Wat ruist er door het struikgewas? (3)

Mijn eerste nacht in onze safaritent in het private game reserve is er een om nooit te vergeten. Ik ga pas liggen nadat ik alle beddengoed van ons mooie ledikant heb afgehaald om te controleren of zich geen zwarte mamba erin heeft verstopt. Het is zo’n klamme hitte dat ik bijna mijn bed uitdrijf. Airco is alleen nog maar een mooie droom.

Hoewel ik kapot moe ben van de lange reis en alle indrukken, kan ik de slaap niet vatten. Een megakoor van krekels brult zo luid als de motoren van de Formule 1. Ik vind het prachtig maar in plaats van dat het me in slaap wiegt, word ik er alleen maar wakkerder van.

En krekels zijn niet de enige dieren die ik hoor. Want als ik mijn oren spits (en dat doe ik), hoor ik daar tussendoor ook vele vogels roepen, tsjilpen en krijsen. Kennelijk zijn die Zuid-Afrikaanse gevederde vrienden in tegenstelling tot hun Nederlandse collega’s ook ’s nachts actief.

Wat me enigszins verontrust zijn de geluiden die ik niet kan thuis brengen. En dat zijn er nogal wat. Ik hoor door de krekel- en vogelkakofonie namelijk ook regelmatig een soort gebrom, gesis en gehuil. Nodeloos te zeggen dat ik hierdoor helemaal geen oog dicht doe.

Net als ik denk dat ik nu wel alles gehad heb, hoor ik buiten – vlak achter mijn hoofd – een luid gekraak. Ik zit in één ruk rechtop in bed. Het was het geluid van een doorbrekende tak. En een grote, zo te horen. Dat gebeurt niet spontaan. Mijn hart lijkt zo’n vijfentwintig centimeter omhoog te zijn geschoten en zit nu ongeveer ter hoogte van mijn keel.

Ik por H.,  die naast me doodleuk de slaap der onschuldigen slaapt, in zijn zij.

“Heb je dat gehoord? Er zit hier een of ander dier pal naast onze tent! Word wakker!!!”, schreeuw-fluister ik terwijl ik aan hem rammel. Hoe is het mogelijk dat hij gewoon doorslaapt alsof ons niet slechts een flinterdun tentzeil scheidt van God weet wat voor bloeddorstig wild beest.

“Hè? Wat? Wat is er? Heb niks gehoord, ga slapen!”, antwoordt H. slaapdronken in het pikkedonker. Mooie boel is dit. We bevinden ons misschien wel in een potentieel levensbedreigende situatie en meneertje draait zich nog eens lekker om.

“Aan jou heb ik ook niks!”, sis ik als een boze slang. Ineens bedenk ik me dat het ook nog zou kunnen dat het iets op twéé benen was. Ik weet niet wat ik erger vind, want in het laatste geval hoeft de kwaadwillende maar de rits van de badkamer omhoog te trekken en hij staat al binnen. Ik wou dat ik kon zeggen dat het zweet me uitbrak bij die gedachte, maar dan zou ik liegen. Ik ben namelijk al drijfnat.

Één voordeel zie ik wel. Godzijdank is de nacht maar kort want om kwart over vier gaat de wekker al.

Als ik eindelijk uit bed mag klauteren, ga ik rechtstreeks de douche in. Nou ja, niet dan nadat ik bij het armzalige licht van mijn batterij-lamp heb gecheckt of ik me niet soms samen met een schorpioen dreig te gaan wassen.

Tegen half vijf worden we door de porter opgehaald. Willard en Zablon wachten op ons in het restaurant, waar we een snelle kop koffie drinken. Het wordt al bijna licht. Even later is ons gezelschap compleet en vertrekken we.

Buiten is het, zeker vergeleken met die bakoven binnen in de tent, heerlijk koel. Ik kan zelfs een dun jasje verdragen. Het belooft een prachtige dag te worden want de lucht is helder met slechts hier en daar een wolkje.

De zonsopkomst boven het wildreservaat is een spectaculair schouwspel. Ik pak mijn fototoestel en maak om de minuut een totaal andere foto, zo snel verandert het licht. Dromerig staar ik naar het landschap dat zich steeds duidelijker ontvouwt in zeeën van tinten rood, roze, oranje en geel. Ik voel diepe dankbaarheid dat ik dit mag zien.

Het is februari en hier is het hoogzomer. De grassen zijn plaatselijk wel driekwart meter hoog. In de verte zie ik de grillige vormen van een baobab-boom, die op zijn kop lijkt te staan. Volgens Willard eten olifanten de zachte bast van de boom en apen de vruchten. Daarom wordt de baobab ook wel apenbroodboom genoemd.

Terwijl ik rond speur over de vlakte voel ik dat Willard de auto stop zet. Ik kijk recht vooruit. Op zo’n twintig meter voor ons lopen een mannetjes- en een vrouwtjesleeuw midden op de weg met een air alsof het reservaat hen toebehoort (je bent niet voor niets de koning der dieren). Ik neem mijn camera ter hand en besluit te filmen. Als ik door de lens kijk, kan ik mijn ogen niet geloven. Het mannetje bestijgt de leeuwin en gaat met haar paren. Het is kort en luidruchtig. Meteen erna gooit het vrouwtje zich op de grond. Het mannetje draait wat om haar heen en maakt dan aanstalten om haar weer te beklimmen. Maar daar is mevrouw niet van gediend, getuige haar gebrul en de ferme uithaal van haar klauwen in zijn richting. Het mannetje blijft nog even beteuterd staan en geeft het dan op.

Ook de mannetjesleeuw gaat nu liggen met zijn machtige kop in onze richting gedraaid. Met mijn toestel haal ik hem zo dichtbij dat ik zelfs de krassen op zijn snuit kan zien. Het lijkt alsof hij mij recht aankijkt en ik hem zo kan aanraken. H. is bezig foto’s te maken met de iPad en steekt het ding een stuk uit de Landrover om hem beter in beeld te krijgen. Prompt tilt de leeuw zijn kop op en kijkt indringend in onze richting. “Je doorbreekt het profiel!”, fluister ik hem gealarmeerd toe, waarop hij snel eieren voor zijn geld kiest en de iPad naar binnen haalt.

Willard heeft de beste baan van de wereld, denk ik als we weer verder rijden. Ik zou zelf wel ranger willen zijn. Als ik mijn gedachte met hem deel, zegt hij: “Yes, because this (hij maakt een breed handgebaar van links naar rechts over de wildernis) is my office!”. Het is jaloersmakend.

Hierna zien we nog meer giraffes, olifanten, impala’s en zebra’s. Willard rijdt het struikgewas in omdat hij in de verte een aantal witte neushoorns heeft gespot. Als hij de motor uitzet, komen ze een voor een dichterbij. Ze zijn nieuwsgierig en omdat ze slechte ogen hebben, willen ze ons nader kunnen bekijken. Ik zie dat ze allemaal door de modder hebben gerold want ze zijn bedekt met dikke stukken grijze opgedroogde grond. Op eentje z’n rug zit zo’n vogeltje met een rode bek dat zich tegoed doet aan insecten. Als Willard de auto weer in beweging zet, schrikken ze en zetten het op een aandoenlijk drafje.

Het is tijd voor een korte pauze. Willard kiest een open stuk uit en zet de Landrover dan stop. Nu mogen we allemaal uitstappen. Wat op zich wel vreemd is omdat de instructie luidt dat het tijdens de game drive ten strengste verboden is om uit de Landrover te stappen. Kennelijk acht Willard het hier veilig genoeg, hoewel het landschap precies hetzelfde is. Ik zie wel dat hij en Zablon voortdurend rond kijken. Al vraag ik me af wat ze zouden doen als er ineens een roofdier nadert want ze hebben geen geweren bij zich.

Wat ze wel hebben, achterin de Landrover, is een minibar. Niks frivools maar aluminium bekers voor koffie of thee, vergezeld van een koekje. Om ons heen omarmt het oneindige landschap ons als ware het een omhelzing van een geliefde. Ik zucht eens diep en adem de heerlijke geur van de Afrikaanse natuur in. Terwijl ik mijn koffie drink, draai ik langzaam alle kanten op. Want stel je voor dat ik ineens zo’n beige staart met een zwarte pluim aan het uiteinde boven het hoge gras zie naderen. Zekerheidshalve blijf ik op sprong-afstand van de Landrover.

Willard vertelt dat hij begrip ervoor heeft dat we graag wilde dieren zien. Maar hij vraagt ook nadrukkelijk aandacht voor kleine wonderen, zoals bijvoorbeeld een minuscuul  stengeltje van een grashalm. Het zal niet groter zijn dan anderhalve centimeter en is flinterdun. Hij vraagt ons om het uiteinde ervan vochtig te maken met wat speeksel en vervolgens goed op te letten.

Als ik doe wat hij vraagt en naar het stengeltje kijk, zie ik tot mijn verbijstering dat het vochtig gemaakte uiteinde ineens gaat bewegen. Het draait rond en rond, als een mini-boor. En dat is ook precies de bedoeling, zegt Willard, want zo is een enkele dauwdruppel voldoende om ervoor te zorgen dat het zichzelf de grond in draait zodat nieuw gras op kan komen. Wel zo handig onder extreme omstandigheden.

Vol ontzag kijk ik naar het nietige stengeltje. Het wow-effect is inderdaad even groot als bij het zien van een olifant.

Na onze pauze hebben we nog het geluk dat we een kudde buffels zien, exotische vogels kunnen bewonderen en twee prachtige jachtluipaarden vinden die verscholen liggen tussen het hoge gras. Ze zijn perfect gecamoufleerd. Als ik mijn foto’s heb geschoten, kijk ik met een intense blik naar deze wondermooie dieren. Ik wil deze beelden voor altijd vasthouden.

Het gevoel één te zijn met de natuur, het gevoel van vrijheid, de prachtige vergezichten, de eindeloze horizon, het licht, de dieren, de begroeiing, de mensen…Het zijn stuk voor stuk uitstekende redenen om terug te gaan naar Zuid-Afrika, dit ontroerend mooie land.

Om in de woorden van Arnold Schwarzenegger te blijven:

I’ll be back!”

© Pascale Bruinen

wat ruist (3) 1

 

zonsopkomst boven het Zuid-Afrikaanse land

wat ruist (3) 2

en dit zien we rond half zes in de ochtend…

wat ruist (3) 3

De enige echte Koning der Dieren

wat ruist (3) 5

Impala

wat ruist? (3) neushoorns

 

de modderige neushoorns

wat ruist? (3) luipaarden het jachtluipaard

 

Wat ruist er door het struikgewas? (2)

Ik ben in Zuid-Afrika en maak me op voor mijn allereerste safari.

Na een heerlijke high tea in het restaurant van het private game reserve worden we voorgesteld aan de ranger die de komende vier safari’s voor ons op zoek zal gaan naar wilde dieren. Zijn naam is Willard en hij zal ons rondrijden in zijn open Landrover jeep. Het is een grote donkere man van achter in de dertig met een kaal hoofd onder zijn tropenhoed en een vriendelijke uitstraling. Hij is gekleed in een bosgroen hemd waarop een portofoon is bevestigd en een lichtgrijze broek. Hij stelt ons voor aan Zablon, onze tracker. Hij zal voorop de jeep zitten en sporen zoeken. Zablon is een stuk jonger en komt, ondanks de grote glimlach op zijn donkere gezicht, wat verlegen over.

Als we de laatste koffiedruppels (wie zegt dat je tijdens een high tea alleen maar thee zou mogen drinken?) naar binnen hebben gegoten, spoeden we ons achter Willard en Zablon aan naar onze Landrover. Het is een monsterlijk grote jeep die vooral heel erg open is (ieuww!) en plaats biedt aan zeker negen safarigangers. Omdat men in Zuid-Afrika links rijdt, zit het stuur aan de rechterkant.

H. en ik installeren ons op de eerste rij, pal achter Willard en Zablon. We hebben een rugzakje bij ons met daarin water, muggenspray, een verrekijker, twee fototoestellen en dunne truien voor als het donker wordt.

Als iedereen zit, legt Willard eerst een aantal belangrijke spelregels uit. Met stip op 1 staat het gebod om tijdens onze tocht door de wildernis vooral nóóit het profiel van de Landrover met zijn inzittenden te doorbreken.  De wilde dieren zien dit namelijk als één groot geheel, zodat ze ons met rust zullen laten. Bovendien zijn ze aan deze vorm gewend, waardoor ze die niet meer interessant vinden. Willard instrueert ons allen daarom streng om vooral te blijven zitten in de jeep. Het is dus strikt verboden om op te staan om die extra leuke foto te kunnen maken, dat zou dan wel eens je laatste kunnen zijn. Laat staan dat je uit mag stappen.

Als ik tegen Willard zeg dat ze ons mensen toch kunnen ruiken en horen, bevestigt hij dat. Maar kennelijk snappen de wilde dieren desondanks niet dat wij gemakkelijke prooien zijn. Nu maar hopen dat er niet ergens die ene bolleboos-leeuw rondloopt die dit fabeltje zo doorprikt en wél begrijpt dat wij lekkere hapjes zijn die met één simpele sprong kunnen worden verschalkt.

