Weer Voor Leer

Na weken van zomerhitte is de temperatuur plotseling gedaald naar zo’n vijftien graden. Hoewel ik het weerbericht maar al te goed heb meegekregen, weiger ik koppig om te buigen voor deze laffe daad van seizoensverraad. Het is nota bene nog officieel zomer.  Meteorologisch gezien misschien niet, maar bij mij mag de herfst toch echt niet eerder dan 21 september zijn grijze, buiige en winderige gezicht laten zien.

Dus doe ik net of ik gek ben en trek een flinterdun jurkje aan. Met driekwart mouwtjes als enige concessie. En omdat het zo enig staat, kies ik de open, frisgroene suède sleehakken voor aan mijn voeten. Net voordat ik de deur uit ga, zie ik dat het regent. Correctie. Het komt met bakken uit de hemel. Met veel gevoel voor drama zucht ik eens diep en ruk met opeengeklemde kaken mijn regenjas achter uit de kast.

Ik ben nog niet buiten, of een fikse koude windvlaag grijpt de rok van mijn jurk en blaast die nog net niet over mijn hoofd. Gelukkig heb ik dit Marilyn Monroe-moment nog vlak bij mijn voordeur en niet midden in de stad. In een paar passen ben ik bij mijn auto, maar dat voorkomt niet dat ik al enigszins doorweekt ben tegen de tijd dat ik achter het stuur neerplof.

Ergens hoor ik een stemmetje dat me influistert om verstandig te zijn en me te gaan omkleden in iets warmers. Omdat ik nu al aan het kleumen ben, zou dit geen gek idee zijn. Maar in plaats van hierop in te gaan, doe ik of ik gek ben, start de motor en rijd weg. De airco, die nog op een hoogzomerse 17,5 graden stond afgesteld, draai ik fluks naar 22 graden. Zo kan ik in ieder geval het binnenklimaat mijn wil opleggen. In korte tijd is het aangenaam subtropisch in mijn middenklasser.

Al rondkijkend van achter mijn stuur, blijk ik zowat de enige te zijn die nog zo eigenwijs zomers gekleed is. Niemand heeft open schoenen aan, sterker nog: blote benen zijn van het ene op het andere moment een schaars goed.

Wat ik wel zie, is leren jasjes. Heel veel leren jasjes. Een bruin leren jasje, een kek rood exemplaar à la Máxima, het klassieke zwarte. Een oudere vrouw draagt een leren colbert, een man een driekwart jas van hetzelfde materiaal. Een scholiere combineert haar ultrakorte en nauwsluitende jasje elegant met een mooie sjaal, een jonge moeder met kind fietst voor me in een jaloersmakende groene creatie.

Nu ik er eenmaal alert op ben, zie ik ze werkelijk overal in het straatbeeld opduiken. Het lijkt wel of er een stilzwijgende afspraak is gemaakt om vandaag massaal dit kledingstuk aan te trekken, als ware het een leather flash mob. 

De beelden doen mijn gedachten afdwalen naar mijn eigen, trouwe en troostrijke leren jasjes. Sommige heb ik al jaren, andere pas een seizoen. Maar ze hebben allemaal met elkaar gemeen dat ik me altijd gelukkig voel als ik ze aan heb. Stoer maar toch vrouwelijk. En die geur! Het geluid dat de mouwen maken als je je armen beweegt. Die gladde of juist wat ruwere textuur van het leer.

Het is niet voor niks dat ik H. al tijden probeer te overtuigen om ook eens een leren jasje aan te schaffen. Zo in de trant van Marlon Brando in zijn beste jaren (google maar eens op The Wild One, dan krijg je een idee). Nou ja, het is nou ook weer niet mijn bedoeling dat hij door kan gaan voor een prospect van de Hells Angels. Maar een gewone leren jas zou al leuk zijn. Helaas is hij er niet voor te porren. Althans, nog niet.

Het cliché is waar: leren jasjes worden doorgaans alleen maar beter, mooier en soepeler met het verstrijken van de jaren. Ze zijn lekker ruig op een broek, maken ieder rokje op slag minder truttig en kunnen vrijwel het hele jaar door gedragen worden. Zeker op herfstige nazomerdagen.

Wáárom ben ik nou zelf niet op die lumineuze gedachte gekomen? Ik had het desnoods over mijn zomerjurkje aan kunnen trekken, gewoon mix ’n match, geen enkel probleem. Kin omhoog, rug recht en borst vooruit. Als je deze houding combineert met een stralende glimlach of een verveelde gaap kom je met alles weg, zelfs met het dragen van die gedrochten die je bij veel modeshows ziet.

Ondertussen zit ik me al te bedenken welk jasje ik bij thuiskomst als eerste eens zal aantrekken. Dat mooie donkerbruine? Het zwarte? Of toch het onvolprezen beige? De naderende herfst is zo erg nog niet.

Het is weer voor leer.

© Pascale Bruinen

Is een leren jasje ook een van jouw favoriete kledingstukken? Deel je ervaringen dan hier!

Leeskeel

Ah! Het is vakantie, de zon schijnt aan een felblauwe, wolkenloze hemel en er heersen tropische temperaturen. Genoeg reden dus om het er van te nemen en – deugdelijk ingesmeerd – verantwoord bij te bruinen (al zal dit ongeacht de beschermingsfactor volgens dermatologen een contradictio in terminis zijn).

Ik heb echter weinig geduld om aan iedere kant gelijkmatig bruin te bakken. Mijn voorkeur gaat ernaar uit om lekker iets achterover geleund in een ligstoel te liggen. Maar dan wel met het nodige leesvoer.

Dus lees ik me een ongeluk. Een tijdschrift, roman of biografie. En niet te vergeten de kranten. De zomer is ook een perfecte tijd om sommige favoriete boeken te herlezen. Ik lees, kortom. alles wat los en vast zit (zie daarvoor ook mijn column “Lettervreter”).

Daar zit echter één ieniemienie nadeeltje aan, zo blijkt als ik na een paar dagen eens goed in de spiegel kijk. EEK! Mijn gezicht en hals zijn aardig gekleurd, maar mijn keel is nog spierwit. WIT! Ik kijk nog eens goed met de lamp aan, maar de witte vlek op mijn hals is onmiskenbaar. Het is de schaduw die mijn kin werpt als ik – min of meer rechtop – in de zon lees. Oh mijn God. Ik heb een leeskeel.

De dag erna ligt deze meid daarom 100% horizontaal gestrekt op haar rug op een ligbed. Mijn boeken, kranten en tijdschriften heb ik veilig opgeborgen. Mijn hoofd kantel ik zover mogelijk achterover en ik steek mijn kin fier de lucht in. Zo! Zullen we nog eens zien of die keel wit blijft. Ik kijk op mijn horloge om te checken hoe laat ik precies begin aan mijn projectje “Leeskeel bijbruinen 3.0”.

“Komt de zon nu ook op mijn keel?”, vraag ik H. die naast me ligt. Zonder boek en mét een jaloersmakende even bruine keel als de rest van hem. “Op je keel? Hoezo, op je keel? Je ligt helemáál in de zon”, amtwoordt H. verbaasd, kennelijk zonder de flauwste notie te hebben van mijn urgente leeskeel-probleem. “OK”, zeg ik daarom dan maar zonder nadere uitleg te geven. Mannen!

Hoelang zou het duren voordat de gemiddelde keel een kleurtje krijgt?, vraag ik me ondertussen af. Ik kijk stiekem op mijn horloge. Er zijn precies acht minuten verstreken. Toch krijg ik langzamerhand al een stijve nek. Om maar te zwijgen van mijn kaakspieren, die ook al beginnen te protesteren vanwege mijn nogal onnatuurlijke houding.

Hmmm, de tijd gaat zo wel erg langzaam. Ik bedoel, zo zonder boek of iets anders leesbaars. Eerlijk gezegd heb ik er eigenlijk al een beetje genoeg van en er zijn nu pas welgeteld negentwintig minuten om. Op de kop af. In negenentwintig minuten zou zo’n witte keel toch wel iets bijgekleurd moeten zijn. Zeker weten. Ik voel zelfs al iets van zonnebrand op die plek, dus…

Ik kom overeind en haast me naar de spiegel. Niks bijgebruind, de plek is en blijft hartstikke wit. Als dat zo moet, kan ik evengoed weer lekker verder lezen. In een normale houding. En dus grijp ik mijn boek, zet ik de rugleuning van het ligbed omhoog en installeer ik me in mijn favoriete leesstand.

En die leeskeel? Die tackel ik wel met zelfbruiner.

© Pascale Bruinen

Body Pump (2)

Ik ben net begonnen aan mijn eerste Body Pump les. Voor de zekerheid ben ik helemaal achteraan gaan staan, dan wordt niet zo op mij gelet. Voor de bicepsoefeningen heb ik braaf het voorbeeld van mijn buurvrouw gevolgd en aan iedere kant van mijn barbell de twee grootste schijven bevestigd. Het ding is zo loodzwaar dat ik hem nauwelijks in positie krijg.

“Hé, jij daar op de achterste rij!”

Ik kijk verschrikt op en laat bijna mijn barbell op de grond crashen. De drill-sergeant annex instructrice pint me vast met haar arendsoog-blik terwijl ze langzaam haar hoofd van links naar rechts op en neer schudt. “Ik zeg dit niet snel, maar dat zou ik niet doen als ik jou was.”

Ik kijk haar met een, naar ik vrees, nogal schaapachtige blik aan.

“Deze oefeningen zijn al zwaar genoeg met één kleinere schijf aan iedere kant. Twee is alleen voor gevorderden, zeker niet voor iemand die dit voor het eerst doet.”

Prompt word ik aangestaard door dertien paar nieuwsgierige ogen. Hoezo low profile?

“Oké!”, roep ik gemaakt opgewekt. Snel klik ik die ondingen los, bevestig ik links en rechts een kleinere schijf en kan ik, eindelijk, mee gaan doen met de rest van de groep.

Na een keer of acht mijn nietsvermoedende biceps geteisterd te hebben met vijf kilo aan weerstand, begrijp ik wat de instructrice bedoelt. Als ik dit met het viervoudige aan gewicht had moeten doen, had ik het niet meer kunnen navertellen.

Na de biceps volgen de triceps. Je weet wel, het territorium der kipfilets. Omdat ik ook enthousiast wil kunnen blijven zwaaien, moet de achterkant van mijn bovenarmen er aan geloven. Ik til een schijf van vijf (niet die van het voedingscentrum, maar van de kilo’s) hoog boven mijn hoofd en moet die dan langzaam naar achteren brengen. En dat 16 keer.

Mijn tong hangt na zeven keer al zowat op mijn schoenen, maar na deze reeksen gaan we in een moordend tempo verder met een gazillion squats, lifts en lunges. Als ze eindelijk aankondigt dat we op onze rug mogen gaan liggen, ben ik haar intens dankbaar. Hè, hè, eindelijk even rust.

Maar in plaats van lekker te chillen moeten we nu tientallen helse buikspieroefeningen doen en wel totdat het lijkt alsof ik een hele fles ammoniak heb leeggedronken. Nou ja, niet dat ik dat ooit heb gedaan, maar ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat dit op dezelfde manier in mijn buikstreek zou branden.

Het zweet gutst inmiddels over m’n lijf, spieren waarvan ik het bestaan niet eens vermoedde trillen in protest en m’n hoofd moet eruit zien als een uit de kluiten gewassen biet. Wanhopig kijk ik op de klok, alleen maar om te zien dat deze martelgang nog minstens een half uur verder gaat.

We moeten op handen en voeten gaan zitten en dan is het opdrukken geblazen. Eerst op de makkelijke manier, met de knieën op de mat. Daarna met de benen gestrekt en de tenen op de vloer. “Nog acht, nog zeven, nog zes…”, roept ze vrolijk. “En…dan nu de laatste!”. God zij geprezen want mijn bovenarmen zijn op sterven na dood. “En nóg een serie! Kom op, nog acht, nog zeven…”. Ik besluit de tweede serie maar helemaal op mijn knieën te blijven zitten.

We hebben deze series nog niet af of we moeten op onze rug gaan liggen, voeten op de vloer met de knieën gebogen. En dan maar “bruggetjes” maken oftewel het achterwerk van de vloer tillen, op en neer. “Knijp die billen samen!”, gilt de vrouw die in rap tempo mijn ergste nachtmerrie dreigt te worden. Het lijkt wel alsof ik ieder moment naar Afghanistan kan worden uitgezonden, want dit lijkt meer op een militair bootcamp dan een uurtje sporten.

Net als ik denk dat mijn lijf er nu ieder moment de brui aan zal geven, mogen we ophouden. Ik val in een klam hoopje neer op de mat. Ik kan niet meer.

Maar ik moet meteen weer door met de barbell en dit keer mag, nee móet ik die ook van dubbele gewichten voorzien. Daarna moet ik het loodzware onding in mijn nek op het zachte deel van mijn schouders leggen. En weer volgt een eindeloze reeks squats, waarbij we nu zo ver mogelijk door onze knieën moeten zakken. Als mijn bovenbenen een stem hadden, schreeuwden ze het uit.

Ik kijk heel even steels om me heen. Veertien meer of minder pronte achterwerken steken allemaal ver naar achter, dat van mij incluis. Als iemand onze klas nu aan het werk zou zien, lijkt het net alsof we allemaal boven zo’n smerig Frans sta-toilet hurken. Nog een geluk dat ik achteraan sta en niemand deze gênante vertoning hoeft te zien.

Even later klinkt dan eindelijk het verlossende “Applausje voor jezelf!” en sleep ik me de trap af, in de richting van de kleedhokjes. In de zaal beneden zie ik mijn overbuurman op de loopband trainen.

“Hé, mag ik je een goede tip geven?”, roept hij me toe.

“Ja, hoor!”, breng ik nog nahijgend uit.

“Ik neem aan dat jij helemaal achteraan stond om niet op te vallen, hè? Maar dan kun je juist beter vooraan gaan staan.”

Verrek, hoe weet hij dat nou?, denk ik verbaasd.

“Heb jij mij dan gezien?” vraag ik. Ik krijg een onbestemd gevoel.

Nu barst hij in lachen uit. “De hele záál heeft je in actie gezien. Je stond verdorie zowat met je kont tegen de ruit!”, schatert hij joviaal.

Met afgrijzen glijdt mijn blik naar boven, naar de glazen wand van de zaal die precies uitkomt boven de zaal waar iedereen op de apparaten werkt. Apparaten die allemaal in de richting staan van…, juist ja.

Oh, f**k en dubbel f**k.

“Maar het was zeker geen verkeerd uitzicht, hoor!”, grinnikt hij nog.

Ik leer elke dag weer wat bij.

© Pascale Bruinen

Body Pump (1)

Vandaag wil ik het hebben over spiermassa. Of liever, het ontbreken daarvan.

Zoals ik in mijn column “Body Mess Index” al aankondigde, komt de Big Five O steeds naderbij en daarmee ook de noodzaak om het op de loer liggende verval te lijf te gaan.

Want ik wil graag van voren én van achteren lyceum zijn in plaats van museum, als jullie het niet erg vinden. En dat betekent maar één ding: voor de rest van mijn levensdagen ben ik veroordeeld tot zwoegen in de sportschool.

