadden, veel te vroeg achter de geraniums zijn gaan zitten en overal commentaar op hadden als ze oud en grijs zijn nog steeds niet geneigd voorop te gaan in de rollatorpolonaise.

Wie dat wel doet, is mijn moeder. Een nog steeds beeldschone, zwartharige diva die altijd positief blijft en zich graag amuseert. Een voorbeeld voor velen.

Fijne moederdag, mama.

© Pascale Bruinen

De sandwichgeneratie(1)

De Sandwichgeneratie (1)

Help! Ik word geplet tussen mijn verantwoordelijkheden. Enerzijds voor mijn jongvolwassen kinderen en anderzijds voor mijn moeder op leeftijd. Alledrie benodigen ze zorg, aandacht en liefde.

In mijn levensfase, (nipt!) 50 plus, hoort het er kennelijk bij om voortdurend in deze  ongemakkelijke, soms zelfs pijnlijke spagaat te verkeren. Want net als je denkt dat je het ergste puberleed wel gehad hebt en eindelijk meer quality time voor jezelf krijgt, breekt de tijd aan dat je ouders steeds minder zelfstandig kunnen.

Wij zijn de sandwichgeneratie, volgens http://www.encyclo.nl de “generatie van mensen tussen de 40 en de 60 jaar die ingeklemd zit tussen opgroeiende kinderen en ouders die gaan kwakkelen”.

Voorwaar geen sinecure als je bedenkt dat daarnaast juist door deze 40- tot 60-jarigen vaak ook nog buitenshuis moet worden gewerkt (soms met een behoorlijke stressbaan) en binnenshuis moet worden gepoetst, gewassen en gekookt. En, o ja, je wilt ook nog leuke dingen doen met je lief, op vakantie gaan (liefst meerdere keren per jaar), je sociale contacten onderhouden (al was het maar om steen en been te klagen over alles wat op je bordje ligt want waar zijn al die vriendinnen anders voor) en zeker twee maar liever nog drie keer per week naar de sportschool.

Want je mag dan wel ingeklemd zitten, dat betekent nog niet dat je ook nog overgewicht, een conditie van een 100-jarige of van die blubberarmen wilt hebben. Je zult toch maar net die ene knappe vrijwilliger van onder de veertig in het verzorgingshuis tegen het mooie lijf lopen,  je hoogbejaarde vader begeleiden naar die jonge, zeer appetijtelijke geriater of met je moeder meegaan naar het incontinentiespreekuur van die sexy uroloog. Dan wil je zelf toch zo fit, slank en strak mogelijk voor de dag komen (al heb je wel het voordeel dat je dit al snel lijkt naast iemand die minimaal twintig jaar ouder is).

Als trots lid van de sandwichgeneratie blus ik het ene moment het zoveelste puberbrandje om het volgende ogenblik met groot materieel uit te rukken voor een crisissituatie bij mijn moeder op leeftijd want haar iPad “doet weer zo raar”.

De laatste jaren zijn H. en ik onder andere ingezet als respectievelijk koerier (hoogstpersoonlijk een belangrijke brief afgeven bij de gemeente uit angst dat die anders niet op de juiste plek zou aankomen), klusjesman (de slang van de verplaatsbare airco was er uit gevallen), en bezorgservice (boodschappen en medicijnen afleveren aan huis).

Een paar jaar geleden zijn mijn ouders verhuisd naar een mooi appartement in een verzorgingshuis. Als rechtgeaarde sandwichers moesten H. en ik uiteraard ook ons steentje hieraan bijdragen.

De organisatie rondom hun verhuizing was grofweg vergelijkbaar met die van de onlangs in Nederland gehouden internationale nucleaire top NSS. Maanden van tevoren werd begonnen met de voorbereiding. Dat wil zeggen: mijn vader deelde aan iedereen orders uit die stelselmatig werden genegeerd en mijn moeder keek vooral veel en vaak met een vertwijfelde blik om zich heen naar alles wat (vooral door haar) in de loop van járen was verzameld.