Het spreekt voor zich, zegt Willard vrij overbodig, dat we de wilde dieren ook niet mogen voeren, aaien (!) of mogen aanroepen (“póes póes póes…, kijk eens hier voor de foto…, póes póes!”). Tenslotte worden we nog gewaarschuwd voor stelende apen, overhangende takken (met of zonder wurgklare python erop) en giftige doornen. Fijn! Laat de game drive maar beginnen!

Terwijl de jeep over de nu platliggende beschermingshekken het kamp uitrijdt, hang ik het nieuwe fototoestel – dat in staat is om van heel veraf in te zoomen – om mijn nek. We rijden over onverharde wegen die met iedere afslag die Willard neemt steeds smaller worden. Het is ruim boven de dertig graden en de klamme hitte is drukkend. Maar in de rijdende Landrover is het gelukkig een stuk koeler.

Eenmaal verder in de bush word ik bedwelmd door een geur die een hemelse mengeling is van droge aarde, kruidige gewassen en bloeiende struiken en bomen. Ik sluit even mijn ogen en adem diep in door mijn neus. Ik kan bijna voelen hoe mijn longen dankbaar de schone lucht (bye bye fijnstof!) opzuigen en hoe de laatste restjes Nederlandse stress verdwijnen.

Het landschap is zo mooi dat het pijn doet aan mijn ogen. Het is van een uitgestrektheid die wij in Nederland niet kennen. Nergens is een teken van menselijk ingrijpen te zien. Het  kleurenpalet van de Zuid-Afrikaanse natuur gaat van lichtbeige via eindeloze tinten groen naar het donker van takken en boomstammen. Her en der is het Afrikaanse land glooiend. Af en toe gaan we over een stuk bijna uitgedroogde rivier of langs een enkele eenzame boom. Het is zo’n typische boom die ik alleen maar ken van natuurfilms maar nu zie ik hem in het echt.

Het is de acacia. Hij heeft een ranke hoge stam, waarna de takken breed als een parasol horizontaal uitwaaieren. Ik word er stil van en ik heb nog geen dier gezien.

Even later stopt Willard de jeep en zet de motor uit. Opwinding maakt zich van ons meester als we een drietal zebra’s vlak langs de weg in het hoge gras zien staan. Ze kijken ons recht aan. Ik grijp mijn camera en zoom met enigszins trillende handen in. In de lens zie ik de zebrasnuit zo vlakbij dat het lijkt alsof ik maar mijn hand hoef uit te steken om hem te aaien. Het is een prachtbeest met zulke sierlijke tekeningen op zijn hoofd (en niet kop, het is een paard) dat de kunstwerkjes op de kop van Henk Schiffmacher hiermee vergeleken nog net geen peuterkrabbels zijn.

Als we allemaal onze foto’s hebben genomen, rijdt Willard verder. Na een minuut of vijf zien we vlak voor ons een olifant uit de struiken komen. Willard zet de jeep meteen stil. We houden collectief onze adem in. Hij draait zijn grote kop en gooit met zijn slurf de rode grond over zijn machtige lijf. Een oranje stofwolk onttrekt hem heel even bijna aan het zicht. Ik denk nu een beetje te weten hoe David Attenborough zich moet voelen als hij een van zijn vele natuurfilms maakt.

Het volgende moment komt de olifant recht op ons afgelopen en flappert daarbij met zijn grote oren. Het ziet er dreigend uit maar Willard legt ons enigszins geschrokken gezelschap haastig uit dat hij die flapperende oren enkel gebruikt om af te koelen.

Ik maak de ene na de andere foto. Dan besluit ik te filmen. Door de relatieve beschutting van mijn lens zie ik dat de olifant steeds dichterbij ons komt. Als ik opkijk, wordt het langzamerhand een beetje too close for comfort.

Willard zet de jeep gelukkig in zijn achteruit. Maar dan stopt hij de auto weer terwijl ik hem in gedachten aanmoedig om vooral verder achteruit te rijden. Want de kolos is nu weer dichterbij ons wel erg open jeepje gekomen. In gedachten denk ik aan die Engelse toeristen die nog maar een paar weken geleden in het Krugerpark het slachtoffer werden van een olifant met iets teveel testosteron. Ze waren kennelijk iets te dichtbij gekomen waarna hij hun auto had aangevallen en een vrouw zwaar verwondde.

Ik probeer deze gedachten weg te duwen. En dan zie ik nog meer olifanten de weg op komen. De opwinding slaat toe als we zien dat ze een kleintje bij zich hebben. Hoe schattig! De kleine is duidelijk bang als hij op de open weg is, want hij rent zo’n beetje naar de overkant. Willard rijdt stapvoets verder achteruit om ze de ruimte te geven en dan lopen de olifanten aan de overkant de beschutting van de struiken in.

We rijden verder. De zon begint langzaam onder te gaan. Het licht lijkt nog kwetsbaarder te worden nu het de schelle tonen van de hete middagstralen geleidelijk achter zich laat.

Ik spied rond of ik in het hoge gras iets zie bewegen. Later zien we nog de ranke impala’s, die zich spoorslags uit de voeten maken als ze ons horen aankomen, de koedoes (waarvan het mannetje en vrouwtje er compleet anders uit zien) en de waterbok. Het  zijn stuk voor stuk wonderbaarlijk mooie schepsels.

En dan valt de duisternis. Het is ietsje afgekoeld, maar die trui heb ik echt niet nodig. Miljoenen krekels heffen allemaal tegelijk hun lied aan. Her en der hoor ik getjilp, gekras en geroep van god weet wat voor dieren. Zablon, die links voorop zit op een klapstoeltje, doet zijn grote schijnwerper aan en beweegt die tijdens het rijden van links naar rechts. De verrassend sterke lichtbundel valt op struiken, een stuk boom, een paadje. Willard, die het uitgestrekte gebied op zijn duimpje kent, besluit het pad te verlaten en dwars door de struiken en lage boompjes te rijden. Hoe stoer! Ik wou dat ik dat mocht doen.

Zablon verlaat zijn stoeltje voorop en komt in de jeep zitten, een zeker teken dat het gevaarlijk kan worden. Even later zien we gele ogen reflecteren in het licht van de schijnwerper. We rekken onze hoofden uit om te zien welk dier zich hier schuilhoudt. Al snel blijkt het een hele troep leeuwinnen te zijn. Ze liggen ontspannen tegen elkaar aan. Even verderop ligt het mannetje. Als hij wordt beschenen heft hij even zijn majestueuze kop op, maar legt die dan meteen weer neer.

We rijden door en zien plotseling een ranke giraffe vlak voor ons de weg oversteken. Het is een adembenemend gezicht om dit grote maar o zo elegante dier van zo dichtbij te mogen zien.  Ik kijk en kijk en probeer me deze unieke beelden in te prenten opdat ik ze nooit zal vergeten.

En dan zit onze eerste rit er al op. Morgenvroeg gaat de wekker om 04.15 uur voor de ochtendsafari (hoezo uitrustvakantie?).

Ik wou dat het al zover was.

© Pascale Bruinen

wat ruist (2) 1

wat ruist (2) 2

wat ruist (2) 3

wat ruist er (2) 7

mannetjeskoedoe

wat ruist er (2) 8hoe aandoenlijk…

Wat ruist er door het struikgewas? (1)

Tropenhoed? Check. Khaki hemd? Check. Verrekijker? Check.

Nee, nee, dit keer geen cruise maar een safari. We gaan de Zuid-Afrikaanse bush nóg onveiliger maken. Een soort groeten uit de rimboe, maar dan zonder draaiende tv-camera’s.

De locatie is jaloersmakend: een tented camp midden in een private game reserve, ver van de bewoonde wereld. Zo ver zelfs, dat er maar zeer beperkt elektriciteit is. In plaats daarvan staan er overal olielampjes. Rond het zwembad, bij de zitbanken buiten, in het restaurant. Zó romantisch. In onze tent zijn we aangewezen op een draagbare lamp op batterijen, in de canvas badkamer een lamp op zonne-energie en voor de rest alleen maar kaarsen.

Het woord tent dekt de lading trouwens niet helemaal. Want dit is niet camping maar glamping met een enorm bed, meubilair van donker hout en een terras van waar je een fantastisch uitzicht hebt over de groene omgeving zonder ook maar ergens een teken van beschaving te ontwaren.

De aardige mevrouw die ons wegwijs maakt, laat ons een kistje zien dat in een la van de kast ligt. Dit is het overlevingspakket, zegt ze. Vervolgens haalt ze muggenspray, lucifers, een portofoon en een fluitje uit het kistje. Met de portofoon kunnen we bij onraad contact leggen met het main camp. Ha gelukkig, denk ik nog. Puntje van aandacht is wel dat dit op zo’n twintig minuten rijden ligt.

In geval van acute nood, zo legt zij ons uit, moeten we op het fluitje blazen. Prompt zie ik in gedachten al een grommende, uitgehongerde leeuw die in het holst van de nacht met zijn vlijmscherpe klauwen tegen ons canvas tentzeiltje slaat, op zoek naar lekkere hapjes. In paniek blaas ik op dat fluitje. Hoe willen ze dan in godsnaam weten waar het geluid vandaan komt? Want er liggen hier wel een stuk of veertien tenten helemaal verspreid in het groen over een redelijk groot gebied.

Tegen de tijd dat ze hebben uitgevogeld van welke tent het noodsignaal afkomstig was, zijn wij al lang en breed in stukken gescheurd en ligt de koning der dieren al lekker uit te buiken midden op ons ultra kingsize bed.

Terwijl ik dit opwekkende beeld probeer weg te stoppen, gaat de vrouw verder met het toelichten van de huisregels. De belangrijkste is dat we bij duisternis ab-so-luut niet zelf van het hoofdgebouw naar onze tent mogen lopen maar slechts begeleid door een porter. Dit in verband met de wilde dieren zoals neushoorns, hyena’s en luipaarden. We zitten per slot van rekening midden in de wildernis. Ze hebben aan de buitenkant van het kamp weliswaar van die hekken waar stroom op staat, maar je weet het natuurlijk nooit. 

Nu had ik gehoopt dat die porter een tot de tanden bewapende man zou zijn die met een vervaarlijk uitziend kapmes voorop loopt maar tot mijn schrik bleek het gewoon een plaatselijke jongen te zijn uitgerust met niet meer dan een lullig zaklampje.

Op mijn vraag wat ik moet doen als ik ineens word geconfronteerd met een woeste cheetah die me vanuit de struiken wil bespringen, zegt de aardige mevrouw dat ik dan zo stil mogelijk moet blijven staan. Lijkt me makkelijk zat terwijl je hele lijf giert van de vlucht- of vechthormonen. Of hard schreeuwen, dat zou ook nog wel eens helpen. Persoonlijk dacht ik eerder aan een verdovingsgeweer maar dat krijgen we niet. Hoezo klant is koning?

Hmm, aan deze probleempjes heb ik eerlijk gezegd niet meteen gedacht toen ik op internet de geweldige foto’s zag van onze safari-accomodatie. Overdag ziet het paadje naar onze tent, een onverhard smal weggetje dat zich een paar honderd meter door het dichte struikgewas heen worstelt, onschuldig genoeg uit maar bij nacht is het toch een ander verhaal.

Omdat vooral de overhangende boomtakken me toch wel enige zorgen baren, vraag ik haar meteen maar of hier soms ook slangen zitten. Uit een ooghoek zie ik dat H. me een waarschuwende blik toewerpt. Jammer dan, ik moet het toch weten.

In plaats van te antwoorden, stelt ze me een wedervraag. Of ik een eerlijk antwoord wil? Ja, dat wil ik. Nou, in dit gebied leven de tien dodelijkste slangen van Zuid-Afrika, zoals daar zijn de groene en zwarte mamba, de spugende cobra, de pofadder (allemaal gifslangen) en de wurgende python, doceert de aardige mevrouw. Fijn om te weten als ik straks in het pikkedonker over dat pad tussen struiken en bomen naar mijn tent terug moet. Ieeeee, ik moet er niet aan denken dat er zo’n koud, glibberig reptiel om mijn nek valt. Over out of my comfort zone gesproken. 

H. kijkt naar mijn gezicht (dat na deze mededeling kennelijk iets van zijn aanvankelijk nog  euforische blik heeft verloren) en slaat dan zijn ogen ten hemel. Tja, ik weet nu eenmaal graag precies waar ik aan toe ben.

Maar nu gaan we ons klaar maken voor onze allereerste safari.

Ik kan niet wachten.

© Pascale Bruinen

Wat ruist er door het struikgewas (1)Het paadje bij daglicht

Wat ruist er door het struikgewas (1) 2een bij duisternis…

 

 

Breaking News

Gisteren heb ik een contract getekend voor mijn eerste boek bij uitgeverij De Fontein! Uitgerekend ook nog op de verjaardag van mijn overleden vader, aan wie ik het boek zal opdragen. Ik ben super blij en ontzettend trots op deze mijlpaal.