Dus ben ik lid geworden en heb ik een introductiepraatje met een dame bij wie het met de diverse spiergroepen duidelijk wel goed zit. Oh, dat wil ik óók. Liefst gisteren. Gevraagd naar mijn trainingsdoel antwoord ik dat alles strakker moet. Het meisje knikt begripvol (hoe vaak zou ze dat al eerder gehoord hebben?) en adviseert me minstens drie maal per week met gewichten aan de slag te gaan.

Hier was ik al bang voor.

“Zo meteen begint in de grote zaal boven een heel geschikte les voor u. Body Pump. Is een mooie training van alle spiergroepen.”

Ik kijk angstvallig naar boven en zie door de grote glazen ramen dat de vorige les juist is afgelopen. OK, dan moet ik er maar meteen aan geloven. Wat gewichten op en neer heffen, hoe moeilijk kan dat nu helemaal zijn?

Ik begeef me naar de zaal en stel me kort voor aan de instructrice. Alleen maar vrouwen, zie ik. Mannen houden zeker meer van die afschrikwekkende apparaten waar ze 70 kilo tegelijk mee kunnen liften. Dit is daarbij vergeleken een kleuterklasje, veronderstel ik als ik de mini gewichtjes en losse zwarte schijven zie liggen. Eentje weegt 2,5 kilo en een grotere 5 kilo. Dit wordt een piece of cake.

Toch ga ik zekerheidshalve maar helemaal achteraan staan, zodat ik het minste opval als ik iets stoms doe.

“Ga allemaal in de houding staan en pak je barbell!”, schreeuwt de instructrice annex drill-sergeant ineens door haar microfoontje vanaf het podium. Ik schrik me kapot want ik heb nog niks klaargelegd.

Een snelle blik op de vrouw naast me leert dat die al een stepbord, een matje, een barbell en dumbbells heeft gepakt. Ik haast me om alles bij elkaar te sprokkelen.

Tegen de tijd dat ik doorheb dat ik die schijven zelf om de lange stok moet vastklikken met van die zwarte plastic clips, zijn mijn medesporters al bij de tweede reeks oefeningen aanbeland. En het zweet gutst er nu al van af, constateer ik enigszins ongerust.

Om me heen tilt iedereen de barbell omhoog of het niks is. En dat op muziek die onze lerares op standje fast forward heeft gezet, zodat het tempo moordend is.

Uit alle macht focus ik me op de bewegingen die de instructrice doet en probeer die – op de maat – na te doen. Na vijf minuten plakt mijn topje al aan mijn lijf. Verdorie, dit is echt hard werken en dat met slechts een paar kilootjes. Maar ja, dat is mijn verdiende loon omdat ik er jarenlang in ben geslaagd de sportschool met allerhande rotsmoesjes te ontwijken.

“Dit is voor de biceps!”, gilt de instructrice zo opgewonden alsof we kans maken op de Olympische titel gewichtheffen. Ik spiek weer bij mijn super afgetrainde buurvrouw (zou ik er ook zo uitzien over een paar maanden?) en pak dan, net als zij, twee sets van de twee grootste schijven en bevestig die aan mijn stok. Als ik het ding op wil tillen, krijg ik hem slechts met de grootst mogelijke moeite in de juiste uitgangspositie. Hoe moet ik hiermee in hemelsnaam sets van 16 gaan afwerken? Ik kreun al van de krachtsinspanning om hem überhaupt vast te houden.

“Hé jij daar, helemaal achteraan!”, roept de lerares ineens door de zaal. Iedereen kijkt als één man – pardon: vrouw – naar achter en laat de meewarige blik dan op mij rusten.

Oh God, wat heb ik nu weer gedaan?

© Pascale Bruinen

body pump (1)

Dit is deel 1 van mijn avonturen bij de Body Pump-les. Wil je weten hoe het afloopt, kijk dan de volgende week op mijn blog!

Ziende Blind

Ziende Blind

Dat Italië niet bepaald bekend staat vanwege zijn goede reputatie op het gebied van belasting betalen, was al wijd en zijd bekend. Als de inwoners van de laars zeggen dat ze “fiscaal flexibel” zijn, bedoelen ze dan ook dat ze op grote schaal belasting ontduiken. Maar dat ze – met name in de hoofdstad – ook ziende blind zijn, is weer wat nieuws.

Zo kopte een landelijke krant onlangs dat de politie in Rome maar liefst veertig nepblinden heeft ontmaskerd die ten onrechte een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 1100 euro  per persoon met daar bovenop nog een invaliditeitstoelage van bijna 430 euro ontvingen. Totale schade over alle jaren: een slordige 3,5 miljoen euro. Mille grazie!

Door ze langere tijd te schaduwen werd ontdekt dat de “blinden” vrolijk jogden (ok, dat zou best nog kunnen als je niets kunt zien), berichten via Facebook verstuurden (dat is al een stuk moeilijker maar daar zou je eventueel hulp bij kunnen krijgen) en…auto reden. Tja, vooral dat laatste lijkt me een typisch gevalletje van case closed.

Aaahhh, die Italianen. Superieur op het gebied van excellente koffie, heerlijke ijsspecialiteiten en authentieke pasta’s. Onovertroffen qua mode, stijl en elegantie. Volmaakt waar het gaat om stedenpracht, lieflijke landschappen en mannelijk zowel als vrouwelijk schoon. 

Maar kom bij dit bijzondere Zuid-Europese volk niet aanzetten met regels of wetten want daar zijn ze allergisch voor, zeker als het hun geld kost of als ze er het nut niet van in zien. En als je de pech hebt dat je ’s lands wetten niet hoogstpersoonlijk naar je glibberige hand kunt zetten zoals voormalig premier S.B. dat meermalen deed, dan moet je een andere uitwijkmogelijkheid verzinnen. En dat doen ze dan ook voortdurend. Sterker nog, ze hebben er – tussen de bunga-bunga feestjes, het doen van offèrs joe kente riefjoese en de zoveelste keer naar het stembureau hollen door – zowat een dagtaak aan.

Zodra een Italiaan zich geconfronteerd ziet met een in zijn ogen absurde maatregel ontbrandt er dus een ongekende creativiteit in deze zuiderling. Koortsachtig zoekt en peinst en plant hij net zolang totdat hij de perfecte pragmatische oplossing heeft gevonden.

Ter illustratie van deze ongebreidelde vindingrijkheid moge het voorbeeld dienen van het invoeren van de gordelplicht. Alom werd deze wet als onzinnig ervaren en dus was de bereidheid om braaf de veiligheidsriem aan te gaan doen ver te zoeken. Aan de andere kant wilden ze zeker geen boete krijgen. De Italiaanse uitweg uit deze impasse?  Binnen een mum van tijd waren er in het hele land t-shirts in omloop waarop een voorgedrukte gordel stond. Uiteraard werden die grif gedragen, voor dit goede doel zelfs over het gracieuze maatpak of kokette jurkje.

Alles om zich maar niet te hoeven conformeren aan het gezag. Of, zoals iemand het onlangs prozaïsch verwoordde op tv: “Voor alles is een medicijn, behalve voor de dood”.

Laat Italianen daarom vooral lekker hun chaotische en anarchistische zelf blijven en de wereld voortdurend verblijden met oogverblindende auto’s, fijne vespa’s en exquise wijnen. Laat ze desnoods af en toe ziende blind zijn als het op wetten en belasting betalen aankomt. Maar laat ze alsjeblieft geen cruiseschepen besturen of hogesnelheidstreinen maken want dan gaat het pas echt goed mis.

Voor de Italiaanse staat is deze hele situatie uiteraard een groot probleem. Maar misschien is dit de prijs die ze moeten betalen voor La dolce vita of het dolce far niente. Italianen zijn nu eenmaal levensgenieters. Zulke artistieke en autonome zielen met een bourgondische inborst kun je nu eenmaal moeilijk in het gareel krijgen als overheid. Italianen hebben het ontglippen aan onwelgevallige regels tot nationale kunst verheven.

Misschien dat de Italiaanse overheid via een omweg toch nog een slaatje kan slaan uit deze vermetele volksaard. Mijn advies? Open een groots opgezet museum gewijd aan de meest stoutmoedige, inventieve en onbeschaamde ontduikingspraktijken van ’s lands inwoners waarbij alle stukken van overtuiging permanent tentoongesteld worden.

En het spreekt vanzelf dat blinden gratis naar binnen kunnen.

© Pascale Bruinen

Hoe sluw, doortrapt, spitsvondig, geraffineerd, uitgekookt, gewiekst en geslepen kun je zijn? Che furbi sono gli italiani…

Girl Power by Sheryl

Sheryl Sandberg, Chief Operating Officer (COO) en daarmee de belangrijkste vrouw van Facebook, is mijn nieuwe heldin. In een interview met Oprah Winfrey in O Magazine van april 2013 heeft deze intelligente, frisse en bescheiden dame mijn hart gestolen.

Zelden heb ik iemand in zo’n prominente functie – en dan ook nog in een door voornamelijk mannen gedomineerde wereld – gezien die zich zó kwetsbaar en eerlijk durft op te stellen. Dat getuigt van grote moed, wijsheid en authenticiteit.

Bij Oprah – waar anders? – biechtte ze op dat ze, ondanks dat ze haar sporen toen al ruimschoots had verdiend bij Google, nerveus was geweest tijdens haar sollicitatiegesprek met Mark Zuckerberg, de hoogste baas van Facebook. Menige vrouw in een vergelijkbare positie zou een dergelijke opmerking achterwege laten uit angst te worden versleten voor een slappe sissy, laat staan dat een man van hetzelfde kaliber dit ooit in een interview zou durven toegeven. Maar Sheryl doet het gewoon.

Deze dame heeft het binnen de keiharde zakenwereld ook aangedurfd om haar vrouw-zijn en moederschap publiekelijk te benoemen, iets wat zelfs in 2013 baanbrekend is. Want als er iets is dat je als vrouw in het arbeidsproces geleerd krijgt, is het wel om hierover nooit maar dan ook nooit te beginnen. Sheryl kiest echter haar eigen weg en waarschuwde Zuckerberg doodleuk om haar niet meer na half tien ’s avonds te bellen omdat ze nu eenmaal moeder is en dan naar bed gaat! Zouden meer moeders (en vaders!) moeten doen.

De eerste tijd na haar overstap van Google naar Facebook was ze onzeker of ze haar nieuwe functie wel aankon en of ze als veertigjarige niet te oud was voor Facebook (haar baas is vijftien jaar jonger). Ondanks haar status leed ze – net als veel andere vrouwen – aan het impostor syndrome: ondanks je succes voel je je alsof je een bedrieger bent. Als vrouwen succesvol zijn, schrijven ze dit namelijk in de regel toe aan geluk, hulp van anderen of hard werken. Mannen zijn daarentegen ervan overtuigd dat succes voortkomt uit hun daden of capaciteiten. Met deze scherpe analyse raakt ze een gevoelige snaar van talloze vrouwen over de hele wereld omdat ze zichzelf in haar herkennen. Doordat zij in haar hoge positie (in 2012 is ze als enige vrouw toegetreden tot de Board of Directors van Facebook) hier zo open over praat, is zij een rolmodel voor alle meisjes en vrouwen die bij tijd en wijle worstelen met dezelfde gevoelens.

Ook legt ze de vinger doeltreffend op een andere zere plek. Sheryl heeft als gepokte en gemazelde zakenvrouw ervaren dat iedereen – mannen zowel als vrouwen –  doorgaans meeleeft met een succesvolle man en deze ruimhartig aanmoedigt op diens weg naar nog meer hoogtepunten. Maar als een vrouw succesvol is, vinden zowel mannen als vrouwen haar op slag minder aardig. Om die reden houden veel vrouwen hun successen liever voor zich of zelfs geheim. Sheryl was daar zelf ook geen uitzondering op, zo bekent ze in het interview. Toen ze in 2011 op de Forbes lijst van “World’s Most Powerful Women” stond, voelde ze zich zelfs zo erg in verlegenheid gebracht dat ze er niet over wilde praten. Hier ligt een schone taak voor ons allemaal, maar bovenal voor ons vrouwen, om hier verandering in te brengen. Wees aardiger onderling, gun elkaar het succes en steun elkaar. Samen komen we verder.

Jet Bussemaker, die onlangs nog zwaar onder vuur kwam te liggen over haar stellingname dat vrouwen niet moeten teren op de zak van hun man, zou nog een en ander van Sheryl kunnen leren. Laatstgenoemde pakt hetzelfde onderwerp heel wat subtieler én effectiever aan door vrouwen niet te betuttelen maar een verstandige en uiterst praktische raad te geven: loop in je werk niet veel te vroeg vooruit op eventuele gezinsuitbreiding waardoor je al voor je zwangerschap geen projecten meer aanneemt, ophoudt promotie na te jagen en als het ware achterover gaat leunen. In plaats daarvan moet je als vrouw, aldus Sheryl, je voet niet van het gaspedaal af halen totdat je met zwangerschapsverlof gaat. Nu ziet ze nog te veel vrouwen die al naar de uitgang zoeken zodra ze ook maar aan een baan beginnen. En dan ligt financiële afhankelijkheid op termijn op de loer.

Ronduit verfrissend vind ik dat ze geen antwoord heeft op de vraag hoe je als werkende vrouw en moeder van je eeuwige schuldgevoel af komt. Sterker nog, ze geeft toe het zelf ook te hebben, bijvoorbeeld als ze haar kindjes afzet op school en dan ziet hoe andere moeders daar blijven om mee te helpen.

Ze compenseert dit gevoel door iedere werkdag stipt om 17.30 uur naar huis te gaan om bij de kinderen te zijn (net als haar man trouwens). Toen zij dit de eerste keer op een vergadering aankondigde, was ze bang voor de reacties omdat je als vrouw ingeprent krijgt dat je nooit mag toegeven dat je naast je werk nog andere belangrijke dingen te doen hebt. Toen ze deze mededeling daarna nog eens publiekelijk herhaalde, ontstak er wereldwijd een ware storm van dankbetuigingen van hardwerkende seksegenoten die zich door haar lichtend voorbeeld gesterkt voelen ook voor hun gezin op te komen.

Sheryl laat zonder schroom zien dat zij een vat vol tegenstrijdigheden is. Zij is een uiterst succesvolle en machtige zakenvrouw maar tegelijkertijd soms ook onzeker en nerveus. Ze is een liefhebbende echtgenote en moeder die openlijk haar gezin koestert en afschermt maar tegelijkertijd geplaagd wordt door een knagend schuldgevoel als ze haar kinderen afzet op school en doorrijdt naar haar werk. Zij is zo heerlijk normáál. Zij is een van ons.

Het wordt hoog tijd dat Sheryl de politiek in gaat.

Move over, Jet Bussemaker! Here comes Sheryl!

© Pascale Bruinen

girl power1

Herkennen jullie haar verhaal? Laat dan hier je reactie achter.

Tuindrang

Ik lijd aan acute tuindrang. Dat is een vorm van nestdrang, maar dan anders. Gaat het bij nestdrang nog om de onweerstaanbare neiging om alles tip-top in orde te gaan maken voor de op komst zijnde baby, mijn tuindrang dwingt me al het groen, de terrasstenen en borders eens grondig onder handen te nemen met het oog op de naderende zomer. En daarbij duld ik geen enkele mate van uitstel.