Zo had de garage van mijn ouderlijk huis meer weg van een lokale vestiging van de Mediamarkt door alle overbodige en overtollige elektrische apparaten die daar bij elkaar op ettelijke planken stonden te verstoffen. Dat wafelijzer van de reclame waarmee geen enkele van die zoete lekkernijen was gebakken. Die must have krulset die nooit was ontmaagd. Of de vijfde grill die nimmer daglicht heeft mogen aanschouwen.

Maar het ergste waren de kleren, schoenen, tassen, sjaaltjes en kilo’s sieraden (helaas niet van edelmetalen) van mama (je ziet, ik heb het van geen vreemde). Op een dag ga ik als dochter annex verhuizer annex sandwicher mama helpen om orde in deze chaos te scheppen. Dit met het idee dat het wiskundig onmogelijk is om alles mee te nemen naar haar volgende woning. Om te voorkomen dat we veel te veel gaan verhuizen alleen maar om het straks in het nieuwe appartement te moeten wegdoen, ben ik aangetreden.

Staand temidden van een onoverzienbare stapel winterjassen wijs ik haar streng doch rechtvaardig op het gegeven dat zeker een op de vier stuks (eigenlijk drie op de vier maar ja, het is je moeder hè?) weg moet. Ik zie dat ze van deze mededeling in shock is.

“Ja maar die heb ik nodig voor als het echt koud is. En deze, die doe ik niet weg. Nooit!”

Ik, hoopvol wijzend op een andere jas: “Maar die is toch niet meer zo leuk, nietwaar? Die doen we in de doos voor de kledingbak”.

“Nééééé…..! Die zéker niet!”. Om hem vervolgens, net als de zeven andere, liefdevol in te pakken in de verhuisdoos.

Nodeloos te zeggen dat dit met al de rest van de spullen ook zo is gegaan, mijn ferme taal ten spijt. En zo komt het dat op het einde van D-Day, de dag van hun verhuizing, niemand in hun mooie nieuwe appartement zich meer voor- of achteruit kan bewegen tussen de overal tot aan het plafond opgestapelde verhuisdozen.

Ik weet het, ik weet het, ik ben een watje. Ik mag dan wel officier van justitie zijn die nota bene de respectabele leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt, maar in aanwezigheid van mijn moeder voel ik me in no time weer een kleuter van vijf.

Ik zie het maar als gratis regressietherapie.

© Pascale Bruinen

sandwichgeneratie (1) 2e

Just say hello!

Shall we make a new rule of life…always try to be a little kinder than necessary?”

Deze passage wordt aangehaald in het ontroerende boek “Wonder“, van R.J. Palacio. “Wonder” gaat over het leven van een jongen die met een mismaakt gezicht ter wereld is gekomen, hoe hij daarmee wordt gepest maar uiteindelijk leert zichzelf te accepteren zoals hij is.  Het even mooie als simpele citaat is van J.M. Barrie die erover schreef in “The Little White Bird” (bij velen van jullie beter bekend onder de naam “Peter Pan”).

Ik vind het een prachtig voorstel. Hoe zou je gezinsleven, je werkomgeving, je straat, je dorp, je stad, je regio, je land, ja hoe zou de hele wereld er uit komen te zien als iedereen zou proberen om voortaan iets aardiger dan nodig te zijn?

Grote kans dat ik werkeloos zou worden want in zo’n samenleving zouden waarschijnlijk nog maar weinig strafbare feiten worden gepleegd. Huiselijk geweld zou tot het verleden behoren. Langslepende burenruzies waar men elkaar over en weer bespiedt met camera’s sterven uit. En niemand, maar dan ook niemand zou het nog in zijn hoofd halen om een juwelier te beroven.

Mensen die je toevallig passeert op straat vriendelijk groeten, een onbekende een welgemeend complimentje geven of à l’improviste een praatje maken met degene die voor je in de rij staat bij de bakker zijn ook voorbeelden van iets aardiger zijn dan nodig.

De eerste keer dat ik word geconfronteerd met overrompelende vriendelijkheid van wildvreemden is niet in Nederland maar in de Verenigde Staten. Als ik in de jaren tachtig  het land voor de eerste keer bezoek, ben ik verbijsterd over de bejegening. Gewend als ik dan ben aan nurks kijkende verkopers, over het paard getilde obers en caissières die het drukker hebben met hun eigen sores dan met het welzijn van hun klanten, weet ik niet wat me overkomt. Bijvoorbeeld als ik bij de kassa van een mega supermarkt kom.