Onderstaand vinden jullie de tekst die vandaag verscheen op de website van de uitgeverij:

“Pascale Bruinen tekende deze week bij Uitgeverij De Fontein het contract voor haar eerste boek ‘Mijn eerste lijk is gelukkig vers’. Hierin geeft ze een kijkje achter de schermen in haar functie van officier van justitie en beschrijft ze aan de hand van veel voorbeelden welke impact haar werk op haar heeft als mens en moeder.

‘Mijn eerste lijk is gelukkig vers. Lotgevallen van een vrouwelijke officier van justitie’ verschijnt begin 2015 bij Uitgeverij De Fontein.

Pascale Bruinen is officier van justitie in Maastricht en schrijft columns voor het Algemeen Dagblad. Ook heeft ze artikelen geschreven voor Fabulous Mama Magazine en blogt ze regelmatig op haar eigen sites,www.coolcolumns.com en www.cruisecraver.com.”

Uiteraard zal ik jullie op de hoogte houden van de voortgang!

Veel liefs van Pascale

Auto’s zijn net vrouwen

Mijn goede vriendin N. vertelt me tijdens onze maandelijkse meidenavond dat haar man zo gehecht is aan zijn auto dat hij – voordat hij die ooit inruilt – van plan is een afscheidsrit ermee te gaan maken. We kijken elkaar aan en proesten het dan uit. Een afscheidsrit? Jeetje, dat zou niet in ons opkomen.

Als het over auto’s gaat, lijkt het wel of de meeste mannen en vrouwen op verschillende planeten zitten. Want even later zegt ze dat hij ook zeer geïnteresseerd is in wat er onder de motorkap van zo’n vierwielig motorrijtuig schuil gaat.

“Wat er onder die motorkap zit, kan mij geen bal schelen. Als ik maar lekker zit en het ding van A naar B rijdt”, zegt vriendin M.  Zij krijgt luide bijval van N. en mij. Al snel zijn we het er over eens dat wij niet zo’n speciale band voelen met onze wagentjes.

“Hoewel”, zeg ik na hier nog even over nagedacht te hebben, “ik herinner me wel dat ik er vroeger best wel moeite mee had als mijn vader een nieuwe auto ging kopen. Dan voelde ik toch wel iets dat leek op weemoed omdat de auto als het ware werd gedumpt als dank voor zijn trouwe bewezen diensten”. N. en M. kijken me aan. Zie ik daar nou iets van meewarigheid in hun blikken?

“En als ik terugkom van een vliegreis ben ik ook altijd erg blij om onze auto weer te zien. Trouwens”, doe ik er nog een schepje bovenop, “ik vind soms ook dat het net lijkt alsof een auto lacht.” Als ik de ongelovige blik van mijn vriendinnen zie, voel ik dat ik in de verdediging moet schieten. “Dat ligt aan de grill en de stand van de koplampen”. M. en N. gillen op een manier die Geer en Goor naar de kroon steekt.

“Ik heb soms wel eens het idee dat mijn man meer geeft om onze auto dan om mij”, gooit N. de spreekwoordelijke knuppel in ons hoenderhokgroepje als ze weer wat gekalmeerd is.

“Hmmm. Misschien is dat omdat hij jullie auto als een vrouw koestert. Dus eigenlijk heb je concurrentie”, zeg ik tegen haar.

“Nou, zolang hij dan maar niet onder de motorkap kijkt van mijn concurrente”, zegt N. droog. We gieren het uit. “Ja, en als ze maar niet te veel kilometers op de teller heeft”, voeg ik er aan toe. We komen niet meer bij. “Of”, brengt N. tussen de lachbuien door uit, “als ze maar niet te veel beurten heeft gehad!”. Nu liggen we allemaal half van de bank af.

Zo’n sessie vrij associëren is best leuk.

Zelfs als het over zoiets geestdodends als auto’s gaat.

© Pascale Bruinen

Auto's zijn net vrouwen

Wenende Madonna

Hopeloos. Dat ben ik op begrafenissen en crematies.

Zodra de eerste, vaak ook nog valse, tonen van het orgel beginnen te spelen, voel ik mijn ogen al mistig worden. Daarbij maakt het weinig uit in welke relatie ik tot de onfortuinlijke overledene sta. Het gebeurt me overal. Of het nu is bij de mis voor de buurman, de ex-man van een collega of een kennis, ik slaag er nooit in het droog te houden.

Waarschijnlijk heb ik gewoon te veel empathie in mijn lijf. Misschien ben ik wel hooggevoelig en pik ik daarom moeiteloos de trieste vibes van de aanwezigen op. Of ik ben gewoon een emotioneel wrak en ik weet het niet.

Het is voor mij dus zaak om zo lang mogelijk te voorkomen dat ik verander in de wereldse versie van de wenende madonna. Want het is – denk ik – voor de rest van de genodigden een raar gezicht als er ergens in een van de laatste bankjes een blonde mevrouw, die ze wellicht niet eens kennen, opzichtig zit te janken. Ik voel me dan vreselijk opgelaten, met van die rode oogjes, uitgelopen mascara en zo’n fijne loopneus. Ik vind het vooral gênant voor de echte nabestaanden. Vooral als ik meer en harder blijk te huilen dan zij.

Dus zoek ik afleiding. Wat, toegegeven, best moeilijk is in de gemiddelde kerk of zaal van een crematorium. Al te veel opvrolijkende plaatjes kom je daar immers niet tegen. Jezus, die met gepijnigde blik aan het kruis hangt? Mwah, niet echt. De immer serieus kijkende Maria? Die veel te mollige engelen? Euh, nee, daar ben ik niet mee gebaat.

De teksten die in de gemiddelde mis worden voorgedragen helpen ook al niet mee. Het gaat over sterven en verrijzenis, tot stof wederkeren en meegaan op een lichtend pad (bij het laatste denk ik trouwens eerder aan een Latijns-Amerikaanse afscheidingsbeweging). Bepaald geen luchtige kost. En wat te denken van al die rituelen? De pastoor is zo druk doende met vingervlug allerlei doeken op, over of in diverse voorwerpen te leggen en weer weg te trekken, dat ik af en toe het idee heb dat ik naar Hans Klok aan het kijken ben. En dat is, heel even maar, best grappig.

Of de trieste stemming niet al erg genoeg is, word ik ook nog misselijk van die weeïge wierookgeur. Als ik de pastoor enthousiast zie zwaaien met die grote, onwelriekende dampen loslatende bol (heeft niemand zich ooit afgevraagd of die eigenlijk niet schadelijk zijn?), krijg ik de acute neiging om mijn adem in te houden. Of toch op zijn minst mijn handen om me heen te laten wapperen in een mislukte poging die vieze geur van me af te slaan.

En dan heb ik het nog niet over die in- en indroevige muziek. Ken uw klassiekers! Nee, niet “Waarheen, Waarvoor?” van Mieke Telkamp, maar wel het Ave Maria (prachtig), Air van Bach (ontroerend) of – een stuk moderner – “Time to say goodbye” (in de originele Italiaanse versie: “Con te partiró”) van Andrea Bocelli.

Daarom probeer ik meestal krampachtig aan iets leuks te denken. Nee, liefst nog iets hi-la-risch. Maar alles wat buiten de kerkmuren of ruimte van het crematorium nog zo grappig leek, sterft binnen een snelle en pijnloze dood (bewuste woordspeling).

Dus zit ik me in mijn harde kerkbankje of op mijn oncomfortabele stoeltje letterlijk te verbijten en wel op mijn onderlip. Het wordt langzaam aan nijpend als ik anderen hoor snuiven, huilen of snotteren. Ja, zelfs als ik iemand anders zijn ogen zie deppen met een zakdoekje is het mis. Bij mij werkt dat zo aanstekelijk als de Spaanse griep; ik zie of hoor het nog niet bij anderen of ik begin zelf ook al.

Ronduit dramatisch wordt het als er jonge kinderen zijn die iets moeten doen of zeggen tijdens zo’n ceremonie. De enkele aanblik van (klein)kinderen die bijvoorbeeld een kaarsje aansteken of een roos op de kist leggen is genoeg om de sluizen pas echt wijd open te zetten. Een pakje zakdoekjes is er zo doorheen.

Om mijn dikke huilogen minder te laten opvallen ga ik – à la The Jackson family – dus standaard in een stemmige outfit en gewapend met een grote, liefst zo donker mogelike, zonnebril naar dit soort diensten.

Want als ik jank, jank ik het liefst glamorous.

© Pascale Bruinen

January Blues

De dennenaalden zijn met moeite uit het karpet gezogen. De champagnefles ligt in de glasbak. Het nog op de valreep gekochte Oudejaarslot heeft wéér geen miljoenen opgeleverd. De overgebleven, naar ranzig vet ruikende, oliebollen zijn in de vuilnisbak gekieperd, samen met de uiteengespatte droom van een rijkeluisleventje.

Het straatbeeld buiten levert al evenmin vrolijk stemmende taferelen op. Het rode, door de aanhoudende regen soppig geworden karton van menige afgeschoten vuurpijl ligt afgedankt in de goot. Als stille getuige van het zoveelste feest dat over and done is.

Januari. Een vreemde, nikserige maand. De feestdagen en vrije dagen zijn achter de rug, carnaval duurt nog even en het voorjaar is nog heel, heel ver weg. Eigenlijk een maand die je zou moeten kunnen overslaan. Of, nog beter, die je in zijn geheel in een ver, tropisch oord zou moeten kunnen doorbrengen.

Officieel is de eerste maand van het jaar de louwmaand oftewel looimaand. Louw komt van “looien” omdat in januari de huid van geslachte dieren werd gelooid. Hmm, niet erg tot de verbeelding sprekend anno 2014.

De naam van de eerste maand van het jaar is kennelijk afgeleid van Janus, de Romeinse God van deuren en poorten en van alle begin. Onze Janus had twee gezichten waarmee hij tegelijkertijd zowel in het verleden als in de toekomst kon kijken. Nou, dát vind ik wel erg handig. Vooral het deel van in de toekomst kijken zou soms uitkomst kunnen bieden. Bijvoorbeeld voor dat Oudejaarslot.

Enfin, wat ik maar wil zeggen is dat die eerste 31 dagen van onze kalender vaak nogal tegenvallen. Zeker na de hoog opgelopen verwachtingen rondom de feestdagen en die onvermijdelijke goede voornemens die zo rond de helft van de maand – nu dus – al compleet zijn verdampt.

Zonde dus van dat dure abonnement op de sportschool dat je in een vlaag van verstandsverbijstering hebt aangeschaft terwijl je diep in je binnenste eigenlijk al weet dat je na een aantal keren fikse spierpijn toch niet meer gaat. Of jammer van die nicotinepleisters die je meteen maar met tig stuks tegelijk hebt ingeslagen omdat je dit keer wél echt zou gaan stoppen met roken (not). En iedere week iets leuks doen met zijn tweetjes is na veertien dagen helaas al honderd procent mislukt, met dank aan overvolle agenda’s en de verantwoordelijkheid voor de kids én je ouders.

Daarom is mijn goede voornemen voor 2014 om geen goede voornemens te hebben. Dus die ik heb ik nu al waargemaakt. Lekker makkelijk. En voor al die andere voornemens die ik niet heb gemaakt, hoef ik straks ook niet uit te leggen waarom er niks van terecht is gekomen.

Hoewel. Vorige week zag ik één goed voornemen waar ik vierkant achter sta. Het betreft een advertentie van een site voor goedkope vliegtickets en luidt als volgt: “Meer genieten is óók een goed voornemen”.

Inderdaad.

En daar ga ik mij strikt aan houden.

© Pascale Bruinen

January Blues

Mennesjun

Managen. Ik heb weliswaar geen idee wat het inhoudt, maar de klank van het woord alleen al geeft me kippenvel. Men-ne-sjun. Het klinkt zo Zen.

Met stip op één in het takenpakket van Zij Die Managen staat dat ze almaar met de rest van het MT op de hei moeten zitten. Het blijft vervolgens duister wat hiervan nu het resultaat is. Of je moet onbegrijpelijke nieuwe instructies, uitgestort over het arme onwetende personeel via de mail, willen meerekenen.

Op nummer twee: vergaderen. Bij voorkeur zo vaak, lang en nutteloos mogelijk, met doorschuiving van heikele punten naar de volgende keer en met toekenning van actiepunten aan de afwezigen die bijna bezwijken aan al die aapjes op hun schouders. Overigens klagen juist acht op de tien personeelsmanagers over deels onproductieve vergaderingen en dus tijdverspilling, getuige een onderzoek onder 2000 personen in 15 landen wereldwijd, waaronder ook Nederland. Misschien toch tijd om het staand vergaderen te gaan invoeren.

Nummer drie (een klassieker!): bij lastige vragen van ondergeschikten telkens doen alsof het probleem bij de vragensteller zelf ligt. Vraag: “Zou je nu alsjeblieft iets willen doen aan het probleem van X die voortdurend de sfeer in het team verpest?” Antwoord: “Het team, dat ben jij. Wat kun je hier zélf aan doen?”. Een antwoord dat waarschijnlijk vele studie-uren én duizenden euro’s heeft gekost. Maar dan heb je ook wat.