Nadat ik me gestoken heb in mijn oudste spijkerbroek ga ik, gewapend met hoge rubber laarzen, regenjas, pet en dikke handschoenen beginnen aan Het Grote Karwei. Nog een gasmasker erbij en ik zou zo kunnen worden ingezet in het gifgebied rondom het Belgische Wetteren.

Als een bezetene – want ja, het heet niet voor niets tuindrang – raas ik door onze achtertuin. Mijn begerig oog valt als eerste op de klimop die ons omringt met een mooie, altijd groen blijvende muur. Maar de prijs die ik voor zoveel schoonheid moet betalen is dat hij vanaf het voorjaar regelmatig moet worden bijgeknipt. Zo ook nu, want ondanks de wel erg frisse temperaturen in deze zogenaamde lente zie ik lichtgroene stelen en bladeren alle kanten opschieten.

Ik neem eerst de kniptang ter hand en begin driftig alle takken af te knippen die boven de schutting uitkomen. Daarna ga ik met de snoeischaar de sprieten te lijf die te ver naar binnen groeien. Ah, wat heerlijk therapeutisch is dit toch! Knip, knip, knip. Als ik Klein Duimpje was, zou het groene spoor dat ik achterlaat eenvoudig gevolgd kunnen worden.  Gelukkig is H. zo welwillend om alles bij elkaar te vegen en in de daarvoor bestemde bak te kieperen. Zo werken we een tijdje eensgezind zwijgend in perfectie harmonie door.

Maar het gaat mij niet gauw genoeg. Ik besluit daarom dat er zwaarder geschut aan te pas moet komen en ga de elektrische heggenschaar halen. H. is hier duidelijk niet blij mee. Zijn bezorgde gezicht spreekt boekdelen. Als rechtgeaarde man wil hij dit uiterst viriele werkje natuurlijk liever zelf doen, maar ik ben hem dit keer lekker voor.

Zodra het enorme apparaat met veel kabaal tot leven komt, word ik een ander mens. Of eigenlijk een beetje man. Ik noem het mijn near gender transforming experience. Eindelijk weet ik hoe die echte mannen van Hornbach zich moeten voelen als ze dit soort zware klussen doen. Heldhaftig, stoer en sexy. Met grote destructieve bewegingen ga ik van links naar rechts en van beneden naar boven langs de nietsvermoedende klimop. De groene bladeren en stelen vallen bij de bosjes. Wow, what a feeling! Niet voor niets is het bijbehorende liedje uit de reclame dat van Jippiejajajippiejippiejééééééé. Ik krijg bijna zelfs de neiging om een flesje ijskoud pils met mijn tanden te openen en in één lange slok weg te klokken, ware het niet dat ik geen alcohol drink.

Als ik uiteindelijk tevreden naar de netjes bijgewerkte klimop kijk, valt me op dat de sneeuwbalstruik – die inmiddels meer op een boom lijkt – een wel erg lelijke vorm heeft gekregen. Dus haal ik de mega kniptang met lange armen uit de schuur en snij met kinderlijk gemak de ene na de andere dikke tak door. Als ik na een tijdje het resultaat bekijk, heb ik zoveel weggehaald dat er bijna niks meer over is. In een opwelling besluit ik dat de sneeuwbalstruik er dan maar helemaal uit moet. En wel nu meteen.

H., die inmiddels binnen met het avondeten bezig is, heeft mijn geknip en gesnoei aan de struik met lede ogen aangekeken door het keukenraam. Maar als hij me uit de schuur ziet komen met een spade, is hij in een oogwenk buiten.

“Wat ga je daarmee doen?”, vraagt hij gealarmeerd. “Je wilt toch niet dat hele ding weghalen, hè?”. Zucht. Hij kent me helaas als geen ander.

“Zeker wel”, antwoord ik onverstoorbaar terwijl ik de schep in de grond zet en er bovenop ga staan. Vervolgens zwiep ik wat heen en weer zodat ‘ie dieper de grond in zakt.

“Hou daar mee op want dat gaat jou toch nooit lukken zo. Dit is een boom en die heeft flink diepe wortels. Bovendien heb je nu alle takken eraf geknipt zodat je er niet meer goed aan kunt trekken. Ik doe dat wel een andere keer dus laat het alsjeblieft!”, waarschuwt hij me nog voordat hij weer terug naar binnen gaat.

Als er nu één ding is wat je niet tegen mij moet zeggen, dan is het wel dat ik iets niet kan of dat ik iets moet laten. Vastbesloten H. ongelijk te geven, verdubbel ik mijn schepbewegingen. Dan verzin ik toch gewoon een andere manier om dat rot ding eruit te krijgen, neem ik me in stilte voor terwijl ik steeds meer aarde wegschep rondom de kluit van het boompje.

Als ik een tijdje later ondanks niet aflatend graafwerk nog steeds geen millimeter beweging in het ding krijg, heb ik een tikkeltje spijt van mijn stoere voornemen. Inmiddels is het ook nog flink beginnen te regenen. Maar ik kan nu niet meer terug. Ik moet en ik zal de stronk op eigen kracht eruit krijgen dus ga ik onverdroten door. Graven, spitten, trekken. Er gebeurt weinig tot niks. Ondertussen kijk ik af en toe slinks naar binnen om te controleren of H. ziet dat ik nog steeds niet veel ben opgeschoten. En ja hoor, hij slaat me vanuit de keuken geamuseerd gade.

“Ik dacht dat jij moest koken!”, roep ik zo hard mogelijk vanaf mijn druilerige, modderige plek in de border. H. heeft mijn sarcastische uitroep inderdaad gehoord want hij trekt een gezicht. In reactie steek ik balorig mijn tong uit om me daarna met nog meer overgave op het uitgraven van de onwillige wortelkluit te storten.

Letterlijk, want nu steek ik de schep langs de kluit in de grond en spring er vervolgens woest met twee voeten tegelijk bovenop. Ik hou me vast aan de steel en huppel wild op en neer om dieper te komen. Het volgende moment voel ik dat de steel achterover slaat en lig ik languit op mijn rug tussen de opkomende hosta’s. Zo snel als dat kan met een schep die bovenop me ligt, krabbel ik overeind. Ik ben drijfnat. Ik hoop vurig dat H. deze circusact niet meegekregen heeft, maar no such luck. Hij staat nu dubbel geklapt van het lachen achter het raam. Als hij eindelijk weer recht komt, grijnst hij van oor tot oor. Hij doet de deur open en hikt “Bedankt, dat was onbetaalbaar!” Ja, jij ook bedankt.

In een allerlaatste poging zet ik alles op alles op mijn eer te redden. Keer op keer steek ik de spade langs de stronk, zet mijn volle gewicht er op en beweeg hem van links naar rechts. Uit alle macht trek ik aan de overgebleven stompjes van takken en…jaaaaaaaa, ik voel dat de kluit nu echt in beweging komt! Dankzij een verse adrenalinestoot trek ik in één krachtige beweging de helft van de stronk uit de grond.

In de flow van dit moment hak ik met de scherpe kant van de spade met een welhaast satanisch genoegen net zolang in op de rest van de wortels totdat hij helemaal los zit. Dat ik op dat moment waarschijnlijk uit zie als een door waanzin gedreven lustmoordenaar kan me niet echt meer boeien.

Met moeite neem ik de hele stronk in mijn armen en ga vervolgens pal voor het keukenraam staan, doorweekt en besmeurd met modderige vegen. Triomfantelijk til ik hem tot boven mijn hoofd als ware het een trofee. H. kijkt me eerst hoofdschuddend aan. Maar dan zie ik een bewonderende glimlach doorbreken en knipoogt hij naar mij. Ondanks de kou krijg ik het ineens warm. Ik knipoog schalks terug. Ik voel de laatste restjes stoere mannelijkheid in rap tempo van me afglijden.

Niets zo leuk als flirten met je eigen man nadat je hoogstpersoonlijk een boom hebt geveld.

© Pascale Bruinen

tuindrang2

Zo was het ongeveer, maar dan alleen met een véél dikkere kluit!

Body Mess Index

Gek hoe je je zelf nog pakweg begin twintig kunt voelen, terwijl de klok sindsdien toch echt bijna dertig jaar heeft doorgetikt. Ik weet niet hoe jij dat ervaart, maar ik betrap me er geregeld op dat ik gewoonweg vergeet dat ik al negenenveertig ben. Dat gebeurt vooral op die momenten dat ik in mijn skinny jeans met kekke gympen en een lekker leren jasje van hot naar her aan het rennen ben. Of als ik keihard meeblèr met Rihanna of Katy Perry achter het stuur van mijn middenklassertje. En op die zeer spaarzame momenten dat ik neerplof op de bank en me verlies in dat gezellige boek.

Meestal lijk ik geen enkele connectie te voelen tussen mijn kalenderleeftijd enerzijds en mijn zo jong als ik me voel-gesteldheid anderzijds. En gelukkig speelt mijn lijf het spelletje nog mee. Voor mijn leeftijd mag ik dus zeker niet klagen. Maar ik ben dan ook een nogal bezig bijtje dat altijd in hoog tempo door huis, tuin en stad spurt. Even snel dit doen, nog gauw daar naar toe en dan vlug die en die klus afmaken. Zo zou ik al niet kunnen tellen hoe vaak ik per dag de twee trappen in huis op en af ren. Laten we het er op houden dat het zo zijn voordelen heeft om niet alleen de wasmachine, maar ook een nogal slordige puberzoon op zolder te hebben.

Zo blijf ik tot nu toe keurig op gewicht en pas ik nog steeds in maatje 34. Ik kan – dankzij matig sporten, het zelf doen van het huishouden en een gezonde portie “werkende moeder stress” – eigenlijk eten wat ik wil. Niet dat ik dat ook doe, maar toch. En ja, ik realiseer me dat ik daar irritant veel geluk mee heb omdat dit niet voor iedereen is weggelegd.

Maar – oh schöne Schadenfreude! – tegelijkertijd kom ik langzamerhand in een levensfase waarin het hele zwikje telkens ietsje meer dreigt te gaan verslappen, verkrampen en verzakken. Als ik mezelf vergelijk met een auto, vrees ik dat ik nu niet meer genoeg heb aan regelmatig onderhoud maar toe ben aan De Grote Beurt. Anders kom ik straks niet eens meer door de APK-keuring.

Dr. Oz, onze onvolprezen cardioloog-entertainer-presentator, verkondigt al jaren zijn profetische boodschap dat je niet alleen moet letten op je gewicht, maar ook op het behouden van voldoende spiermassa. Hoewel ik zijn adviezen doorgaans opvolg, ben ik er tot dusverre aardig in geslaagd deze onwelgevallige waarschuwing compleet te verdringen. Ik heb namelijk een bloedhekel aan die martelwerktuigen in zo’n bedompte, zweterige sportschool. Ik ga liever lekker naar buiten. Hardlopen, wandelen of fietsen.

Mijn levenslange afkeer van fitnessapparaten zou zich nu – in de aanloop naar de Big Five O – echter wel eens kunnen gaan wreken. Want als ik eerlijk ben, mag het allemaal best wel wat strakker. Om maar te zwijgen van gladder, voller en steviger.

Dus zal er gewerkt moeten worden en hard ook. Als je de deskundigen moet geloven, mag ik mij tot in lengte van jaren gaan verheugen op al het fraais dat de benchpress, ab crunch machine en cable crossover mij te bieden hebben. Een surfrondje over het internet geeft aan dat ik daarnaast dringend aan de bak moet met glute kickbacks voor de betere bilspieren, biceps curls voor beresterke bovenarmen en hack squats ten behoeve van buitengewone bovenbenen.  Kannie wachten.

Enfin, het goede nieuws is dus dat je – los van je genetische bagage – zelf in grote mate kunt beïnvloeden hoe je er uit ziet. Dat heeft natuurlijk alles te maken met je leefstijl. En daar komt mijn Body Mess Index om de hoek kijken. Oftewel: mijn methode om met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te berekenen hoe beroerd het eigenlijk gesteld is met je lijf.

Of niet, natuurlijk.

Omdat “mijn lichaam is mijn tempel” nog steeds helemaal 2013 is, voorspel ik dat hele volksstammen aan het rekenen zullen slaan met mijn versie van de BMI.  Voorop alle thirtysomethings met in hun kielzog de mindfull veertigplussers, vijftig-is-het-nieuwe-dertig-volk en Zen-zestigers.

Mijn Body Mess Index bereken je simpelweg door een vragenlijst door te lopen (eerlijk antwoorden!) en je puntentotaal op te tellen. Klaar? Daar gaan we!

Je hebt de hele dag hard gewerkt. Als je thuiskomt, ga je eerst:

1. stiekem stevig snaaien uit de snoeppot van je kinderen; 2. met een goed glas rode wijn lekker chillen op de bank; 3. linea recta naar de sportschool waar je je anderhalf uur uitleeft op de roeimachine en de loopband.

Het is vier uur en je valt van de graat bij de koffiemachine op het werk. Jij:

1. rent met je laatste krachten naar de kamer van die collega waar nog taart staat van vanochtend; 2. denkt “nog even volhouden” en drukt maar weer op “koffie zwart”; 3. vult je trouwe waterflesje voor de vijfde keer die dag bij en drinkt je vol.

Je bent voor de zevende keer aan een nieuw dieet begonnen. Als tussendoortje neem je:

1. de helft van een Twix, wat immers een besparing van 50% is op je gebruikelijke calorie-inname; 2. he-le-maal niks and proud of it!; 3een handjevol walnoten.

Je gaat na jaren van niks doen eindelijk weer sporten. Wat is een gezonde doelstelling?

1.Je bent van het type “niet lullen maar poetsen” dus geef je je meteen op voor de marathon van New York; 2. In plaats van vier keer per dag op en neer naar je ijskast lopen om te grazen, doe je dit nu acht keer per dag. Dit scheelt dagelijks toch al gauw weer een metertje of 96; 3. Aan de hand van een schema bouw je twee maal per week rustig je conditie op.

Je bent bepaald geen ochtendmens. Als je je ogen eindelijk open hebt,

1.graai je op je nachtkastje gelijk naar je eerste sigaret van de 26 die je vandaag zult oproken; 2. spring je onder de douche en ren je – weer te laat – zonder te eten de deur uit; 3. maak je jezelf een lekker en verantwoord ontbijt met volkoren granen en wat fruit.

Het is tijd voor de avondmaaltijd. Je hebt eigenlijk totaal geen zin om te koken. Wat doe je?

1.Je kiest voor makkelijk en goedkoop dus gooi je zelf wat frieten in het al jaren niet meer vervangen vet; 2. Thank God for take-out! Zonder schuldgevoel bestel je een lekkere vette en zoute portie shoarma van die tent om de hoek. Gezond eten kan morgen wel weer; 3. Je maakt een frisse salade, grilt een lekker stukje vis en serveert er knapperige groenten uit de wok bij.

Als jij iemand uitzwaait, dan

1. kletsen de blubberende kipfilets die door moeten gaan voor bovenarmen tot tegen je  oorlellen; 2. hou je het, in verband met je beginnende kuikenfiletjes, zekerheidshalve maar op een koninklijk handwenkje; 3. doe je dit natuurlijk juist zo uitbundig mogelijk met jouw Michelle Obama look-alike ledematen.

Wat doe jij om je spiermassa te behouden?