Well hello! And how are yóu today?” De jongedame achter de kassa zingt het meer dan dat ze het zegt en geeft me een stralende glimlach met van die helderwitte tanden die zo in een reclame voor Colgate kunnen figureren. In eerste instantie denk ik dat ze het tegen een bekende van haar zegt, maar na een snelle blik om me heen blijkt dat ze het toch echt tegen mij heeft. Goh, die vreemde mevrouw wil echt weten hoe het met me gaat!

Oh! Oh, fine. Thank you. I have just arrived from Europe and now I’m pretty jetlagged. It’s my first time in the States and I …”. Ik stop beschaamd als ik zie dat ze haar aandacht – zo’n beetje vanaf mijn bedankje – weer op de kassa heeft gericht en hoor dat ze beleefd maar geroutineerd het totaalbedrag dwars door de rest van mijn gebrabbel heen roept. Misschien wil ze toch niet écht weten hoe het me tot dusverre is vergaan. Maar vriendelijk is haar begroeting wel. En al is het ingegeven door commerciële motieven, ik weet wel dat ik dit duizend keer liever heb dan te moeten kijken naar zo’n gezicht waar de dodelijke verveling van af straalt (om van die op en neer gaande kaken die kauwgom kauwen maar te zwijgen).

Dus al is het niet de bedoeling dat ik op zo’n begroeting meer antwoord dan “Prima, dank u. En met u?”, ik word er toch vrolijk van. Vriendelijkheid werkt aanstekelijk. Norsheid trouwens ook.

Amerikanen zijn ook heel goed in meteen contact leggen en complimentjes uitdelen. Ik spreek goed Engels maar zodra ik mijn mond opentrek, vragen ze steevast “So where are you from?”. Dat ze vervolgens denken dat mijn vaderland tegen Zweden zit aangeplakt of Kopenhagen onze hoofdstad is, maakt me niets uit. Het is lief dat ze het überhaupt vragen. En vervolgens raken we gezellig over ditjes en datjes in gesprek. Leuk. Of als ik in een kleurige kaftan aan dek van de cruiseboot dromerig over de reling kijk en de vrouw naast me zegt: “I just love those colors! They look so good on you!”. Wie wil dit nou niet horen?

Ik moet toegeven dat ik er ook aan heb moeten wennen. In het begin was ik zelfs een beetje wantrouwend als een onbekende me een compliment maakte. Zo van: ‘Wat mot je van me?”. “Wij” vinden dit al snel “overdreven” en “oppervlakkig”. Alsof “wij” altijd zo diepgaand zijn.

Ik vrees dat dit heel erg Nederlands is. “Wij” zijn van nature nu eenmaal een stuk afstandelijker, gieriger en zuurder dan Amerikanen (dit laatste misschien met uitzondering van good old Mark Rutte die immer schaterlachend door het leven gaat). Oud-Hollandse calvinistische spreekwoorden als “Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg” en “Als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje” zijn aan de bewoners van “God’s own country” niet besteed. Daar kun je doorgaans juist niet gek genoeg doen en is alles mogelijk.

Op het punt van klantvriendelijkheid, beleefdheid en ondernemersgeest kunnen we dus nog het een en ander van ze leren. De Amerikanen die ik heb ontmoet zijn zeer aimabel, behulpzaam en hoffelijk. Hun wellevendheid in contacten met medemensen maakt ze ontwapenend.

Daarom bij deze mijn oproep aan jullie om het ook een dag te proberen. Live on the wild side. Zég die passant eens vriendelijk gedag. Hóu die deur eens open voor de mevrouw die na jou komt. Gééf die collega of – als je een echte durfal bent – die wildvreemde eens een oprecht compliment. Het kost niks en betekent zo veel.

Just say hello!

Hoe moeilijk kan dat nou zijn?

© Pascale Bruinen

Just say hello! (2)

Voorbeeld van hoe het niet moet…

Just say hello!

Misschien een ideetje?