Tegenwoordig kan iederéén manager zijn. Zo kijk ik nietsvermoedend naar een tv-interview met een roadmanager. Ik pijnig mijn hersens om te bedenken wat die goeie man voor beroep kan hebben. Het moet wel haast iemand zijn die alles regelt als André Rieu op tournee gaat. Of een hoge pief bij Rijkswaterstaat die één keer per jaar neerdaalt tot op het asfaltniveau van zijn voetvolk om de voortgang van de zoveelste kilometer weg te aanschouwen.

Maar nee. Het blijkt een doodgewone vrachtwagenchauffeur te zijn. Zo eentje die met de vlam in de pijp over de Brennerpas rijdt. Nee, sorry, die de Brennerpas managet.

Ik moet nog bijkomen van deze openbaring als er even later wordt gerept over een streetmanager. Ha! Daar trap ik nu niet meer in. Ik ga alvast vrij associëren. Als een roadmanager een vrachtwagenchauffeur is, dan moet een streetmanager een…, euh, … een… taxichauffeur zijn! Kwestie van deductie.

Maar dan zie ik beelden van een stratenmaker die op zijn knieën aan de weg werkt. Is dát nu een streetmanager? Ik ben perplex.

Op zoek naar meer kijk ik in de zaterdagkrant. Daar vliegen de managers je namelijk om de oren. Zomaar een greep. “Manager Finance”; “Resultaatgerichte Accountmanager” (zouden er ook bedrijven zijn die niet resultaatgerichte Accountmanagers zoeken?); “RvE-manager tbv de intramurale zorg” (ik ben helemaal blanco); “New Business Manager”. Die laatste klinkt helemaal cryptisch want bedoelen ze nu dat ze een nieuwe Business Manager zoeken of dat ze een manager zoeken voor de afdeling New Business? (wat dat dan ook moge betekenen). Wie het weet, mag het zeggen.

Binnenkort wordt het nog zo gek dat je niet je man maar de family manager gedag kust; in de trein je ov-chipkaart niet laat zien aan de conducteur, maar aan de public transportation manager waarna je op weg naar die smerige wc niet de schoonmaker, maar de human waste manager tegenkomt. Na de rit stap je uit en bestel je bij de kiosk niet een broodje en een cappuccino bij die aardige juffrouw maar bij de food and beverage manager. Om tenslotte bij thuiskomst niet je interieurverzorgster maar de internal housekeeping manager gedag te zeggen voordat ze wegrijdt op haar brommertje. 

Moraal van dit verhaal?

Manager zijn we allemaal!

© Pascale Bruinen

mennesjun

Lachtherapie

Martha Beck, een van mijn favoriete non-fictie schrijfsters, weet het in haar boek The Joy Diet zeker: we moeten minimaal dertig keer per dag lachen. Als je dat veel lijkt, denk dan eraan dat een klein kind gemiddeld meer dan 400 keer per dag lacht, zo legt ze uit. Want ik geef toe, ik vond dertig keer op voorhand al best veel lijken.

Toch is dit aantal het absolute minimum. Want lachen blijkt inderdaad gezond. Het breekt door innerlijke geestelijke barrières, waardoor je gedachten, intuïties en gevoelens vrijelijk kunnen bewegen. Daardoor maakt het je creatiever. Maar lachen heeft ook een positief effect op je lijf. Onze inwendige scheikundige fabriek verandert behoorlijk als we lachen. Zo leidt het tot een vermindering van stress hormonen en een toename van het aantal natuurlijke afweercellen en endorfines, de feel good hormonen. Die laatste lijken er ook verantwoordelijk voor te zijn dat lachen werkt als een sociaal bindmiddel.

Een voorbeeld van iemand die het “lachen is gezond”-credo wel erg letterlijk nam, is de auteur Norman Cousins. In zijn boek The Anatomy of an Ilness beschrijft hij hoe hij herstelde van een als ongeneeslijk bestempelde ziekte. Hij sloot zich op in een hotelkamer en keek een aantal uren per dag naar Marx Brothers films. Na tien minuten lachen constateerde hij dat zijn pijngrens behoorlijk naar boven was bijgesteld en na zo’n drie uur gieren was hij zelfs de rest van de dag bijna pijnvrij. Om me in te dekken zeg ik er wel bij: Don’t try this at home! Althans zeker niet zonder ook het reguliere medische circuit te raadplegen. Maar dat lachen – mits je jezelf er geestelijk toe kunt brengen – een waardevolle aanvulling op een medische behandeling zou kunnen zijn, lijkt mij duidelijk.

Behalve dit minimum aantal lachsalvo’s geeft Martha haar lezers als extra opdracht mee vooral juist te lachen in stressvolle, onplezierige of verbijsterende situaties. Als ondersteuning hiervoor wijst ze erop dat mensen sowieso meestal geneigd zijn te lachen in situaties waarin we ons ongemakkelijk voelen, zoals bijvoorbeeld bij kietelen of als er moppen worden getapt die (ver) over het randje van maatschappelijk betamelijk zijn. Denk bij dit laatste aan het recente voorbeeld van een geblondeerde homoseksuele Nederlandse zanger en een bepaald nummer (hint: 40 -1) in combinatie met een voedingsmiddel dat in natte velden groeit en vooral in Aziatische landen wordt gegeten.

Allemaal leuk en aardig, deze theorieën, maar hoe kom je nu aan je benodigd aantal LPD’s (Laughs Per Day)? Volgens Martha hangt dat af van hoe je genetisch in elkaar steekt (ben je van huis uit een stuk chagrijn of een lachebek?), van de situatie waarin je je bevindt (bij een crematie lach je over het algemeen toch een stuk minder dan bij Youp van ’t Hek) en van iets dat zij humor fitness noemt. Iemand is in haar ogen humor fit als die voortdurend en bewust redenen vindt om te lachen, ongeacht de omstandigheden. En, zo voegt ze hier nog aan toe, mensen die heel erg fit zijn lachen vooral om die ene onuitputtelijke bron die ze altijd bij zich hebben: zichzelf. Hoera!!! Dat maakt dat ik nu officieel zeer fit ben op humorgebied, want ik vind inderdaad altijd wel redenen om te lachen en niet in de laatste plaats om mezelf. Niks zo erg als mensen die alleen maar bloedserieus zijn en nooit om zichzelf kunnen lachen. Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd.

Maar als je daar zelf (nog) niet zo handig in bent, geeft Martha gelukkig nog wat praktische tips. Zo kun je je omringen met mensen die wel snel en veel lachen. Door het sociaal besmettelijke karakter van lachen heb je in het gezelschap van frequente lachers namelijk een gerede kans meteen flink over de dertig stuks per dag te komen. Daarnaast zou je, als je in de trieste situatie bent dat je niemand kent die snel en veel lacht, je toevlucht kunnen nemen tot “mechanische stimulatie”. Oftewel: kijken of luisteren naar mensen die (al dan niet ingeblikt) lachen. Of je wilt of niet, maar vroeg of laat moet je ook zelf lachen.

Maar de mooiste – en gekste – tip is Lachen Zonder Enige Reden. Martha Beck kwam bij haar zoektocht een yogavorm op het spoor die, eerlijk waar, de “Ho-Ho-Ha-Ha-Ha” methode heet. Deelnemers leren allereerst maar liefst een minuut lang te lachen zonder enige aanleiding. Daarna zijn er dagelijkse (!) groepssessies waar 15 tot 20 minuten wordt gelachen zonder dat er ook maar iemand een mop vertelt. Nu ik er over nadenk zou het best eens kunnen dat Geer en Goor zich deze praktijken in het geniep hebben eigen gemaakt voordat ze effe geen cent te makken kregen.

Geïnspireerd geraakt besloot ik het lachen zonder reden zelf eens uit te gaan proberen. Teneinde te voorkomen dat ik gestrekt en geboeid door mannen in witte pakken zou worden afgevoerd, deed ik dit in de veiligste omgeving die ik zo gauw kon bedenken: mijn eigen auto. En zo kwam het dat ik, stapvoets rijdend in zo’n allesbehalve grappige ochtendfile, ineens hardop in lachen uitbarstte. In eerste instantie schrok ik van mijn eigen durf en mijn nogal schelle, totale nep lach. Maar vervolgens vond ik de situatie zo achterlijk dat ik prompt echt moest lachen. Waarna ik me realiseerde dat ik nu vals speelde omdat het immers de bedoeling was dat ik lachte zonder reden. Hetgeen weer een nieuwe lachbui veroorzaakte. Enfin, laten we het er op houden dat ik uiteindelijk zo op tien à vijftien stuks zat en de dag moest nog beginnen. Voorwaar geen slecht resultaat voor een beginneling.

En als je nu nog steeds niet overtuigd bent geraakt: lachen is tenslotte heel goed voor je buikspieren. Dus als je jezelf niet tot in de sportschool kunt slepen om die ellendige, pijnlijke en stomme buikspieroefeningen tot vervelends toe te doen, kun je je nog altijd een sixpack láchen.

Grapje!

Ho-Ho-Ha-Ha-Ha!

© Pascale Bruinen

Last Christmas

Oh, the good old days. Ik betrap me erop dat ik rond deze tijd van het jaar heimwee heb naar de tachtiger jaren. En dan vooral naar Last Christmas, de ultieme kerstvideoclip van Wham! Alle ingrediënten voor de Kerst uit mijn dromen waren erin aanwezig: eindelijk een witte Kerst van onbezorgd lol trappen met leeftijdsgenoten. Een Kerst van sneeuwballen gooien en sneeuwpoppen maken. Maar bovenal een Kerst van een romantisch knapperend haardvuur en met George Michael als mooiste aller cadeaus onder de boom.

Omdat een blog net een biechtstoel is, zal ik hier maar meteen bekennen dat ik destijds een mega crush op de leadzanger van Wham! had. Zolang jullie het maar niet verder vertellen.

Als twintiger zwijmelde ik dus bij die beelden van een grote vriendengroep die in zo’n gemütlich ondergesneeuwd chalet lekker samen Kerstmis ging vieren. Dat wilde ik óó-óók! In plaats daarvan zat ik temidden van allemaal ouderen en gillende neefjes passief-agressief met mijn vork in een reerug te prikken terwijl buiten de regen met bakken naar beneden kwam. Ik zou toen, prettig gestoord als ik ongetwijfeld was, met alle liefde één van mijn vitale organen hebben gegeven als ik in die clip de plaats van die meid met de geinige zwarte krullenbos had mogen innemen.

Want wat was ik jaloers! Ik liep nog net niet groen aan als ik zag hoe ze liefdevol met elkaar door het witte poederige landschap dartelden, stiekem toch-nog-steeds-verliefde blikken uitwisselden aan de kerstdis en dat intieme moment met die gevallen kerstslinger beleefden (George druk in de weer met zilveren kerstslinger boven in de boom; krullenbos op een lagere plek aan het hannesen met een kerstbal; George die zijn kerstslinger laat vallen (expres???); in zijn stuntelige poging om die op te vangen komt hij – oh toeval! – nét iets te kort naast krullenbos neer, waarna ze elkaar nét iets te lang betekenisvol in de ogen kijken). En omdat ik die 4 minuten en 30 seconden lange clip in een masochistische bui ook nog had opgenomen, zag ik ze om de haverklap.

Noem me naïef maar in die tijd had ik echt niet door dat Mr. Michael van de herenliefde was. Hij wist het toen natuurlijk zelf wel, al probeerde hij nog zo de schijn op te houden. Maar in die tijd zagen mijn onbevangen ogen alleen een lekker ding met een geweldige bos haar, parelwitte tanden, mooie ogen en een goed lijf. Een Griekse God was er niks bij. En dan die stem! Anno 2013 kan ik in mijn verdediging alleen maar aanvoeren dat ongeveer de helft van de wereldpopulatie er toen net zo over dacht, inclusief niemand minder dan Prinses Diana die hem gorgeous vond.

Als ik de clip nu bekijk, breekt het zweet me uit. Niet omdat Georgie mij zo opwindt, maar omdat ik werkelijk stekeblind moet zijn geweest om niet te zien dat de goeie jongen nog uit de kast moest komen. Die halflange, geblondeerde, übergestylede en geföhnde haren! Die oorbelletjes links én rechts! En, nu ik er nog eens heel goed naar kijk, de make-up die hij ongetwijfeld op had. Het moment waarop hij met een bontmuts over zijn weelderige blonde lokken met gebronsd gelaat en verdacht roze lippen peinzend staat te kijken naar zijn in de sneeuw spelende vrienden (oh, wat zielig, zo helemaal alléé-héén!) vind ik dat hij zelfs meer op een vrouw dan op een man lijkt. Dit noemen ze ook wel voortschrijdend inzicht.

Mijn toenmalige vriendje, die dit uiteraard wel meteen door had, vond mijn fascinatie voor George dus allerminst bedreigend maar juist amusant. Wat hem ertoe bracht om tijdens menig videoclipmoment  expres te roepen dat ik toch geen schijn van kans maakte omdat ik nu eenmaal geen jongen was. Ik was daarvan niet gecharmeerd. Hoe kón hij nou zoiets zeggen? Terugkijkend verkeerde ik toen misschien – net als mijn idool zelf – in een hevige ontkenningsfase.