1. De hele dag door eten. Kauwspieren heten per slot van rekening niet voor niets zo. 2. Af en toe eens lusteloos trekken aan van die elastieken, die dan prompt in je oog zwiepen. 3. Twintig keer opdrukken, vijftig sit-ups en dertig leg squats. Per dag.

Jouw trilplaat staat bij jou thuis…

1. Trilplaat? Welke trilplaat? 2. te verstoffen nadat hij van de woonkamer via de logeerkamer uiteindelijk naar de schuur is verbannen. 3. uiteraard onder handbereik voor dagelijkse kwelling.

Wat betekent fit zijn voor jou?

1. Dat ik in vijf minuten tijd tien Pringles buisjes kan leegeten; 2. Dat ik minstens ieder uur achter mijn bureau vandaan kom om mezelf en anderen van het werk te houden; 3. Dat ik twee trappen op en weer af kan rennen zonder ook maar iets buiten adem te zijn.

Klaar? 1 = 2 punten; 2 = 1 punt en 3 = 0 punten.

Als je steeds voor het eerste antwoord hebt gekozen, heb je een Body Mess Index van 20, het maximum. Ik zou deze score persoonlijk geheim houden want dan is het een wonder dat je een lijf hébt, laat staan dat je er goed mee omspringt. Heb je steeds nummer 2 gekozen, dan heb je 10 punten en kun je er best mee door maar valt er zeker nog wat te verbeteren. En bij alleen maar de derde optie als keuze mag ik je feliciteren! Je Body Mess Index is een perfecte 0, wat betekent dat je lijf in optimale conditie verkeert.

En nee, mijn eigen score ga ik hier uiteraard niet verklappen.

Dat is nu eenmaal het voorrecht van dichterlijke vrijheid.

© Pascale Bruinen

Kijk toch eens hoe vrolijk deze dames worden van al die oefeningen en apparaten…ze zien er uit alsof ze in de zevende hemel zijn beland. Nou, ben benieuwd of dit voor mij ook is weggelegd. En wat zijn jullie ervaringen in de sportschool of thuis op die fijne werktuigen? Laat het me hier weten!

Abercrombie & Fitch

Je kunt van de Verenigde Staten zeggen wat je wilt, maar ze hebben daar vele goede dingen. Eén daarvan is  Abercrombie & Fitch, voor insiders A&F, het bij diverse leeftijdsgroepen populaire modemerk waarvan in Amsterdam onlangs de allereerste Nederlandse vestiging werd geopend.

Abercrombie is een schoolvoorbeeld van excellente marketing. Het merk heeft een aantal typische, soms wat mysterieuze, kenmerken waarmee het zich met succes onderscheidt van soortgelijke ketens.

Het begint er al mee dat het winkelpand vaak niet als zodanig herkenbaar is aangeduid. H. en ik hebben al eens een kwartier rondgedoold in een Londense wijk voordat we eindelijk wisten waar we moesten zijn. En dan nog was dit alleen omdat een voorbijganger ons het pand aanwees.

De volgende verrassing is dat binnen aan de ingang een jonge god annex student je staat op te wachten met een all american smile én ontbloot bovenlijf dat een onwaarschijnlijke sixpack onthult. Dames van alle leeftijden verdringen zich om gratis met hem op de foto te kunnen (je krijgt zelfs een polaroid!). Tot afgrijzen en oneindige schaamte van mijn puberdochter ben ik hierop geen uitzondering. Maar naast het feit dat het oog ook wat wil, vind ik het gewoon leuk om een onschuldig praatje te maken met de knul die gemakkelijk mijn zoon zou kunnen zijn.

Ik ben vooral geïnteresseerd in hoe hij die beeldige buikspieren onderhoudt. Nou, hou je vast. Hij drukt zich honderd keer per dag op. Honderd keer. Nu begrijp ik ook waarom alleen studenten of werkelozen dit kunnen bereiken. Als je ook maar iets hebt wat op een baan lijkt, lukt je dit écht niet.

Als ik – nog ademloos van opwinding door de fotosessie met die hunk – naar binnen ga, word ik overrompeld door het volgende marketing-instrument: een mannenparfum dat bulkt van de testosteron-ingrediënten. Het ruikt overheersend maar toch ook erg aanlokkelijk. De hele ruimte is ermee gevuld. Ik veronderstel terecht dat het de kooplust aanwakkert, getuige het feit dat ik bijna alles wat ik om me heen zie ook wel leuk vind.

Nou ja, zie. Om het merk onderscheidend te maken is gekozen voor een formule waarbij het zicht binnen bijna nihil is. Wel zo prettig want zelfs als ik mijn uiterste best doe in een spiegel te kijken zijn mijn kraaienpootjes, wallen en lachrimpels schier onzichtbaar. De bijna duisternis maakt het ook extra spannend, want is dit t-shirt nu blauw of zwart? Omdat ik tot een andere generatie behoor dan de gemiddelde A&F-klant (die hooguit in de twintig zal zijn), neem ik zo’n shirt altijd mee om in het schaarse licht de echte kleur te bekijken. Hetgeen me op meewarige blikken van alle tieners om me heen komt te staan. Maar ik ben de schaamte voorbij en doe het lekker toch.

A&F is ook bekend vanwege de (te) harde muziek die wordt gedraaid. Ze hebben in al hun winkels een vaste, om de zoveel weken wisselende, selectie van popnummers die zonder uitzondering vrolijk, opzwepend en lekker in het gehoor liggend zijn. Als je maar lang genoeg in de winkel rondstruint (zoals ik) of als je maar in genoeg verschillende winkels komt (zoals ik), begin je de nummers te herkennen. Ik betrap me er op een gegeven moment zelfs op dat ik ze hardop meezing of mee neurie terwijl ik aan het passen ben.

Deze kenmerken maken dat A&F zich op succesvolle manier een imago aanmeet van jong, flitsend maar ook ietwat mysterieus modemerk. En daarmee slagen ze er in om op te vallen in een heel drukbezette markt voor jonge mode.

Hun kleding is op zich niet eens zo heel bijzonder. Ze verkopen vooral veel sportieve truien, joggingpakken en spijkerbroeken. Maar het ziet er allemaal mooi maar niet overdone uit (en ja, dat ietwat gerafelde randje van de t-shirts moet zo) en hun broeken zitten perfect. Maar de echte aantrekkingskracht zit in de beleving.

Want voor heel even waan je je in dat donkere, welriekende hol vol dreunende muziek pakweg twintig jaar jonger.

Daar doe ik het voor.

© Pascale Bruinen

abercrombie

Ohne Worte

GSM

Met de gsm’s van mijn zoon en dochter is iets vreemds aan de hand. Die blijken namelijk frequent niet bereikbaar te zijn. Maar alleen als ík ze wil bellen of sms-en.

Vroeger, in hun pré-abonnemententijd, stond GSM bij mijn kroost normaliter voor “Geen Saldo Meer”. Als ultieme smoes om me niet te woord te hoeven staan. Nu ze ieder een abonnement hebben betekent GSM zoiets als “Ga Snel Moven”. Alles om maar zo gauw mogelijk van me af te zijn.

Dit gaat als volgt. Ik (in mijn rol als bezorgde moeder die op punt van vertrek staande puber nog snel naroept): “Op tijd thuis komen en zorg dat je bereikbaar bent als ik je wil spreken!”

Puber (zoon of dochter, dat maakt in dit voorbeeld niks uit) is al zo goed als buiten en mompelt in het gunstigste geval “Hmm”, meestal expres gevolgd door iets onverstaanbaars om zich daarna met versnelde pas uit de voeten te maken.

Die keren dat ik ze dan wel eens bel, hoor ik geregeld het irritante “toe-doe-die”-geluidje, gevolgd door de dito vrouwenstem die vergenoegd meldt dat het nummer dat ik probeer te bellen op dit moment niet bereikbaar is en uitgeschakeld kan zijn. Uitgeschakeld! Há! Dát kan het nooit zijn, althans niet uit vrije wil.

Een tijdje geleden. Ik ben mijn oplader kwijt. Ik weet zeker dat ik hem op de gebruikelijke plaats heb neergelegd maar daar ligt hij niet meer. Omdat zoonlief zich onlangs nog heeft laten ontvallen dat zijn oplader stuk is (en nee, hij heeft geen idee waardoor), krijg ik ineens het donkerbruine vermoeden dat hij die wel eens “geleend” kan hebben. Uiteraard zonder eerst even aan mij te vragen. En inderdaad, tussen de schriften, boeken, pennen en cd-roms die kris kras door elkaar op zijn bureau liggen, ligt ook mijn oplader. Desondanks weet hij het klaar te spelen dat zijn gsm – en dan bij voorkeur op cruciale momenten – zo leeg is als de Griekse staatskas.

Zoiets doet me knarsetanden.

Puberdochter maakt het op een andere manier te bont. Zij let doorgaans juist als een havik erop dat haar gsm altijd opgeladen is. Het probleem is alleen dat zij een van de enige personen in Nederland moet zijn die om de haverklap geen bereik heeft. Maar uitsluitend daar waar het contact met het thuisfront betreft. Want met haar vriendinnen heeft ze daar hoegenaamd nooit last van. Maar die stellen dan ook geen vervelende vragen en zeuren haar evenmin aan de kop met bemoeizuchtige opvoeddingetjes.

Als ik haar zeg dat ik een column over dit heikele onderwerp in voorbereiding heb, haast ze zich te benadrukken dat zij míj nu juist nóóit aan de telefoon krijgt als ze me nodig heeft.  Die nood van haar moet overigens niet met een korrel maar met een heel pak zout genomen worden want die keren dat ik word gebeld gaat het slechts over twee dingen: haar geld is op en/of ze wil een lift van van A naar B. Liefst pronto.

Soms bekruipt me ook wel eens het aan paranoia grenzend gevoel dat ze mij gewoon wegdrukt als ik inbel. Met name als ik dan een staccato-sms verstuur die qua tekst niks te raden over laat (“neem NU op!!!”) en haar meteen erna wel aan de telefoon krijg. Ra ra hoe kan dat?

Haar verklaringen zijn even onwaarschijnlijk als uiteenlopend. Zoals daar zijn: “Ik had de telefoon even ergens anders neergelegd” (yeah right, ze zou nog liever een arm of een been missen dan haar mobiel); “Ik heb de telefoon niet gehoord” (onmogelijk daar ze zowat fysiek vergroeid is met het ding) of (wat mij betreft de allermooiste): “Ik zag wel een nummer in het display maar het was anoniem dus ik dacht, neem maar niet op” (de enige die met een anoniem nummer bij haar inbelt, nee correctie, de enige die haar überhaupt belt, ben ik!).

Want iemand bellen is iets voor fossielen uit het stenen tijdperk.

Zoals ik.

© Pascale Bruinen

Je herkent dit vast wel als je zelf pubers in huis hebt. Maar misschien dat volwassenen er ook wat van kunnen. Dus laat je reacties de vrije loop!

Make Over Mania

Het is onmiskenbaar: Koning Winter blaast geleidelijk de aftocht en maakt plaats voor Prinses Voorjaar.

Her en der mogen dan nog hoopjes sneeuw liggen, de lente komt er aan! Dit mooie seizoen in wording draagt de belofte in zich van steeds langere dagen, meer buiten leven en een frisgroen ontwakende natuur. Alles is nog nieuw. Nieuw leven als er lammetjes worden geboren, nieuwe blaadjes die uit hun tere knoppen springen, nieuw zonlicht dat door de grauwsluier van de voorbije maanden heen breekt.

Maar het is dadelijk ook de tijd om af te rekenen met even banale als vervelende zaken zoals: groene aanslag op je tuintegels, uitpuilende schuurtjes en stof, vuil en rotzooi in het algemeen. Juist ja, De Grote Schoonmaak. Op het moment dat de Lidl adverteert met motorpakken, de klok een uur vooruitgaat en op tv de wielerklassiekers beginnen, weet je dat je aan de bak moet.

Nu behoor ik zelf tot het neurotische type. Ik hang juist aan orde, netheid en regelmaat. Opruimen is mijn tweede natuur.

Maar de chaoten onder ons hebben er doorgaans meer moeite mee. Nou ja, ze zien er nog net niet als de Himalaya tegenop. Als ultieme smoes om niks te hoeven doen, poneren ze de stelling dat opruimen zinloos is. Het wordt immers toch in no time weer vies en rommelig. Met twee pubers in huis kan ik dit als ervaringsdeskundige wel beamen. Maar wonen in een huis dat er permanent uit ziet alsof er zojuist een bom is ontploft, is ook weer niet je dat. Overigens komt dit slappe excuus vaker uit de mond van mannen, die gemiddeld immers een hogere vuildrempel hebben dan vrouwen.

Maar er is ook een middencategorie. Dat zijn de Jekyll and Hyde-achtigen die qua opruimen een tweeslachtige persoonlijkheid hebben. Misschien ben jij wel zo iemand. Meestal slordig, maar soms ten prooi aan opruimwoede, vooral in het voorjaar? Yep! Ruim je meestal netjes op maar hou je een paar kamers gemakshalve altijd dicht omdat het daar één grote zwijnenstal is? Bingo!

Veel chaoten en een deel van de Jekyll and Hyde-achtigen lijden vaak aan “perfection paralysis“: ze raken in een lichte staat van paniek als ze zien wat er allemaal gedaan moet worden. Omdat ze nooit alles gedaan krijgen en zich overweldigd voelen, doen ze uiteindelijk helemaal niks.

Voor deze twee categorieën is er toch licht aan het einde van de tunnel. Als je niet wilt opruimen om een schone leefomgeving te krijgen, doe het dan voor het welzijn van je geest. Want wetenschappelijke inzichten claimen dat opruimen niet alleen leidt tot orde en rust in je huis, maar ook in je hoofd. Ik durf zelfs te beweren dat een opgeruimd huis leidt tot feel good momenten als je iedere keer vindt wat je zoekt, en snel ook. Als je zo méér tijd overhoudt voor de dingen die echt belangrijk zijn in het leven. Als je bijna alles wat je in huis hebt ook daadwerkelijk gebruíkt. Dat is namelijk niks minder dan een kick, met de bijbehorende adrenalinestoot. Ook is er weinig zo bevredigend als het gevoel dat je bekruipt als je met een ferme zwaai alle puinzooi in de container mikt. En omdat dit gevoel verslavend werkt, voorspel ik zelfs dat je het ook opgeruimd zult willen houden.

Uiteraard is ook over dit fenomeen een boek geschreven. Zo ontdekte ik na een korte zoektocht op internet “Zen and the Art of Housekeeping: The Path of Finding Meaning in your Cleaning“. De auteur, ene Lauren Cassel Brownell, gaat daarin zelfs nog een stapje verder als ze schrijft over de geestelijke weldaad van het huishouden doen: “I try to think of housekeeping as a short mental vacation. I let my mind freewheel like I do on a walk or a swim. I sometimes come up with solutions to problems I didn’t even know I had“.

Wie heeft ooit geweten dat dit mogelijk was? Terwijl je op je knieën de vloer van de badkamer schrobt, ben je in werkelijkheid op vakantie! Dé oplossing in tijden van economische crisis. En in plaats van naar die dure yoga- of meditatieles te gaan, kun je ook gewoon één voor één de lamellen van al je jaloezieën afstoffen. De afstompende repeterende bewegingen zullen je uiteindelijk in dezelfde staat van trance brengen. Helemaal gratis en voor niks!