Toch blijft de clip leuk. Het is een icoon uit de eighties. Die haarcoupes. Die super oversized kleren. De herinneringen die hij oproept aan mijn eigen twentysomething jaren.

Het liedje heeft de tand des tijds glansrijk doorstaan. Het is en blijft een heerlijke kerstplaat die nog vele jaren mee kan. Dus de komende weken zal ik dit nummer tot vervelends toe opzetten om met gesloten ogen te genieten van zijn warme stem doorspekt met jinglebells en kerstklokken.

En als George, lichtjes hijgend en met precies de juiste dosis heesheid, de passage bereikt waar hij happy christmas fluistert, is het kerstgevoel compleet.

Mijn Kerst kan niet meer stuk.

© Pascale Bruinen

Oordeel zelf…

Last Christmas2

Koeien

Ze zijn weg. Zomaar ineens. Verdwenen. Pleite. Foetsie.

Hoewel ik wist dat deze dag nu ieder moment kon aanbreken, ben ik er onaangenaam door verrast. De koeien zijn door de boer uit de wei gehaald en op stal gezet, waar ze de komende maanden tot mijn oneindig chagrijn zullen blijven. Ik mis ze nu al.

Gisteren stonden ze er nog. Niks zo ontstressend als naar die vreedzaam grazende herkauwers kijken. Zwart-wit gevlekte exemplaren of bont boerenbruin gekleurd. Zesentwintig stuks sterk bevolkten ze het sappige grasland.

Sinds het vroege voorjaar zocht ik ze geregeld op als ik naar buiten ging. Lekker even uitwaaien, mijn hoofd leegmaken of gewoon, samen met H., een gezellig ommetje maken. Ze waren er altijd, zij het dat ze soms in de ene en dan weer in de andere wei opdoken.

Steevast genoot ik van het geluid dat ze maakten als ze gretig het gras lostrokken en aan het kauwen sloegen. Van dichtbij bleken ze wondermooie grote ogen te hebben met van die jaloersmakend lange wimpers. En in welk humeur ik op dat moment ook was, dankzij de koeien verscheen er als vanzelf een glimlach om mijn lippen. Ze maakten me blij en sereen met hun aanwezigheid.

Ik heb ze ademloos gade geslagen toen ze, eindelijk bevrijd uit de donkere krochten van hun stal, vreugdedansjes maakten in het frisgroene lentegras. Nooit geweten dat deze toch wat log ogende dieren zo sierlijk konden bewegen. Ik werd er zelf acuut vrolijk van. En heb je de pech dit nooit live te hebben gezien, kijk dan naar het filmpje op www.youtube.com/watch?v=EFwar_GkK6QInstant geluksgevoelens gegarandeerd.

Wat later in het jaar heb ik ze bewonderd met hun aandoenlijke en nieuwsgierige kalfjes, waarbij de moeders mij waakzaam in het oog hielden als ik naar hun smaak iets te dicht bij het hek kwam.

Tijdens de zomerhitte kon ik langere tijd naar ze staren om te zien hoe ze alle 26 gezusterlijk in de schaduw van de lommerrijke bomen lagen, terwijl hun kaken eindeloos kauwden, hun oren zich af en toe spitsten en hun staarten op en neer zwiepten in niet aflatende pogingen om die hinderlijke vliegen te verjagen. Veel Nederlandser dan dit wordt het niet.

Tijdens een van mijn wandelingen zag ik dat er een touw over de weg was gespannen. De boer was druk in de weer om de koeien van de ene wei naar de andere wei te loodsen. En daar kwamen de dames, met twee à drie naast mekaar, in een nette rij de weg over gestoken. Het zag er idyllisch en landelijk uit. Het rook naar vroeger.

Ik knoopte een praatje aan met de boer, gestoken in de onvermijdelijke blauwe overall met rubber laarzen. En nee, voor hem geen kekke motiefjes erop maar gewoon de ouderwetse groene variant. Zijn gezicht en handen vertoonden de gebruinde en wat ruwe tekenen van het boerenbuitenleven.

Tijdens ons gesprekje vertelde hij me desgevraagd dat hij al zijn koeien “kende” omdat  ze allemaal een eigen karakter hebben. En dat ze best wel slim zijn. Nu had ik, kijkend naar hun gedrag, dat zelf ook al gedacht. Per slot van rekening zoeken ze niet voor niets beschutting tegen de elementen onder bomen of afdakjes.

Als ik over dit onderwerp rondstruin op internet stuit ik op een site van een dierenartspraktijk  (www.daphorst.com) die mij hierin bevestigt: “Gezonde en blije melkkoeien zijn nieuwsgierig, attent en lopen of rennen in de stal of in de wei. Er wordt meestal ook een behoorlijke tijd besteed aan “speel en onderzoek” gedrag. Hierdoor ontdekken deze gezonde koeien waar ze kunnen eten, drinken, worden gemolken en waar ze uit de stal of uit de wei kunnen! Daarbij zijn koeien slim om te onthouden waar ze worden “beloond of bestraft” voor een bepaald gedrag of activiteit: je kan ze dus bijzonder snel iets aanleren.”

Zo. Zijn we hopelijk voor eens en voor altijd van dit vooroordeel over onze viervoeters verlost.

Maar als ik een ander koeiengerelateerd bericht lees, slaat me de schrik om het hart. Ene Jan van Weperen, melkveehouder, beweert in een artikel van het Financiële Dagblad dat in 2020 maar liefst 80% van de Nederlandse koeien niet meer buiten zal komen. Om daaraan toe te voegen: “Daar moet je niet moeilijk over doen.”

Niet moeilijk over doen? Dit is ronduit verschrikkelijk! Als je aan koeien komt, kom je aan mij. Met wild kloppend hart lees ik verder: “De boer moet steeds groter worden om zijn of haar inkomen op peil te houden. En hoe groter de bedrijven, hoe moeilijker het wordt koeien buiten te laten grazen. De afstand tot de melkmachine wordt te groot. Bovendien wordt het een baggerzooi als je zoveel koeien naar buiten stuurt. (…). Daar heb je een half jaar schade van. (…). Ook door mestregels is het aantrekkelijker om koeien binnen te houden.”

Ik kan en wil me dit scenario niet voorstellen.

Daarom bij deze hulde voor FrieslandCampina die het buiten grazen van onze koeien, die een kenmerkend deel uitmaken van “het Nederlandse cultuurlandschap”, wil proberen te behouden door middel van een “weidegangtoeslag” van 0,50 euro per 100 kg melk. Om deze toeslag te ontvangen, moet een melkveehouder zijn koeien gedurende minimaal 120 dagen per jaar, ten minste zes uur per dag in de wei laten grazen. 

Misschien is er dus nog hoop. Want in een ander artikel zegt het Centrum voor Landbouw en Milieu dat uit onderzoek blijkt dat 22% van de huidige opstallers voor één cent de kg vergoeding de koeien weer buiten laat. Ik had het kunnen weten. “It’s all about the money”.

Laten we daarom als goed voornemen voor 2014 vaker weidemelk Van FrieslandCampina kopen voor die halve cent extra per liter. Want voor onze prachtige herkauwers is het vijf voor twaalf.

En dat is een waarheid als een…

Juist ja.

© Pascale Bruinen

Kies Voor Koeien

Kies Voor Koeien2

Laat ze niet in de steek! Steun de Stichting Weidegang zodat dit mooie exemplaar en al haar medegrazers lekker buiten mogen blijven!

Het Laatste Blad

Ik heb de laatste weken steeds minder energie. Dat heb ik altijd in deze tijd van het jaar. Zodra het vocht in de lucht komt, de spinnen hun webben maken en de temperatuur verder omlaag gaat, moet ik mijn reserves aanspreken.

En ik ben hier bepaald niet de enige. Links en rechts van me, boven en onder mij, zie ik hetzelfde beeld.

Ik voel gewoon dat mijn frisgroene kleur valer wordt. Ik heb ook steeds meer dorst maar Grote Vertakte Stam verrekt het om nog de kraan open te draaien. Het is hem gewoonweg te koud. Hij moet ook aan zijn toekomst denken, zo zei hij me laatst. “Het is jullie of ik”, durfde hij me zelfs toe te bijten. Hij neemt werkelijk geen blad voor de mond.

Geen stijl, vind ik persoonlijk. Ik bedoel, ik heb hem toch maar al die afgelopen maanden verfraaid met mijn prachtige uiterlijk. Toen ik pas in de knop zat, was ik wel van harte welkom. Ja, ja, het is overal hetzelfde. Ook Grote Vertakte Stam heeft het liefst een jong blaadje. Bah. Het is niet eerlijk.

Ondertussen droog ik iedere dag een beetje meer uit. En ik heb nog zo geprobeerd om bij Grote Vertakte Stam in een goed blaadje te komen in de hoop dat hij wellicht voor mij een uitzondering zou willen maken. Maar niks heeft geholpen. Dus ben ik nu ook langzaam van kleur aan het verschieten. Dezer dagen erger ik me letterlijk groen en geel aan mijn gastheer.

Hetzelfde geldt trouwens voor mijn buren. Sommigen willen niet langer wachten op het moment dat Grote Vertakte Stam ze definitief afstoot na bewezen diensten. Die springen zelf al naar beneden. En dat ís me een duizelingwekkende hoogte. Tja, ergens snap ik het ook wel. Ondank is ’s werelds loon.

Dit is typisch zo’n moment om terug te kijken. Oh, wat heb ik lang moeten wachten voordat ik me kon ontvouwen na die barre, eindeloze winter. Pas ergens in april heb ik me stukje bij beetje uitgerold. Eindelijk kon ik mij helemaal ontvouwen in al mijn bladerige schoonheid. Mijn lichtgroene kleur was zo fel dat hij die vreemde wezens op twee poten pijn moet hebben gedaan aan de ogen. Maar prachtig dat ik was! Ik zat strak in mijn nerven en blonk dat het een lieve lust was.

Ik koesterde me in de stralen van die grote gele bol, die me levenslust en energie gaf. Grote Vertakte Stam liet zijn sappen rijkelijk stromen, waardoor ik op mijn mooist werd.

Het waren fantastische maanden. Het was zo heerlijk en gezellig om samen met alle anderen te ruisen en ritselen als een zacht briesje langs ons heen trok. Af en toe werd het in de zomer wel wat erg warm, maar ik kon het dankzij mijn hoge vochtgehalte en gebruikmaking van de schaduw verschaft door mijn collega’s gemakkelijk aan. Alleen die vogels, hè? Ik ben de tel kwijt hoe vaak zo’n domme duif of brutale ekster op me gescheten heeft. Gatverdegatver. Dan was het elke keer weer ongeduldig wachten totdat een mals zomerbuitje mij weer lekker schoon spoelde.

En dan die herfststormen! Vooral die ene, van laatst. Jeetje, ik ben niet gauw windziek maar dit keer scheelde het niet veel. Ik hing ook al niet meer helemaal vast aan Grote Vertakte Stam, dus het was werkelijk levensgevaarlijk. Ik heb me wat op en neer gebungeld, tjonge jonge. Maar ook dit heb ik doorstaan. Al heeft die orkaan ons wel uitgedund. Op een gegeven moment hing er nog maar één lotgenoot – bepaald geen onbeschreven blad – een tak of zeven verderop.

Inmiddels ben ik de allerlaatste. Zo is het echt niet meer leuk. Iedere windvlaag kan mijn laatste zijn. Mijn gele kleur is nu doorspekt met bruine vlekken. Ik hang allang niet meer op kracht, maar puur op karakter.

Whoezzz. Ik voel dat de lucht zich rondom mij verplaatst. De wind speelt met me, rukt aan me. Oh, oh! Mijn steel laat Grote Vertakte Stam nu echt los. Het volgende moment voel ik dat ik val.

Daar ga ik. Het is minder erg dan ik dacht. Het lijkt wel of onzichtbare handen mij voorzichtig doorgeven en langzaam naar beneden wiegen. Ik zweef zachtjes tussen takken door die ik nooit eerder heb gezien. Nu dwarrel ik lieflijk langs de stam, die ik nooit eerder van zo nabij heb kunnen bekijken. Ik draai een paar keer als in een vertraagde opname rondom mijn as en kom wentelend steeds dichter bij de grond.

Oeps, ik ben geland. Veilig en wel lig ik op de stenen die ik van bovenaf zo vaak heb bekeken. Ik kijk eens omhoog. Wow! Grote Vertakte Stam ziet er indrukwekkend uit, met zijn vele – nu kale – armen zo ten hemel gespreid.

En terwijl de wind me opneemt en meevoert, ben ik trots dat ik een onmisbaar deel van hem ben geweest.

© Pascale Bruinen

Het Laatste Blad

Zie je me hangen, daar links? Ik ben echt op dat moment nog de enige.

Het Laatste Blad2 En hier zie je me van dichtbij.