Opruimen is het nieuwe mediteren. Niks Ashram in India, maar gewoon een Make Over Mania in je eigen huis. Niks “Eten, Bidden, Beminnen” maar “Stoffen, Dweilen, Ordenen”. Het is Zen, het is Yin-Yang, het is Sheng Fui.

Alleen Boeddha zelf kan jou nu nog tegenhouden.

© Pascale Bruinen

Deze column is een bewerking van mijn column “Make Over in Meerssen”, die in mei 2012 is verschenen In INFO nr. 41 van Wonen Meerssen.

Mayday! Mayday! (2)

We zitten in de cockpit van de Airbus A320-simulator en hebben zojuist het verlossende sein van de toren gekregen dat we “cleared for take-off” zijn. H. legt zijn rechterhand op de gashendels en op aanwijzing van gezagvoerder Robert, die voor deze gelegenheid is gedegradeerd tot co-piloot, duwt hij ze steeds verder naar voren. Tegelijkertijd moet hij met zijn linkerhand de sidestick bedienen.

Sneller en sneller schieten de gebouwen langs de startbaan aan ons voorbij. Robert waarschuwt dat H. moet opstijgen bij een snelheid van zo’n 140 knopen oftewel ongeveer 270 km per uur. H. tuurt op de snelheidsmeter en trekt precies op tijd de sidestick naar zich toe zodat de neus omhoog gaat. We stijgen op! Al gauw wordt alles op de grond kleiner. Aan de rechterkant ontwaar ik South Beach van de gekozen bestemming Miami met de bekende hotels als oriëntatiepunten. De azuurblauwe oceaan ziet er levensecht uit.

H. probeert de aanwijzingen van Robert meteen secuur op te volgen, maar desondanks valt het niet mee de Airbus überhaupt recht te laten vliegen. Om van de bochten dan nog maar te zwijgen. Zodra H. zich concentreert op het inzetten van een draaibeweging, daalt of stijgt het toestel weer te vlug of wijkt het af van de voorgeschreven snelheid. Het is een beetje zoals met autorijden: je vraagt je af hoe je in vredesnaam alles tegelijkertijd in de smiezen kunt houden.

Na diverse bochten met meer en minder succes te hebben geprobeerd, kondigt Robert aan dat H. de landing mag gaan inzetten. “Probeer om recht op de landingsbaan af te vliegen”, instrueert hij. H. doet zijn uiterste best, maar de Airbus wijkt bij het naderen van de baan telkens te veel af van de koers. Dus vliegt H. overal naar toe, behalve naar de landingsstrip.

Op een gegeven moment daalt H. zo gevaarlijk snel en onder zo’n akelige hoek, dat de boordcomputer spontaan begint te spreken. Ik kan niet helemaal verstaan wat het ding uitkraamt, maar de ingeblikte waarschuwingen verraden niet veel goeds. In mijn gedachten zie ik die arme gillende passagiers achter ons door het gangpad rollen, temidden van vallende koffers en tassen. “Het lukt me niet”, roept H. getergd terwijl hij nog net niet de zweetdruppels op zijn gezicht heeft staan van de stress.

Als ik naar buiten kijk, zie ik tot mijn afgrijzen ineens dat de palmbomen en het water in een noodgang dichterbij komen. Ik durf niet meer te kijken. Dan houdt de computer er abrupt mee op. Er valt een korte, ietwat ongemakkelijke, stilte in de cockpit voordat we – van de zenuwen en de weeromstuit – aarzelend beginnen te lachen. “Het is ook niet gemakkelijk, zeker niet zo’n eerste keer”, zegt een diplomatieke Robert troostend tegen H. “Dat gebeurt hier zeer geregeld, hoor!” H. vond het een mooie ervaring maar is zichtbaar opgelucht dat hij de stuurknuppel nu aan mij mag overdragen.

“Ik start hem even opnieuw op en dan mag u een poging wagen”, zegt Robert tegen mij. Ik wissel van stoel met H. Terwijl de startbaan recht voor me weer in zicht komt, voel ik me alsof ik opnieuw op moet voor mijn rijexamen. Ik barst van de zenuwen en grijp de sidestick vast alsof het mijn laatste strohalm is. Ik ga nog snel even verzitten, want ik zie dat Robert doende is met het starten van de motoren. Ik vraag me ineens af waarom ik vandaag zo nodig een Airbus A320 wilde gaan besturen. Ik had bijvoorbeeld ook kunnen gaan kienen, om maar eens een dwarsstraat te noemen. Ik ook altijd met mijn wilde ideeën. Maar nu is er geen weg meer terug. Dus besluit ik er vol voor te gaan.

“Geef maar gas tot 140 knopen”, zegt onze instructeur. Yes! Dit heb ik altijd al willen doen. Ik leg mijn hand op die gashendels en duw ze geleidelijk naar voren. Ik kijk op het display en bij 140 knopen trek ik de sidestick naar me toe en stijgen we op. Her en der passeren we schapenwolkjes. Ik vlieg!!! Ik kan maar ternauwernood de neiging onderdrukken om heel hard “Jiiiiihaaaaaaaaaa!” te roepen. Dit is geweldig! Waarom ben ik geen piloot geworden?

Door goed op te letten toen H.aan de beurt was, heb ik gezien dat het vliegtuig iets vertraagd reageert op stuurbewegingen. Dus als je naar links stuurt, moet je kort erna weer iets bijsturen naar rechts om hem recht te houden. Het is een heel subtiel spel.

Ik laat het toestel op commando van Robert klimmen tot zo’n 8000 voet (de echte kruishoogte van zo’n 30.000 voet bereiken we hier helaas niet) en dan moet ik het toestel recht zien te houden en het betere bochtenwerk gaan uitproberen. Nou, dat valt nog niet mee.

Ik kijk gebiologeerd op de metertjes of ik niet een te grote hoek maak (ja dus) en moet snel corrigeren. Mijn ingreep is echter te wild zodat het toestel vervolgens opnieuw akelig veel dreigt uit te breken. Slechts met de grootst mogelijke moeite krijg ik mijn Airbus weer in het gareel. Dankzij mijn stuurmanskunsten moeten de inzittenden nu allemaal acuut aan de kotszakjes, denk ik nog voordat ik de volgende bocht inzet. En dan te bedenken dat mijn “vlucht” ook nog plaatsvindt onder de best denkbare weersomstandigheden. Hoe zou deze ervaring dan wel niet zijn bij een vliegende storm, een onweersbui of met verschrikkelijke turbulentie? Niet aan denken nu. Ik heb al mijn concentratie nodig om überhaupt in de lucht te blijven.

“Ik ga het toestel nu in de buurt van de landingsbaan brengen”, kondigt Robert na nog een paar van mijn bibberende bochten aan. Even later zie ik de strip in de verte. Hij ligt nu nog recht voor me. “Houden zo-houden zo-houden zo”, prevel ik als een soort van obsessieve mantra. Ik moet en zal bij die landingsbaan uitkomen, koste wat het kost.

“Hou het toestel recht en verminder de snelheid”, commandeert mijn co-piloot.  “Breng de neus langzaam omlaag”. Ik druk de sidestick naar voren. Maar nu zie ik dat ik veel te snel daal. Dus moet de neus weer omhoog. In de tussentijd zie ik dat ik helemaal van mijn koers ben afgeweken en – nee hè! – de landingsbaan in plaats van dichterbij, nu een stuk verder af ligt. Zo kom ik nooit aan de grond.

“Kijk niet de hele tijd op de metertjes, maar vlieg ook geregeld op zicht”, instrueert Robert me. En inderdaad! Als ik tussen het getuur op de metertjes door ook af en toe naar de landingsbaan kijk, lukt het me op de een of andere manier veel beter om recht ernaar toe te vliegen. “Geleidelijk dalen nu”, zegt hij en ik duw voorzichtig de sidestick naar voren. Wonder boven wonder blijft de strip ongeveer recht voor me liggen, terwijl ik er min of meer zigzaggend op af vlieg. “Je vliegt nog te snel”, hoor ik Robert rechts naast me zeggen. Gehoorzaam neem ik meteen gas terug. Tot mijn onbeschrijflijke vreugde kan ik nu de gebouwen al goed zien. “Langzamer! De neus meer naar beneden”, roept Robert. Ik duw de stick verder naar voren en neem snelheid terug.

Ik wil nog aan Robert vragen of hij het landingsgestel wel heeft uitgeklapt, als ik het volgende moment tot mijn eigen verbijstering zie dat “mijn” Airbus keurig de grond raakt. Weliswaar net naast de tarmac van de landingsbaan op een groenstrook, maar toch. Mijn passagiers hebben het overleefd! “Niet slecht voor een eerste keer”, prijst Robert. Ik barst zo ongeveer uit elkaar van trots.

Ik mag dan wel klotsende oksels van het angstzweet, een hoofd als een pioen van de spanning en trillende handen van de stress hebben, maar ik heb het hem toch maar mooi geflikt!

Ik heb mijn roeping eindelijk gevonden.

© Pascale Bruinen

airbus5

De landingsbaan is al in zicht…en…

airbus6

…bijna touchdown!!! En dan te bedenken dat je dit apparaat met een snelheid van zo’n 250 km per uur aan de grond zet, wow! Dit is weer eens wat anders dan een dagje gaan bowlen of steengrillen. Een echte aanrader dus. Wil je het zelf ook eens beleven, ga dan naar Flitesim Roermond.

Mayday! Mayday! (1)

Als ik – zelfverklaarde controlfreak eerste klasse- dan toch per se moet vliegen, vlieg ik dat ding het liefst zelf. In hoogsteigen persoon. Als ik deze ontboezeming hardop in het bijzijn van mijn zoon zeg, verklaart die me spontaan voor gek. “Nou, dán moet je pas echt bang zijn, als jij zelf achter die stuurknuppel zou zitten!”. Tja. Maar er is sowieso nog een ieniemienie probleem: ik heb geen vliegbrevet. Maar geen nood, gelukkig zijn er mogelijkheden om dit vervelende detail te omzeilen.

Dus op naar de flight simulator waar een heuse Airbus A320 op H. en mij wacht. In lichtelijk opgefokte toestand loop ik met steeds snellere pas door het onooglijke straatje waar ik zo meteen mijn luchtdoop als gezagvoerder zal meemaken.

Het pand waar we moeten zijn, is bedrieglijk klein. Hmmm, hier past inderdaad alleen maar ternauwernood de cockpit in, denk ik bij mezelf als ik als eerste de niet al te grote ruimte binnenstap. Aan de rechterkant is er een soort incheck-balie (grappig!). Recht voor me zijn twee rijen tegenover elkaar geplaatste stoelen zoals je die bij de gate pleegt aan te treffen (lachen!). Ik kijk nog snel even naar mijn boarding pass, die naar waarheid vermeldt dat de plaats van aankomst van deze vlucht precies dezelfde is als die van vertrek (hilarisch!).

De hele linkerhelft van de ruimte wordt in beslag genomen door de simulator, die er aan de buitenkant zeker niet uitziet als de snuit van een Airbus. Al snel meldt zich de echte piloot, compleet in officieel tenue met wit hemd voorzien van de bijpassende epaulet met vier strepen. Robert heet hij, zie ik aan zijn naamplaatje. Het is nog een jonge vent en daarbij bepaald niet lelijk, merk ik in de gauwigheid op. Goh, ik krijg het nu toch langzaam aan wel wat benauwd (nee, niet vanwege Robert). Want dit begint wel erg echt te lijken.

Robert nodigt ons uit voor een pre flight briefing op de stoelen bij de gate. Maar voordat hij kan beginnen, kan ik het niet laten hem eerst aan een spervuur van vragen te onderwerpen. Want ja, ik ben nu toch hier. Dus wil ik wel effe weten of hij zelf ook vaker zuinigjes heeft getankt (euh…, nee, nooit), hoeveel turbulentie een vliegtuig nu écht aan kan (dat hangt van het vliegtuig en de mate van turbulentie af…ja duh, daar word ik niet veel wijzer van) en (de mooiste!) hoe snel je op grote hoogte bewusteloos raakt bij plotseling optredend drukverlies (fasten your seatbelts: 15 tot 20 seconden). Die laatste mededeling, die Robert bij het zien van mijn gezichtsuitdrukking snel aanvult met de opmerking dat daarvoor nu juist de zuurstofmaskers dienen, moet ik mentaal even verwerken.

Maar veel tijd daarvoor krijg ik niet, want Robert gaat nu echt van start. Hij begint met wat details over “ons” vliegtuig, de Airbus A320. Hij legt uit dat we zo dadelijk mogen plaatsnemen achter de stuurknuppel, die in werkelijkheid overigens een joystick is die “sidestick” wordt genoemd. Hij waarschuwt ons dat het een heel gevoelig systeem is, dus we mogen vooral niet te wild zijn. Niet dat ik dat van plan was. Het toestel heeft een maximaal startgewicht van zo’n 77.000 kilo en in deze simulator zal het ook echt voelen alsof je zo’n kolos bestuurt, gaat hij vrolijk verder. Pfff, spannend…

Hij legt uit dat we in de geboekte tijd allebei kunnen gaan opstijgen, dan een paar rondjes mogen vliegen om vervolgens idealiter ook weer te gaan landen. Hij zal er als co-piloot naast zitten, voegt hij ten overvloede nog toe. De bestemming mogen we zelf kiezen. De keuze valt op JFK Airport in New York. Lijkt ons fantastisch om te zien hoe je komt aanvliegen met die skyline in de verte. Helaas wil de boordcomputer er niet aan, dus kiezen we Miami als goede tweede.

Na nog wat aanwijzingen is het moment supreme nu toch echt aangebroken en begeven we ons naar de cockpit. Zodra ik een voet binnen zet, ben zelfs ík even stil. De cockpit is waarheidsgetrouw nagebouwd. Het cliché van een overweldigend aantal knopjes, hendels, knipperende lampjes en allerhande oplichtende schermpjes is helemaal waar. Ik vraag me vertwijfeld af waar ik aan begonnen ben en heb acuut spijt dat ik me niet beter heb voorbereid. Ik had vast wel wat youtube-filmpjes kunnen bekijken over hoe je zo’n Airbus veilig aan de grond kunt zetten. Too late now.

Ik gun H. dan ook galant de eer om te beginnen. Bijkomend voordeel is dat ik zo alvast stiekem kan meekijken zodat ik iets meer voorbereid ben als ik zelf aan de bak moet.

H. neemt plaats op de linkerstoel. Ik kijk over zijn schouder mee. Links van hem zit een kleine hendel, die taps toeloopt. Ha, dat zal de sidestick zijn. Die kan naar voren, achteren, links en rechts bewogen worden. Robert, die op de rechterstoel is gaan zitten, bedient geroutineerd een hele reeks knoppen. Op de computer voert hij Miami International Airport in. Even later tonen de panoramische ramen van de cockpit als bij toverslag de startbaan.

Robert legt uit dat in het midden de gashendels zitten, die zo meteen voluit mogen. Hij geeft aan dat we voortdurend scherp moeten letten op de metertjes die hoogte, snelheid en de horizon aangeven. Want het toestel moet liefst niet alleen goed op koers blijven, maar ook nog mooi recht blijven vliegen. Niet te hard maar ook zeker niet te langzaam want dan val je echt als een baksteen omlaag.

Robert zet het toestel van de rem af, verzet nog wat knoppen en spreekt dan de magische woorden:

“We are cleared for take-off!”

© Pascale Bruinen

Airbus3

Zo echt ziet het er dus uit. Tof hè? Als je wilt weten hoe het verder gaat, lees dan volgende week deel 2!

Saved by the bell

Lichtbeige wanden staren me aan. Wie die doodse kleur heeft bedacht om een wachtkamer mee op te leuken moet wel een pure sadist zijn. Niks geen fris lentegroen op de muren, want stel je eens voor dat je iets opgewekter zou worden terwijl je op je beurt wacht. Wie nog niet depressief is bij binnenkomst wordt dit wel zodra die hier tien minuten heeft moeten zitten. Misschien is het ook wel expres, bedenk ik ineens, als een soort van werkverschaffing. Ook de toko van de huisarts moet per slot van rekening blijven draaien.

Ik kijk om me heen. Nergens ook maar een schilderij, tekening of foto te bekennen in deze bedompte ruimte. Geen plant te zien. Wat ik wel ontwaar, is een vitrage voor het raam recht tegenover me met links en rechts afzichtelijk gestreepte gordijntjes uit het jaar nul.

In een hoekje van de kamer ligt een houten, inmiddels ietwat afgekloven, legpuzzel. Incompleet, natuurlijk. Arm kind dat daar met pijn en moeite een paar stukken goed neer heeft weten te leggen en dan de laatste nergens zal kunnen vinden.

De afzichtelijke felgele en blauwe stoeltjes hebben overduidelijk betere tijden gekend. Her en der is de verf eraf gebladderd, alsof die het ook niet meer zag zitten op die onooglijke fauteuiltjes. Mijn ogen dwalen verder en stoppen bij de beduimelde tijdschriften. Zelfs van deze afstand nodigen ze niet uit vastgepakt of doorgebladerd te worden. Dan nog liever verder afgestompt raken met niksen.

Links van mij is een vrouw druk aan het friemelen met de franjes van haar sjaal. Zij vouwt er vlechtjes in om ze het volgende moment weer uit elkaar te rafelen. Tussendoor hoest en proest ze dat het een lieve lust is. Onwillekeurig probeer ik mijn adem een beetje in te houden want haar bacillen zijn airborne en ik zit er pal naast. Met een beetje pech vliegen ze recht mijn luchtpijp in. Zo onopvallend mogelijk dek ik mijn mond en neus af met mijn hand, alsof ik diep nadenk over een ingewikkeld probleem.

Voor de prachtige vitrage zit het type “drukbezette-zakenman-die-zijn-kostbare-tijd-aan-het-verdoen-is”. Om de twee minuten kijkt hij zwaar zuchtend op zijn oversized horloge  en scrollt aan één stuk door op het scherm van zijn smartphone. Met zijn krokodillenleren voet tapt hij een ongeduldig dansje op een ritme dat alleen hij kan horen.

Sommigen hebben de moed bijeen geraapt om een gesprek aan te knopen. Maar veel verder dan “Hoe lang zit u hier nu al”? en “Het loopt weer eens uit!” komen ze echter niet. Een koppel dat dicht tegen elkaar aan zit, heeft de onterechte indruk dat ze niet beluisterd worden als ze op fluistertoon converseren. Zodra de eerste heel zacht uitgesproken woorden hun monden verlaten, spitsen alle wachtenden gelijktijdig hun oren. Het gesprokene had evengoed met een megafoon kunnen worden gecommuniceerd, zo geconcentreerd is iedereen plots aan het luistervinken. Inclusief ondergetekende, moet ik bekennen. Want ja, wat moet je anders doen?

Na zo’n twintig minuten slaat mijn grenzenloze verveling om in vermoeidheid. Maar met gesloten ogen wordt het er ook al niet beter op. De irritante achtergrondmuzak kan het voortdurende gesnotter en gekuch van mijn buurvrouw niet overstemmen.

Plotseling doorklieft het snerpend geluid van een zoemer al het gefluister, gehoest en getik. Mensen kijken eerst verschrikt op, om daarna met nauwelijks verholen afgunst naar mij te kijken. Tot mijn kinderachtige genoegen rukt zelfs mr. Big Shot zijn drukbezette hoofd voor heel even weg van zijn gsm. Mijn lethargische staat is in één klap weggevaagd.

Dit is mijn ticket naar de vrijheid. Weg van al die mensen met wie ik te lang onvrijwillig in een veel te kleine ruimte heb verkeerd.

Typisch gevalletje van saved by the bell!

© Pascale Bruinen

Wie heeft soortgelijke ervaringen met eindeloos wachten?

Liefdesverklaring (herpublicatie)

Carnaval. Het feest van meedoen. Van aanstekelijke uitgelatenheid. Schateren van het lachen, ongegeneerd flauwekul maken, je weer voor even kind voelen, oude bekenden zien, helemaal uit je dak gaan, je onderdompelen in de vrolijke mensenmassa’s buiten en binnen. Café’s binnen gaan waar je anders nooit komt, met wildvreemden de grootste lol hebben, met iedereen overal een praatje aanknopen. De zon die het licht weerkaatst van duizenden pailletten, de kakelbonte mengeling van kleuren, de vaandels en de vlaggen. Je als een vogel zo vrij voelen, de zalige zorgeloosheid, even nergens aan hoeven denken.

De vertrouwde muffe geur van de carnavalskleren in de koffer, de nostalgische reuk van schmink, de optochten uitlopen of er al halverwege uitgaan omdat het café lonkt, spontaan meegaan met een voorbijkomende polonaise, dansen en springen, inhaken met degene die toevallig net naast je staat, de ongelooflijke saamhorigheid, de ongekende humor. Altijd een warm bad, ongeacht de buitentemperatuur.

Muziek maken. Achter de muziek aan gaan. Swingen op de hypnotiserende schelle en doffe dreunen van een sambaband, allemaal samen hetzelfde liedje woord voor woord meeblèren aan de bar. De blije opwinding voelen als je het geschal van de trompetten hoort echoën tegen de eeuwenoude muren van de smalle sfeervolle straatjes, de overgave waarmee zelfs de slechtste muzikant de laatste noot uit zijn instrument perst. De bastonen van de grote trom die tot in je buik trillen. Muziek beleven in elke vezel van je lijf maar vooral in je ziel.

Kindertjes die het met de paplepel ingegoten krijgen, baby’s die te midden van de kakofonie van geluiden slapen als een roos in een tot mini-kasteel omgebouwde bolderkar. De heerlijk ouderwetse geur van knakkers uit een speelgoedpistooltje, de onvoorstelbaar mooie zelfgemaakte creaties, de ingewikkelde en soms loodzware constructies die mensen al die dagen meesjouwen, barbecuen midden op straat, de giechelende gezelligheid als je met z’n allen in de rij staat voor de wc, de boel op stelten zetten bij de Chinees, goedwillende “Hollanders” en buitenlanders liefdevol inwijden in de geheimen van onze allermooiste traditie.

De grappen en de grollen, straattheater op iedere hoek, spontaan met zijn allen touwtje springen in een steeg. Publiek wordt entertainer, de entertainer wordt publiek.

Maar ook het feest van kapot moe zijn, niet meer vooruit kunnen, het ijskoud hebben, door en door nat zijn, je gebroken voelen, pijn aan je voeten van het vele lopen, last van je rug van het staan en het gewicht van je carnavalspak, een keel als schuurpapier hebben, de gloeiende hitte als je met al je kledinglagen ergens naar binnen gaat, de doffe ellende als je in een veel te klein wc hokje al die lagen één voor één moet zien uit te doen waarbij je tamboerijn en andere toebehoren in de weg hangen.

De vette happen aan de kraam, de onvoorstelbare hoeveelheden rotzooi op straat, toch nog veel te veel glazen die kapot gaan (per ongeluk of expres), mensen die het nog altijd niet begrepen hebben en menen dat het “leuk” is een hoedje van iemand af te trekken of in iemands billen te knijpen. Sommigen, jong of oud, die ten onrechte denken dat in recordtijd dronken worden hier ook maar iets mee van doen heeft.

De pruik die al na vijf minuten jeukt als de ziekte, je portemonnee verliezen, de rest van de groep kwijt zijn (en dat soms niet eens erg vinden), de schmink en glitters er ’s nachts niet meer af krijgen, je huis bezaaid met afgevallen pailletten, plakkerige veren van boa’s, stukjes glas die uit je schoenzolen zijn gevallen, natte confetti-stukjes, modderige sneeuw. Overal kleren die ruiken naar de bekende mengeling van rook, bier en zweet.

Het feest van beschouwen. Zelf toeschouwer zijn. Je verwonderen. Bewonderen. Relativeren, filosoferen, diepe en serieuze gesprekken hebben terwijl je een kanariekooi op je kop hebt staan. Een duivel die kust met een bisschop. Rangen en standen die wegvallen. De verlegene toont zich extravert, de poetshulp is koningin. Mannen worden vrouwen, vrouwen worden mannen. Ongestoord zijn wie of wat je maar wilt. Het belangrijke wordt onbelangrijk en andersom. De ontroering als je kijkt naar al die lachende gezichten, naar mensen die onbekommerd plezier hebben.

Het is het allemaal en tegelijk is het zo veel meer dan de som der delen.

Een sentiment van chauvinisme, van oneindige liefde voor je stad, voor waar je vandaan komt. Een heel sterk gevoel van verbondenheid. En van trots. Trots op dit prachtige feest. Het gevoel van: dit is van en voor ons, voor iedereen die wil meedoen, dit pakt niemand ons meer af. Het gevoel van extase dat zich puur natuur van je meester maakt als duizenden kelen tegelijk uitbarsten in samenzang op een sprookjesachtig verlicht plein, het overweldigende gevoel ergens echt bij te horen.

Het surrealistische van de stilzwijgende afspraak om deze dagen uit alle windstreken verkleed samen te komen op een paar vierkante kilometer heilige grond. Net een suikerspin: zo hap je er in en zo is het weer weg. De vurige hoop er volgend jaar weer bij te mogen zijn. Telkens een paar stapjes vóór proberen te blijven op je eigen onontkoombare vergankelijkheid. Een gevoel van urgentie want alles kan zomaar ineens voorbij zijn. De tranen die onwillekeurig komen als je weer voor een jaar afscheid moet nemen van dit “feest der feesten”. Moegestreden van de vijfdaagse uitputtingsslag die je samen met al die andere gelijkgestemden onder alle denkbare weersomstandigheden hebt volbracht. Het doet pijn tot in het diepst van je wezen maar in je hart weet je: het is goed geweest. Je hebt je accu opgeladen, je hebt weer intens mogen beleven hoe het is om hiervan deel te mogen uitmaken. Je bent er weer bij geweest.

Het is een voorrecht. Elk jaar opnieuw. Geniet ervan.

© Pascale Bruinen

Dit prachtige schilderij van Robert Jan van Melle beeldt het carnavalsgevoel treffend uit. De vrolijkheid, uitgelatenheid en kleurenpracht. Ik zal ongetwijfeld nog vele andere ervaringen niet genoemd hebben die jullie hebben opgedaan met carnaval. Het is eigenlijk sowieso bijna onmogelijk om de geest van carnaval in woorden te vatten. Het is een cliché maar je moet het inderdaad zelf beleven om het te kunnen voelen. Toch kunnen jullie ook een poging wagen om je persoonlijke carnavalservaring te beschrijven. Geïnspireerd geraakt? Laat hier dan je reactie achter!

Ploetermoeder Porno

Yep. Ik heb besloten om nog op de valreep van 2012 schaamteloos in te haken op de hype rondom Fifty shades of grey. In plaats van die 14.513 keer dat mijn schrijfsels inmiddels bekeken zijn, wil ik namelijk ook graag vijftig miljoen lezer(e)s(sen) hebben. Liefst gisteren.

Vandaar mijn poging om ook wat ploetermoeder-porno aan het papier toe te vertrouwen. Uiteraard bij voorkeur ook meteen een hele trilogie. Minimaal. Dat die dan eventueel op het niveau van – pak hem beet – die oude vertrouwde Bouquetreeks is, maakt geen ene moer uit. Want ik heb sinds het interview dat E.L. James onlangs in de TV-show van Ivo Niehe gaf eindelijk heel goed begrepen wat vrouwen willen. Een klassiek, romantisch liefdesverhaal, doorspekt met hete seks en aaneenhangend van clichés.

Nou, dat kunnen ze krijgen hoor, daar draai ik mijn hand niet voor om. Ik kopieer wat hier, leen wat daar en zorg ervoor dat minstens op iedere tweede bladzijde een seksscène zo expliciet mogelijk wordt beschreven. Makkie, toch? Daarom ben ik alvast begonnen aan mijn interpretatie, die – al zeg ik het zelf – een stuk briljanter is dan het origineel. Wat zeg ik, het is je reinste bestseller-materiaal!

Hier komt ‘ie dan, exclusief voor de lezers van mijn blog! Een prikkelende passage uit mijn luchtvaartvariant op Fifty shades…waarbij ik als titel heb gekozen voor: “Mile High Club”, oftewel de aanduiding voor al die schaamteloze lieden die (ooit) seks hebben (gehad) aan boord van een vliegtuig in volle vlucht, liefst op dat fijne, luxe en schone toilet. Voorwaar een mooie en originele omgeving voor mijn zorgvuldig gekozen personages. Dus: riemen vast, daar gaan we!

Mile High Club

“Ga door, ga door…, ja..ja..Oh God. Oh God, ja…!”.  

“This is your captain speaking. We are headed for some severe turbulence. Please return to your seats immediately and fasten your seat belts”

“Fuck. Fuck!”

“Verdomme, wat denk jij dan dat ik al een kwartier lang aan het doen ben? Ik doe mijn uiterste best in dit rottige stinktoilet van een halve vierkante meter, hoor!”.

“Nee sukkel, dat was de gezagvoerder! We moeten terug naar onze plaatsen. Komt wel goed uit ook, ik heb een slapende rechtervoet van dit standje hopeloos”.

“Dacht het niet, na al deze moeite nu zeker ophouden omdat er wat turbulentie aan komt. Vind je dit niet lekker? Misschien moet jij je been wat hoger tegen de deur aan klemmen, dan zet ik me schrap tegen de wc bril. Wacht effe, als je nou…”

“Auw! Dat doet pijn! Je staat bovenop mijn hand, idioot! “

“Wacht, als jij nu op de wasbak gaat zitten, dan kan ik…”

“Shit, aah…Ik word helemaal nat!”

“Ja schatje”, hijgt hij amechtig in haar oor, “dat is toch ook de bedoeling”.

Ze duwt hem met een ferme armbeweging van zich af. “Jij hebt ook het IQ van een fruitvlieg. Ik zat met mijn kont op de kraan, halve gare! Ik ga er uit en wel nu”.

Ze bukt zich om haar broek omhoog te trekken. Net als ze op komt, buigt de sexgod zijn hoofd naar beneden om zo zijn trui aan te trekken. Báááf!!! De twee hoofden raken elkaar. Een instant sterrenhemel ontvouwt zich voor allebei. Ze kreunen luid van de pijn.