Gans Alleen

Ik hoor ze lang voordat ik ze zie. Ze kondigen hun komst aan met luide en opgewonden “Gák Gák Gák” geluiden, waarbij je de “g” moet uitspreken als die in Lady Gaga.

Het zijn ganzen die in een prachtige V-formatie overvliegen. Meestal niet vanuit ons land op weg naar het warme zuiden, zoals een hardnekkig misverstand luidt. Een rondgang op internet leert dat ze juist vanuit het noorden hierheen komen. Ganzen vinden ons landje wel cool, met al dat water en die weilanden waar ze kunnen grazen. Jawel, grazen. Want net als koeien houden ganzen van gras.

Door zo vlak bij elkaar te vliegen profiteren ze van de opstijgende wervelingen. Met dank aan de vleugelslagen van de gevederde voorganger. Dat bespaart hen de helft van de noodzakelijke energie tijdens het vliegen. Misschien iets voor Ryanair? Moeten ze met een stel van die Airbus A320’s in een V-vorm door Europa vliegen, eens kijken wat dat scheelt in het brandstofverbruik. Ben je ook meteen af van dat te-krap-tanken-probleem.

In de achterhoede van de V zie ik dat sommige ganzen van positie wisselen. Zo worden de  krachtsinspanningen over de hele groep verdeeld. Ook dat is hartstikke slim. Zo dom zijn die gansjes dus toch niet.

Ik kantel mijn hoofd steeds verder achterover om de ganzen zo lang mogelijk te kunnen volgen. Het zijn er tientallen. Nadat ik een grote hoofdletter V heb zien overvliegen, zie ik daarna nog een kleine letter v van een stuk of 12 erachteraan gaan. Laatkomers, zo vermoed ik. Niks menselijks is de gans vreemd.

Deze trekvogels zijn ook mondig. Want tijdens het vliegen, zo lees ik later op Wikipedia, praten de ganzen met elkaar. “De achterste ganzen moedigen de voorste aan om op snelheid te blijven”. Wow. Prompt zie ik een beeld waarbij een stel ganzen, uitgedost in piepkleine oranjekleurige outfits, al kakelend recht boven Thialf vliegen. Misschien dat dan niet alleen de voorste ganzen, maar ook Sven Kramer dan nog harder dan normaal gaan.

Gefascineerd lees ik verder. “Een gans kan snelheden tot maximaal 46 kilometer per uur halen.” Dat is wel even iets heel anders dan “in ganzenpas lopen”. Want volgens de Dikke Van Dale is dit een “militaire pas waarbij het been hoog gestrekt wordt en de voet vervolgens met kracht wordt neergezet”. Tja, dat zie ik deze ganzen nog niet zo 1-2-3 doen, moet ik je eerlijk zeggen.

Hun aanblik levert me dubbele gevoelens op. Enerzijds biedt het me troost te zien dat sommige dingen nooit veranderen in onze turbulente wereld. Ondanks de gedoogsteun van D’66 aan het kabinet, tientallen ex-politici die wachtgeld incasseren (al dan niet met een vrijwilligersbaan in Barcelona) en de diplomatieke rel tussen Nederland en Rusland vliegen de ganzen nog steeds gewoon in V-vorm.

Anderzijds geeft het me ook een onbestemd gevoel. Komen ze nu aan vanuit het hoge noorden om hier de winter met ons door te brengen of verlaten ze ons toch nog? Misschien willen ze niet wachten op een eventuele zwarte pietloze Sinterklaas, horror-winter of een weer te elfder ure afgelaste Elfstedentocht. En geef ze eens ongelijk. Nee. Ze laten ons er maar mooi alleen mee zitten, denk ik. Als de spreekwoordelijke ratten die het zinkende schip verlaten.

Als ook de laatste trekvogel uit mijn blikveld is verdwenen, moet ik even zuchten.

Even voel ik me alleen.

Gans alleen.

© Pascale Bruinen

Gans Alleen

Watskeburt?

Met het bereiken van respectievelijk de achttien plus en negentieneneenhalf-jarige leeftijd zijn mijn kids, in ieder geval toch officieel, eindelijk gearriveerd bij de jaren des verstands. Althans, dat hoop ik.

In hun pubertijd die – nipt – achter me ligt, waren ze altijd zo met zich zelf bezig dat het vaker leek alsof ik een hotel runde in plaats van een gezin. Wel ultra platinum all-inclusive, natuurlijk. Dus met drie voedzame maaltijden per dag, schier ongelimiteerde snacks en allerhande activiteiten (gratis wifi!!!) bij de prijs inbegrepen.

De pubergast kwam doorgaans alleen naar beneden als hij of zij gelaafd en gespijsd wenste te worden, maar daarbuiten liep ik – soms letterlijk – tegen een gesloten kamerdeur aan.

Nu had ik wel altijd gedacht dat ze me zeker te hulp zouden schieten als er een keertje iets vervelends in huis met me zou gebeuren. Zoals laatst.

Ik ben me boven aan het haasten om op tijd op een afspraak te komen. Ik probeer mijn horloge om te doen terwijl ik met twee treden tegelijk de trap af wil rennen. Nou kan ik inderdaad vaak twee of soms wel drie dingen tegelijkertijd doen, maar dit huzarenstukje lukt me niet. Want ik struikel prompt over mijn eigen voeten, zodat ik met een daverend “boem-boem-boem” vanaf ongeveer halverwege de resterende traptreden af dónder in plaats van loop.

Ik maak een flinke smak maar heb gelukkig niks gebroken of anderszins beschadigd. Wel ben ik me kapot geschrokken en sta ik onder in de hal nog wat onwennig na te trillen.

Verwachtingsvol bedenk ik wie van beiden, mijn zoon of dochter die gelukkig allebei thuis zijn, nu ieder moment gek van bezorgdheid to the rescue komt. Maar al wat ik zie, er komt geen nageslacht met gezwinde spoed naar beneden.

Vanaf een afstandje hoor ik mijn dochter iets vaags roepen dat klinkt als “Watskeburt?” Oh niks, hoor, ik heb alleen zojuist bijna mijn nek gebroken. Maar ga gerust verder met je haren in model te brengen.

Als ik uiteindelijk met nauwelijks verholen sarcasme bozig terugroep dat ik alleen maar van de trap ben gevallen, valt er even een hoopvolle stilte. Ik ga er van uit dat ze na deze schokkende mededeling haar deur opengooit en naar beneden snelt, vol als ze is van liefdevolle ongerustheid. Maar even later hoor ik enkel een vrolijk: “Oké!”. Ja, jij ook bedankt.

Van mijn zoon hoef ik ook al niks te verwachten. Die is zo druk en luidruchtig bezig met het maken van het ultieme muzieknummer dat hij helemaal niks kán hebben gehoord van mijn  potentieel fatale valpartij, al zou hij het willen.

Ik zou úren gewond onderaan de trap hebben kunnen liggen.

Of in ieder geval toch tot het moment dat mijn hotelgasten tevergeefs zouden hebben gebeld voor roomservice.

© Pascale Bruinen

watskeburt

Ook zo’n pubers in huis (gehad)? Deel dan hier je lief en/of leed!

Echte Vrouwen

Afgaand op het beeld in de damesbladen, op de catwalks en in films en tv-series zijn vrouwen allemaal jong, dynamisch en mooi. Ze hebben vrijwel zonder uitzondering een egale teint, lang en glanzend haar dat altijd in model blijft en een strak en subtiel gespierd lijf. Om maar te zwijgen van een akelig symmetrisch gezicht, met de perfecte neus (niet te breed, niet te smal, niet te puntig of te rond) en volle mond.

Geen wonder dat je als wezen met twee X-chromosomen bij dit soort lichtende voorbeelden al in rap tempo een minderwaardigheidscomplex dreigt te ontwikkelen, waarvoor je vervolgens – soms jarenlang –  in therapie moet.

Want ook al weten we inmiddels dat die fotomodellen, tv-starlets en voetbalvrouwen leven in een reservaat waar ze 24/7 worden verwend door make-up artiesten, kappers en nagelstylistes en – of dat nog niet genoeg is – vervolgens ook nog worden gefotoshopt bij het leven, we willen er stiekem eigenlijk ook zo goed of toch in ieder geval zo verzorgd uitzien. Hoe anders is de rauwe werkelijkheid.

Nergens zie je die beter dan op een zomerse stranddag.

Je hoeft maar vanaf je handdoekje om je heen te kijken om te weten dat je niet de enige bent die geen flawless skin, strakke kont of sierlijke voeten heeft. Want buiten het reservaat, in het wild, zie je Echte Vrouwen.

Echte Vrouwen blijken spataderen, puistjes en moedervlekken te hebben. Echte Vrouwen zijn soms de weinig trotse bezitters van een vette, verwaaide of ouderwetse coupe hopeloos. En Echte Vrouwen zijn vaker gezegend met vetrollen, pigmentvlekken of eksterogen.

Maar ook kalknagels, O- of juist X-benen en hamertenen kunnen lichaamseigen kenmerken zijn van Echte Vrouwen. En niet te vergeten de heilige drie-eenheid: wallen, hangende oogleden en donkere kringen. Of wat te denken van flaporen, onregelmatige tanden en een overbeet?

Als je al geluk hebt dat je dat allemaal niet hebt, kan er wel sprake zijn van terugtrekkend tandvlees, rimpels en rode pukkels op de gekste plaatsen. Of kraaienpootjes, cellulitis en kipfilets waar bovenarmen zouden moeten zitten. En een onderkin (of twee), een slappe kaaklijn of littekentje hier en daar.

Klotsende dijen, knobbelige knieën en hangborsten. Haren waar je ze niet wilt en geen haren waar je juist o zo graag méér (en dikkere) zou willen. Een bijna non-existent of juist weer veel te groot achterwerk.

Nu hóór ik jullie gewoon denken: waar heeft ze zelf last van? Dat ga ik natuurlijk niet verklappen. Maar ik zal jullie wel een stille hint geven: ik ga niet voor niets geregeld naar de kapper (van mezelf heb ik een stomme slag in mijn haren en een onbestemde, nietszeggende kleur). Daarnaast werk ik me natuurlijk niet puur voor de lol drie keer per week in het zweet bij de body pump in een voortdurend gevecht tegen de zwaartekracht. En, o ja, ik smeer me iedere dag een ongeluk met allerhande crèmes en concealers. Get the picture?

Mannen hebben hier nooit last van. Wacht even, begrijp me niet verkeerd. Mannen kunnen – met uitzondering misschien van cellulitis – natuurlijk evengoed alle kenmerken hebben die ik zojuist opsomde (inclusief hangborsten, als ze echt pech hebben). Alleen hebben zij niet Het Perfecte Rolmodel waarmee ze zich voortdurend meten. En daarom hebben de heren, zo lijkt het, daar hoegenaamd geen boodschap aan.

Tuurlijk, in een vlaag van bewustzijnsvernauwing snappen ze heus wel dat ze bepaald geen Robert Pattinson, Patrick Dempsey of Hugh Jackman zijn, maar vinden ze dat erg? Nee, het houdt ze gewoonweg niet bezig. Want heb jij ooit wel eens mannen betrapt die, gezeten in een gezellig kringetje, hun bierbuiken, scheve neuzen mét weelderige binnenbegroeiing en wijkende haargrenzen over en weer aan het inspecteren zijn? Dat dacht ik al.

Ten eerste: áls mannen al bij elkaar gaan zitten, is het meestal niet in een kring maar semi nonchalant door elkaar heen. Vervolgens, zo stel ik me voor, slaan ze zich joviaal op de schouders, ontkurken ze bierflesjes met hun tanden en maken ze foute grappen tussen het boeren door (sorry heren, wellicht is dit wat al te kort door de bocht maar dan komt het door de beeldvorming van RTL 7 en al die voetbalprogramma’s).

En ten tweede: mannen onder mekaar zullen niet in gezamenlijk geweeklaag uitbarsten bij het zien van zo’n mannenbuik die 6 maanden zwanger lijkt maar er juist een bemoedigende pets op geven, onderwijl vrolijk roepend: “Lekker genoten van die goudgele rakkers, hè?!”

Misschien, heel misschien, moeten wij Echte Vrouwen dit ook zo gaan doen. En moeten we ons dus, daar waar het op lichamelijke imperfecties aankomt, meer als mannen gaan gedragen. Niet meer: “Eek!!! Een r-i-m-p-e-l! Waar is de botox?”, maar: “Goh, een lachrimpel. Zo kan iedereen zien dat ik lol heb in het leven!”. Of: “Héllup…twee spataders!” wordt voortaan vervangen door: “Hee, spataders, leuk! Dankzij die te knellende skinny jeans ben ik nu toch maar mooi een wandelend kunstwerk!” En bij het zien van die allereerste grijze haar zeggen we niet langer: “F..k! Dubbel f..k! Ik word nu echt stókoud!” maar: “Welkom, grijze haar, teken van veel levenservaring en wijsheid!”

Want als wij Echte Vrouwen elkaar maar vaak genoeg blijven complimenteren in plaats van elkaar neer te sabelen, leren zelfs wij uiteindelijk onze fysieke tekortkomingen niet alleen te accepteren maar ook te omarmen.