Juist op dat moment horen ze een strenge, harde klop op de toiletdeur. “Open doen! U heeft gehoord wat de gezagvoerder heeft gezegd. U moet meteen naar uw plaats terug”. Roffel-de-roffel. “Heeft u het gehoord? Nu open doen anders máák ik de deur open”. De stewardess blijft voor de deur staan. Zij is ook niet van gisteren. Ze heeft het gekreun net wel gehoord en weet donders goed dat er twee personen op het toilet zitten. Ze herinnert zich haar eigen ervaring met die smakelijke co-piloot op weg naar Casablanca nog maar al te goed. 

Na wat een eeuwigheid lijkt, vouwt de deur open en ziet ze – dácht ze het niet! – twee personen naar buiten strompelen. Eerst de vrouw, die op één been hinkt, een oog heeft dat duidelijk steeds blauwer wordt en een enorme natte vlek in haar jeans heeft. Dan de man, die bloedt uit een gescheurde wenkbrauw, er verwilderd uitziet en maar één schoen aan heeft.

Nou, denkt de stewardess, die houden van wel héél ruige spelletjes. Zo erg heb ik het nog niet eerder gezien.

“Jij met je Mile High Club!”, bitst de vrouw als ze zich vastgespt in haar stoel. “Ik wist wel dat het een stom idee was”.

“Nu gaan we het krijgen. Jij wilde dit toch zelf zo graag? De hele tijd maar bitchen over hoe saai ons seksleven wel niet is”. Hij dept zijn gezicht met een servetje dat nog hoorde bij de smerige lunch. Met een giftige ruk opent hij de krant. Alles beter dan met háár praten. Zijn oog valt meteen op de kop van een artikel.

“Flamingo Air belooft paren hoogtepunt op grote hoogte”. Hij kreunt en smijt de krant het gangpad in.

Mile High Club?

Hij is net weer met een ferme bons terug op aarde”.

En, hoe vinden jullie hem? Is ‘ie mooi of is ‘ie mooi? Ik hou me natuurlijk aanbevolen voor redactionele commentaren maar ga in de tussentijd alvast ijverig op zoek naar een uitgever, als jullie het niet erg vinden. Want hier zal zeker een markt voor zijn. Dat kan niet anders met deze verrassende dialogen en doorwrochte scènes. Ik heb puur goud in handen.

Ik zeg jullie nu al dat ik van enige kritiek echt niet wakker zal liggen, net zo min als E.L. James ’s nachts schaapjes moet tellen. En waarom zou zij ook?

She’s laughing all the way to the bank!

Nu ik nog.

© Pascale Bruinen

En nee, ik ben geen lid van die club en zal het ook nooit worden. Ik mag in dit verband volstaan met te verwijzen naar de columns “Vliegangst” 1, 2 en 3 en je weet waarom.

 

Ik vertrek

Zalvende stem van de voice-over:

“Hans en Trudy gaan, na jaren in Lutjebroek bij een baas te hebben gewerkt, nu voor zichzelf beginnen. Ze emigreren naar Azerbeidzjan om daar een winkel in tweedehands badkuipen te gaan runnen”.

Of deze.

“Merel en Paul hebben na lang dubben de knoop eindelijk doorgehakt. Ze gaan een zonnestudio opstarten in Kenia”.

Maar de favoriet blijft toch:

“Janneke en Henk-Jan hebben genoeg van alle regeltjes in Nederland en verhuizen met het hele gezin (Jantien, Jannes en Janke) naar het binnenland van Roemenië waar ze een camping gaan exploiteren”.

Zomaar drie zinnen die de opening zouden kunnen zijn van het goed bekeken tv-programma “Ik Vertrek”. Voor de enkeling die het niet kent: dat is een programma waarin doodgewone mensen besluiten het roer radicaal om te gooien door in het boze buitenland voor zichzelf te beginnen. Hetgeen uiteraard gepaard gaat met gierende emoties, heftige teleurstellingen en financiële debacles.

De formule is even simpel als doeltreffend: kies een stel dat door zou kunnen gaan voor je buren; zorg ervoor dat het enthousiasme voor een meestal op voorhand al totaal kansloze missie ervan af spat; kies bij voorkeur mensen die over meer dan gemiddelde naïviteit beschikken; laat het stel weliswaar iets voorbereiden maar vooral niet te veel.

Gevolg van deze combinatie van factoren is feel good tv van de bovenste plank. Immers:

* vanaf de veiligheid van je eigen vertrouwde bank leef je met ze mee en spoor je ze luidkeels aan om het juk van loonslaaf voorgoed van zich af te gooien. In gedachten ga je ondertussen na hoe het voor jezelf zou voelen om na de zoveelste op niks uitgedraaide vergadering tegen jouw baas op nonchalante wijze te zeggen: “Oh ja, ik heb nog wel wat voor de rondvraag. Ik neem ontslag bij deze ballentent want ik ga voor mezelf beginnen!”;

* is het zalig om ongegeneerd mee te janken als je ziet hoe moeilijk de emigranten in spé het hebben op hun o zo Hollandse afscheidsfeestje waar steevast zo’n gezellige-foto-van-achterblijvers-in-wissellijst cadeau wordt gegeven, oma Bertie in huilen uitbarst bij het vooruitzicht haar kleinkinderen te moeten gaan missen en zelfs die stuurse opa Hendrik met verdacht vochtige ogen in de camera kijkt;

* wacht je vol ongeduld op het moment dat je je met de nodige Schadenfreude helemaal suf kunt lachen als al snel na aankomst in het godvergeten gat blijkt dat er voorlopig, zeg maar het eerste half jaar, nog geen internetverbinding of telefoon beschikbaar zal zijn;

* word je rood van plaatsvervangende schaamte als je ziet dat de emigranten de taal van hun nieuwe thuisland niet eens op Jip en Janneke niveau spreken, zodat zelfs iets simpels als het bestellen van brood bij de bakker leidt tot een gênante vertoning;

* aanschouw je met stijgend ongeloof dat ze in hun ontsnappingsroes gemakshalve al begonnen zijn met die mega-verbouwing van uitgeleefde koestal naar chambre d’hôtes maar vergeten zijn een vergunning daarvoor aan te vragen zodat de burgemeester in hoogsteigen persoon (dat besnorde mannetje in rubber laarzen) alles acuut stillegt;

* kijk je hoofdschuddend toe hoe er plots nietsvermoedende gasten (die overigens altijd allemaal uit Nederland komen, locals boeken dit soort localiteiten nooit) op de stoep staan van een onderkomen wat nog lang niet af is en waar je normaliter nog geen varken in zou laten slapen.

Ironisch genoeg ontdekken de nieuwkomers pas op de plaats van bestemming dat hun nieuwe thuisland vaak minstens even veel, zo niet méér regels heeft dan Nederland. De meeste stellen hebben zich echter geen enkele moeite getroost om op dit vlak vooraf netjes hun huiswerk te doen.

Opvallend is ook dat de emigranten er voetstoots van uit gaan dat het oer Hollandse adagium “afspraak is afspraak” ook deel is van het cultureel erfgoed van bijvoorbeeld Spanje. Denk je in de binnenlanden van Andalusië op maandag om 9.00 uur een afspraak te hebben met de loodgieter zodat die vervelende lekkage wordt verholpen, mag je blij zijn als hij ergens in die zelfde week nog komt opdagen. Als de gestreste man des huizes de loodgieter in kwestie eindelijk aan de telefoon krijgt en in gebroken Engels wanhopig vraagt wanneer hij dan wel komt, luidt het antwoord: “Mañana, mañana”. Ja, morgen is inderdaad weer een dag, maar wat onze Nederlandse vrinden dan nog niet weten is dat er niet letterlijk morgen wordt bedoeld. Vrij vertaald betekent het: “Ik zie wel óf en zo ja wanneer ik kom”.

Het succes van deze inmiddels beproefde formule is hoogstwaarschijnlijk te danken aan het gegeven dat alle kijkers, waarvan velen ongetwijfeld in een midlifecrisis verkeren maar nog in de ontkenningsfase zijn, stiekem precies dezelfde dromen hebben als de deelnemers. Alleen met dit verschil dat de kijkers er eindeloos over nadenken, praten en twijfelen om dan weer over te gaan tot de saaie maar o zo vertrouwde orde van de dag, terwijl de deelnemers de stap daadwerkelijk zetten.

Dankzij de tv-avonturen van de dappere deelnemers kunnen alle lafbekken, schrijfster dezes zeker niet uitgezonderd, voor een minuutje of vijftig ook hun droom – die doorgaans ook altijd alleen maar een droom zal blijven – leven en beleven. Kunnen ze eventjes proeven aan hoe het zou zijn om het écht te doen. En hopen ze eigenlijk dat de deelnemers niet slagen in hun missie als zelfstandig ondernemer in het buitenland. Want dan voel je je zelf meteen een stuk beter omdat je wordt bevestigd in je keuze voor de veilige status quo. Blijf zitten waar je zit en verroer je niet is zo gek nog niet, denk je dan zelfgenoegzaam terwijl je nog een lekkere hand pringles naar binnen werkt.

Andersom, als ze na overwinning van tegenslag wel succes hebben en geluk vinden in hun nieuwe bestaan, voel je je als achterblijver meteen een verliezer. Een sukkel omdat je het zelf niet probeert. Want diep in je hart weet je dat je inderdaad niks wint door nooit een uitdaging aan te gaan. Door nooit in het diepe te springen. Door nooit volledig je droom na te jagen.

Sommige deelnemers mogen dan amateuristisch te werk gaan in de uitvoering van hun plannen, ze beginnen zonder uitzondering wel allemaal met een sprankeling in hun ogen aan het avontuur. Ze zijn bereid er keihard voor te werken en door diepe dalen te gaan. Ze doen het toch maar.

Daarom maak ik een diepe buiging voor alle deelnemers aan “Ik Vertrek”. Respect!

Want per slot van rekening zit ik nog steeds op mijn bank.

© Pascale Bruinen

Benieuwd wie van jullie ook graag kijkt naar andermans pogingen een mooi bestaan op te bouwen in het buitenland.

Skiën (2)

Terwijl ik steeds sneller en sneller achterstevoren op mijn ski’s de besneeuwde berg afglijd, staat H. boven nietsvermoedend te keuvelen met onze skileraar. In een reflex roep ik heel hard om hulp.

Het volgende moment zie ik dat ze allebei naar me kijken en hoor ik de geblondeerde Heineken-reclame-kloon met een sappig Zwitsers accent roepen dat ik me moet laten vallen.

Ik besluit dit advies meteen op te volgen voordat er echt ongelukken gebeuren dus gooi ik me weinig stijlvol opzij in de sneeuw. Au! Dat wordt een blauwe plek. Ik zie dat ik ongeveer één derde van de piste naar beneden gegleden ben. Tjonge, jonge, hoe moet ik nu weer boven komen?

Maar dat is nog het minste van mijn problemen, merk ik als ik probeer op te staan. Want mijn stokken liggen her en der verspreid en zodra ik recht probeer te komen, glij ik weer een stukje verder naar achteren. Oh oh, dit is een ramp. Wat moet die skileraar wel niet denken? Stel je niet aan, zegt een stemmetje dat mijn onbezorgde ik moet voorstellen, je hebt toch niet voor niks skilessen geboekt? Je bent een beginneling, dan gebeuren deze dingen. Ja, maar ondertussen heb ik een achterlijke eerste indruk gemaakt en dat kan ik niet uitstaan.

Net als ik weer een heldhaftige poging wil doen om op te staan, word ik bedolven onder een sneeuwdouche als skileraar Rudi op een paar centimeter afstand flitsend tot stilstand komt. “Grüssli!”, roept hij vriendelijk naar mijn in een nogal onnatuurlijke houding gestrekt liggende gestalte. Nou, ook gegroet. Heel prettig dat mijn eerste ontmoeting met degene die mij de fijne kneepjes van het lange lattenwerk moet gaan bijbrengen, er eentje is waar ik het schaamrood van op mijn kaken krijg.

Hij reikt mij mijn stokken aan, instrueert dat ik dwars op de helling moet gaan liggen en mijn ski’s op de kanten moet zetten. Pluspunt: ik kan opstaan en glij ook niet weg. Minpunt: ik moet dat hele klere-eind terug naar boven lópen. En wel zoals een krab. Dwars, ski voor ski.

Tegen de tijd dat ik eindelijk boven ben aangekomen, ben ik bezweet en buiten adem van de inspanning. H. heeft er daarentegen al een halve les op zitten. Ik zie dat hij al kan remmen en zelfs een klein beetje sturen. Bah. Het is gewoon niet eerlijk.

Maar er is geen tijd meer om te mokken. Heineken Rudi blijkt in het echt Enrico te heten en heeft er zin in. Hij spreekt met zo’n sterk Zwitsers accent dat ik in het begin goed mijn best moet doen om überhaupt te verstaan wat hij zegt. Wat me trouwens laat denken aan die kennis die eens de blunder van zijn leven maakte door aan een rechtgeaarde Zwitser te vragen of deze “kein normales deutsch” kon praten. Omdat ik niet levensmoe ben, zal ik deze vraag maar niet aan Enrico stellen. Geroutineerd legt hij uit wat de ski-houding inhoudt en hoe je moet remmen. Even later maak ook ik keurige stops in een v-vorm.

De volgende dag begint het serieuzere werk. Vandaag moet ik leren sturen en bochten maken. Liefst meteen zo’n vloeiende die ik overal op de pistes tot vervelends toe heb mogen aanschouwen. Enrico instrueert en doet het voor. Het lijkt zó simpel. Maar schijn bedriegt ook deze keer.

Want als het mijn beurt is, kan ik wel naar links en rechts sturen, maar krijg ik het maar niet voor elkaar om vloeiende bochten te maken. Ik zet mijn stok precies zo neer als Enrico zegt, verplaats mijn gewicht keurig op tijd en kom even iets meer rechtop. Ik draai inderdaad maar desondanks blijft het er houterig uitzien. Terwijl ik voortploeter, zie ik tot overmaat van ramp dat zelfs kleuters – nota bene zonder stokken! – de piste met ware doodsverachting af zoeven. Waarom kan ik dat dan niet? Na elke bocht die ik met horten en stoten maak, raak ik gefrustreerder. En Enrico heeft dat feilloos in de gaten.

“Sie müssen ein anstrengender Beruf haben”, zegt hij fijntjes terwijl hij mij onderzoekend aankijkt als ik verbeten aan mijn zoveelste poging begin. Verdraaid, onze Enrico heeft meer mensenkennis dan ik dacht. Met dank aan de cliché-beeldvorming in de Heineken-reclame. “Ja, das stimmt”, zeg ik daarom maar, zonder precies te zeggen wat ik in het dagelijks leven doe. Maar ik ben nu gewaarschuwd. Enrico herkent mijn A-typetje als geen ander.

Hij besluit ons een nieuwe opdracht te geven. Als we bovenaan de berg staan, moeten we in een rechte lijn naar beneden skiën. Ik gaap hem aan alsof ik water zie branden. “Hoe bedoel je, in een rechte lijn? Geen bochten?”, vraag ik naar de bekende weg om tijd te winnen. Ik voel mijn ongerustheid als een lawine op me af komen. Maar nee, Enrico is onverbiddelijk. De ski’s moeten parallel met de punten naar het dal wijzen en dan gaan met die banaan. Enrico legt nog vrolijk uit dat dit de “Fall-linie” heet. Goh, waarom ben ik daar nou niet verbaasd over?

Als hij vervolgens vraagt wie van ons tweeën als eerste wil,  roep ik natuurlijk meteen “Ich”,  hoewel ik verrek van de angst. Maar ik stik nog liever in de sneeuw dan dat ik dit hier ga toegeven. Beter vol bravoure op mijn snufferd gaan dan dat ik als watje word weggezet.

Ik verschuif mijn skibril nog maar eens, omklem mijn stokken en zet met een ferme beweging van mijn armen af. Ik zal Enrico en H. eens een poepie laten ruiken. Ik mag dan wel het betere bochtenwerk niet beheersen, me als een baksteen naar beneden storten kan ik als de beste. Ik hoor de wind steeds harder langs me gieren, zie medeskiërs alleen nog als gekleurde vlekken en voel de ijskoude lucht in mijn longen stromen. Naarmate ik langer overeind blijf, word ik zelfs een beetje overmoedig. Dieper en dieper buig ik in de skihouding door, zodat ik nog minder luchtweerstand ervaar. Met deze snelheid en mijn stokken geklemd onder mijn armen ben ik de vleesgeworden aërodynamica. Robert Redford’s down hill skier is er niks bij. Wow, wat een kick!

Even later staat Enrico naast me. Hij kijkt me verrast en – zie ik het goed? – zelfs ietwat bewonderend aan. Há! Dát had hij zeker niet achter mij gezocht. “Das haben Sie aber gut gemacht!”, complimenteert hij me. Als ik niet al vuurrode wangen had van de kou, zou ik ze nu wel krijgen van pure blijdschap. Heb ik toch nog íets goed gedaan.

Met dank aan mijn “anstrengender Beruf”.

© Pascale Bruinen

Kek plaatje, niet? Nou, zo ging ik ook die berg af, met een waar killer instinct. Misschien zijn er meer lezers, met of zonder anstrengender Beruf, die als een speer op de ski’s naar beneden zijn gegaan. Ben benieuwd naar jullie ervaringen! 

Skiën (1)

Als ik iets doe, wil ik het goed doen. Nee, correctie. Liever nog perfect en wel meteen. Zo had ik een tijd terug het idee opgevat om weer eens te gaan skiën, dit keer voor het eerst samen met H. en de kids. Lekker sportief in de tintelfrisse buitenlucht en tegen de adembenemende achtergrond van besneeuwde alpentoppen naar beneden zoeven in soepele s-bochten. Wat is er heerlijker, gezonder en ontspannender dan dat?

Klein puntje is wel dat ik inmiddels al dik thirty-something was en mijn recentste ski-herinnering dateerde van toen ik een fietsenrek in mijn mond had. Mijn laatste heroïsche daad op de wintersport bestond er uit dat ik als zevenjarige pisnijdig mijn skistokken over de piste smeet uit protest dat de les al was afgelopen. Ze scheerden rakelings langs mijn skileraar. Over ambitieus gesproken.

Zoveel jaar later is mijn hernieuwde kennismaking met de lange latten geen, hoe zal ik het zeggen, onverdeeld succes.

Het begint er al mee dat het verdomd hard werken is, dat skiën. Ongelofelijk hoe je moet slepen, sjouwen en sjorren. Niet alleen met je eigen gewicht dat door thermisch ondergoed, lange sokken, zo’n charmant gewatteerd skipak, fleecetrui, sjaal, muts, wanten en niet te vergeten die fijne lichtgewicht schoenen zo goed als verdubbeld is. Maar ook met die zware, absurd lange en dus onhanteerbare latten, om nog maar te zwijgen over die stokken die alle kanten op slingeren.

Zo gebeurt het dus dat ik – ingepakt als een eskimo – in de verwarmde kelder van het hotel eerst probeer om in mijn ski-schoenen te komen. Met de nadruk op probeer want het is voorwaar geen sinecure met alles wat ik aan en om heb. Zodra ik die krengen dichtklik, heb ik er al spijt van. Ik voel namelijk een onaangename druk op mijn scheenbenen die alleen wegebt als ik de skihouding aanneem. Maar ja, ik kan moeilijk met gebogen knieën en pront uitstekend achterwerk door het dorp gaan lopen.

Inmiddels zweet ik onder mijn thermisch ondergoed als een otter van alle inspanningen in die benauwde kelder en ik heb nog geen meter geskied. Nu de latten en stokken nog even erbij nemen en hop, de wei in met die alpengeit.

Ik kom er al gauw achter dat het lopen met skischoenen een vak apart is. Als ik in een overdreven hak-teen hak-teen gang voort zwoeg op dat middeleeuws martelwerktuig, voel ik me net Neil Armstrong die op de maan loopt. Alleen de astronautenhelm ontbreekt nog. It’s one small step for a woman, but a giant leap for Pascale. Zoiets.

Volgend puntje is dat het bar koud is buiten met een wind die de gevoelstemperatuur tot antarctische temperatuur omlaag brengt. Als ons gezelschap op de ski-bus wacht en ik ondanks mijn imposante gestalte bijna wegwaai, vraag ik me af waarom ik dit ook alweer zo nodig wilde.

Ik strompel de bus in en sla bij het instappen met mijn ski’s per ongeluk tegen het raam aan, wat mij prompt op verontwaardigde blikken van mijn medepassagiers komt te staan. Ik mompel “Entschuldigung” en tracht te gaan zitten. Mijn skischoenen zorgen er echter voor dat ik alleen in een onderuitgezakte “kan-me-niks-schelen” houding kan zitten. Als mijn buurman bij het uitstappen bijna zijn nek breekt over mijn asociaal gestrekte benen, ben ik blij dat ik de bus gezond en wel kan verlaten zonder gelyncht te zijn.

Nadat we ons kroost hebben achtergelaten in een skiklasje, kijk ik eens om me heen naar het gekrioel van mannen, vrouwen en kinderen die allemaal maar één doel voor ogen hebben: de dichtstbijzijnde skilift bereiken en wel zo snel als je skischoenen je dragen kunnen. Wat niet erg snel is. Maar zie, de slimmeriken stappen alvast in hun ski’s en begeven zich naar de lift, een eindje verderop.

Omdat wij met onze skileraar boven hebben afgesproken, besluiten we dit voorbeeld te volgen. Ik gooi de latten neer en klop geroutineerd de sneeuw van mijn schoenen voordat ik ze vastklik in de ski’s. Zo, dat is een makkie. Dat ziet er alvast goed uit. Ik zet me af met mijn stokken en glijd soepeltjes in de richting van de sleeplift. Daar héb ik toch een hekel aan. Achter mekaar in de rij als een stelletje makke schapen en dan één voor één zo’n stomme stang tussen je benen duwen. Maar ja, je zult toch eerst die berg óp moeten voordat je eraf kunt.

Bij de lift glibber ik natuurlijk meteen te ver door, zodat ik met de punten van mijn ski’s over de achterkant van die van mijn voorganger schuur. Hij werpt me een dodelijke blik toe. Ik mompel weer “Entschuldigung”, wat deze reis mijn stopwoordje dreigt te worden.

Zo goed en zo kwaad als dat gaat met mijn wegglijdende ski’s en twee onwillige stokken die ik onder mijn arm moet klemmen manoeuvreer ik me in het daarvoor bedoelde spoor. Ik kijk over mijn schouder, gefocust op de eerstvolgende stang. Je moet namelijk goed opletten dat je dat metalen anker niet tegen je harses krijgt en dan ook nog de tegenwoordigheid van geest hebben om dat ding precies op het juiste moment te pakken.

Ja! Daar komt ‘ie! Ik grijp de stang alsof het mijn laatste strohalm is en even later voel ik een kleine ruk als ik word voortgetrokken. Mijn euforisch gevoel dat het meteen gelukt is, duurt niet lang want het volgende moment gaan mijn ski’s uit elkaar, ieder een andere kant op. Even dreig ik zó’n onvrijwillige spagaat te gaan maken dat compleet inscheuren na een bevalling daarmee vergeleken een piece of cake is. Maar met wat halsbrekende toeren slaag ik er wonder boven wonder toch in mijn latten terug te dringen in het spoor.

Bijna boven aangekomen let ik scherp op mijn voorgangers. Hoe verlaten die de lift? Ik zie het al, het is gewoon een kwestie van op tijd loslaten! En meteen weg skiën, stel ik ongerust vast. Als dat maar goed gaat. Ik ben er nu bijna. De clou is dat je niet  te vroeg loslaat (want dan glij je achteruit de berg af en komt er een kettingbotsing in de sleeplift), maar zeker ook niet te laat (want dan ga je in een noodgang de berg aan de verkeerde kant af).

Ik haal de stang tussen mijn benen uit, laat me nog even verder trekken en laat dan los. Ik zet me met mijn stokken af, naar ik hoop naar rechts waar de piste wacht. Maar mijn ski’s lijken een eigen leven te leiden want de bocht lukt niet echt. Zodoende kom ik loodrecht op de berg te staan en begin ik tot mijn schrik achterstevoren naar beneden te glijden. “H., héllup! Help me!”, roep ik nog, maar H. is wél keurig opzij geskied en staat zelfs al gezellig met een man te keuvelen.

Ik kijk naar het overduidelijk geblondeerde haar, het felrode skipak en de überflitsende skibril van de man in kwestie.

Oh mijn God. Ook dat nog.

Het is onze skileraar.

© Pascale Bruinen

Om nou te zeggen dat ik er precies zo uitzag is een tikkeltje overdreven maar wel ongeveer. Enige verschil was dat dit figuur er kennelijk wel nog mee kon lachen. Nu de tijd van wintersport weer gaat aanbreken, zou het leuk zijn om jullie skiverhalen te horen. Dus als je iets wilt delen, laat dan een reactie achter!

Survivalkit voor de flexwerker

Net terug van vakantie, hoor ik dat we gaan flexwerken. We mogen nagenoeg niks meer aan persoonlijke spullen op de werkplek hebben. Het devies luidt dus: opruimen! Mijn relaxte post-vakantie staat is in één klap weggevaagd want ik hang nogal aan mijn ditjes en datjes. Sommige nuttig, andere alleen maar leuk en een enkele een combinatie van beide. Ik kijk vertwijfeld naar mijn bureau, kast en de onmiddellijke omgeving daarvan. Dit is wat ik zie aan privé-prullaria:

Twee ingelijste pentekeningen; diverse fotolijstjes met afbeeldingen van mijn kroost toen het nog tanden aan het wisselen was; een imposante verzameling thee- en cup a soupzakjes, mokken, glazen, lepeltjes en een eenpersoons theepot; knutselwerkjes (onder andere een té schattig nep frambozengebakje) en tekeningen van de kids uit het pré-puber tijdperk; een paraplu; een stel hangers; verschillende plastic zakken en stoffen tassen voor als ik boodschappen ga doen; een paar gemakkelijke (platte!) schoenen om in de pauze – verlost van knellende hakken – snel een blokje om te gaan; zo’n bol met nepsneeuw (afdankertje van dochterlief); een stel verjaardagskaarten van drie jaar geleden; een wekkerradio (niet om wakker te blijven maar om eventueel naar de radio te luisteren, wat ik overigens nooit doe); een (plak)spiegel; een gelukspoppetje (cadeau van lieve vriendin); een felgroene verzwaarde zak die fungeert als deurstop; een plant (eentje van het type dat overleeft no matter what); een prent van een Buddhahoofd (bedoeld om zen te blijven wat overigens meer niet dan wel lukt) en een afbeelding van een lachende vrouw en man die onder het genot van een glas rode wijn gezellig in de openlucht aan het tafelen zijn (gevisualiseerd levensmotto van een dierbare vriendin die het werkje passend heeft betiteld als “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij”. Nu dit toevallig ook mijn levensmotto zou kunnen zijn, kijk ik daar altijd naar als ik een mental boost nodig heb. Zoals, euh, nu).

Mijn brein doet een heldhaftige poging om te gaan werken maar raakt al snel overbelast, gewend als het de laatste drie weken is geraakt aan dolce far niente. Eerst maar eens koffie, denk ik, dan opruimen. De massa e-mails in mijn in-box en stapels door te ploegen dossiers moeten dan nog maar even wachten.

Gewapend met een cappuccino uit de automaat, die overigens in niets laat denken aan het gelijknamige drankje waarvan ik in Italië heb genoten, keer ik terug op mijn kamer. Ik adem eens diep in, neem een van mijn plastic zakken ter hand (zie je, komt nu toch goed van pas!) en donder daar, met pijn in mijn hart, zoveel als maar kan aan spulletjes in. Met uitzondering van mijn thee- en soepzakjes (dorst en honger is niet goed voor de productie), mijn plakspiegel (ik wil niet rondlopen met lippenstift op mijn tanden en ik krijg hem toch niet meer van de muur af), mijn gelukspoppetje (wie weet wat er gebeurt als ik het weghaal) en afbeelding van “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij” (het oog wil ook wat). Daar moet ik dus nog iets op verzinnen.

Ik kijk, nadat ik drie zakken tjokvol heb gestouwd, tevreden om me heen. Hee, ik kan de vensterbank weer zien! En de ruimte ziet er navenant groter uit nadat ik een onwaarschijnlijke hoeveelheid post-its, briefjes, memo’s en een enkel vergeeld krantenartikel van de muur getrokken heb. Ik voel me verlost, gelouterd, bevrijd.

Maar daarmee ben ik er nog niet. Want in plaats van in totaal anderhalve (hoge) kast in beslag te mogen nemen, krijg ik vanaf nu maximaal twee planken toegewezen. Twee planken. Dat wordt een uitdaging. Ik laat mijn ogen gaan over de onafzienbare rij ordners die ik in de loop der tijden verzameld heb. In het overgrote deel ervan werp ik nooit een blik, laat staan dat ik er iets mee doe. Hoogste tijd dus voor rigoureuze actie. Mijn methode? Ik blader ze vluchtig even door, schrik me kapot van de inhoud die soms terug blijkt te gaan tot rond de millenniumwisseling om vervolgens het hele zwikje met een voldaan gevoel in de papierversnipperaar te gooien. Zó, dat lucht op. Na een uur heb ik zowaar drie kwart van een hele kast weggewerkt. Maar dat komt omdat ik na de eerste tien minuten besluit het vluchtig doorbladeren over te slaan en de inhoud ongezien weg te smijten in de rotsvaste veronderstelling dat ik het toch niet zal missen.

Blijft het probleem dat ik binnenkort geacht word aan eender welk bureau te kunnen werken, terwijl ik toch wat aan eigen spulletjes en gezelligheid wil behouden. Ineens heb ik een ingeving. Ik moet gewoon zo’n zeil hebben met daaraan op iedere hoek een touw, zoals die verkopers van neptassen- en zonnebrillen. Iedere ochtend spreid ik dan dat zeil uit over mijn “bureau van de dag” en arrangeer mijn privé-spulletjes erop. Aan de flexmuur pin ik mijn “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij”, mijn gelukspoppetje hang ik over mijn leeslamp en mijn plant posteer ik naast het computerscherm. All set! Zodra ik uitgewerkt ben, trek ik aan de vier touwtjes zodat mijn spullen in één handige beweging samengepakt worden in een soort van pungel en ik vertrek. Ideaal!

Een survivalkit voor de flexwerker.

© Pascale Bruinen

En dit is ‘m dan, “Hapje, Drankje, Leuke Man D’rbij”, die niet mag ontbreken op mijn flexwerkplek. Één blik op deze afbeelding en je weet waarom.