Al zullen wij dit wel altijd in een gezellig kringetje blijven doen.

© Pascale Bruinen

Echte Vrouwen

Zo kun je het ook zeggen…

Participatiemaatschappij

Ik zit in de trein richting Utrecht Centraal. Tegenover me zit een twintiger, strak in het pak met een opvallend hoogblond kapsel dat over zijn ogen valt. Hij is druk bezig met zijn witte i-phone 5. Zijn leren schoenen zijn een trendy kleur groen. Het zou zo het jongere broertje van Jort Kelder kunnen zijn.

Ik ben net door mijn kranten heen en kijk uit het raam. Buiten gloort een zonnige en nagenoeg windstille herfstdag. Je weet wel, zo’n dag met perfect fotolicht. De warme, wondermooie gloed zorgt ervoor dat alle contouren van het landschap haarscherp aftekenen tegen de strakblauwe lucht.

We rijden station Eindhoven binnen. Een grijze dame op leeftijd, gekleed in een beige jas en een bruine tweedbroek, komt de coupé binnen. Ze loopt nog goed, zij het met een stok. Met een vrolijk en luid uitgesproken “Goedemorgen!”, gaat ze aan de overkant van het gangpad bij het raam zitten. Ik groet haar terug, net als de vrouw naast wie ze een plekje heeft gevonden. Onze Jort kijkt niet eens op. Over “Hoe heurt het eigenlijk?” gesproken.

De vrouw kijkt met een lichte glimlach om haar onopgemaakte lippen naar het voorbij flitsende landschap van weiden, sloten en boerderijen. “Ach, ik verheug me toch zo op die prachtige najaarskleuren van de bomen!”, zegt ze opeens tegen niemand in het bijzonder.

“Oh ja? Ja, die zijn ook mooi”, beaamt haar buurvrouw die uit beleefdheid haar boek even op haar knieën legt.

“Dat is toch ieder jaar weer een schitterend spektakel, niet? En dat krijgen we helemaal gratis en voor niks. De natuur kent geen crisis”, besluit de bejaarde vrouw haar betoog.

In stilte geef ik haar groot gelijk. Zo had ik het nog niet bekeken. Ze lijkt me een wijze vrouw die volop van het leven wil genieten. Ik kijk eens steels naar haar. Ze kijkt aandachtig naar buiten met een serene uitdrukking op haar gezicht. Ik zie maar weinig rimpels. De tijd is mild voor haar geweest.

“Ik moet naar Den Bosch”, zegt ze als de trein nog zo’n vijf minuten is verwijderd van haar bestemming. “Ik ga er vrijwilligerswerk doen. De ouden van dagen wat gezelligheid bieden. Dat vind ik toch zo leuk om te doen!”. Ze trekt haar jas weer aan, pakt de stok en hangt haar bescheiden handtas over haar arm.

Ik geloof haar meteen. Haar hele voorkomen ademt vriendelijke betrokkenheid. En kennelijk ziet ze zichzelf ondanks haar gevorderde leeftijd niet als deel van de doelgroep voor wie ze helemaal naar Den Bosch reist. Heerlijk, zo’n positieve en hulpvaardige instelling. Ik verdenk haar ervan zo goed uit te zien dankzij die levenshouding.

De trein remt af en rijdt Den Bosch binnen. De krasse dame zegt de hele coupé vriendelijk gedag en stapt uit. Als we weer langzaam het station uitrijden, tuur ik naar het perron om te zien waar ze is gebleven. Dan zie ik haar ineens lopen, fier rechtop. Ze heeft een langzame maar zekere tred.

Daar gaat ze.

De participatiemaatschappij in levende lijve.

© Pascale Bruinen

participatiemaatschappij2

Weer Voor Leer

Na weken van zomerhitte is de temperatuur plotseling gedaald naar zo’n vijftien graden. Hoewel ik het weerbericht maar al te goed heb meegekregen, weiger ik koppig om te buigen voor deze laffe daad van seizoensverraad. Het is nota bene nog officieel zomer.  Meteorologisch gezien misschien niet, maar bij mij mag de herfst toch echt niet eerder dan 21 september zijn grijze, buiige en winderige gezicht laten zien.

Dus doe ik net of ik gek ben en trek een flinterdun jurkje aan. Met driekwart mouwtjes als enige concessie. En omdat het zo enig staat, kies ik de open, frisgroene suède sleehakken voor aan mijn voeten. Net voordat ik de deur uit ga, zie ik dat het regent. Correctie. Het komt met bakken uit de hemel. Met veel gevoel voor drama zucht ik eens diep en ruk met opeengeklemde kaken mijn regenjas achter uit de kast.

Ik ben nog niet buiten, of een fikse koude windvlaag grijpt de rok van mijn jurk en blaast die nog net niet over mijn hoofd. Gelukkig heb ik dit Marilyn Monroe-moment nog vlak bij mijn voordeur en niet midden in de stad. In een paar passen ben ik bij mijn auto, maar dat voorkomt niet dat ik al enigszins doorweekt ben tegen de tijd dat ik achter het stuur neerplof.

Ergens hoor ik een stemmetje dat me influistert om verstandig te zijn en me te gaan omkleden in iets warmers. Omdat ik nu al aan het kleumen ben, zou dit geen gek idee zijn. Maar in plaats van hierop in te gaan, doe ik of ik gek ben, start de motor en rijd weg. De airco, die nog op een hoogzomerse 17,5 graden stond afgesteld, draai ik fluks naar 22 graden. Zo kan ik in ieder geval het binnenklimaat mijn wil opleggen. In korte tijd is het aangenaam subtropisch in mijn middenklasser.

Al rondkijkend van achter mijn stuur, blijk ik zowat de enige te zijn die nog zo eigenwijs zomers gekleed is. Niemand heeft open schoenen aan, sterker nog: blote benen zijn van het ene op het andere moment een schaars goed.

Wat ik wel zie, is leren jasjes. Heel veel leren jasjes. Een bruin leren jasje, een kek rood exemplaar à la Máxima, het klassieke zwarte. Een oudere vrouw draagt een leren colbert, een man een driekwart jas van hetzelfde materiaal. Een scholiere combineert haar ultrakorte en nauwsluitende jasje elegant met een mooie sjaal, een jonge moeder met kind fietst voor me in een jaloersmakende groene creatie.

Nu ik er eenmaal alert op ben, zie ik ze werkelijk overal in het straatbeeld opduiken. Het lijkt wel of er een stilzwijgende afspraak is gemaakt om vandaag massaal dit kledingstuk aan te trekken, als ware het een leather flash mob. 

De beelden doen mijn gedachten afdwalen naar mijn eigen, trouwe en troostrijke leren jasjes. Sommige heb ik al jaren, andere pas een seizoen. Maar ze hebben allemaal met elkaar gemeen dat ik me altijd gelukkig voel als ik ze aan heb. Stoer maar toch vrouwelijk. En die geur! Het geluid dat de mouwen maken als je je armen beweegt. Die gladde of juist wat ruwere textuur van het leer.

Het is niet voor niks dat ik H. al tijden probeer te overtuigen om ook eens een leren jasje aan te schaffen. Zo in de trant van Marlon Brando in zijn beste jaren (google maar eens op The Wild One, dan krijg je een idee). Nou ja, het is nou ook weer niet mijn bedoeling dat hij door kan gaan voor een prospect van de Hells Angels. Maar een gewone leren jas zou al leuk zijn. Helaas is hij er niet voor te porren. Althans, nog niet.

Het cliché is waar: leren jasjes worden doorgaans alleen maar beter, mooier en soepeler met het verstrijken van de jaren. Ze zijn lekker ruig op een broek, maken ieder rokje op slag minder truttig en kunnen vrijwel het hele jaar door gedragen worden. Zeker op herfstige nazomerdagen.

Wáárom ben ik nou zelf niet op die lumineuze gedachte gekomen? Ik had het desnoods over mijn zomerjurkje aan kunnen trekken, gewoon mix ’n match, geen enkel probleem. Kin omhoog, rug recht en borst vooruit. Als je deze houding combineert met een stralende glimlach of een verveelde gaap kom je met alles weg, zelfs met het dragen van die gedrochten die je bij veel modeshows ziet.

Ondertussen zit ik me al te bedenken welk jasje ik bij thuiskomst als eerste eens zal aantrekken. Dat mooie donkerbruine? Het zwarte? Of toch het onvolprezen beige? De naderende herfst is zo erg nog niet.

Het is weer voor leer.

© Pascale Bruinen

Is een leren jasje ook een van jouw favoriete kledingstukken? Deel je ervaringen dan hier!

Travel Light (2)

Eén dag voor vertrek. Ik ben al dágen aan het inpakken. Eerst alleen in gedachten, daarna voor het eggie. Mijn koffer begint er verdacht vol uit te zien als ik me met een schok realiseer dat ik ook nog zo iets vervelends en noodzakelijks als ondergoed en sportkleding mee moet nemen.

Als ik met rood aangelopen hoofd probeer om de rest van de spullen in alle hoeken en gaten te proppen, stapt H. ineens op me af en houdt me een krantenartikel onder de neus met de veelzeggende titel “Vrouw neemt te veel mee”. Als ik het snel scan, blijkt dat Brits onderzoek bevestigt dat vrouwen kennelijk maar liefst twee derde van de ingepakte kleding in de koffer laten liggen. Oh ja? Oh.

“Voor een vakantie van twee weken dragen ze 57 van de 152 ingepakte stukken”, lees ik tot mijn verbijstering. 152 stukken??? Dat lijkt me absurd! Terwijl ik gezeten op mijn koffer probeer om het deksel dicht te krijgen, lees ik gefascineerd verder. “Tachtig procent van de vrouwen geeft toe niet “licht” te kunnen reizen (…). Ze pakken extra “voor het geval dat”. Hee, dát herken ik. Niks mis mee, lijkt me. Toch?

“Naast kledij gaan zonnecrème, make-up en haarverzorgingsproducten in overvloed mee”. Tja, what can I say? Guilty as charged. 

“Resultaat? Eén derde moet bijbetalen op de luchthaven. De helft liegt tegen de partner over het gewicht van de koffer zodat ze niets hoeven achter te laten”. Aaahh, jammer dat H. dit nu al gelezen heeft.

“Ook de handbagage wordt maximaal volgepropt met extra ondergoed, een setje reserve-kledij, badkledij en zelfs schoenen voor als de koffer verloren zou gaan”, lees ik verder. Kijk, dát vind ik nou een verstandig idee. Het artikel sluit af met: “En natuurlijk wordt er op vakantie ook geshopt, waardoor de koffer nog zwaarder is bij terugkeer”.

Speaking of which, ik moet mijn koffer nog wegen want ik mag maar maximaal 23 kilo meenemen. En daar zit je zo aan met een paar schoenen links en rechts erbij.

Het feit dat ik me bijna een breuk til als ik mijn koffer op de weegschaal zet, voorspelt al weinig goeds. En inderdaad, tot mijn schrik zit ik al op 24,7 kilo en ik heb nog niet eens álle combi’s voor die twee weken ingepakt.

Gesterkt door het artikel besluit ik dat ik rigoureus te werk moet gaan en begin ik her en der van alles er uit te kieperen. Hup, twee bikini’s minder is ook niet erg. Eén petje in plaats van twee, de helft van het ondergoed want ik heb ook nog een handwasmiddel bij me en een extra dikke trui, vest en spijkerbroek? Belachelijk, ik ga richting de 33 graden dus weg ermee. Als ik ook nog twee paar slippers, 1 pareo, een paar schoenen met hoge hak en een hele kluwen sjaaltjes eruit heb gehaald, zie ik tot mijn tevredenheid dat de weegschaal nog maar 21,9 kilo aangeeft.

Al neuriënd ruim ik, tevreden met mijn nieuwe minimalistische houding, de overtollige spullen terug in de kast. Maar dan valt mijn oog ineens op die ene rok die ik eerder niet had durven inpakken. Die kan nu best nog mee, ik heb nu immers zat gewicht over. En oh, dat schattige topje, dat weegt toch niks. Hee, die ene omslagsjaal is bijna doorzichtig dus die kan niet meer dan een paar gram wegen. En nu ik toch bezig ben, kan ik evengoed dat paar te leuke hooggehakte schoenen en die twee bikini’s er weer bij doen.

Als ik eindelijk alles er in heb, zet ik de koffer nogmaals op de weegschaal. Wát? Hij geeft 23,6 kilo aan. Snel neem ik lukraak wat spullen eruit en frommel die onderin het keurig onder gewicht zijnde koffer van H.

Die gouden tip stond nog niet in het krantenartikel.

© Pascale Bruinen

inpakstress

Ook lijdend aan inpakstress? Of ben jij juist een van die onbezorgde types die een half uurtje voor vertrek alleen het hoognodige in een mini-koffer stopt? Deel je inpak-ervaringen hier!

Travel Light (1)

De vakanties zijn achter de rug. Maar terugkijkend verwonder ik me nog steeds over mijn keuze-stress bij het inpakken van de koffers.

Iedere vakantie gaat dit als volgt.

Eén week voor vertrek. Hmmm…volgende week inpakken. Dat betekent dat ik nu alvast sommige favoriete kledingstukken niet meer aandoe want anders moeten die te elfder ure nog gewassen en gestreken worden.

Vijf dagen voor vertrek. Ik heb de nodige kleren niet meer aangetrokken omdat ik die wil meenemen. Nu doet zich altijd een bizar verschijnsel voor: de kleren die ik wél aantrek omdat ik ze níet meeneem, vind ik plots zó leuk staan dat ik me afvraag waarom ik ze eigenlijk hier laat. Gevolg: de hele inhoud van mijn kasten (ja, meervoud) is potentiële vakantie-kleding en dus kan ik eigenlijk niks meer aan behalve een verdwaalde dikke wollen coltrui.

Drie dagen voor vertrek. De koffers, twee mega-exemplaren en twee voor handbagage, worden met veel ceremonieel vertoon van zolder gehaald en pontificaal uitgestald. Vanaf dit moment begin ik zo ongeveer 24 uur per dag te brainstormen over wat allemaal mee zou moeten.

Travel light is niet echt aan mij besteed, vrees ik. Daarom ben ik ook zo jaloers op een Floortje Dessing die volgens mij met slechts één onderbroek, haar paspoort, creditcard en tandenborstel vertrekt voor wekenlange reizen naar weet ik wat voor godvergeten oorden. Hoe doet ze dat toch?

Alleen als ik met Ryanair vlieg met uitsluitend maximaal10 kilo aan handbagage, slaag ik er – noodgedwongen! – in om slechts het hoognodige in te pakken. En dan moeten mijn kleren, schoenen, handtas, dat stomme doorzichtig plastic zakje met vloeistoffen, boek, laptop, paraplu, kortom: alles maar dan ook álles in dat ene handbagage-koffertje gepropt worden. Maar dat is voor een weekendje weg. Nu ga ik twee hele wéken.

Twee dagen voor vertrek: ik moet nu echt gaan inpakken en snel ook. Het gepieker van de afgelopen vierentwintig uur heeft ertoe geleid dat ik inmiddels in een redelijk opgefokte staat alle deuren van mijn kledingkasten tegelijk opentrek. Geen goed idee. Want de hoeveelheid zomerjurkjes, rokjes, lange broeken met nauwe pijpen, lange broeken met wijde pijpen, driekwart broeken, korte broeken, bikini’s, pareo’s, zonnehoeden en petten, t-shirts korte mouw, t-shirts lange mouw, polo’s, vestjes, dunne zomertruitjes, blouses, hemdjes, sjaaltjes en wat al niet meer maakt dat de wanhoop toeslaat.

Wat moet ik hiervan in godsnaam meenemen en – veel erger nog – wat moet ik verplicht thuislaten? En dan heb ik het voor het gemak nog maar niet eens over de afdeling schoenen, accessoires als handtassen en sieraden, cosmetica-artikelen en medicijnen “voor het geval dat” waarmee ik een doorsnee ziekenhuis in een ontwikkelingsland blij zou kunnen maken.

Ik verman me en besluit dat ik alle nieuw gekochte kleren in ieder geval mee moet nemen. Dus ruk ik links en rechts de nieuwe spullen uit de kasten en leg die alvast in het koffer. Ha! Dat is al beter. Vervolgens begint wat ik noem het Grote Nadenken. Daar waar het brainstormen meer het mentaal nalopen van mijn kasten is, is het Grote Nadenken concreter. Wat voor combinaties ga ik aandoen voor welke gelegenheid?

Al denkend trek ik een paar lange broeken, wat jurkjes en een stel korte broeken uit de kast. Bikini’s moeten zeker mee. Omdat ik die voortdurend moet afwisselen, worden zes stuks ingepakt. Daarbij drie pareo’s, een zonnehoed (onmisbaar op een zomerse cruise) en twee petjes (idem). En voor ik het vergeet, ook strandtassen, een rugzak voor excursies en minstens vier zonnebrillen.

Met die airco binnen, afgesteld op temperaturen die niet zouden misstaan op Antarctica, heb ik echter ook behoefte aan wat warmers. Dus twee vestjes, een zomertruitje en een dikker vest voor onderweg dat tevens als jas dienst kan doen, verdwijnen samen met twee omslagsjaals ook in het koffer. Je weet immers toch maar nooit of de buitentemperatuur niet ineens fors daalt. Per slot van rekening hebben we te doen met een freaky klimaatverandering.

Zo ben ik in ieder geval op alles voorbereid.

© Pascale Bruinen

Zo ongeveer maar dan anders…Lees volgende week deel 2 om te zien hoe dit afloopt!

Cruise Control (2)

Cruisen? Moet je gewoon eens doen.

Zoals ik, kortgeleden. Ruim anderhalve week grenzeloos genieten op de Celebrity Reflection. Vanaf het allerprilste moment dat ik voet aan boord zet, gaat mijn radar open staan. Al mijn zintuigen staan op scherp, zodat ik alles helderder waarneem.

Meestal duurt het niet lang of de eerste bijzondere reiziger trekt al mijn aandacht. En ja hoor, al tijdens de voor alle passagiers verplichte general emergency drill valt mijn oog op een vrouw die – zo schat ik – zeker achter in de zestig is maar qua gezicht eerder dertig lijkt. Ze heeft een kinderlijk figuurtje en is van top tot teen gehuld in designer-kleding met bijpassende juwelen. Getuige de immer glimlachende en trotse eigenaar van dit popje, een zo te zien welgestelde Japanse meneer, zijn het geen neppers maar het echte werk.

Het frêle vrouwtje heeft het hoogste woord en is het stralende middelpunt van een hele cirtkel mannen en vrouwen die zich om haar heen heeft gevormd en aan haar opgespoten lippen hangt. De Japanse echtgenoot kijkt vergenoegd toe en ziet dat het goed is.

H. en ik aanschouwen dit tafereel in stilte. Even later zeg ik: “Ze doet me denken aan Marijke Helwegen”. En voilà, voortaan zal deze dame de komende tijd als Marijke door het leven  gaan. En zo gaat dat voortdurend, want er is altijd wel weer iemand die ons aan de een of andere BN-er, verre neef of gekke kennis doet denken.

Eenmaal wat langer aan boord doet zich een even grappig als bijzonder verschijnsel voor. Want op de een of andere manier vallen bepaalde personen ons meer op dan andere. Vervolgens komen we die erna ook iedere dag tegen. En dat is best bijzonder, op een schip met zo’n 3500 passagiers. Dan weer zit hij of zij naast ons bij de lunch, ligt het subject in kwestie pal naast ons op een ligbed aan dek of blijkt die persoon precies dezelfde excursie als wij geboekt te hebben.

Naast mensen kijken vind ik bij het cruisen ook de afwisseling tussen relaxte zeedagen en actieve havendagen geweldig.  Tijdens een zeedag geniet ik de hele dag en avond aan boord van alles wat dit magnifieke schip te bieden heeft. Als je wilt luieren, ga je op een ligstoel aan dek liggen of in het solarium, waar het overdekte zwembad is. Wil je sporten, ga je lekker naar het fitnesscentrum. Maar je kunt ook kiezen voor een hemelse massage, meedoen met een Zumba-les, luisteren naar een lezing over de volgende bestemming of een kookworkshop volgen. Om maar wat te noemen.

Gedurende de dagen dat het schip aanlegt in een haven, gaat mijn hart sneller kloppen bij de gedachte dat ik weer allemaal nieuwe dingen ga beleven. Het is steeds opnieuw weer een spannende ontdekkingsreis om de omgeving te gaan verkennen. Heerlijk.

Deze cruise voert ons onder andere naar Istanbul, waar het schip een nacht zal blijven liggen zodat we er twee hele dagen kunnen rondstruinen. En dat is ook wel nodig, want het vroegere Constantinopel heeft veel te bieden.

Als ons schip ’s ochtends aanlegt in de imposante haven, kijken we tijdens ons gebruikelijke ontbijt op het achterdek onze ogen uit. We liggen pal in het oude stadscentrum met fantastisch zicht op verschillende moskeeën. De diverse minaretten steken fier boven de andere gebouwen uit. Plotseling kan ik niet wachten om aan land te gaan.

We hebben dit keer gekozen voor een begeleide excursie van ruim anderhalve dag. Onze eerste stop wordt het Topkapi-paleis. Een groot ommuurd complex met lieflijke tuinen  gelegen aan de Bosporus. Ooit was het de residentie van de Ottomaanse sultans. Tegenwoordig kun je er een uitgebreide collectie Chinees porselein, juwelen en originele gewaden die de sultans droegen bewonderen. En gelet op de enorme omvang van die prachtige kostuums, hadden de sultans meer dan genoeg te eten.

Dan op naar de Hagia Sophia, de basiliek die na de verovering door de Ottomanen werd omgetoverd tot een moskee. Het is een indrukwekkend gebouw, zowel van binnen als van buiten. Tegenwoordig is het het enige monument waar alle soorten geloof naast elkaar staan afgebeeld. Voorwaar een inspiratie voor de rest van de wereld.

Volgende stop is het ondergrondse waterreservoir, een enorm complex bestaande uit 336 Corinthische zuilen waartussen zich water – compleet met grote vissen – bevindt. Een en ander wordt sprookjesachtig verlicht door mooie geel-oranje lampen, waardoor het een feeëriek geheel wordt. Heel bijzonder, zo in hartje Istanbul.

Na een korte lunch brengen we nog een bezoek aan de overdekte kruidenmarkt, waar het een grote mengelmoes is van niet alleen alle denkbare, exotische kruiden maar ook van vele theesoorten, gedroogd (Turks!) fruit, waterpijpen, zeepjes en handgeschilderd keramiek. Het devies is afdingen totdat je minstens op minder dan de helft uitkomt. De keus is zo overweldigend dat ik uiteindelijk slechts met bananenthee en een sieraad dat Het Kwade zou moeten afwenden de markt verlaat.

Wij eindigen onze dag met een boottocht op de Bosporus; aan de Europese kant gaan we op en aan de Aziatische kant keren we terug. We bewonderen chique villa’s, hotels en lounge-clubs en genieten van de heerlijke, koele bries door onze haren.

De volgende dag starten we met een bezoek aan de wereldberoemde Blauwe Moskee. Hoewel ik een truitje met mouwtjes en een broek tot over de knieën aan heb, word ik bij aankomst meteen voorzien van een donkerblauwe lap die over mijn middel wordt geknoopt en die tot aan mijn tenen reikt. En uiteraard moet ik ook een hoofddoek op, een lichtblauwe. Schoenen uit en dan mag ook ik me naar binnen begeven. H. was al een stuk vooruit gelopen. Als hij zich omdraait om te zien waar ik gebleven ben, barst hij in lachen uit bij het zien van mijn zedige gestalte.

Binnen heerst stilte, het is nog vroeg in de ochtend. We bewonderen het fijne handwerk van het glas in lood, de tegeltjes en het enorme tapijt. Dit is de enige moskee ter wereld met zes minaretten. Ondertussen voelt het vreemd met zo’n hoofddoek op. Zeker omdat de mannen die niet hoeven, voel ik me op slag niet meer gelijkwaardig. Van achteren lijken  de vrouwen nu ook allemaal op elkaar. Het individuele karakter valt weg. Wellicht dat dit anders voelt voor vrouwen die dit uit geloofsovertuiging doen, maar voor mij is het een opluchting als ik de doek aan de uitgang weer mag inleveren. En mijn haren weer in model kan brengen.

Hierna hebben we vrije tijd om door de stad te struinen en de Grand Bazaar te bezoeken. Deze laatste is een enorme overdekte structuur met een grote hoofdstraat en verschillende zijstraten. Zijden sjaals, leren jasjes en vloerkleden strijden om onze aandacht. De verkopers zijn alert maar niet al te opdringerig. Hoewel er eentje is die, als ik zijn waren van dichterbij bekijk, lachend tegen me zegt: “I need your money”.  Vrij apart, maar in ieder geval eerlijk.

In het straatbeeld valt het contrast tussen de Westerse, hippe meiden en jongens en de gesluierde dames en vrome mannen erg op. Hopelijk slagen ze er in om in vrede en harmonie samen te blijven leven.

Moe van het geslenter strijken we uiteindelijk neer op een gezellig terras en drinken, samen met een Amerikaans koppel, nog een heerlijke cappuccino alvorens terug naar het schip te keren.

Eenmaal aan de kade bewonder ik de enorme maar toch zeer elegante en imposante structuur van het cruiseschip voor de zoveelste keer. Als ik even later over de loopplank aan boord ga, begroet het personeel me met een warme glimlach en een welgemeend “welcome home!“. En zo voelt het ook.

Ik ben weer thuis.

© Pascale Bruinen

Cruise Control (2)

Zo stond ik in de Blauwe Moskee…

Cruise Control (2) 2e

en dit is het ondergrondse waterreservoir in Istanbul, waar ze soms modeshows en andere culturele evenementen organiseren.

Geïnspireerd geraakt? Kijk dan ook eens op mijn andere blog, http://www.cruisecraver.com!